Op 3 oktober 1795 stierf slavenleider Tula een wrede marteldood. Wie was hij?

Lees meer

Op 3 oktober 1795 werd Tula, de leider van de grote slavenopstand op Curaçao, op gruwelijke wijze geëxecuteerd. Net als de Surinaamse schrijver en verzetsstrijder Anton de Kom (1898-1945) is Tula bij het Nederlandse publiek nauwelijks bekend. Wie was Tula? En wat is zijn historische betekenis?

Over het leven van Tula voor de grote slavenopstand van 17 augustus 1795 is eigenlijk niet heel veel bekend. Waar en wanneer hij geboren was, is nergens overgeleverd gebleven. Wat we wel weten is dat hij en zijn ouders als slaaf te werk waren gesteld op de Curaçaose plantage Kenepa, eigendom van de Nederlander Caspar Lodewijk Van Uytrecht. Met ongeveer vijftig andere mannen en vrouwen moest hij hard werken onder erbarmelijke omstandigheden.

Hoewel de gronden op Curaçao plantages werden genoemd, groeiden er geen gewassen zoals suiker en tabak, de gebruikelijke gewassen op de andere Caraïbische eilanden. Vanwege de droogte konden hier alleen voedingsmiddelen zoals Turkse tarwe en vruchten als mango, limoen, en sinaasappel worden geteeld. Daarnaast deden plantages aan veeteelt, voor de zuivel, het vlees en de huiden. Plantages telden maximaal vierhonderd slaven. Zulke grote slavenpopulaties waren nodig om het zout uit de zoutpannen te vergaren en de andere werkzaamheden op de plantage te verrichten. Maar wat maakte de Nederlandse plantages op Curaçao eigenlijk zo beroerd?

In de jaren voor 1795 was de onvrede op de plantages in Curaçao zodanig aangezwollen dat er een opstand in de lucht hing. De leef- en werkomstandigheden voor slaven waren abominabel en straffen zonder aanleiding waren schering en inslag. Bovendien was er voor de slaven maar weinig voedsel en het voedsel dat er was, was van slechte kwaliteit. Slaven op Curaçao moesten sinds kort ook op zondag werken en met het weinige geld dat ze daarmee verdienden moesten ze hun eigen levensmiddelen kopen. Uiteraard bij de eigenaar van de plantage, die daarvoor een hoge prijs rekende.

Dit waren omstandigheden die, zelfs binnen het repressieve, inhumane plantagesysteem, ingingen tegen het slavenreglement. Een plantagehouder had immers altijd nog de plicht om de mensen te voeden die hij gratis voor hem liet werken. De slavenopstanden in de Franse koloniën in het Caraïbische gebied vanaf 1791 hebben het vrijheidsvuur bij Tula en de zijnen aangestoken. Tula kreeg niet voor niets de bijnaam ‘Rigaud’, naar André Rigaud, de leider van de slavenopstand op het door de Fransen bestuurde Haïti.

Fragment uit de film: Tula, the revolt (Foto: YouTube)

Paniek in Willemstad

Als de Franse Revolutie met de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap in de jaren na 1792 over Europa uitwaaiert – en uiteindelijk ook op de punten van Franse bajonetten onze contreien bereikt, wordt De Republiek der Zeven Verenigde Nederland in 1795 omgedoopt tot de Bataafse Republiek. De Bataafse Republiek was een satellietstaat van Frankrijk, dat in 1794 de slavernij had afgeschaft. Tula grijpt dit momentum aan om de al bestaande onvrede te concretiseren en eist dat de slaven worden vrijgelaten.

Samen met een kleine groep vrienden en vertrouwelingen die kwamen van plantages uit de omgeving – Bastiaan Carpata en Pedro Wacao zijn de namen die we nu nog kennen – organiseert Tula bijeenkomsten. Binnen een paar dagen wordt een klein leger gevormd dat bereid is om te vechten voor vrijheid en een menswaardig bestaan.

Het is 17 augustus 1795 wanneer Tula besluit om te stoppen met werken. Met een groep van bijna vijftig man stapt hij af op plantage-eigenaar Caspar Lodewijk Van Uytrecht, om bij hem te pleiten voor hun vrijheid. Van Uytrecht verwijst Tula en de zijnen door naar de gouverneur in Willemstad, die zetelt in Fort Amsterdam.

‘Wij willen niemand kwaad doen, maar wij willen vrijheid’

Op hun tocht daarnaartoe komen de opstandelingen langs verschillende plantages op het eiland: Lagun, Santa Cruz, Porto Marie, San Nicolas, Santa Martha en San Juan. Steeds meer slaven sluiten zich aan bij de protesterende groep mannen. Ook bevrijden Tula en zijn vrienden slaven die gevangen zaten. Uiteindelijk zwelt de groep aan tot ongeveer tweeduizend man.

Ondertussen zit de Koloniale Raad met de handen in het haar. Met het vertrek van Tula uit Kenepa had Van Uytrecht zijn eigen zoon te paard naar gouverneur De Veer in Willemstad gestuurd, met een briefje waarin hij waarschuwde voor een mogelijke slavenopstand.

Diezelfde avond nog houdt de Koloniale Raad een spoedbespreking. Naast het reguliere garnizoen worden alle vrije zwarte militairen en mulatten opgeroepen om de hele nacht te patrouilleren rondom Willemstad, zo bang was het koloniale bewind voor Tula en zijn mannen. Commandant Wierts van het marineschip Medea, dat in de haven aangemeerd ligt, wordt gevraagd om Fort Amsterdam en de stad te verdedigen indien dat nodig was.

De successen van Louis Mercier

Tula stuurt zijn volgeling Louis Mercier terug naar Kenepa om de andere slaven te bevrijden. Onderweg valt Mercier ook de plantage Santa Cruz aan en neemt hij een commandant en tien van zijn mulatten gevangen. Daarnaast bevrijdt Mercier slaven van andere plantages en maakte hij meer wapens buit. Bij de plantage Fontein doodt Mercier de Nederlandse schoolmeester Sabel uit medelijden. Een van de andere opstandelingenleiders, Pedro Wacao, had Sabel namelijk achter een paard gebonden. De schoolmeester werd het eerste echte slachtoffer van de rebellen.

Mercier maakt wapens en een kanon buit op plantage Fontein en treft voorbereidingen om de heuvel Seroe Fontein dichtbij het landhuis te bezetten. Vanaf de heuvel kunnen de opstandelingen de weg van Willemstad naar Bandabou controleren. Tula en zijn kameraden kunnen inmiddels rekenen op de hulp van de meerderheid van de slaven en vrije zwarten op Bandabou. Veel plantage-eigenaars op het platteland hadden hun huizen verlaten en waren naar de stad gevlucht. De opstandelingen hebben hierdoor de beschikking over genoeg voedsel en water.

In de stad besluit de Koloniale Raad om een kleine strijdmacht, bestaande uit twaalf militairen en dertig vrije zwarten onder commando van luitenant R.G. Plegher, naar Bandabou te sturen. Deze groep gaat per boot van Willemstad naar Boca San Michiel en van daar te voet naar Portomari, waar Tula en zijn volgelingen hun kamp hadden opgeslagen. Op 19 augustus lijdt Plegher een gevoelige nederlaag op de plantage Oud St. Marie. De rebellen komen hierdoor in het bezit van tachtig extra geweren. Hun aantal is inmiddels tot twaalfhonderd gegroeid. Tula en zijn opstandelingen zijn een serieuze bedreiging geworden voor de koloniale macht.

Onderhandelingen

De Koloniale Raad stuurt hierop een groter leger naar Bandabou. Dat bestaat uit 93 soldaten, 62 mariniers en 45 burgers te paard. Ze staan onder commando van garnizoenskapitein Baron van Westerholt tot de Leemcule. Hij heeft orders om de rebellen clementie aan te bieden, om zo levens te redden. Met deze groep gaat ook Jacobus Schink mee, een pater van de franciscaner orde.

Schink spreekt met Tula en probeert hem over te halen om zich over te geven. Hij tekent dit gesprek ook op. Tula antwoordt: ‘Zij hebben ons erg slecht behandeld. Wij willen niemand kwaad doen, maar wij willen vrijheid. Is niet iedereen op aarde een afstammeling van Adam en Eva? Deed ik er fout aan om 22 broeders uit de gevangenis te bevrijden, waar ze ten onrechte in zaten? Ai, vader, zelfs een dier krijgt een betere behandeling.’

Tula vertelt Schink ook dat hij weet dat de Franse slaven op Haïti waren vrijgelaten. Omdat Nederland in Franse handen is, beredeneert hij dat de slaven op Curaçao dan ook de vrijheid verdienen. Hij neemt daarom geen enkel aanbod aan.

Schink keert terug naar Baron van Westerholt en licht hem in over de voorwaarden van Tula. Maar Van Westerholt is niet bereid om in te gaan op deze eisen en besluit om versterkingen te halen. Hij gaat in de aanval en geeft orders om te schieten op elke gewapende slaaf. Negen slaven worden gedood, velen raken gewond en twaalf opstandelingen worden gevangengenomen. De overige opstandelingen weten te vluchten.

Verraden en gebroken

Tula en zijn kameraden geven de strijd nog niet op. Zij vergiftigen het drinkwater van hun vijand en veroveren voedselvoorraden. Hun guerrillaoorlog gaat door totdat Tula en Carpata op 19 september 1795 worden gevangengenomen. Ze worden verraden door een slaaf die was gezwicht voor de buitengewoon aanlokkelijke beloning dat was uitgeloofd voor degene die een of meerdere opstandelingenleiders kan uitleveren.

Louis Mercier was al eerder gevangengenomen in de buurt van de plantage Kenepa. Op het moment dat de belangrijkste leiders zijn gearresteerd is de opstand voorbij. Tula wordt gedwongen een valse bekentenis te ondertekenen, waarin staat dat hij het op witte en gekleurde mensen had voorzien.

Op 3 oktober 1795 worden Tula, Bastiaan Carpata en Pedro Wacao publiekelijk ter dood gebracht. Tula wordt als eerste terechtgesteld. Met een ijzeren staaf worden alle botten in zijn lichaam gebroken. Daarna wordt zijn gezicht verbrand en uiteindelijk wordt hij onthoofd. Bastian Carpata moet – vastgebonden op een kruis – toekijken hoe Tula aan zijn einde komt, om uiteindelijk hetzelfde lot te ondergaan. Vervolgens wordt Pedro Wacao met touw om de benen rond het schavot gesleept, waarna zijn handen worden afgehakt. Zijn hoofd wordt met een moker verbrijzeld.

De lichamen van de drie mannen, of wat daarvan over was, worden met stenen verzwaard en in de zee gegooid. 29 andere gevangen genomen slaven wacht een ‘genadiger’ lot en worden ‘slechts’ opgehangen.

Pasobra mi ta pretu zeggen ze daar: ‘omdat ik zwart ben’’

Verzwegen geschiedenis?

In de Nederlandse geschiedschrijving werd Tula lange tijd verzwegen. Maar het NiNsee, het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en erfenis, vindt niet dat Tula hier tegenwoordig nog tekort wordt gedaan. ‘Sinds 2003 worden in Amsterdam en Rotterdam nationale herdenkingen georganiseerd op 17 augustus, de dag dat de slavenopstand begon. Ook wordt er een herdenkingsconcert verzorgd en is er jaarlijks een uitverkochte Tula-lezing’, vertelt Ronny Rens van het NiNsee. Wel vindt het NiNsee dat er binnen het Nederlandse onderwijs meer ruimte moet komen voor de slavernijgeschiedenis in het algemeen.

In Curaçao is Tula inmiddels alom bekend en een ware held. Hij kreeg een standbeeld aan de kust van Willemstad en er is een Ruta Tula: een historische route langs alle plekken waar Tula is geweest tijdens zijn slavenopstand. Ook kwam er een Tula Museum. In 2010 werd hij de nationale held van het eiland en drie jaar later kwam er zelfs een Engelstalige speelfilm over hem uit: Tula: the revolt.

‘De Curaçaose slavernijdeskundige en literair auteur Giby Bacilio heeft gevochten voor een ruimere historische bewustwording rondom de figuur Tula’, vertelt Rens. Dat deed Bacilio vanaf de jaren tachtig aan de hand van gedichten, straattoneel, columns, romans en andere vormen van kunst en literatuur, gewijd aan het koloniale verleden en de slavernij.

Volgens Bacilio zijn sleutelfiguren als Tula belangrijk omdat de slavernij voortleeft in het hoofd van de Curaçaoënaars. Bacilio stelt dat de Curaçaoënaar gedwongen wordt tot een zoektocht naar de eigen identiteit vanwege de afhankelijkheid van de Nederlandse Antillen, maar ook vanwege een dominante witte aanwezigheid in het land. Zoeken afro-Antillianen verbinding met elkaar door een gemeenschappelijke geschiedenis, dan komen verzetsstrijders als Tula al gauw op hun pad, aldus Bacilio.

Bacilio vindt de nagedachtenis aan Tula op Curaçao zelfs belangrijker dan de herdenking aan de afschaffing van de slavernij, omdat Curaçao nog altijd niet onafhankelijk is – in tegenstelling tot Suriname. De strijd is in zijn ogen nog altijd gaande zolang de onafhankelijkheid niet is behaald. De vrijheid van de slaven werd namelijk van bovenaf opgelegd, terwijl Tula van onderaf een opstand wist te bewerkstelligen. Bacilio zei daarover: ‘Zo’n vorm van verzet spreekt onderdrukten aan, vooral omdat op Curaçao nog altijd sprake is van rassenongelijkheid: de zwarte man wordt nog altijd achtergesteld. Pasobra mi ta pretu zeggen ze daar: ‘omdat ik zwart ben’.’

- Advertentie -

1 REACTIE

  1. Het is inderdaad belangrijk om dit te leren op school. Het is één van de zinloze acties van de Nederlandse overheid. Dit verhaal en de verhalen over Indonesië en Suriname moeten niet vóór het tweede jaar van de middelbare school worden verteld. Ik vind ze te gruwelijk voor jongere kinderen. Eerlijk gezegd had ik tot voor enkele weken nog nooit van Tula gehoord. Dat er na 200 jaar nog mensen zijn dit hebben meegemaakt lijkt mij niet.

    Ik begrijp daarom niet waarom in Curaçao de zwarte mensen zwelgen in hun slaven verleden. Ze lijken ook vastgeroest in een patroon van leven. Er zijn erg veel landen met een slavernij verleden, maar nergens anders is deze houding aanwezig zover ik kan nagaan. Net als ieder mens moet men aan zijn / haar eigen ontwikkeling werken. De scholen zijn open voor ieder, er is geen apartheid. Dus door te leren, een bedrijf te beginnen en/of te werken kom je vooruit. In de tijd van de slavernij waren gewone mensen in Nederland ook arm. Er was een zeer kleine groep rijken. De meeste rijkdom daarvan is verloren gegaan in oorlogen. Na 1945 was er schaarste en armoede die pas afnam tegen het einde van de jaren zestig. Het verhaal dat Nederland ‘rijk’ is van de slavernij : de enige rijkdom is nog wat overgebleven schilderkunst en wat verkruimelende gebouwen die veel geld kosten om overeind te houden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here