‘Ineens wist ik: ik hou van Nederland’

Foto: AP, de Kanttekening

De Kanttekening vroeg vijf ‘nieuwe’ Nederlanders wat vaderlandsliefde voor hen betekent.

Vaderlandsliefde kan betekenen dat je juicht als je land een doelpunt maakt op het wereldkampioenschap voetbal, maar het kan ook betekenen dat je je leven wil geven voor dat land. Nieuwe Nederlanders kunnen twee landen kiezen waar zij trots op zijn: Nederland en hun herkomstland. De Kanttekening vroeg enkele weken geleden zes ‘nieuwe’ Nederlanders wat vaderlandsliefde voor hen betekent. Deze week deel twee.

Ubaldo Sichi (65, Florence, Italië)

‘Ik woon in Nederland sinds 1975. Als tiener trok ik door Europa en van alle steden beviel Amsterdam mij het beste. Ik had een beetje genoeg van Italië. Ik wilde kunstenaar worden, maar in Italië heb je dan weinig perspectief. Ik deed toelatingsexamen voor de Gerrit Rietveld Academie en werd aangenomen. Ik ontmoette Riek, een Nederlandse vrouw, Friezin nog wel. Betrouwbaar, maar ook koppig.

Of ik mij meer Nederlander of Italiaan voel? Ik voel mij geen van beiden, maar een aantal ‘Nederlandse’ karaktertrekken had ik al. Ook in Italië was ik altijd al de man die vijf minuten te vroeg kwam op afspraken. Wat betreft het eten ben ik echt van de Italiaanse keuken. Ik heb Nederland wel zien veranderen wat betreft eten. Als ik een aubergine wilde, destijds, moest ik naar een specialist. Hetzelfde geldt voor koffie. Ik moest altijd lachen als ik een bordje zag met ‘verse koffie staat klaar!’ Voor een Italiaan is dat vanzelfsprekend.

Wat betreft het omgaan met mensen: moeilijk te zeggen. Maar wat ik heel mooi vind aan Nederland is dat je hier dingen kan bereiken zonder connecties. Het is mij hier gelukt om een goede galerie te vinden zonder recommandatie. Dat is echt onmogelijk in Italië.

Voor de Europese verkiezingen mag ik kiezen of ik voor Nederland of Italië stem. Ik heb steeds gestemd voor de Italiaanse verkiezingen, tot het referendum van Matteo Renzi. De laatste tijd moet ik vrienden in Italië vragen hoe het ook al weer zit met de politiek. Dat is er de laatste jaren ingeslopen. De Italiaanse media zijn te langdradig en te emotioneel om goed te volgen. De tv is meer op zoek naar emotie dan feiten. Niet te doen eigenlijk. Is er ergens een ramp gebeurd, dan moeten er tranen op de buis. In Nederland vraagt men: wie gaat het betalen? Ik vind beide een beetje overdreven.

Mijn vaderland vervaagt een beetje. Mijn moeder en mijn zus wonen er nog. Ik ga twee keer per jaar terug. Ik heb weinig Italiaanse vrienden, hooguit twee of drie. Vroeger waren dat er meer. Sommige Italianen, vooral uit de linkse hoek waar ik me ook bij schaarde, blijven heel hun leven hetzelfde. Alleen maar felle politieke discussies, zeuren over wat er allemaal slecht is. Daar had ik op een gegeven moment geen zin meer in. Ik kan het hier het beste vinden met mensen die dat ook hebben met hun eigen land, mensen die uit hun eigen groep zijn gestapt door veel te reizen of door een buitenlandse partner te kiezen.

Mijn dochter Alessandra heb ik tweetalig opgevoed. Ze heeft veel Italiaanse cliënten in haar praktijk. Ze kent beide culturen, spreekt ook de taal. Het viel haar op dat Italianen in Nederland vaak naar andere Italianen trekken afkomstig uit dezelfde streek. Dat ‘campanilismo’, het gevoel van eigen parochie eerst, daar heb ik mij altijd van proberen af te zetten. Al houd ik van het Florentijnse dialect, een soort oer-Italiaans, en ik ben trots op de Renaissance. Maar soms is een grote geschiedenis ook een grote last. Je bent er altijd mee bezig. Voor die last ben ik altijd gevlucht. En toch. Misschien ontkom ook ik er niet aan. Ik voel me meer Florentijn dan Italiaan.’

Paul Carroll (39, Perth, Australië)

‘Ik ben geboren in Perth, in het westen van Australië. De eerste vijf jaar van mijn leven woonde ik in Laverton, een klein dorpje, met een paar honderd mensen. Rode woestijn, blauwe lucht, eindeloze horizon, de echte outback.

Uiteindelijk ging mijn vader, werkzaam in de mijnsector, graven in Finland en kwamen wij op mijn zestiende in Amstelveen terecht. Ik vond het geweldig. In Perth zat ik op een heel grote school, met veel geweld. Ik voelde mij niet veilig. Hier kwam ik terecht op een kleine dure internationale school met weinig kinderen.

Op mijn achttiende ging ik terug naar Perth om te studeren, milieuwetenschappen, na de studie ging ik terug naar Nederland, naar Amsterdam.

Ik heb mij altijd meer Australiër gevoeld dan Nederlander. Een vreemd gevoel. Want als ik de accenten hoor bij de luchthavens in Australië, dan word ik al een beetje misselijk.

Dan denk ik: oh nee, zit ik weer tussen die mensen! Maar dat heb ik ook in Nederland. Toch vind ik de mensen in Nederland meer bij mij passen. Dat komt misschien omdat ik hier langer ben geweest als volwassene. Maar misschien ook omdat ik in Amsterdam heb gewoond. Omdat Amsterdam beter past bij mijn persoonlijkheid. De macho mannenwaarden van Australië passen niet helemaal bij mij. Iedereen houdt er van sport. In Amsterdam is het allemaal wat intellectueler, al is dat ook geen afspiegeling van Nederland.

Eind dit jaar emigreer ik met mijn vrouw, zoon en dochter terug naar Australië. Voor de ruimte. Dat gun ik mijn kinderen. Maar ook omdat wij graag thuisonderwijs willen geven. Dat is bijna niet mogelijk in Nederland. Mijn vrouw wil ook de stad uit, maar niet in Nederland. We gaan naar Hobart, Tasmanië. Daar woonden vroeger heel stoute mensen.’

Caroline Brésard (Linselles, Frankrijk)

‘Als kind was ik heel trots op mijn land. Frankrijk was alles. Trots op mijn ouders en zusjes. Dat is een natuurlijk instinct. Een kind moet trots zijn, het is ook een vorm van hechten. Ik was ook trots op mijn taal. Je wist als kind ook niet veel van andere landen. Je leerde over Jeanne d’Arc, Napoleon en alles op tv was nagesynchroniseerd. Ik woonde tot mijn vierentwintigste in Frankrijk. Op vakantie naar de Azoren ontmoette ik de vader van mijn dochter die Nederlander was.

Toch wist ik wel wat van Nederland voordat ik er terechtkwam. Nederland heeft altijd als voorbeeld gediend voor Frankrijk. De architectuur, het sociaal beleid, de kunst, hoe jullie met de boeren omgingen en hoe jullie je politie en politiek democratisch organiseerden. Op heel veel niveaus wisten wij heel veel over Nederland. Toen ik hier kwam dacht ik ‘goh, niet alles is hier perfect’. Ik schrok er vooral van hoe men hier dacht over ons. ‘Frankrijk is een mooi land, maar er wonen zo veel Fransen.’ Men vond ons chauvinistisch. Ik vond dat een beetje onheus en tactloos. Ik dacht dat Nederlanders geen gevoelens hadden. Iedereen is zo direct en zakelijk. Een vriendin zei tegen mij ‘Nederlanders hebben wel gevoel, maar ze tonen het niet’.

Het heeft mijn Franse identiteit niet sterker gemaakt, maar het was wel een enorme cultuurschok. Ik was geïnteresseerd in alles. Maar ja, Frankrijk bleef in mijn hart: het eten is beter, betere manieren, minder lomp, mensen waren niet zo aardig tegen mij, vond ik.
Ik zeg altijd ‘ik ben Française geweest’. Ik had jarenlang zo veel heimwee. Als ik naar Frankrijk was geweest, kwam ik heel teleurgesteld terug. Ik had altijd een maand nodig om te wennen aan Nederland. Ik ging daarom steeds minder vaak terug naar Frankrijk. Gewoon om dat gevoel, dat gemis te voorkomen.

Mijn echte keuze voor Nederland is vijftien jaar geleden gemaakt, tijdens Sail. Ik was bij het Wilhelmina-Dok aan het wachten, met een vriendin. Ik kan mij die avond goed herinneren. De stad was zo liefelijk. Ik was zo gelukkig. Al die lieve mensen, die prachtige organisatie. Ineens wist ik: ik hou van Nederland. Mijn hart was die avond Nederlands geworden. De stad had zich geopend.

Ik ben hier echt gelukkig, terug naar Frankrijk gaan durf ik niet. Mijn band is ook een beetje gebroken toen mijn moeder zestien jaar geleden overleed. Mijn vader en broer waren al dood toen. Ik voelde toen, na haar overlijden, dat mijn band met Frankrijk echt was gebroken. Ik stond op het perron en ik voelde het.

Ik ben een ander mens geworden in Nederland. In Frankrijk kon ik niet altijd mijzelf zijn. Mijn ouders waren heel kritisch over alles en iedereen, dat is ook wel Frans, zeuren en kritisch zijn over alles. In Nederland had ik dat niet, mijn vriend toen, Piet, de vader van mijn dochter, had dat meteen door. Ik ben Nederland daarom wel dankbaar. Het was de breuk met mijn Franse familie, waardoor ik hier zelf iets kon opbouwen. In Frankrijk was alles bepaald door mijn achtergrond en familie. Nee, ik zou nooit meer terug gaan.’

Kendreth Odor (37, Oranjestad, Aruba)

‘Ik ben geboren in Oranjestad, maar opgegroeid in Piedra Plat, een wijk midden op het eiland, dichtbij de Hooiberg. Ik ben naar school gegaan in Oranjestad en daarna voor mijn studie naar Nederland gekomen.

Arubaan zijn betekent voor mij: liefde hebben voor waar je vandaan komt. Niet bang zijn om te zeggen wat onze tradities en cultuur zijn. Ik geef het ook door aan mijn kind. Onder andere door de taal.

Aruba is in de loop der jaren wel veranderd. Als ik kijk naar mijn jeugdjaren heb ik goede momenten gehad. Na school bij oma en opa. Je hebt een bepaalde vrijheid op Aruba. Woon je buiten dan kun je spelen op de rotsen. Maar je kon ook op straat spelen in de stad waar mijn andere opa woonde.

Eten is voor mij denk ik het belangrijkste van de unieke Arubaanse cultuur. De producten van het land, zoals kip, vis, cabrito en groenten, en de zee, zoals pisca cora en calco. Ik houd erg van de echte traditionele Arubaanse gerechten.

En dan nog de muziek en dans, zoals terra dera gaiy, baile di sinta en dande. En natuurlijk het carnaval. Oude dansen die bijna niet meer worden gedanst, maar die ik wel van mijn ouders heb meegekregen. Het zijn de culturele tradities die voor mij nog altijd mijn Arubaanse identiteit bepalen. Gewoon omdat je ze echt niet ergens anders vindt, zolang je het niet zelf doorgeeft.

Ik zit al de helft van mijn leven hier in Nederland, maar mijn Arubaan-zijn heeft puur te maken met de vorming die je krijgt van huis uit. Als men mij hier aanspreekt als Antilliaan zeg ik ook altijd dat ik Arubaan ben. Als mensen een negatieve opmerking maken over het eiland zal ik er ook altijd wat van zeggen. Volgens de papieren ben ik Nederlander, want geboren op Nederlands grondgebied. Ik voed mijn dochter, die half Nederlands is en gewoon hier opgroeit, ook tweetalig op. Ik zing graag kinderliedjes met haar in het Papiaments.

Ik weet niet of ik ooit terug zal gaan. Voor mijn werk zit ik hier, maar ik ben ook bang dat ik mij op het kleine eiland gekooid ga voelen. Toch hoef ik er voor mijn gevoel niet te wonen om mij toch Arubaan te voelen. Ik hang mijn Arubaanse vlag nog steeds ieder jaar uit als het 18 maart is, de dag van vlag en volkslied.

Natuurlijk, ik zou een betere Arubaan zijn als ik daar zou wonen en zou bijdragen aan de economie. Maar op mijn manier, door hier connecties te leggen voor Aruba, doe ik dat misschien ook wel. Misschien ga ik terug als ik oud ben. Maar dan moet ik genoeg geld hebben verdiend, want voor young professionals als ik zijn de carrière kansen in het buitenland vooralsnog groter.’

Andrea Daza, (35, Bogota, Colombia)

‘Afgelopen zondag was ik met mijn man op een Colombiaans filmfestival. Ik zag er een film van Leon Verheul, een documentaire over Jules Deelder in Colombia. Die man zat alleen maar te vertellen over drugs. Ik werd zo boos. Mijn man moest mij echt tot rust manen. Op zo’n moment voel ik dat ik een soort ambassadeur van Colombia wil zijn. Ik wil praten over het eten, de zee, bloemen, niet over de drugs.

Colombiaan zijn betekent voor mij: een rijke cultuur. Gelukkig en sociaal zijn, leven in een warm land waar alles zomaar beschikbaar is en het eten goedkoop is.

Wat Colombia anders maakt dan de omringende landen? Misschien zijn de verschillen tussen de regio’s van het land wel groter dan die met de buurlanden.

Amsterdam is supergaaf. Maar we missen onze familie in Colombia heel erg. We voelden ons wel als toeristen in Colombia onlangs. Dat was wel heel raar. We hadden geen huis. Dus het voelde niet als thuis. Maar hier ook niet. Terwijl het hier wel zo zou moeten voelen en daar ook eigenlijk.’

DELEN
Jaime Donata
Journalist gespecialiseerd in kunst & cultuur en politiek.