17.1 C
Amsterdam

Wie staat er stil bij het lot van de Indonesië-weigeraars?

Fitria Jelyta
Journalist.

Lees meer

26 juni vond de Nederlandse Veteranendag plaats. Hiermee staat Nederland jaarlijks stil bij de inzet van Nederlandse militairen in het verleden, als blijk van erkenning en waardering. Zo ook bij de Nederlandse veteranen die naar Indonesië werden gestuurd om daar de ‘orde en rust’ te herstellen. Maar hoe zit het met de mannen die de uitzending naar de voormalige kolonie weigerden en daarvoor werden gestraft? Wie staat er stil bij hun lot?


Nederland was nog maar net bevrijd van de Duitse bezetters toen ons land in 1946 de eersten van de tienduizenden Nederlandse soldaten naar Indonesië stuurde voor de zogeheten ‘politionele acties’. In werkelijkheid werden de troepen erheen gestuurd om een einde te maken aan de op 17 augustus 1945 uitgeroepen Republiek Indonesië, met als doel het behoud van de kolonie voor Nederland. Zo’n 4.000 dienstplichtige soldaten weigerden hieraan mee te werken. De Nederlandse staat noemde hen ‘Indië-weigeraars’. 2.600 van hen werden uiteindelijk veroordeeld tot celstraffen van 2 maanden tot 5 jaar.

‘Mijn vader had de dienstplichtige leeftijd en moest erheen gaan, maar hij weigerde. Hij vond dat Indonesië onafhankelijk moest zijn’, vertelt Petra Oskam, dochter van de in 2014 overleden Indonesië-weigeraar Jan Maassen. ‘Indonesië behoorde niet tot Nederland. Hij zei dat hij daar niets te zoeken had. ‘Wat er ook gebeurt, ik ga er niet naartoe’, dat was zijn overtuiging.’

Jan Maassen in 2001 tijdens een interview met ‘Andere Tijden’ (Beeld: YouTube)

In een eerder interview zei Maassen dat hij het ‘vertikte om op onschuldige burgers te schieten.’ Al van jongs af aan kreeg hij politiek met de paplepel ingegoten. Zo was de vader van Maassen actief in de Communistische Partij Nederland (CPN). Hij smokkelde voor de Tweede Wereldoorlog communisten en Joden uit Duitsland naar Nederland. Op jonge leeftijd hielp Jan zijn vader mee. Hij verspreidde onder meer de communistische krant de Waarheid, die illegaal was in Nederland.

Voor het volhardend weigeren van de uitzending naar Indonesië, werd Jan Maassen in 1950 door de Nederlandse staat veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie en een half jaar. Hij was toen twintig jaar oud. Het volledig uitzitten van zijn straf deed hij in een gevangenis waar ook NSB’ers en SS-officieren werden geplaatst, die uiteindelijk vervroegd vrijgelaten konden worden, vertelt Petra Oskam. Deze gratie, verleend door de Nederlandse staat, gold echter niet voor de jonge mannen die weigerden om als dienstplichtigen in Indonesië te vechten. Na hun gevangenisstraf werd Maassen en andere Indonesië-weigeraars vijf jaar lang uitgesloten van hun kiesrecht. Ook hadden sommigen van hen later moeite met het vinden van een baan.

‘Als onderdeel van zijn dienstplicht moest mijn vader een ‘Tropenopleiding’ volgen om zich voor te bereiden op de strijd in Indonesië, maar al die tijd wist hij dat hij niet zou gaan. Net als andere weigeraars zat hij daarna ondergedoken, maar uiteindelijk had hij zich gemeld bij de militaire politie en werd hij in bewaring gesteld’, zegt Oskam.

De Nederlandse overheid had besloten om de weigeraars alsnog naar Indonesië te sturen. Op 28 oktober 1949 werd Maassen samen met andere weigeraars in een konvooi gezet dat naar de haven van Rotterdam reed. Van daaruit moesten de troepen naar de voormalige kolonie vertrekken. ‘Ze hadden geen idee waar ze heen gingen. Eenmaal aangekomen op de haven moesten de mannen zich één voor één melden bij de officieren, die hen bevalen om op de boot te stappen voor vertrek naar Indonesië. Tot drie keer toe kregen zij het bevel aan boord te gaan’, gaat Oskam verder. ‘Sommige mannen bezweken onder druk en gingen mee, maar mijn vader en een aantal anderen hielden voet bij stuk. Zij werden uiteindelijk veroordeeld voor het weigeren van een dienstbevel.’

Het onder druk zetten van de Indië-weigeraars ging gepaard met rechtszaken die de Nederlandse staat tegen hen aanspande, vertelt historicus Antoine Weijzen. ‘Het idee was om de groepen weigeraars te breken tot individuen, die de officieren vervolgens gemakkelijker onder druk kon zetten om alsnog naar Indië te gaan. Sommige officieren waren ervan overtuigd dat zij de weigeraars daarmee een dienst deden. Ze wilden voorkomen dat deze jongens in de gevangenis belanden’, zegt hij. Weigerden de soldaten hun bevelen op te volgen, dan werden ze voor de krijgsraad berecht.

‘Dit proces moest snel verlopen. Er was een advocaat die een groep weigeraars verdedigde met een standaardpleidooi, dat hij veranderde op basis van enkel de naam van de aangeklaagde. Deze advocaat werkte uiteindelijk mee met de staat om de weigeraars alsnog naar Indië te sturen. En zo waren er meerdere beroepsgroepen die de staat faciliteerden in dit rechtssysteem.’

Beeld: Uitgeverij Omniboek

Kerk en staat

In 2015 schreef Weijzen het boek De Indië-weigeraars: vergeten slachtoffers van een koloniale oorlog. Hiervoor deed hij onderzoek naar verschillende beroepsgroepen in Nederland die de weigeraars wilden overhalen om in de voormalige kolonie tegen de Republiek Indonesië te vechten. Naast juridische instellingen waren het ook de religieuze en medische instituten in Nederland die het Rijk volledig ondersteunden in zijn beslissing ten strijde te gaan in Indonesië.

‘Alle kerkgenootschappen hadden geestelijke verzorgers die een rol speelden bij het overhalen van de dienstweigeraars om te vechten in Nederlands-Indië’, zegt Weijzen. ‘De katholieke missionarissen in Nederlands-Indië – zoals dat toen heette – waren tegen de zogeheten ‘politionele acties’. Dat leidde tot een conflict met de katholieke instellingen in Nederland. Uiteindelijk werd dit conflict gewonnen door de Katholieke Kerk in Nederland, die vanaf dat moment aan de lijntjes trok in het begeleiden van katholieke jongeren naar Indië.’

Zo maakten de katholieke instellingen in Nederland zich druk over soldaten die prostituees bezochten en bepleitten ze een verbod op het verspreiden van condooms, omdat dat tegen de katholieke leer in ging. Er werden vanuit de katholieke kerken geen vragen gesteld over waarom de Nederlandse soldaten daar in eerste instantie heen moesten gaan, aldus de historicus. Dit was ook het geval bij de protestantse kerken. Binnen die gemeenschap was er volgens Weijzen geen sprake van een conflict, omdat zij de overheid als verheven boven de kerk beschouwden. ‘Als de overheid jou de opdracht geeft om naar Indië te gaan, dan doe je dat. Zo dachten de protestantse kerken in die tijd. De meeste protestantse kerkleiders steunden daarmee de koloniale oorlog, maar dorpsgezinde gemeenten steunden de weigeraars in hun keuze’, aldus Weijzen.

‘Als het parlement eerherstel zou toekennen aan de weigeraars, wat voor boodschap geven ze dan aan de dienstplichtige militairen die destijds wel naar Indië zijn gegaan?’


Volgens de historicus was de kritiek op de Nederlandse militairen in Indonesië vooral afkomstig uit communistische hoek. Daarover werd kritisch geschreven in kranten zoals de Waarheid, waardoor het publiek kritiek op het Nederlandse optreden in Indonesië al snel als communistisch bestempelde, om vervolgens de inhoud van de boodschap niet serieus te nemen. Pas toen er negatieve berichten kwamen van de Nederlandse soldaten in Indonesië begon het positieve beeld van de strijd om de voormalige kolonie te kantelen, stelt Weijzen. ‘Ik heb brieven gelezen van zonen van dominees die naar Indië werden gestuurd, en hun vaders vertelden over de verschrikkingen die zij daar aantroffen. Toen pas ontstond er twijfel.’

Desondanks zouden medische instellingen volgens Weijzen ook bijdragen aan het systeem dat jonge Nederlandse soldaten onder druk zette om naar Indonesië te gaan. ‘Doordat er een grote vraag was naar militairen werden de keuringsnormen opgerekt. De jongens die bij normale omstandigheden afgekeurd zouden worden, omdat ze bijvoorbeeld geestelijk of fysiek niet geschikt waren, werden door medisch personeel alsnog goedgekeurd’, legt hij uit. ‘De jongens die eigenlijk afgekeurd hadden moeten worden, maar toch naar Indië gingen, waren niet opgewassen tegen de oorlogsomstandigheden en deserteerden daar alsnog. Ook zij werden voor de krijgsraad gedaagd.’

Door het bestuderen van de dossiers van de verschillende beroepsgroepen die de oorlog in Indonesië faciliteerden, poogde Weijzen deze groepen een spiegel voor te houden. ‘Niet alleen militaire artsen, maar ook verzekeringsartsen en Arboartsen dienen toen en nu twee meesters: de cliënt en de opdrachtgever. Hoe gaan ze dat combineren?’, vraagt hij zich af. ‘Ik heb kunnen vaststellen dat de meeste artsen tijdens de oorlog in Nederlands-Indië toch kozen voor het bedienen van de strijdkracht, oftewel hun opdrachtgever, ten koste van de belangen van de patiënt.’

Slechts één arts, een psychiater, had vraagtekens bij de wijze waarop militaire artsen hun beroep destijds uitoefenden. ‘Rümke, hoogleraar Psychiatrie van de Universiteit Utrecht schreef: ‘Waar komt nou die afwijzing van de dienstplichtweigeraars vandaan? Wat maakt het nou dat we ze zo gemakkelijk in een negatief daglicht plaatsen? Wat zegt dat over ons? Is het omdat zij iets doen wat wij nooit hebben gedurfd?’’

Hoge Raad

De Indonesië-weigeraars die uit politieke overtuiging hun dienstbevel weigerden hadden lef, beaamt Jeffry Pondaag, voorzitter van de Stichting Comité voor Nederlandse Ereschulden (K.U.K.B.). ‘De Nederlandse soldaten die toen naar Indonesië gingen waren nog maar jonge mannen. Dat wordt er altijd over hen gezegd. Maar de Indonesië-weigeraars waren ook nog maar jonge mannen’, zegt hij. ‘De bewuste keuze die ze hadden gemaakt om niet mee te vechten omdat Indonesië een soevereine staat is, die zij als zodanig erkennen, daar hadden ze gelijk in. Dat gelijk kregen ze echter niet van hun regering. En dat werd ook nog eens bevestigd door de Hoge Raad.’

Met zijn stichting komt Pondaag op voor de belangen van Indonesische slachtoffers en nabestaanden van militair geweld dat Nederland in 1945-1950 uitoefende op de lokale bevolking in Indonesië. Hiervoor spant hij meerdere rechtszaken aan tegen de Nederlandse staat. Ook komt hij op voor de belangen van de Indonesië-weigeraars.

Zo ging Jan Maassen in 2013 met behulp van Pondaag en advocate Liesbeth Zegveld naar de Hoge Raad voor een verzoek om eerherstel. Dit deed Maassen samen met Jan van Luyn, die destijds als deserteur werd veroordeeld. Het verzoek om eerherstel werd echter verworpen. Volgens de Hoge Raad was het niet aan justitie, maar aan de politiek om straffen van de Indonesië-weigeraars te herroepen. Daarna volgden Kamervragen en pleitten PvdA, GroenLinks, D66, en SP voor eerherstel, maar door verdeeldheid in de Kamer is het er nooit van gekomen.

‘Volgens mij hebben we er alles aan gedaan om Nederland te doen inzien dat Indonesië-weigeraars eerherstel moeten krijgen. Maar de politici zwijgen er nu over’, zegt Pondaag. ‘Waarom hebben ze niet doorgezet?’ Hij vindt dat Indonesië-weigeraars behalve eerherstel ook een schadevergoeding moeten krijgen. ‘Je kunt het vergelijken met bijvoorbeeld de toeslagenaffaire. Als de staat een fout maakt, dan moet de staat die ook herstellen. Als Indonesische slachtoffers en nabestaanden een vergoeding krijgen, dan verdienen Indonesië-weigeraars dat ook.’

Wel benadrukt Pondaag dat de schadevergoeding voor Indonesische slachtoffers en nabestaanden ‘een sigaar uit eigen doos’ is. Dit, omdat Indonesië na de soevereiniteitsoverdracht van 1949 omgerekend 103 miljard euro aan schadevergoeding aan Nederland moest betalen. ‘Het gaat niet alleen om wat er zich afspeelde in 1945-1950, maar ook de perioden daarvoor. Het gaat om 350 jaar lang aan koloniale onderdrukking. Nederland is een schaamteloos land.’

‘Als Indonesische slachtoffers en nabestaanden een vergoeding krijgen, dan verdienen Indonesië-weigeraars dat ook’

Dat juridisch eerherstel voor de Indië-weigeraars niet mogelijk is, begrijpt historicus Antoine Weijzen enigszins. ‘De mannen die hun dienstbevel naar Indië weigerden, deden dat niet alleen uit politieke overtuiging. Er waren ook mannen die weigerden omdat ze te bang waren, of omdat ze zichzelf niet geschikt vonden. Uiteindelijk ging het om slechts een kleine groep mannen die principieel weigerden om naar Indië te gaan.’ Moreel eerherstel is volgens de historicus wel mogelijk voor deze kleine groep.

‘Het is een politieke afweging. Als het parlement eerherstel zou toekennen aan de weigeraars, wat voor boodschap geven ze dan aan de dienstplichtige militairen die destijds wel naar Indië zijn gegaan? Keuren ze die dan af?’, zegt hij. Voor de Nederlandse oud-militairen die in Indonesië hebben gevochten is het een emotionele kwestie, ziet Weijzen. ‘Zij voelen zich aangevallen. Een dienstweigeraar houdt hen een spiegel voor. Dan kun je drie dingen doen: er niet over nadenken, er wel over nadenken en concluderen dat je de foute keuze hebt gemaakt, of erover nadenken en tot de conclusie komen dat ondanks de omstandigheden je de juiste keuze hebt gemaakt, en vervolgens je boosheid richten op de weigeraar.’

Ondanks alles heeft Jeffry Pondaag nog hoop op eerherstel voor de Indonesië-weigeraars. Wanneer de gelegenheid zich aandient, zegt hij nog steeds bereid te zijn om voor hen op te komen. ‘Deze mensen verdienen meer aandacht dan de oud-militairen die toen wel naar Indonesië zijn gegaan om de onafhankelijkheidsstrijd neer te slaan en onschuldige burgers te vermoorden.’

Wel vindt Pondaag dat excuses nu veel te laat zouden komen. Dat Jan Maassen in 2014 op 85-jarige leeftijd is overleden zonder zijn eerherstel te mogen meemaken bewijst dat ook, stelt hij.

‘Het enige wat mijn vader wilde was een brief met excuses van de staat voor wat hem is aangedaan’, zegt Petra Oskam. ‘De leidraad van zijn latere leven is eerherstel, daar heeft hij tot zijn laatste adem voor gevochten. Tegen zijn dochters zei hij: ‘Als jullie hierover worden benaderd, spring dan voor me in de bres.’ Wij hebben altijd met hem meegeleefd en zijn ontzettend trots op hem.’

In 1988 nam Jan Maassen het initiatief om een reünie te houden van Indonesië-weigeraars. De eerste bijeenkomst werd gehouden op 16 oktober. Daarna volgde er jaarlijks een reünie tot en met 2008. Over zijn belevenissen schreef hij in 2003 bovendien een boek: Een Indonesië-weigeraar vertelt zijn verhaal: Jan Maassen over strijd en gevangenschap, dat online gratis is te lezen op Yumpu.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -