Turkije was eeuwenlang bastion van christenen

Foto: YouTube. Het Sümela-klooster in Trabzon, gesticht in 386 tijdens het bewind van keizer Theodosius I.
Bisschop Sint-Nicolaas leefde eeuwen geleden in het zuiden van het huidige Turkije. Dat is niet verwonderlijk want het land kent een rijke christelijke geschiedenis.

De BBC en andere media meldden onlangs dat archeologen in Turkije mogelijk het graf van Sint-Nicolaas ontdekt hebben. De opgravingen vonden plaats in Demre, in de buurt van de geboorteplaats van Sint-Nicolaas. De archeologen onderzochten de grond met radars en troffen een oude tempel aan onder de Sint-Nicolaas-kerk. In de tempel is een speciaal gedeelte waarin zich mogelijk de tombe van Sint-Nicolaas bevindt. De komende maanden zullen de onderzoekers de tempel nader onderzoeken.

Sint-Nicolaas, ook bekend als Nicolaas van Myra, werd waarschijnlijk omstreeks 270 geboren in Patara en overleed omstreeks 343 in Myra. Myra is het huidige Demre, een stadje in de Turkse provincie Antalya. Patara was een stad in de buurt van Myra. Sint-Nicolaas stond bekend om zijn gulheid aan armen en kinderen. In Nederland kennen wij hem als Sinterklaas. Na zijn dood werd hij begraven in Myra. Maar het verhaal gaat dat aan het eind van de elfde eeuw Italiaanse koopmannen zijn beenderen meenamen naar het Italiaanse Bari, waar speciaal voor zijn stoffelijke resten een basiliek werd gebouwd. Enkele jaren eerder was Myra in handen gevallen van het Turks-islamitische rijk van de Seltsjoeken en de koopmannen zouden bang zijn geweest dat de beenderen van Sint-Nicolaas niet langer veilig waren in Myra.

Als de Turkse archeologen gelijk hebben en Sint-Nicolaas begraven ligt in de tempel onder de Sint-Nicolaas-kerk, dan moet het verhaal van de Italiaanse koopmannen naar het rijk der fabelen worden verwezen. Demre is namelijk gebouwd op de ruïnes van Myra. De archeologen denken dat het lichaam in Bari destijds van iemand anders is gestolen. ‘De ogen van de wereld zijn op ons gericht. Als we resultaten bereiken, dan is dat een enorme boost voor het toerisme in Antalya. We zullen internationale discussies voeren na de opgravingen’, verklaarde de leider van het onderzoeksproject Cemil Karabayram aan de Turkse krant Hürriyet.

Foto: Aleksa Petrov. Afbeelding van Sint-Nicolaas (1294).

Erfgoed
Turkije herbergt naast het bekende verhaal van de bisschop van Myra nog veel meer christelijk (materieel en immaterieel) erfgoed. Al vanaf de vroegste eeuwen van het christendom was er brede religieuze activiteit in het land. De eerste vier grote concilies (kerkvergaderingen) zijn gehouden in het huidige Turkije, in de vierde en vijfde eeuw: de concilies van Nicea (Iznik) in 325, Constantinopel (Istanbul) in 381, Efeze (Efes) in 431 en Chalcedon (Kadiköy, Istanbul) in 451. Tijdens het concilie van Chalcedon werd de basis gelegd voor de drie-eenheid (het concept dat God één is en zich in drie vormen manifesteert) en de term orthodoxie, de vorm van het christendom die de Byzantijnse staat aanhing. Aan het eind van de vierde eeuw werd onder keizer Theodosius I (346-395) dit Grieks-orthodoxe christendom de facto de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Kerken die afweken van dit gedachtegoed werden gezien als heterodox en kregen te maken met vervolging en onderdrukking.

Twee van de vijf patriarchaten (kerkregio’s) in het Byzantijnse Rijk liggen binnen de grenzen van het huidige Turkije, namelijk Constantinopel en Antiochië (Antakya). Istanbul, in het noordwesten van het land, is vandaag nog steeds de zetel van onder andere de Grieks-orthodoxe patriarch en huisvest kerken, vele stammend uit de Byzantijnse tijd, van vrijwel alle stromingen en nationaliteiten, evenals daaraan verbonden onderwijsinstellingen; Grieks, Armeens, Frans, Syrisch, katholiek, protestants en orthodox, zelfs Duits en Nederlands. Bovendien kende de provincie Izmir, in het uiterste westen van het land, allerlei Europese gemeenschappen, vaak katholiek, maar ook protestantse anglicanen. Daarnaast ligt in het huidige Turkije de oorsprong van de Syrisch-orthodoxe (West-Syrische) kerk (de regio Tur Abdin in het zuidoosten van het land) en de Assyrische (Oost-Syrische) kerk (rond de provincie Hakkari in het uiterste zuidoosten van het land). Verder was de provincie Urfa, in het zuidoosten van het land, onder de naam Edessa een belangrijk intellectueel centrum van de Syrische kerken en kwam de apostel Paulus uit de stad Tarsus, in het zuiden van het land.

Cappadocië
Ook Kappadokía (Cappadocië) speelt een belangrijke rol in de christelijke geschiedenis van het land. Het was een belangrijke Byzantijnse provincie die onder meer grensde aan Armenië, Mesopotamië, Syrië en de Zwarte Zee. Het omvatte ook de voor christenen belangrijke steden Caesarea (Kayseri), Sebasteia (Sivas) en Trapezounta/Trebizonde (Trabzon).

Uit Cappadocië kwamen drie zogeheten kerkvaders. Kerkvaders zijn theologen uit de vroegchristelijke tijd wier werken bewaard zijn gebleven. De drie staan bekend als de Cappadocische Vaders en waren de grondleggers van de drie-eenheid. De bestuurstaal in het Byzantijnse Rijk was Grieks, maar binnen Cappadocië waren bijvoorbeeld Armeense christenen actief als militairen voor de staat. Zij hebben zich geleidelijk verspreid in verschillende richtingen binnen Anatolië en ook richting Mesopotamië, gelijk met de Byzantijnse en later Seltsjoekse veroveringen.

Cappadocië is tegenwoordig een belangrijke toeristische regio die zich vooral concentreert binnen de provincie Nevsehir in Centraal-Anatolië. Cappadocië staat op de UNESCO-Werelderfgoedlijst en is bekend om haar eigenaardige geologische formaties ontstaan uit tuf- en kalksteen, afkomstig uit drie vulkanen, waaronder de Erciyes (Argaeus) in Kayseri, die eeuwen geleden uitbarstten en zo de basis vormden van de natuurverschijnselen in Cappadocië. Door de jaren heen hebben water, wind en ijs het gesteente gevormd tot allerlei indrukwekkende vormen, zoals de peri bacalari (feeënschoorstenen), pilaren met een ‘hoedje’ erop. Er zijn ook ondergrondse en uit steen gehakte huizen, kerken en kloosters die de bewoners van het gebied eeuwen geleden hebben uitgehakt uit het zachte gesteente. Enkele ondergrondse steden deden dienst als schuilplaats tijdens conflicten of gevaar, zoals christenvervolgingen.

Tijdens het Ottomaanse Rijk kende Cappadocië een gemengde Turkse, Griekse en Armeense bevolking, tot in de meeste dorpen aan toe. De Griekse handelaren zaten onder meer in de wijnproductie, vanwege de vele druiven in het gebied een levendige industrie en belangrijke bron van geld dat in bijvoorbeeld religieuze gebouwen en scholen gestoken kon worden.

Foto: Reuters. De Armeense Sint-Giragos-kathedraal in Diyarbakir, gebouwd in 1371. Het is de grootste Armeense kerk van het Nabije Oosten.

Seltsjoeken en Ottomanen
In de rijken van de Seltsjoeken en Ottomanen genoten niet-moslims een dhimmi-status zoals dat in andere islamitische rijken gebruikelijk was. Joden en christenen genoten een status als ‘mensen van het boek’. Ze betaalden extra belasting (jizya) en waren vrijgesteld van militaire dienst. Dat betekende dat je geen deel uit kon maken van de politieke elite. Als niet-moslim kon je een leidinggevende functie bekleden, maar niet in de centrale regering zitten. De verschillende gemeenschappen mochten wel kerkdiensten houden en van hun eigen (religieuze) wetten en tradities gebruikmaken, zoals bij een huwelijk, echtscheiding of erfenis, waar ook een religieuze leider vanuit de eigen gemeenschap aan te pas kwam. Er bestonden ook voorschriften op het gebied van bijvoorbeeld kleding en het bouwen of renoveren van kerken. In de praktijk kon de situatie echter verschillen per tijd, heerser en locatie, soms in het voordeel en soms in het nadeel van de niet-moslim-bevolking.

Veel Ottomaanse sultans waren getrouwd met buitenlandse christenvrouwen of waren afkomstig uit een gemengd huwelijk van hun voorgangers. Het rijk had traditioneel contacten met lokale niet-islamitische dynastieën en veel leden van de bestuurlijke en militaire elite waren oorspronkelijk niet-moslims die zich bekeerden om in het staatsapparaat plaats te kunnen nemen, bijvoorbeeld als grootvizier, prominent lid van het befaamde Janitsaren-leger en minister.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw worden op vrijwel elk gebied in het Ottomaanse Rijk hervormingen doorgevoerd, van bestuur en onderwijs tot wetgeving, infrastructuur en economie. Deze periode staat bekend als de tanzimat. Volgens de wet had nu iedereen een gelijke en beschermde status als staatsburger. Er werd bijvoorbeeld vaker toestemming gegeven voor het renoveren en zelfs bouwen van kerken, ook niet-moslims mochten dienen in het leger, er kwamen seculiere rechtbanken, gemengde scholen, spoorlijnen en postkantoren. Rond deze tijd werd ook het millet-systeem ingevoerd. Millet betekent volk ofwel een bepaalde culturele, etnische of religieuze gemeenschap. Iedereen gold in beginsel als een Ottomaan, maar mensen werden nu op formeel niveau geïdentificeerd aan de hand van hun ‘nationaliteit’ en taalkundige en religieuze verwantschap. Naast moslims waren de Griekse, Armeense en joodse millets de grootste groepen in de samenleving. De millets hadden hun eigen wijken, leiders, scholen en dergelijke. De samenleving was over het algemeen erg divers. Wijken konden bijvoorbeeld een overwegend islamitische of Armeense bevolking hebben, maar de meeste wijken hadden een gemengde samenstelling waarin de meeste gemeenschappen vertegenwoordigd waren.

In 1923 kwamen de leiders van Griekenland en Turkije, Eleftherios Venizelos (1864-1936) en Mustafa Kemal Atatürk 1881-1938), tot een akkoord over een bevolkingsuitwisseling op basis van religie. Ruim een miljoen Griekse christenen verhuisden van Turkije naar Griekenland verhuisden en circa vijfhonderdduizend Turken in Griekenland bewandelden de omgekeerde weg. Turkije werd daardoor etnisch en religieus homogener, net als Griekenland. De maatregel had verscheidene sociale en economische gevolgen, zoals het verloren gaan van kennis en een sterke afname van contacten in de handel.

DELEN
Journalist gespecialiseerd in geschiedenis en cultuur.