EHRM verbijstert slachtoffers Turks staatsgeweld

Foto: Reuters
‘Met haar uitspraak heeft het Hof tegen Turkije zoveel gezegd als ‘We accepteren deze slachtpartij, ga door en bega er nog grotere’.’

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft uitspraak gedaan in een zaak die door velen gezien wordt als lakmoesproef voor gerechtigheid. Het betreft de door de Turkse staat geïnitieerde orgie van geweld in de stad Cizre tijdens het uitgaansverbod dat eind 2015 werd ingesteld toen Koerdische militanten in verschillende steden in het overwegend Koerdische zuidoosten zelfbestuur uitriepen. Het in Straatsburg gevestigde Hof verklaarde de namens Orhan Tunc en Ömer Elci ingediende zaak niet-ontvankelijk. Tunc en Elci waren twee van de meer dan honderddertig dodelijke slachtoffers van Turkse veiligheidstroepen die tussen december 2015 en februari 2016 drie gebouwen in Cizre omsingelden. Volgens Human Rights Watch hebben die troepen ‘opzettelijk en illegaal ongeveer honderddertig mensen die in de kelders zaten ingesloten – waaronder ongewapende burgers en gewonde strijders – gedood’.

In haar argumentatie stelde het EHRM dat ‘niet alle nationale rechtsmiddelen waren aangewend’, wat zoveel wil zeggen dat de eisers hun zaak eerst voor het Turkse Constitutioneel Hof hadden moeten brengen alvorens naar Straatsburg te stappen. Gewoonlijk kunnen partijen hun zaak pas in Straatsburg voorleggen wanneer het hoogste hof van beroep in hun eigen land zich tegen hen heeft uitgesproken. Het Europese Hof maakte eerder uitzonderingen hierop, maar achtte dat ditmaal niet nodig. Het is onwaarschijnlijk dat het Hof anders oordeelt in de drieëndertig resterende zaken die families van de slachtoffers hebben aangespannen.

De advocaten van Tunc’ familie zeiden verbijsterd te zijn, omdat het Hof zich eerder uitsprak in het voordeel van het slachtoffer. Dat was in januari 2016, toen Tunc gewond was, maar nog leefde. Het Constitutioneel Hof verwierp toen zijn beroep om het uitgaansverbod op te heffen en de militaire operaties op te schorten zodat hij zich kon laten behandelen voor zijn verwondingen. Ook weigerden de autoriteiten Tunc een ambulance om hem naar het ziekenhuis te brengen. Kort daarop overleed hij.

Voorzitter Öztürk Türkdogan van de Turkse Associatie voor de Mensenrechten betreurde de uitspraak en zei dat deze haaks staat op het eerdere standpunt van het Hof in deze zaak. Tegen Al-Monitor zei hij dat de uitspraak de slachtoffers achterlaat met een ‘onomkeerbaar gevoel van onrecht’. Ook beschuldigde hij het EHRM ervan samen te spannen met Turkse diplomaten en leden van de rechterlijke macht die ‘onophoudelijk in Straatsburg lobbyen’. ‘Vanaf vandaag is het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens een dode letter’, stelde Türkdogan.

Prominent cyberrechtenactivist en EHRM-criticus Yaman Akdeniz twitterde: ‘Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens legitimeert het Turkse Constitutioneel Hof door het als een doeltreffend middel te kwalificeren’. Tunc’ weduwe Güler oordeelde nog harder. Tegen Al-Monitor zei ze dat het EHRM met deze uitspraak ‘geen recht heeft gesproken, maar een misdaad tegen de menselijkheid heeft begaan. Met haar uitspraak heeft het tegen Turkije zoveel gezegd als ‘We accepteren deze slachtpartij, ga door en bega er nog grotere’. Dat is de boodschap die vandaag is afgegeven.’

Tunc stierf samen met zijn broer Mehmet, een plaatselijke Koerdische ambtenaar. Ze werden geïdentificeerd aan de hand van hun overblijfselen – ‘een paar botten’, meldde de BBC. Veel van de slachtoffers zouden zijn verbrand als gevolg van de granaten die op de gebouwen werden afgevuurd. Tunc was weliswaar zwaargewond, maar zijn familieleden benadrukken dat hij gered had kunnen worden als de autoriteiten hem met een ambulance hadden laten vertrekken.

Een plausibele verklaring voor de terughoudendheid van het Hof om zulke zaken in behandeling te nemen is de grote omvang van het aantal zaken dat explosief toenam nadat de regerende AKP-partij dissidenten en oppositie keihard aanpakte in de nasleep van de mislukte coup in 2016. Alleen al in 2018 werden in totaal eenenzeventighonderd aanklachten tegen Turkije bij het Hof ingediend, wat Turkije een dubieuze vierde plaats opleverde na Rusland, Roemenië en Oekraïne. Het Hof complimenteerde Turkije echter ook. Dit voor het feit dat het vorig jaar honderdzesenveertig zaken zelf afhandelde, voordat het EHRM een vonnis uitsprak – een verdubbeling ten opzichte van 2017.

Een van de meest prominente zaken die het Straatsburgse Hof voorgelegd kreeg, is dat van Selahattin Demirtas, de gevangen vice-voorzitter van de Democratische Volkspartij (HDP). Demirtas staat honderdvierenveertig jaar gevangenisstraf te wachten wanneer hij schuldig wordt bevonden aan terrorisme, een aanklacht die gebaseerd is op flinterdun bewijs. Een andere zaak is die van de wereldberoemde filantroop Osman Kavala, die al vierhonderdvierenzestig dagen vastzit in afwachting van zijn proces. Ook bij Kavala zijn de aanklachten uiterst dubieus. In november riep de EHRM Turkije op om Demirtas vrij te laten. Het Hof oordeelde dat de verlenging van zijn detentie tijdens de presidents- en parlementsverkiezingen van 2018 bedoeld was om het politieke discours in te perken en het pluralisme te kortwieken.

In 1954 ondertekende Turkije het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en in 1990 erkende het land de bevoegdheden van het Europese Hof – dit alles in het kader van de nu opgeschorte inspanningen om lid te worden van de Europese Unie. Die ratificatie door Turkije betekende gerechtigheid voor duizenden Turkse burgers, en dan met name voor de Koerden die in de jaren negentig het slachtoffer werden van grootschalige misstanden tijdens de verschroeide-aarde-campagne van het Turkse leger tegen diezelfde militanten die nu, twintig jaar later, op zo’n onverantwoorde manier de gewapende strijd naar stedelijke gebieden als Cizre hebben gebracht – en zich daarmee heel erg vervreemd hebben van degenen die ze claimen te verdedigen.

Amberin Zaman is een senior correspondent die exclusief voor Al-Monitor verslag doet vanuit het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Europa. Als columniste bij Al-Monitor analyseerde Zaman de afgelopen vijf jaar de politieke situatie in Turkije, Irak en Syrië en schreef ze de dagelijkse nieuwsbrief Briefly Turkey. Eerder schreef Zaman over Turkije, de Koerden en de regionale conflicten voor The Washington Post, The Daily Telegraph, The Los Angeles Times en Voice of America. Tussen 1999 en 2016 werkte ze als Turkije-correspondent voor The Economist.

Dit artikel verscheen eerder op www.al-monitor.com en is voor de Kanttekening vertaald door Mark van Harreveld.

DELEN