‘We moeten praten over intersectionaliteit’

Jaime Donata
Jaime Donata
Journalist gespecialiseerd in kunst & cultuur en politiek.

Lees meer

Deze maand bezocht de Amerikaanse professor en burgerrechtenactiviste Kimberlé Crenshaw ons land. In één week was ze te gast bij The Black Archives in Amsterdam, op de Rechtenfaculteit van de UvA en in debatcentrum De Rode Hoed. Ze was er om te praten over ‘intersectionaliteit’, een begrip dat Crenshaw voor het eerst gebruikte in 1989 om de werkelijkheid te beschrijven zoals zij die om zich heen zag als zwarte vrouw.

Wie niet thuis is in de wereld van genderstudies of critical race theory heeft naar alle waarschijnlijk nog nooit gehoord van het begrip ‘intersectionaliteit’. Maar voor de aanwezigen van de discussiemiddag die op 8 juni werd georganiseerd door The Black Archives in Amsterdam, behoeft het begrip zeker geen introductie. In een afgeladen zaal in het Hugo Olijfveldhuis, thuisbasis van de Vereniging Ons Suriname (VOS), waar sinds kort ook The Black Archives gehuisvest zijn, wordt Crenshaw onthaald als een long lost friend, maar vooral als de heldin van de moderne burgerrechtenbeweging en naamgever van een meer inclusieve manier van kijken naar discriminatie. Een nieuwe manier van kijken die oog heeft voor alle verschillende manieren waarop individuen gemarginaliseerd kunnen worden: bijvoorbeeld vanwege hun etniciteit, hun gender, hun seksuele geaardheid, hun sociale klasse, hun handicap – en nog veel meer.

In contrast met het meer dan enthousiaste onthaal dat Crenshaw ten deel valt, zowel bij The Black Archives, de UvA als de Rode Hoed – alle bijeenkomsten in Amsterdam waren binnen no time uitverkocht –  geeft Crenshaw meermaals te kennen behoorlijk verbaasd te zijn door de volle zalen die ze aantreft. Een verbazing die haar ook wel eens overvalt als ze kijkt naar de rijke betekenis die inmiddels wordt toegekend aan de door haar bedachte term ‘intersectionaliteit’ en de vlucht die het begrip heeft gemaakt sinds 1989. Tijdens de discussiemiddag, die georganiseerd werd door de Rechtenfaculteit van de UvA, vraagt Crenshaw zelfs of ze een selfie mocht maken van de overvolle collegezaal. Haar Amerikaanse vrienden zouden anders niet geloven dat er in Nederland zoveel mensen warmliepen voor een middag over intersectionaliteit.

Hoewel de term dus al dertig jaar geleden werd geïntroduceerd door Crenshaw, in een artikel dat ze schreef voor de rechtenfaculteit van de Universiteit van Chicago –Demarginalizing the Intersection of Race and Sex: A Black Feminist Critique of Antidiscrimination Doctrine, Feminist Theory and Antiracist Politics – bleef het begrip lang onder de radar. Als het al werd gebruikt, dan vooral in academische kringen. Totdat het begrip rond 2000 plotseling opdook in de queer black women scene, waar intersectionaliteit opeens een thema werd binnen een bredere, globalistische verzetsbeweging tegen kapitalisme, racisme en seksisme. In de jaren die daarop volgden werd het begrip door steeds meer mensen gebruikt, soms op manieren die Crenshaw zelf verbijstert. En tot op de dag van vandaag wordt de professor regelmatig gevraagd wat het nu eigenlijk precies is, die ‘nieuwe’ intersectionaliteit.

Intersectionaliteit, wat is het?

Om de grootste misverstanden over intersectionaliteit te illustreren, laat de Amerikaan professor tijdens de discussiebijeenkomsten in Amsterdam twee Youtube-filmpjes zien die een goed beeld geven van het brede spectrum aan ideeën en misvattingen over wat intersectionaliteit zou zijn. In een filmpje van de rechts-conservatieve opiniemaker Ben Shapiro wordt intersectionaliteit gepresenteerd als een manier van denken die als enig doel heeft: de witte, heteroseksuele man monddood maken. Volgens Shapiro volgt uit het hele idee van intersectionaliteit – oog hebben voor de complexe verschillen in privileges binnen gemarginaliseerde groepen – automatisch dat de witte, heteroseksuele man ergens onderaan de hiërarchie bungelt als het aankomt op de vraag wie er iets mag zeggen over onderdrukking – of eigenlijk: iets mag zeggen over wat dan ook.

Het andere filmpje dat Crenshaw laat ziet is van de Amerikaanse comédienne Katie Goodman, die op een geestige en verhelderende manier een ander ‘veelvoorkomend misverstand’ in beeld brengt over wat intersectionaliteit zou zijn: namelijk de veronderstelling dat witte vrouwen en zwarte vrouwen automatisch een natuurlijke bondgenoot zijn in de strijd tegen seksisme, alleen omdat ze allebei vrouw zijn. In het filmpje legt de zwarte vriendin van Katie uit dat de praktijk soms complexer is en dat goedbedoelde antiseksistische en antiracistische maatregelen binnen een bedrijf soms neerkomen op ‘het aannemen van zwarte mannen in een fabriek’ en ‘het aannemen van witte vrouwen op kantoor’. Op papier worden dan zowel vrouwen als zwarte Amerikanen geholpen aan een baan, maar als je zwart bent én vrouw, dan val je buiten de boot. Omdat Crenshaw in 1989 besefte dat er eigenlijk helemaal geen goede terminologie bestond om deze soms ‘onbewuste mechanismes van uitsluiting’, soms ook binnen de progressieve emancipatoire beweging, te omschrijven, bedacht ze de term ‘intersectionaliteit’.

Oog hebben voor elkaars marginalisatie

Tijdens de bijeenkomst van The Black Archives legt Crenshaw uit dat oog hebben voor elkaars specifieke marginalisering niet altijd vanzelfsprekend is – zelfs niet binnen emancipatoire bewegingen. Zo laat Crenshaw zien dat binnen de Black Lives Matter-beweging in de media vooral werd gefocust op politiegeweld tegen zwarte mannen, terwijl de cijfers laten zien dat zwarte vrouwen eveneens veel te vrezen hebben van al dan niet seksueel geweld van witte politieagenten. De intersectionele blik leidde in Amerika uiteindelijk ook werkelijk tot een aparte beweging – #SayHerName – en meer media-aandacht voor politiegeweld tegen kwetsbare zwarte vrouwen.

Op papier worden zowel vrouwen als zwarte Amerikanen geholpen aan een baan, maar als je zwart bent én vrouw, dan val je buiten de boot

Crenshaw vertelt hoe ze gefascineerd raakte door de manier waarop ook emancipatoire bewegingen – soms meer of minder bewust – konden bijdragen aan het in stand houden van sociale achterstanden van bepaalde subcategorieën binnen de groep. Bijvoorbeeld ‘kleurenblind’ feminisme, dat geen onderscheid wil zien tussen de positie van witte vrouwen en moslimvrouwen, maar volgens Crenshaw in de praktijk vanzelfsprekend acteert vanuit de positie en belangen van de witte vrouw uit de middenklasse. Het doel dat Crenshaw voor zich zag in 1989 was een begrippenkader ontwikkelen om bespreekbaar te maken hoe individuen soms slachtoffer kunnen zijn van verschillende vormen van onderdrukking tegelijkertijd (racisme, seksisme, homofobie, klassisme, etc.). Een taal die benoemt hoe deze dynamiek vaak niet wordt gezien of onderkend door individuen die zelf alleen last hebben van één bepaald type marginalisatie.

Crenshaw noemt ook andere voorbeelden waarin de sociale strijd voor de ene groep de andere onderdrukte groep buitensluit: de Million Man March die in 1995 werd georganiseerd door Louis Farrakhan, leider van de Nation of Islam, waarbij zwarte vrouwen werd gevraagd om thuis te blijven en broodjes te smeren; of de Amerikaanse strijd rondom het homohuwelijk, die volgens veel intersectionele denkers vooral een beweging was vanuit en voor de witte, homoseksuele man en verder weinig oog had voor de specifieke kwetsbaarheid van zwarte homo’s. Eigenlijk is intersectionaliteit volgens Crenshaw vooral ook een praktische tool die een opening biedt tot het oog hebben voor elkaars marginalisatie en het eigen privilege als het aankomt op werk, economische kwetsbaarheid en geweld.

Kritiek en kansen

Na de inleiding van Crenshaw bij The Black Archives begint het kringgesprek met drie andere zwarte vrouwen op het podium. Het panel waarmee Crenshaw in gesprek gaat bestaat uit Inez Blanca, assistent in opleiding aan de UvA en lid van de Diversiteitscommissie van de universiteit; Simone Zeefuik, schrijfster, betrokken bij Bijlmer Theater en verschillende projecten die zich bezighouden met dekolonisatienarratieven in de museale wereld, en ten slotte columnist en journalist Clarice Gargard. Wanneer Crenshaw wordt gevraagd hoe ze op het idee kwam voor haar ‘radicale’ essay is haar antwoord dat ze eigenlijk niets bijzonders deed. In ieder geval niets anders dan wat ze om zich heen zag in academische kringen: de wereld beschrijven vanuit je eigen persoonlijke positie en perspectief.

Crenshaw vertelt hoe met de groeiende omarming die het begrip intersectionaliteit ten deel viel, uiteraard ook de kritiek kwam. En niet alleen vanuit de rechts-conservatieve hoek van witte heteroseksuele mannen die intersectionaliteit zien als een aanval op hun recht van spreken. Ook in de emancipatoire beweging zelf bestond – en bestaat – er bij sommige mensen de angst dat te veel aandacht voor de onderlinge verschillende posities binnen een gemarginaliseerde groep de solidariteit en slagkracht kan aantasten die nodig is voor effectief activisme.

Van deze angst is geen sprake bij het publiek dat aanwezig is bij discussiemiddag in het Hugo Olijfveldhuis. Een publiek waar jonge vrouwen met een migrantenachtergrond en de LGBT-gemeenschap goed vertegenwoordigd zijn. Wel wordt er gesproken over de vraag of het debat over intersectionaliteit niet veel te academisch is. Crenshaw erkent dat het weinig zin heeft om elkaar in de haren te vliegen over de vraag hoeveel intersecties er nu eigenlijk precies zijn. Ze grapt dat het er volgens de laatste peiling momenteel zo’n negentien of twintig zijn.

Om te illustreren hoe persoonlijk en concreet intersectionalisme eigenlijk kan zijn, vertelt Clarice Gargard hoe zij als vluchteling, vrouw, Afrikaan en niet-hetero te maken heeft met verschillende niveaus van vooroordelen en hoe het begrip intersectionaliteit voor het allereerst een woord bood dat haar persoonlijke ervaringen bevestigde. Inez Blanca, die als promovendus betrokken was bij de bezetting van het Maagdenhuis, vertelt hoe ze tijdens de studentenacties merkte dat de solidariteit van heteroseksuele witte studenten met de specifieke belangen van gemarginaliseerde groepen binnen de protestbeweging – vrouwen, niet-hetero’s, People of Colour – erg klein was. Een ervaring die haar aan het denken zette over de inclusiviteit van de studentenbeweging.

Ook Simone Zeefuik deelt die middag haar eigen intersectionele inzichten met het publiek. Toen zij door een museum werd gevraagd om mee te denken over een viering van het Vrouwenkiesrecht, vond ze – eigenlijk opeens en dankzij het werk van Crenshaw –  dat de viering eigenlijk alleen maar ging over het kiesrecht voor witte vrouwen. Toen, in een heel andere context, haar mening werd gevraagd over ‘zwart feminisme’, stelde ze zichzelf de vraag: zou ik eigenlijk ook iets mogen zeggen over LGBT-feminisme, of is er alleen maar ruimte voor mijn identiteit als zwarte vrouw?

Van links naar rechts: Simone Zeefuik, Clarice Gargard, Kimberlé Crenshaw en Inez Blanca (Foto: The Black Archives)

Geen taal maar tool

Dat intersectionaliteit een echt buzzword werd in de emancipatiebeweging is relatief nieuw. Crenshaw vertelt dat het feminisme, althans in haar eigen beleving, op sterven na dood was in 1989, het jaar waarin ze haar wetenschappelijke artikel schreef. In de decennia daarna ging de aandacht vooral uit naar de groeiende moslimhaat. Pas in 2011, toen marketingconsultant en blogger Flavia Dzonan een essay scheef over racisme binnen de feministische beweging op haar populaire blog Tiger Beatdown, kreeg het begrip ‘intersectionaliteit’ vleugels. De titel van Dzonans essay My feminism will be intersectional or it will be bullshit! zou in de jaren daarna een van de bekendste feministische quotes worden die gedeeld werd op het internet. In 2013 ging het woord intersectionaliteit echt rondzoemen in de Nederland. Volgens de leden van het panel liep deze doorbraak samen met de opkomende brede antiracismebeweging rondom Zwarte Piet.

Toch wil Gargard van Crenshaw weten hoe we er voor zorgen dat intersectionaliteit, nog meer dan dat het dat nu al heeft, een reële maatschappelijke of politieke dimensie krijgt. Hoe voorkomen we ‘cosmetische intersectionaliteit’ die alleen met de mond wordt beleden? Volgens de Amerikaanse professor kan het begrip helpen om de ogen te openen voor asymmetrische solidariteit – (zwarte vrouwen die strijden tegen seksisme of witte vrouwen die niet strijden tegen racisme) – maar is het woord geen toverstokje dat alle problemen oplost. Toch stelt Crenshaw dat het blijven praten en benoemen van (het gebrek aan) intersectioneel handelen tot een groter bewustzijn leidt binnen groepen waar dat nodig is.

Volgens Simone Zeefuik is het trouwens wel degelijk mogelijk om van intersectionaliteit meer te maken dan een academisch debat. Tegenstanders moeten voelen dat ze verkeerd bezig zijn, zegt ze. Als voorbeeld noemt Zeefuik de spontane sabotageactie die ontstond toen de Amerikaans-Egyptische feminist Mona Eltahawy zou gaan spreken in debatcentrum De Balie. Eltahaway werd last-minute gewaarschuwd door haar Nederlandse vrienden dat dit Amsterdamse debatcentrum twee jaar eerder ruimte had geboden aan moslimhaat E(refererend aan de avond ‘Waarom haten ze ons’ waarop onder andere anti-islampublicist Wim van Rooy en FvD-sympathisant Paul Cliteur spraken, waarbij die laatste repliceerde dat je ‘ook voorzichtig kunt beginnen’ toen iemand uit het publiek het idee opperde om moslims te deporteren). In reactie daarop besloot ze om De Balie te boycotten, een actie die door intersectionele feministen en zwarte activisten werd toegejuicht. Zeefuik vindt dat organisaties die onderdrukkende narratieven faciliteren en legitimeren geraakt moeten worden waar het pijn doet: in hun goede naam en in hun portemonnee. Wanneer organisaties racisten, vrouwenhaters en LGBT-haters een podium bieden, werk dan niet meer met ze samen. Deze oproep tot deplatformen krijgt veel bijval vanuit de zaal.

Crenshaw ziet de acht jaar dat Barack Obama aan de macht was – paradoxaal genoeg – als een stilstand in het racismedebat aan de progressieve zijde

Toch is er ook kritiek. Clarice Gargard waarschuwt dat intersectionele activisten ook zelf moeten oppassen dat ze bepaalde groepen gemarginaliseerden buitensluiten door zich te bedienen van een ingewikkeld academisch discours. Ze vertelt dat ze ook zwarte vrouwen kent die niet gestudeerd hebben en veel te druk zijn met overleven om zich bezig te houden met de sociale strijd. In hoeverre bieden intersectionele activisten eigenlijk ruimte aan deze groep? Alleen al omdat de voertaal van deze middag Engels is – uiteraard met de goede reden dat Crenshaw Amerikaans is – sluiten we volgens haar mensen uit die alleen Nederlands beheersen. Zeefuik beaamt Gargards kritiek. Het is volgens haar nodig om iedereen te betrekken – ook mensen met een lage opleiding. Zelf geeft Zeefuik overigens te kennen dat ze persoonlijk genoeg mensen kent die nog nooit van Kimberlé Crenshaw en intersectionaliteit hebben gehoord, maar hun leven gewoon invullen in een vanzelfsprekende verbondenheid met allerlei soorten gemarginaliseerde groepen.

In haar slotbetoog op de bijeenkomst bij The Black Archives vat Crenshaw het debat samen. Ze stelt dat intersectionaliteit niet alleen thuishoort binnen het academische debat, omdat het een goede metafoor biedt om wetenschappelijk onderzoek te doen naar machtsverhoudingen, maar dat het ook een dagelijks toepasbare manier van kijken is die kan gebruikt kan worden om jezelf te verhouden tot allerlei verschillende – al dan niet gemarginaliseerde –  identiteiten die je hebt als individu.

Een aardige blik op het verleden biedt het eerlijke antwoord van Crenshaw op de vraag over hoe zij nu eigenlijk tot haar ‘radicale’ en baanbrekende essay kwam. Ze vertelt dat ze tijdens het schrijven wel merkte dat research geleidelijk aan steeds meer ‘me-search’ werd, maar dat ze zelf helemaal niet het idee had bezig te zijn met een revolutionair of radicaal narratief. Ze stelt gewoon hetzelfde te hebben gedaan als wat ze de witte mannen op de universiteit om zich heen zag doen: de wereld onderzoeken vanuit hun eigen ervaring en perspectief.

Foto: The Black Archives

Een persoonlijk verhaal

Dit persoonlijke verhaal van professor Crenshaw kreeg een paar dagen later volop de ruimte tijdens de middag die werd georganiseerd door de Rechtenfaculteit van de UvA. In een eveneens afgeladen zaal gaat de professor, na een korte introductie over het begrippenkader, dieper in op een aantal cruciale momenten in haar leven, momenten waarop ze zich bewust werd van haar eigen ‘gemarginaliseerde’ deel-identiteiten.

Met schwung en humor ontvouwt Crenshaw een bepalende, maar hartverscheurende anekdote uit haar jeugd. Als meisje van vijf en dochter van politiek bewuste zwarte leraren, groeide ze op in het rustige Ohio en bezocht daar als zwart meisje een gemengde basisschool. Ze ontwikkelde er een obsessie voor het wekelijks kringspel, waarbij iedere keer een ander meisje uit de klas prinses Doornroosje mag zijn die wordt toegezongen hoe mooi ze is. Die obsessie is niet raar, want de kleine Kimberlé wordt het hele jaar stelselmatig overgeslagen door de schooljuf om prinses Doornroosje te zijn. Na een half jaar geduldig wachten verzamelde ze al haar moed en vraagt ze aan de juf waarom ze nooit wordt gekozen als Doornroosje. Ook Kimberlé wil een keer worden toegezongen als prinses, net zoals al haar vriendinnen. Het antwoord is iedere week hetzelfde: de volgende keer mag jij Doornroosje zijn, echt waar! Heb geduld!

Maar het is op de allerlaatste schooldag van het jaar, op het allerlaatste moment van de middag, dat de schooljuf de kleine Kimberlé vertelt dat ze vandaag dan eindelijk Doornroosje mag zijn. De beloning voor een half jaar vragen en geduld hebben. Maar nog voordat de kinderen kunnen beginnen met zingen gaat de schoolbel die de zomervakantie inluidt. De kinderen stormen naar buiten en Kimberlé weet dat ze nooit Doornroosje zal zijn. Zonder dat het door iemand wordt uitgesproken, is dat de eerste keer dat Crenshaw – vijf jaar – zich bewust wordt van de consequenties van haar donkere huidskleur. Crenshaw vertelt dat ze vanaf toen, en zonder dat iemand het tegen haar zegt, beseft: blijkbaar is de rol van mooie prinses niet weggelegd voor zwarte meisjes. Zelfs niet op een kleuterschool. Niet in het Amerika van 1964. Het was de tijd van Martin Luther King. Amerika zat midden in de emancipatiestrijd voor Afro-Amerikanen, maar voor deze vorm van racisme was er nog geen taal.

De kinderen stormen naar buiten en Kimberlé weet dat ze nooit Doornroosje zal zijn

Intersectionaliteit nu en de toekomst

Tijdens de bijeenkomst op de Rechtenfaculteit vertelt Crenshaw hoe ze opgroeit op in een gezin waar alles zwarte emancipatie ademt. Als er een zwart iemand op televisie komt, dan zit de hele gemeenschap gekluisterd voor de buis. Het feit dat haar eigen vader op een bepaald moment in zijn carrière de kans krijgt om rechten te gaan studeren zal, net zoals de moord op Martin Luther King, bepalend worden in Crenshaws leven. Wanneer haar vader een paar jaar later onverwacht overlijdt, erft ze al zijn lesboeken. Op dat moment besluit ze, met de boeken van haar vader onder haar arm, dat ze rechten wil gaan studeren.

De ijverige Crenshaw belandt op het prestigieuze Harvard. Daar ontdekt ze dat de studie rechten, zoals die op dat moment wordt gegeven, niet de antwoorden biedt op haar vragen over racisme. Ook zegt ze zich toen bewust te zijn geworden dat emancipatie van de zwarte man niet automatisch de emancipatie betekent van de zwarte vrouw.

Na deze hyperpersoonlijke terugblik wordt Crenshaw geïnterviewd door Lyn Tjon Soei Len, die als postdoc verbonden is aan de UvA. Ze vraagt Crenshaw welke rol intersectionaliteit speelt in het Amerika van nu. Volgens Crenshaw is het nu de beste tijd voor intersectionaliteit, maar tegelijkertijd ook de slechtste. Er is alle ruimte en aanleiding voor een diepgravend debat, maar het open debat wordt momenteel zeer vervuild door extreemrechtse activisten die er alles aan doen om desinformatie te verspreiden over wat intersectionaliteit nu eigenlijk is. Dit vindt Crenshaw een groot probleem, omdat het begrip voor sommige mensen al complex genoeg is. Een witte mannelijke senator stelde laatst dat hij in zijn vrije meningsuiting werd beperkt door het begrip intersectionaliteit. Volgens Crenshaw gaan hij en anderen met haar begrip aan de haal.

Het presidentschap van Barack Obama beschouwt Crenshaw – paradoxaal genoeg – als jaren van stilstand. De grootste valkuil was toen het gevoel van euforie: we hebben een zwarte president, dus er is geen racisme meer. Een grote, gevaarlijke misvatting volgens Crenshaw, vooral omdat er in die acht jaar Obama aan de andere kant van het politieke spectrum over niets anders werd gepraat dan over witte identiteit en de bedreiging daarvan. De gevolgen: het ontstaan van de krachtige en giftige Alt-Right en de verkiezing van Donald Trump tot president, die voor velen als een duveltje uit een doosje kwam.

Als de discussiemiddag ten einde loopt, concludeert Crenshaw dat een mogelijk nieuwe rol van intersectionaliteit wellicht ook ligt in het blootleggen van overeenkomsten tussen gemarginaliseerde groepen, misschien wel meer dan in het eindeloos uitvergroten van de verschillen in privilege binnen groepen. Dat laatste blijft belangrijk om bespreekbaar te maken, maar volgens Crenshaw kun je het ook overdrijven. Zelf is ze in de loop der jaren in ieder geval meer overlap gaan zien tussen de problemen van verschillende achtergestelde groepen. Crenshaw pleit daarom voor het mobiliseren en verbinden van krachten uit verschillende gemarginaliseerde groepen. Een conclusie die welbeschouwd niet in tegenspraak is met het ideaal van waaruit het hele idee van intersectionaliteit ooit is ontstaan.

 

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here