Kloppen clichés over Chinese Nederlanders?

Foto: Reuters
Van alle bevolkingsgroepen in Nederland is de Chinese gemeenschap misschien wel het minst zichtbaar. Hard werkend in de horeca, bescheiden en in zichzelf gekeerd: zomaar wat clichés die de ronde doen. Kloppen ze? De Kanttekening zocht het uit.

De tweede en derde generatie Chinese Nederlanders zijn lang niet zo in zichzelf gekeerd als vaak gedacht wordt, zo blijkt uit cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Uit een in 2013 gepubliceerd onderzoeksrapport van het SCP (de bron van alle andere cijfers en statistieken over Chinese Nederlanders die genoemd worden in dit artikel, is dit rapport) blijkt dat ze veel contact hebben met andere Nederlanders. Ook blijkt uit het rapport dat van alle migrantengemeenschappen in Nederland, de Chinese gemeenschap het best presteert in het onderwijs. Van de jongeren uit die generaties volgen zelfs beduidend meer leerlingen havo of vwo dan autochtonen. Er mag in dit verband gerust gesproken worden van een reuzensprong voorwaarts. Deze groep is volgens het SCP kosmopolitisch ingesteld, kent moderne opvattingen en voelt zich thuis in Nederland. De Chinese gemeenschap is inmiddels in omvang de vijfde migrantengroep in Nederland, na de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse gemeenschappen. Dat is inclusief Chinezen uit de Volksrepubliek, Hong Kong, Indonesië en Suriname, zo’n 130.000 in aantal. Ongeveer de helft van hen is afkomstig uit de Chinese kustprovincie Guangdong. Hong Kong is de bekendste stad in deze regio. 

Historie

Terug naar hoe dit succesverhaal ooit begon, want zo mag het best genoemd worden. Ruim honderd jaar geleden arriveerden de eerste Chinezen in ons land. Zoals vaak zijn havens plekken waar heel de wereld samenkomt. Zo kende Rotterdam al vroeg een Chinese gemeenschap van zeelieden. Ook in die tijd was de vraag naar goedkope arbeidskrachten groot en het aanbod evenredig. Dat resulteerde in lonen voor Chinezen die gemiddeld zo’n dertig procent lager lagen dan die van Nederlandse collega’s. Van dat loon verdween ook nog eens een flink deel in de zakken van tussenpersonen, die vaak de zaken behartigden van arbeiders die geen Nederlands spraken. Omdat de Chinese arbeiders geen Nederlands paspoort kregen, konden ze geen aanspraak maken op sociale voorzieningen. In feite waren ze volledig aanwezen op de grillen van de tussenpersoon die hen begeleidden. [blendlebutton]

De eerste Chinezen in Nederland woonden in Rotterdam meestal in Katendrecht en in Amsterdam nabij de havens. Ze werkten in de havens meestal als stoker voor grote rederijen, maar vanaf het moment dat er werd overgestapt van stoom- naar dieselgedreven schepen werd dat werk overbodig. De tot dan toe relatief onzichtbare zeelieden verschenen in de openbaarheid doordat ze gedwongen door werkloosheid pindakoekjes gingen verkopen op straat. Na werkloosheid volgde al snel honger en een sociaal vangnet was er in die tijd nog niet. Het zette de Nederlandse overheid ertoe aan in de jaren dertig honderden aan lager wal geraakte Chinezen terug te sturen naar hun vaderland. Dat ging niet altijd vrijwillig. Andere Chinezen gingen zich met succes richten op de horeca. De in die tijd wereldberoemde zangeres Josephine Baker bezocht in 1932 het eerste Chinese restaurant in Nederland, dat vier jaar daarvoor was geopend aan de Amsterdamse Binnen Bantammerstraat. Eigenaar Ng Ho Yong had zijn pension, waar hij kamers verhuurde aan Chinese arbeiders, omgebouwd tot een restaurant. Onder de naam Kong Hing bleef het tot ver in de jaren tachtig een succes.

In die tijd was er amper sprake van contact met andere Nederlanders, anders dan met buren. Zo trof een verbaasde journalist van Het Leven (een tijdschrift dat tot 1941 verscheen) een bordje aan bij een Chinees pension waarop stond ‘streng verboden voor Hollanders!’ Of de schrijvers van de boodschap geen gedonder wilden in verband met de slechte omstandigheden of iets anders, is niet duidelijk, maar het liet aan duidelijkheid niets te raden over. Tientallen jaren later bevestigde een reportage in Het Vrije Volk (sociaal-democratisch dagblad dat tot 1991 verscheen) van Nico Polak de nog altijd heersende vooroordelen over de Chinese gemeenschap. In 1966 inventariseerde hij de verschillende bedrijven in de Binnen Bantammerstraat: ‘Acht Chinese restaurants voor Nederlanders, vier gokhuizen, twee opiumkitten, enkele boarding houses, drie unieke buurtcafés, een in Chinese kapsels gespecialiseerde kapper, twee toko’s, drie clubhuizen van onderscheidene groepen Chinezen en vier Chinese restaurants voor Chinezen.’

Ondernemers

Wie spreekt over Chinezen in Nederland, kan niet heen om die zo kenmerkende samenklontering van Chinese bedrijvigheid waarvan er over de wereld zoveel zijn: de Chinatowns. In Rotterdam lag dat tot de jaren tachtig in Katendrecht, waar voornamelijk Chinezen woonden. Tegenwoordig is het vooral het stadsdeel dat zit ingeklemd tussen de West-Kruiskade en Mauritsweg, inclusief de Gouvernestraat. Die van Amsterdam is de oudste op het vasteland van Europa, gelegen op de Geldersekade en de Zeedijk.

De opkomst van Chinese bedrijvigheid na de teloorgang van het werk in de havens betekende de definitieve doorbraak van Chinese restaurants. Een beproefd recept, migranten die voor weinig geld gerechten uit het land van herkomst verkopen, is door Chinezen tot een kunst verheven. ‘De Chinees’ is niet meer weg te denken uit het culinaire aanbod in Nederland. Nu scheelt het dat de Chinese keuken precies dat brengt wat hier te lande zo populair is: veel eten voor relatief weinig geld. Toch is de laatste vijftien jaar een daling te zien in de populariteit van de klassieke Chinese of Chinees-Indonesische restaurants: van de ongeveer drieduizend gelegenheden sloot zo’n tien procent de deuren.

De Chinees-Nederlandse horecaondernemers verruilen hun restaurants steeds vaker voor snackbars. Van de ruim vijduizend snackbars die Nederland telt is inmiddels circa twintig procent in Chinees-Nederlandse handen en dat aantal groeit nog altijd. Op de website van de Vereniging Chinese Horeca Ondernemers (VCHO) wordt reclame gemaakt voor korting op onder andere rechtsbijstandverzekeringen en keukeninrichting voor leden. Directeur Li Ping Lin verklaart het succes als volgt: ‘Het is een combinatie van instinct voor ondernemen en hard werken. Ondernemen is risico’s nemen. Je huis verkopen omdat je gelooft in je zaak.’

‘Daarnaast zijn er bijkomstige factoren’, weet Ping Lin. ‘Zo zijn Chinees-Nederlandse ondernemers minder afhankelijk van banken waardoor ze in tijden van recessie niet meteen in de problemen komen. Hoewel ze concurrenten zijn, wordt investeren Chinese ondernemers veel, waardoor ze elkaar financieel helpen.’ Hij geeft een mooi voorbeeld van Chinees zakeninstinct: ‘Autochtone ondernemers schrijven vaak eerst een businessplan, met allemaal uitgewerkte details die in de praktijk vaak heel anders uitpakken. Chinezen beginnen gewoon. Door in de praktijk te leren, word je een betere ondernemer.’

De meest opvallend trend is dat tweede en derde generatie Chinees-Nederlandse ondernemers zich storten op het hotelwezen. Op dit moment is meer dan een vijfde van de Amsterdamse hotels in handen van Chinees-Nederlandse ondernemers.

Onderwijs

Eén van de belangrijkste pijlers van het huidige succes is onderwijs. Veel Chinees-Nederlandse jongeren zitten hard te blokken in de keukens van de cafetaria’s die door hun ouders gerund worden. Nog een cliché: het Chinese arbeidsethos is uitmuntend. Klopt dat wel met de werkelijkheid?

Ziran Chen, voorzitter van de Eindhovense Chinese school Han Tang, heeft wel een verklaring voor de goede schoolprestaties van Chinees-Nederlandse leerlingen. ‘Chinese ouders zijn zich ervan bewust dat je hier als buitenlander harder moet werken om een kans te krijgen. Dus dat harde werken, dat klopt wel ja. Dat wordt gecombineerd met het streng toezien op de schoolprestaties.’ En met resultaat: minder dan vijf procent heeft geen werk en uitkeringen komen amper voor onder Chinese Nederlanders. Die werklust heeft een positieve uitwerking op de nakomelingen, zo blijkt. Met de lange werkdagen van pa en ma in het achterhoofd kiezen zij, met een goede opleiding op zak, vaker voor managementfuncties of beginnen nieuwe horecaconcepten. Bijna zeventig procent van alle Chinees-Nederlandse bedrijven is actief in de horeca. Het verschil met vroeger is dat die ondernemingen steeds gevarieerder zijn. Er wordt dus nog altijd hard gewerkt, maar op steeds hoger niveau. En op andere plekken, zo blijkt uit het verhaal van een jonge Chinees-Nederlandse vader (hij wil om privacyredenen niet met naam en toenaam in de krant). ‘Mijn ouders hadden een cafetaria in Rotterdam, maar mijn broers en ik hoefden nooit te helpen. Dat cliché klopte dus niet echt bij ons thuis. Dat is wel een beetje achterhaald’, aldus de vader. ‘Doorzetten was mijn wapen naar de top. Hoewel ik pas op latere leeftijd op de goede weg kwam. Ik heb de hbo-studie Commerciële Economie en een tweejarige master in Business Administration (MBA, red.) afgerond. Mijn doorzettingsvermogen heeft me hier gebracht.’ Nu werkt hij bij één van de bekendste multinationals van Nederland. Niet in de horeca dus. 

Criminaliteit

Misdaad is onder Chinese Nederlanders lager in vergelijking met andere migrantengroepen. De meest in het oog springende criminele variant onder Chinese Nederlanders is mensensmokkel, dat al vóór de Tweede Wereldoorlog plaatsvond. Ook afpersing en gokken zijn bekende fenomenen. Doordat twee bendes, de Bo Ong en Sam Tin, om de alleenheerschappij op de arbeidsmarkt vochten, ontstonden er spannende situaties, met schietpartijen als gevolg. Eén en ander leidde er toe dat zo’n zeshonderd Chinese Nederlanders het land moesten verlaten. Tegenwoordig gaat het er een stuk gemoedelijker aan toe. Chinese Nederlanders komen percentueel amper meer voor in de misdaadcijfers. Minder dan één procent is wel eens verdacht van een misdaad, wat aansluit op de positieve verhalen uit het onderwijs en de arbeidsmarkt. [/blendlebutton]

DELEN
Dennis l'Ami
Journalist gespecialiseerd in politiek en maatschappij.