Beren op de weg van vluchteling naar ondernemer

Rebean en Krispijn
Welke weg leggen vluchtelingen af om een eigen onderneming te kunnen starten in Nederland? Wat zijn hierbij de uitdagingen, kansen en mogelijkheden voor deze ondernemers én voor Nederland? Aan de hand van een drietal interviews onderzoekt de Kanttekening vluchtelingenondernemerschap in Nederland.

In juni 2010 kwam Yannick Tambwe Mugabe als eenentwintigjarige vanuit Congo in Nederland terecht. Toen hij hier als vluchteling binnenkwam was het vooral overleven. Zijn asiel werd in eerste instantie afgewezen: Yannick moest binnen achtentwintig dagen het land uit. Zijn gedachten waren op dat moment op geen enkele manier bij werken of ondernemen. In Nederland zijn er veel initiatieven ontstaan om vluchtelingen te ondersteunen om zelf in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Esther Zielhuis onderzocht in haar dissertatie voor de University of London de mogelijkheden voor vluchtelingen, in Nederland en elders, om een onderneming te kunnen starten. In Utrecht is Marcellien Breedveld betrokken bij een project om asielzoekers al tijdens de asielprocedure met Nederlanders uit de buurt te laten meedoen aan een traject dat is gericht op ondernemerschap en zelfredzaamheid in de Nederlandse maatschappij.

Overleving in aanloop naar ondernemerschap

Vanuit het asielzoekerscentrum (azc) kwam Yannick terecht in een opvang voor daklozen in Groningen, waar stichting Inlia zich ontfermde over de jonge vluchteling. Op een gegeven moment kon hij slapen bij iemand die hij via Vluchtelingenwerk had ontmoet: ‘Toen ben ik in Groningen heel snel in een Nederlandse omgeving terecht gekomen.’ Met ondersteuning van die omgeving kon Yannick na een lange asielprocedure in Nederland blijven: ‘Dat heeft ongeveer vijf jaar geduurd.’ In die vijf jaar is Yannick onder meer in therapie gegaan om beter te kunnen omgaan met de moeite die hij had met zijn verleden. ‘Ik kon niet goed omgaan met gevoelens. Ik had moeite om ‘s nachts te slapen. Daar kan ik nu beter mee omgaan. De therapie heeft me echt geholpen. Ik was een gesloten persoon. Ik kon dingen voelen, maar ik had een muur om mij heen gebouwd om mijn gevoelens vooral niet te laten zien. Zo was ik gewend om te overleven. Ik heb heel lang alleen geleefd zonder mijn ouders.’

‘Daarna heb ik goede mensen ontmoet, zoals Louis, een landgenoot en inmiddels een vriend, die al goed geïntegreerd was in Groningen’, vervolgt Yannick zijn verhaal. ‘Hij heeft mij opgenomen en veel dingen geleerd. We praatten over mijn ondernemende geest. Doordat ik me gerespecteerd voelde en erover praatte, besefte ik dat ik altijd al een ondernemer ben geweest.’

Voorzien in eigen onderhoud

In het onderzoek van Esther Zielhuis is te lezen dat veertig procent van de gewapende conflicten in de wereld langer duurt dan vijf jaar. Dit vergroot alleen maar de noodzakelijkheid van integratie van vluchtelingen in het ontvangende land. Recente ontwikkelingen hebben het aantal vluchtelingen in 2014 wereldwijd doen stijgen tot over de zestien miljoen. Ruim tien miljoen mensen verblijven minimaal vijf jaar, maar gemiddeld bijna twintig (!) jaar in een situatie van asiel en procedure, waarbij ze vaak niet mogen werken en hun bewegingsvrijheid beperkt is. Het aantal vluchtelingen in Europa was volgens het UNHCR in 2017 ruim twee miljoen.

De politieke en wetenschappelijke wereld denkt na over mogelijke oplossingen van de vluchtelingencrisis. Een van de oplossingen is dat vluchtelingen de mogelijkheid krijgen in eigen levensonderhoud te voorzien. Ondernemerschap en financieringsmogelijkheden voor vluchtelingenondernemers zouden hierbij zeer kunnen helpen. De Europese Unie wil graag ondernemerschap stimuleren om banen te creëren, mede door vanuit dit soort groepen gestarte bedrijven te ondersteunen.

Het onderzoek van Esther Zielhuis wil lessen trekken uit microfinancieringsprogramma’s in ontwikkelingslanden, om deze ook toe te gaan passen in landen als Nederland. Zowel in Nederland als in ontwikkelingslanden zijn er soortgelijke belemmeringen voor het starten van een bedrijf. De meerderheid van vluchtelingen is, zowel hier als daar, afhankelijk van humanitaire hulp. Bij langdurige gewapende conflicten en teruglopende humanitaire hulp is zelfvoorzienendheid des te belangrijker. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw kwamen veel vluchtelingen Europa binnen. Toen al werden microkredieten verstrekt, opdat vluchtelingen zelfvoorzienend zouden worden. In de jaren dertig werden migranten, mede als gevolg van de Grote Depressie, vooral als last gezien en werd er ook steeds minder vaak asiel verleend.

Om er nu voor te zorgen dat vluchtelingen zelfvoorzienend zijn en om innovatie door vluchtelingen in het bedrijfsleven mogelijk te maken, is er hernieuwde belangstelling ontstaan voor de toegang van vluchtelingen tot bank- en kredietfaciliteiten. Onder meer door het gebrek aan onderpand en financiële middelen, het gebrek aan kennis van de samenleving en het gebrek aan een netwerk worden vluchtelingen door microfinancieringsorganisaties echter gezien als een groep met een hoger risico.

Belemmeringen

Er zijn een aantal belemmeringen voor vluchtelingen om aan microfinanciering te komen. Bijvoorbeeld door de noodzaak om te moeten vluchten, maar ook op het gebied van beleid, economie, de wet, financiën en cultuur.

Esther: ‘Ondernemerschap in Nederland is heel anders dan in het land van herkomst, vooral omdat er zoveel regels zijn in Nederland. Dat is iets wat vluchtelingen zelf ook aangeven als de grootste moeilijkheid. Als je daar een zaak op wilt zetten kan het heel simpel zijn. Je kan gewoon producten op de markt inkopen, voor je deur verkopen en dan ben je in business. Je hebt daar geen business plan voor nodig. Het is veel toegankelijker en zeer bruikbaar om bijvoorbeeld even een tekort aan inkomsten op te vangen. Hier is dat veel moeilijker: je moet aan allerlei regels voldoen, je moet een ondernemingsplan hebben dat in het Nederlands geschreven is. Als je een lening wilt krijgen terwijl je een uitkering hebt, ben je afhankelijk van de gemeente.’

Toen bleek dat Yannick in Nederland kon blijven ontmoette hij een medewerker van Humanitas, die hem vertelde dat de kans om als vluchteling een goede baan te krijgen best gering was. Maar Humanitas zou hem wel naar het ondernemerschap kunnen coachen. De organisatie hielp hem een business plan te schrijven. Toen Yannick echter vervolgens een krediet wilde aanvragen voor zijn onderneming moest hij zoveel informatie aanleveren dat het hem te ingewikkeld werd. Hij kon niet meer overzien wat de consequenties zouden zijn van de kredietaanvraag en besloot zonder krediet te beginnen.

Kleinere en flexibelere vormen van ondernemerschap

Esther: ‘In het algemeen is het zo dat het in Nederland bij microfinanciering om best stevige bedragen gaat – tot vijftigduizend euro. Dat heb je ook wel nodig bij het starten van bijvoorbeeld een restaurant. In ontwikkelingslanden gaat het om veel kleinere bedragen. De rentes zijn daar wel vaak zeer hoog, terwijl dat in Nederland goed is gereguleerd. Qredits is door de grootbanken en de overheid opgezet als officiële microkredietverstrekker in Nederland, omdat de overheadkosten voor kleine leningen te hoog zijn voor gewone banken. Mijn conclusie is dat er veel meer behoefte is aan kleinere bedragen en meer flexibele vormen van ondernemerschap, een meer hybride vorm van ondernemerschap. Dat betekent dat mensen een baan hebben en tegelijkertijd met een kleine lening toch een onderneming kunnen gaan opbouwen, bijvoorbeeld vanuit hun kelder, zonder al te hoge bedragen, op een veilige manier. Als dat mogelijk gemaakt zou kunnen worden zou dat vluchtelingen met ondernemersambities erg helpen. Maar nog steeds loop je tegen een aantal regels aan. Zeker als je vanuit de bijstand wilt gaan ondernemen. Dan ben je gebonden, je mag niet zomaar een onderneming starten.’

Restrictief Nederlands beleid en de perceptie van vluchtelingen

In het onderzoek van Esther Zielhuis wordt beschreven dat de Nederlandse migranten- en vluchtelingenpolitiek in ruwweg twee fasen is verlopen. Door migranten uit voormalige koloniën Indonesië, Suriname en het Caribische gebied en door arbeidsmigranten, voornamelijk uit Turkije en Marokko, is een multiculturele samenleving ontstaan. In de jaren negentig van de vorige eeuw kwamen daar omvangrijke vluchtelingenstromen bij, in eerste instantie uit voormalig Joegoslavië en later Afghanistan. Het overheidsbeleid was aanvankelijk gebaseerd op terugkeer: het beleid kon worden samengevat als Integratie met behoud van identiteit (WRR, 1979). Mede omdat er van terugkeer relatief weinig terecht kwam polariseerde het immigratiedebat rond het jaar 2000. Die polarisatie werd versterkt door de moorden op Pim Fortuyn in 2002 en Theo van Gogh in 2004. De focus van het immigratiebeleid kwam hierdoor te liggen op het zich eigen maken van Nederlandse normen en culturele waarden en op de arbeidsmarkt. Zo werd bijvoorbeeld de cursus Oriëntatie Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA) onderdeel van de inburgeringscursus. Yannick: ‘De inburgeringscursus bevatte drie onderdelen: theorie, praktijk en ONA. Bij ONA moest je verdedigen, op basis van een portfolio, welke richting je op wilde qua werk.’ De ONA was voor Yannick een formaliteit, omdat hij al een baan had in de logistiek, de richting waarin hij zijn toekomst zag.

Het Nederlandse asielbeleid is steeds restrictiever geworden. Nederland heeft in vergelijking met andere Europese landen relatief weinig vluchtelingen opgevangen gedurende de meest recente migrantencrises. Ons land heeft in Europa de langste lijst samengesteld van landen waar het ‘veilig’ is (32) en waar vluchtelingen dus naar kunnen worden teruggestuurd. Het Verenigd Koninkrijk (24) en Oostenrijk (20) volgen op gepaste afstand. De asielprocedures voor mensen uit deze landen zijn verkort en aanvragers moeten na afwijzing onmiddellijk vertrekken. In het licht van het huidige, vaak eindeloze verblijf in het azc en de langdurende procedures is dit zeker verdedigbaar. Maar in het licht van de eventuele risico’s die vluchtelingen lopen bij terugkeer is dit wellicht een gevaarlijk standpunt.

Esther: ‘Wat mij opviel is dat vluchtelingen zich wel degelijk bewust zijn van het politieke speelveld. Ze volgen het echt als er iets wordt gezegd en zijn daar ook echt wel gespannen over: ‘Wat gaat dat voor een impact hebben op hoe mensen ons zien?’ Vluchtelingen denken na over hoe de samenleving waarin ze terecht komen naar ze kijkt. Zo zijn er ook refugee innovators, vluchtelingen die sociaal ondernemer zijn en die vanuit een bepaalde gemeenschapsgedachte en een brede blik niet alleen zichzelf maar ook andere vluchtelingen verder willen helpen. Ze willen dat er een positief beeld over vluchtelingen ontstaat en dat er, mede daardoor, kansen kunnen ontstaan. Jay Assad van StartUp Kitchen en stichting RefuJay in Amsterdam zei bijvoorbeeld: ‘Als andere vluchtelingen zien dat ik het kan, kan dat als voorbeeld dienen voor hen.’’

Rebean en Krispijn

Een ondernemende houding

Vluchtelingen die asiel krijgen toegewezen ontvangen een verblijfsvergunning voor vijf jaar, waarmee ze aan het werk kunnen of een eigen onderneming kunnen starten. Met de recente migrantenstromen in met name 2015 en 2016 zijn er allerlei initiatieven ontstaan die vluchtelingen willen ondersteunen, onder meer in hun ondernemingsaspiraties. Marcellien Breedveld: ‘In 2017 startte in Utrecht het Plan Einstein, ondersteund door de gemeente Utrecht en de Universiteit Utrecht. Vanuit het Centre for Entrepreneurship van de universiteit wilden we wat voor de asielzoekers betekenen. Wat kunnen we op een innovatieve manier doen, om ervoor te zorgen dat asielzoekers niet in hun kamer gaan zitten wachten, maar vanaf de eerste dag in het azc gemotiveerd zijn om aan de slag te gaan en aan zichzelf te werken? Dat wilden we op een totaal inclusieve wijze doen. Ons plan was om deze mensen in de wijk op te vangen en ze meteen te laten integreren met jongeren. Daarnaast moeten ze, status of niet, direct vaardigheden leren die ze overal ter wereld in kunnen zetten.’

In 2015 kwam er in de wijk Overvecht in Utrecht een azc, waar ook jongerenwoningen werden gerealiseerd. In de wijk waren er heftige discussies en was er tegenstand. ‘We zijn met het project begonnen. De bewoners zijn uiteindelijk hartstikke enthousiast geworden, want zij mochten ook meedoen aan de gratis cursussen die werden aangeboden.’ Het programma bestond uit een aantal cursussen: ondernemerschap, zakelijk Engels, een basiscursus computergebruik en een cursus webdesign. ‘Het vervolgprogramma Start Your Own Business, dat nu vijf keer heeft gedraaid, heeft per batch ongeveer tien deelnemers gehad. Dus dan gaat het over vijftig deelnemers in totaal. De helft hiervan heeft een vluchtelingenachtergrond. Ondernemerschap moet je ook breder zien. Wij propageren een ondernemende houding, een set vaardigheden en een manier van denken, die we mee willen geven aan mensen. Een mindset waarmee mensen hun eigen bedrijf kunnen starten of een baan kunnen vinden én daar goed in kunnen functioneren.’

Gelijkwaardige programma’s met Nederlanders en vluchtelingen

Esther: ‘Wat ik denk dat belangrijk is, is dat je niet speciaal programma’s voor vluchtelingen gaat maken. Dat is een van de lessen vanuit ontwikkelingslanden. Als het programma’s zijn die gelijkwaardig zijn voor Nederlanders en vluchtelingen voorkom je dat er een soort uitzonderingspositie wordt gecreëerd, waarmee je jaloezie en discriminatie in de hand werkt. Vluchtelingen komen barrières tegen die Nederlanders niet tegenkomen, zoals bijvoorbeeld de taal, de cultuur, en het snappen van al die regeltjes. Focus met ondersteuningsprogramma’s om die barrières uit de weg te nemen, zodat je gelijke kansen creëert. Dat komt de geloofwaardigheid alleen maar ten goede.’

Marcellien: ‘We werken met tolken en zetten alles bij elkaar. Deelnemers werken in een acht weken durende cursus aan groepsprojecten. Daarna kan men verder met het groepsproject of met een individueel traject met een eigen business-idee. Je mag er ook achter komen dat ondernemerschap niets voor jou is. Wij zitten zo vroeg in het beginstadium, dat het erom gaat dat mensen in die vier maanden onderzoeken wat de kansen en mogelijkheden zijn en in wat voor een land ze terecht zijn gekomen. We geven inzichten en vaardigheden.’ Over het werken in groepsverband zegt Esther: ‘Bij coöperaties heb je steun aan elkaar. In dat groepsverband in ontwikkelingslanden kan je collectief lenen. Coöperaties in ondernemerschap tussen vluchtelingen en Nederlanders brengen wederzijds begrip tot stand en dat is goed voor de integratie.’

De bundeling van initiatieven

Marcellien: ‘Eind 2018 dachten wij dat het wel interessant zou zijn om met een evenement te kijken wat verschillende organisaties in Nederland van elkaar kunnen leren als het gaat om vluchtelingen die willen ondernemen.’ Vluchtelingenondernemers pitchten hun ideeën en initiatiefnemers hun projecten. Esther: ‘Nu de reacties op de vluchtelingenstroom iets meer zijn gestabiliseerd merk ik dat er meer evaluaties plaatsvinden. Door de rust kunnen we kijken welke lessen we kunnen trekken en hoe we verder kunnen gaan. Op grote schaal viel het mij op dat organisaties vanuit de beste intenties kijken naar wat in die stad of gemeente nodig is. Ik denk dat er efficiënter gewerkt kan worden als organisaties meer zouden samenwerken. Er zou eigenlijk een interactieve kaart van Nederland moeten komen, waarop duidelijk wordt waar zich organisaties bevinden die mensen helpen een onderneming te kunnen opstarten. Dat je dan als organisatie ook kan zeggen:  ‘Als jullie je nou richten op spannende ideeën, richten wij ons bijvoorbeeld op cateraars.’’

Vluchtelingen in ontwikkelingslanden

Ontwikkelingslanden vangen enorm veel vluchtelingen op: volgens de UNHCR wordt 85 procent in de regio opgevangen. Esther: ‘De zorg- en onderhoudsstrategie die nu in vluchtelingenkampen wordt gebezigd is niet houdbaar, omdat de stromen te grootschalig zijn en omdat de crises waarvoor mensen op de vlucht slaan vaak veel langer duren dan vijf jaar. In ontwikkelingslanden wordt ervoor gezorgd dat vluchtelingen in het kamp of daarbuiten zelf een stukje grond kunnen bewerken voor landbouwproducten, voor eigen gebruik of verkoop. In Jordanië bijvoorbeeld worden economische zones aangewezen waar vluchtelingen kunnen ondernemen. Uit deze zones kunnen ze alles meenemen, zodat het niet zo is dat alles wat je in de loop der jaren hebt opgebouwd verdwijnt bij vertrek.’

Ondernemerschap in ontwikkelingslanden is laagdrempeliger en normaler. Esther: ‘Bij microkredieten is het hierdoor ook wel fout gegaan, bijvoorbeeld toen het op grote schaal werd geïmplementeerd en vrijwel iedereen in het ondernemerschap gepusht werd. Maar in Nederland kan het laagdrempeliger. Ik denk dat de diversiteit en de variëteit onder ondernemingen in Nederland erg geholpen kan worden door het aanbod van vluchtelingen. Ik ken een Syrische man die omkomt in het werk in de mode-industrie. Hij kan plooien maken, een vak wat in Nederland totaal verdwenen is. Als je op een andere manier naar vluchtelingenstromen gaat kijken kun je tot veel betere oplossingen komen.’

Esther bij verdediging dissertatie aan de University of London

Buiten de eigen groep kunnen denken

In ontwikkelingslanden komt het vaak voor dat mensen in het informele circuit een onderneming starten, vaak aanvullend op werk. Yannick volgt een opleiding, heeft meerdere bijbanen en is, net zoals de meeste Nederlandse ondernemers, zijn bedrijf gestart vanuit een situatie van werk. Zijn onderneming draagt logistieke oplossingen aan voor de handel tussen Nederland en Afrika, met name Congo. In de wereld van vluchtelingen en ondernemerschap is het een bekend fenomeen: men wil producten en diensten aanbieden die te maken hebben met het thuisland. Volgens Yannick mislukt dat ook vaak: ‘Als je groot wil worden, moet je je goed beseffen wat je plannen zijn en hoe je organisatie er uit moet zien. Het gaat niet alleen om de financiering. Om groot te worden moet je een bepaald organisatieniveau nastreven. Het zit in kennis, in goede connecties, het kunnen opbouwen van een goed netwerk. Het gaat er ook om dat je buiten je eigen groep kan denken. Veel kleine ondernemers bedienen voornamelijk mensen uit de eigen kringen. Als je succesvol wilt zijn dan moet je zorgen dat je in jouw sector alle soorten klanten als klant kan krijgen. Als Afrikaans restaurant moet je juist niet op je achtergrond en je achterban rekenen. Dan moet je zorgen dat daar Nederlanders komen en dat die het daar naar hun zin hebben. Je moet de markt kennen. Als je toch wilt kiezen voor de Afrikaanse klant? Prima, maar dan is jouw markt over het algemeen niet zo groot. Om succesvol te zijn moet je de service kunnen bieden die de Nederlander gewend is.’

Vluchtelingenondernemerschap als sleutel tot sociale inclusie

Ook Yannick wil in de toekomst een bedrijfskrediet aanvragen om zijn bedrijf echt te kunnen laten groeien. Esther concludeert in haar onderzoek dat er meer variëteit moet komen in financieringsmogelijkheden, dat het belangrijk is dat er een omgeving is die een ondernemer in staat stelt te kunnen gaan ondernemen, dat initiatieven komen van onderop (bottom-up) en dat mensen uit het ontvangende land bij het proces worden betrokken. Een meer inclusieve benadering is volgens haar niet alleen bevorderlijk voor de ondernemende vluchteling, maar de hele Nederlandse economie profiteert als meer vluchtelingen een onderneming kunnen starten of opschalen. Bovendien draagt dit bij aan een beter beeld over vluchtelingen: ze worden gezien als een aanwinst in plaats van als een last. Integratie en zelfraadzaamheid van vluchtelingen worden bevorderd door ondernemerschap. Esther: ‘Vluchtelingen zijn mensen die hun leven niet zeker zijn in eigen land, ze hebben daarom alle recht om asiel aan te vragen. Het duurt echter lang voordat je echt de cultuur van dat land begrijpt, de taal spreekt en jezelf kunt zijn in een andere taal. Daarbovenop komen natuurlijk nog de trauma’s die ze gedurende hun vlucht hebben opgelopen en al het andere wat ze hebben meegemaakt. Dat is niet te onderschatten. Het is ontzettend knap als je binnen twee à drie jaar in staat bent een onderneming op te zetten in een land dat zo anders is.’

DELEN