‘We moeten de moedertaal van kinderen meer benutten’

Foto: Reuters
De PO-Raad adviseert basisscholen de moedertaal van leerlingen niet te negeren, maar juist te benutten. ‘Als je woordenschat in je moedertaal groot is, dan helpt dat bij je woordenschat in de nieuwe taal.’

Gebruik de moedertaal bij het onderwijs op de basisschool. Dat adviseert de PO-Raad, de vereniging van schoolbesturen in het primair onderwijs. In het boekje Ruimte voor nieuwe talenten: keuzes rond nieuwkomers op de basisschool, dat vorig jaar verscheen en nu als leidraad gebruikt wordt door verschillende basisscholen, wordt rigoureus afgeweken van de koers van de afgelopen twintig jaar. Tot nu toe vond men dat de moedertaal in het onderwijs de integratie van kinderen met een migratieachtergrond in de weg stond. Onder kinderen met een migratieachtergrond wordt verstaan: kinderen die recentelijk vanuit een niet-Nederlandstalig migratieland naar Nederland zijn verhuisd.

Maaike Hajer, schrijver en lector taaldidactiek aan de Hogeschool van Utrecht, legt uit dat verschillende factoren bijdragen aan het snel aanleren van een nieuwe taal. ‘Eén daarvan is het gebruiken van de moedertaal als brug naar de Nederlandse taal. Dat geldt niet alleen voor de eerste fase, maar ook later op de basisschool als het kind zich al goed verstaanbaar kan maken. Ook als je dagelijkse communicatie op school in het Nederlands al goed verloopt, is het nog niet gezegd dat alle vakken volledig in het Nederlands kunnen. Het leren van kinderen verloopt via de moedertaal, dát is de springplank.’

Volgens de PO-Raad is veeltaligheid te lang genegeerd en is het hoog tijd om daar juist gebruik van te maken. Bij het leren van het Nederlandse alfabet en andere vakken, worden leerkrachten aangemoedigd om bijvoorbeeld vertaalapps te gebruiken of Google Translate. Zo kunnen jonge kinderen prentenboeken die worden voorgelezen beter begrijpen als ze vooraf op internet de boeken in de moedertaal hebben gehoord en gezien. Ook wordt geadviseerd om in het beeld- en tekstmateriaal dat de klas gebruikt de taal- en cultuurdiversiteit van de leerlingen te laten terugkomen.

Elma Blom, linguïst en universitair hoofddocent orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht, is blij met de adviezen van de PO-Raad. ‘Kinderen die nieuw in Nederland zijn en de taal niet of nauwelijks beheersen, moeten én een nieuwe taal leren én schoolvakken leren. Zeker in het begin kan ondersteuning in de moedertaal hen helpen de schoolstof in zich op te nemen’, zegt Blom. ‘Kinderen met een migratieachtergrond komen de thuistaal niet tegen in het onderwijs. Dat kan verklaren waarom sommige kinderen wat achterblijven op school. Je negeert daarmee een belangrijk deel van dat specifieke kind, de identiteit, maar maakt ook geen gebruik van kennis die het kind heeft. Kennis waarmee je iets kunt doen. Als je woordenschat in je moedertaal groot is, dan helpt dat bij de woordenschat in je nieuwe taal. Ook het aanbieden van het schoolstof in de moedertaal, naast het Nederlands, kan kinderen helpen om verbanden te leggen met opgedane kennis in het land van herkomst.’ Volgens de linguïst is het wel lastig om die verschillende moedertalen een plekje te geven in het onderwijs. ‘Een doorsnee leraar heeft geen kennis van al die verschillende talen. Het vraagt meer van het onderwijs, van andere docenten. Misschien kunnen zelfs ouders een rol spelen in de klas. Hoe dan ook, we moeten de moedertaal van kinderen meer benutten.’

Creëer je daarmee geen achterstandsscholen? Blom: ‘Dat hangt af van hoe je het organiseert, je kunt kinderen met een vergelijkbare achtergrond bij elkaar zetten maar je kunt ook mixen. Hoe is niet zo eenvoudig, daar moet over nagedacht worden. Je moet geen situatie creëren waarin groepen kinderen zich kunnen afsluiten door een taal te spreken die de andere kinderen niet begrijpen. Bij scholen die daar meer ervaring mee hebben, zie je bijvoorbeeld dat de schooltaal wel Nederlands is, maar dat er ook momenten zijn waarop kinderen met dezelfde moedertaal in groepjes samenwerken en daarbij hun moedertaal mogen gebruiken.’

Susan Delsing, NT2-docent voor nieuwkomerskinderen, gebruikt tijdens de lessen bewust alleen de Nederlandse taal. ‘De kinderen komen vaak helemaal blanco qua taal in de klas. Zij leren door met die taal bezig te zijn. Door herhaling en door Nederlands te spreken, krijgen zij de taal onder de knie. Dan werkt een andere taal niet ondersteunend. Onderling gebeurt dat natuurlijk wel, als kinderen die het snel oppikken het uitleggen aan klasgenootjes die wat langzamer zijn.’ Het enige hulpmiddel dat zij tijdens de lessen inzet zijn ouderwetse woordenboeken. ‘Vluchtelingenkinderen komen veel uit Syrië, Irak, Afghanistan en Eritrea. Voor deze kinderen zijn er woordenboeken. Alleen een Nederlands-Dari-lexicon, één van de nationale talen van Afghanistan, kan ik nergens vinden. Dat is een probleem. We proberen ze daarom te koppelen aan Afghaanse kinderen die al langer hier wonen.’ Daar kan Delsing zich wel vinden in het advies van de PO-Raad, dat de moedertaal niet wordt genegeerd, maar een plekje krijgt op school. ‘Op de scholen waar kinderen met een migratieachtergrond zitten, zouden docenten en vertrouwenspersonen moeten rondlopen die de taal van die kinderen spreken. Niet om de taal te leren maar om de communicatie beter te laten verlopen’, zegt Delsing. ‘De kinderen zullen zich daardoor veiliger voelen. Soms gebeuren er dingen in de klas, een ruzie tussen leerlingen die je niet kunt sussen, omdat je niet snapt wat er aan de hand is. Of een leerling die ergens mee zit, maar met wie je niet kunt praten. Dan is het fijn als er iemand is die kan tolken.’

DELEN
Mariska Jansen
Journalist gespecialiseerd in religie, filosofie en integratievraagstukken.