We zullen sterven in de cel

Foto: Ahmet Altan
Journalist en schrijver Ahmet Altan (68), een prominente criticus van het Erdogan-regime en voormalig hoofdredacteur van het door het regime gesloten dagblad Taraf, zit een levenslange gevangenisstraf uit in Turkije. Hij wordt onder meer beschuldigd van betrokkenheid bij de couppoging van 15-16 juli 2016 en de Gülen-beweging, die door het regime verantwoordelijk wordt gehouden voor de couppoging en is uitgeroepen tot een terroristische organisatie. Tienduizenden anderen, onder wie journalisten, rechters, aanklagers, advocaten, ondernemers, huisvrouwen, docenten, politici en activisten, zijn op basis van dezelfde beschuldigingen vastgezet na de couppoging. Onder hen is ook Ahmet Altans broer, schrijver en academicus Mehmet Altan. Ahmet Altan schreef dit artikel over zijn proces en gevangenschap, over fictie en realiteit, in zijn cel in de Silivri-gevangenis in Istanbul.

GASTCOLUMN | DOOR: AHMET ALTAN

Ze zitten op een twee meter hoge bank. Ze dragen zwarte toga’s met rode kragen. Binnen enkele uren besluiten ze over mijn lot. Ik kijk naar hen. Ze hebben hun dasjes losgemaakt, uit verveling. De rechterarm van de rechter-president in het midden hangt als nat wasgoed over de tafel. Hij speelt met zijn vingers. Hij heeft een lang, smal gezicht en zijn ogen gaan schuil achter gezwollen, half geloken oogleden. Af en toe kijkt hij op zijn mobieltje om zijn berichten te lezen.

Wanneer één van mijn medebeklaagden zegt dat hij binnenkort een bypassoperatie moet ondergaan, trekt de rechter-president de microfoon naar zich toe en spreekt met mechanische stem. ‘Volgens het ziekenhuis zijn er geen omstandigheden die uw verblijf in de gevangenis belemmeren.’ Terwijl advocaten de meest cruciale zaken bespreken, beveelt zijn mechanische stem. ‘Jullie hebben twee minuten. Hou het kort.’ Ik denk aan wat Elias Canetti (1905-1994, schrijver, winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur in 1981, red.) over zulke mensen zei. ‘Veilig zijn, in vrede en weelde leven en luisteren naar iemands pleidooi waarvan je besloten hebt het te negeren, bestaat er iets vuiler dan dat?’

Terwijl de beklaagden en hun advocaten spreken, zakt de dikke schele rechter rechts van de rechter-president achterover in zijn stoel en kijkt naar het plafond. De glimlach die over zijn gezicht wandelt suggereert dat hij dagdroomt. Als hij niet lijkt te dagdromen, leunt zijn hoofd op zijn hand en slaapt hij. De rechter aan de linkerkant is druk bezig met de computer voor hem en is voortdurend iets aan het lezen.

Rond het middaguur zeggen ze dat ze zich terugtrekken voor beraad. We zijn omringd door politieagenten. Ze dragen Robocop-achtige pakken met zwarte buikschilden en kniebeschermers. Een politieagent neemt elk van ons bij de arm en voert ons tussen twee rijen bewakers door de smalle trappen af. Ze stoppen ons in een betegelde cel met ijzeren tralies. We zijn met vijf man. De zesde beklaagde, een vrouw, is elders ondergebracht.

Het Hooggerechtshof had het bewijs tegen ons bestudeerd en besloten dat ‘niemand op basis van zulk bewijs gearresteerd kan worden’. De journalisten die met ons terechtstaan zijn daardoor optimistisch. Ik ben dat niet.

We ijsberen nerveus door de cel. De minuten verstrijken, dan weer sneller, dan weer trager, afhankelijk van het tempo van onze gesprekken. Als de tijd vertraagt, voelen we de wonden in ons binnenste opengaan. We verbergen dat voor elkaar. De minuten die voorbij kruipen terwijl je in de cel wacht of je levenslange gevangenisstraf krijgt zijn een marteling. Beschaamd ontdek ik flitsen van hoop en dromen onder mijn pessimisme. Wie van binnen bevriest kan de hoop en haar warme gloed niet laten varen. Ik dagdroom in de cel: ik verlaat de gevangenis, haal diep adem, de eerste omhelzing, de woorden van vreugde, de geur van blijdschap en de weidse lucht boven.

Terwijl ik droom beslissen drie mannen met uit verveling losgeknoopte dasjes over mijn lot. Misschien hebben ze al besloten. Ik herinner me plots een passage uit mijn boek Als de wond van een zwaard dat zich afspeelt in de laatste dagen van het Ottomaanse Rijk. Eén van mijn personages is gearresteerd en wacht in een kamer op zijn vonnis. Ik schreef over hem: ‘De kloof tussen het moment dat iemands lotsbestemming verandert en het moment dat die persoon zich dat realiseert, was voor hem het meest tragische en beangstigende in het leven. De toekomst ontvouwde zich, maar die persoon bleef wachten op een andere toekomst met andere verwachtingen en dromen zonder zich te realiseren dat de toekomst al besloten was. De onwetendheid gedurende dat wachten was verschrikkelijk en voor hem de grootste zwakte van de mensheid’.

Ik herinner me die woorden en huiver. Ik beleef nu wat ik in dat boek schreef. Jaren geleden, toen ik rondwaarde in die onbestemde, raadselachtige en wazige schemerzone waar literatuur en leven samenvallen, ontmoette ik mijn lotsbestemming, maar herkende haar niet. Net als mijn hoofdpersoon ben ik nu gearresteerd. Ik wacht op de beslissing die mijn toekomst bepaalt. Mijn leven volgt mijn boek. Wat schreef ik nog meer dat zal uitkomen? Ik voel dat ik meegesleept word in een maalstroom waarin mijn leven en mijn fictie met elkaar verstrikt raken, waarin werkelijkheid en het geschrevene elkaar nabootsen. Welke toekomst koos ik voor mijn hoofdpersoon? Wat was zijn lot?

Plotseling hoor ik de laarzen van de agenten. ‘Kom’, zegt een stem. ‘Het vonnis is geveld.’ Opeens weet ik het weer. Mijn hoofdpersoon werd veroordeeld, dat was het lot dat ik voor hem koos. Ik weet dat ik ook veroordeeld word. De agenten nemen ons mee naar boven. We betreden de rechtszaal en gaan zitten. De rechters komen binnen en trekken de zwarte toga’s aan die ze op hun stoelen hadden achtergelaten. De rechter-president, met zijn achter gezwollen oogleden verscholen ogen, leest het vonnis voor. ‘Levenslang zonder kans op vervroegde vrijlating.’

We zullen de rest van ons leven in een cel van drie bij drie slijten. We worden één uur per dag naar buiten gebracht om het zonlicht te zien. We zullen nooit gratie krijgen. We zullen sterven in een gevangeniscel. Dat is het vonnis. Ik steek mijn handen uit. Ze handboeien me. Nooit meer zal ik de wereld zien. Nooit zal ik een lucht zien die niet omlijst is door de muren van een binnenplaats.

Ik ga naar Hades, ik loop de duisternis binnen als een god die zijn eigen lotsbestemming schreef. Mijn hoofdpersoon en ik verdwijnen samen in de duisternis.

Dit artikel is vertaald vanuit het Engels door Mark van Harreveld. Het is eerder gepubliceerd in The New York Times.

DELEN