Home Blog

Rotterdam kiest onverwacht Joan Nunnely als wethouder in plaats van Eva Heijblom

0

De Rotterdamse gemeenteraad heeft donderdag onverwacht niet de door D66 voorgedragen kandidaat Eva Heijblom, maar haar partijgenoot Joan Nunnely tot wethouder benoemd. Heijblom en haar gezin zaten nietsvermoedend in de zaal toen zich een plottwist voltrok.

Bij de geheime stemming kreeg Nunnely 23 stemmen en Heijblom 21, waardoor de voorgedragen wethouder opeens afviel. De kandidaat werd na de telling apart genomen in de kamer van de burgemeester, waar het slechte nieuws haar werd medegedeeld. Nunnely was even verrast met de stemmen; ze had geen familie in de zaal zitten en zei niets van de coup af te weten.

Toch waren er wel tekenen van onrust in de gemeenteraad geweest. Nadat de voorgedragen wethouders bekend waren gemaakt, laaide er discussie op over het gebrek aan diversiteit van het nieuwe Rotterdamse college. Nunnely uitte eerder publiekelijk kritiek op de vrijwel volledig witte samenstelling van de beoogde wethoudersploeg. Volgens haar past een bestuur zonder voldoende culturele diversiteit niet bij een stad als Rotterdam.

De stemming vond plaats tijdens een beladen raadsvergadering, waarin ook de benoeming van Pro-wethouder Miriam Harika op de agenda stond. Rond haar kandidatuur was de afgelopen weken veel discussie ontstaan na een kritisch advies van de Rotterdamse ombudsman. Eerder riep een open brief, mede gepubliceerd door de Kanttekening, raadsleden op zich niet uitsluitend door dat advies te laten leiden, maar een zelfstandig oordeel te vormen.

Harika kreeg hierdoor minder stemmen dan verwacht, maar wel genoeg om aangesteld te worden als wethouder. Pro-fractieleider Jeroen Postma was dan ook verrast over de gang van zaken en gaf aan dat zijn fractie uitsluitend op de voorgedragen kandidaten had gestemd, zoals afgesproken. Hij wil overleg, om te zien hoe het nu verder moet.

Opnieuw dodelijk ICE-optreden, Amerikaanse regering wijst naar migranten

0

Een Mexicaanse migrant is dinsdag in Houston doodgeschoten tijdens een actie van de Amerikaanse immigratiedienst ICE. De zaak leidt tot nieuwe kritiek op het deportatiebeleid van president Donald Trump.

Lorenzi Salgado Aranjo (52) begon zijn dag zoals iedere andere werkdag in Houston. Hij dronk koffie, at het eten dat zijn vrouw voor hem had voorbereid en verliet het huis dat hij zelf had gebouwd. Met een wit busje haalde hij drie andere ongedocumenteerde arbeiders op om samen te werken op de bouwplaats, zoals ze al jaren deden. Maar daar kwamen ze dinsdag nooit aan. De Amerikaanse immigratiedienst schoot Aranjo dood en arresteerde vervolgens zijn collega’s. Zij worden vermoedelijk gedeporteerd, zo meldt The Guardian.

Volgens The Guardian is de dood van Aranjo de tiende migrantendode in twee jaar tijd. NU.nl meldt echter dat er in detentiecentra in de VS dit jaar al minstens veertien migranten zijn gestorven. De regering-Trump houdt migranten en Amerikanen die hen steunen, zoals de vermoorde Renee Good en Alex Pretti, verantwoordelijk voor de moordpartijen en razzia’s van ICE.

Dat is ook het geval bij Aranjo. Hij wordt door het Department of Homeland Security beschuldigd van het bedreigen van ICE-agenten. ‘Een leugen’, volgens de collega’s van Aranjo, meldt The Washington Post. ICE zou vrijwel direct nadat zij uit het busje stapten hebben geschoten.

Het verhaal van de Amerikaanse autoriteiten dat Aranjo een ICE-busje heeft ‘geramd’ en zijn busje daarmee tot een ‘moordwapen’ had gemaakt, klopt volgens hen niet. ‘Dat is een leugen’, schreef Jose Trinidad Rojas (51) in een handgeschreven verklaring. ‘Het is onmogelijk voor hen om te zeggen dat ze overreden zouden worden… Er waren geen agenten voor of achter het voertuig. Ze stonden aan de zijkanten.’

Het deportatiebeleid van Trump kenmerkt zich door een sterke nationalistische retoriek, waarbij immigratie wordt geframed als een bedreiging voor de ‘nationale veiligheid’ en ‘sociale stabiliteit’.

Critici wijzen erop dat dit beleid voortkomt uit een ideologie van white nationalism, waarbij de nationale identiteit nauw verbonden wordt met witte etniciteit en het behoud van een demografische meerderheid van witte Amerikanen. Migranten moeten koste wat het kost buiten Amerika worden gehouden of gedeporteerd.

VS beloven investeringen in olie-industrie als Libië zich verenigt

0

De Verenigde Staten voeren momenteel diplomatieke gesprekken met verschillende groepen in Libië om het land te verenigen. Daarbij beloven ze Amerikaanse investeringen in de olie-industrie. Of dat plan haalbaar is en een einde kan maken aan de verdeeldheid in het land, is volgens diverse media nog zeer onzeker.

Libië raakte na de val van Moammar Gadaffi in 2011 in een staat van chaos en politieke crises en sindsdien oefenen verschillende facties macht uit in verschillende gebieden van het land.

Het land heeft momenteel twee regeringen: een internationaal, door de Verenigde Naties erkende regering in de hoofdstad Tripoli, geleid door premier Abdulhamid Dbeibeh, en een andere regering in het oosten, met generaal Khalifa Haftar aan het hoofd. Deze laatste wordt gesteund door de Verenigde Arabische Emiraten en Rusland. Haftar heeft ook de leiding over de Libische Strijdkrachten, een coalitie van milities in het oosten.

Van een centraal gezag is in Libië geen sprake. Al jaren proberen de Verenigde Naties het land te verenigen, maar Libië blijft diep verdeeld. De Verenigde Staten spelen op de achtergrond een steeds belangrijkere rol, schrijft Al Jazeera.

Onder leiding van de adviseur Arabische wereld van de Amerikaanse president Donald Trump, Massad Boulos, proberen de VS de facties van Dbeibeh en Haftar bij elkaar te brengen in ruil voor investeringen in de Libische olie-industrie. Boulos, die ook de vader is van Trumps schoonzoon Michael Boulos, werd tijdens Trumps tweede termijn aangesteld als speciaal gezant voor Libië.

De door de VS in het vooruitzicht gestelde oliedeals zullen door beide facties moeten worden getekend. Alleen als beide groepen samenwerken, kan er sprake zijn van internationale investeringen in de oliesector. Haftars troepen oefenen macht uit in het gebied waar olievelden en -installaties liggen. In het westen, waar de internationaal erkende regering van Dbeibeh de scepter zwaait, is er oppositie tegen Haftars macht in het oosten.

Terwijl de Libische Centrale Bank heeft aangegeven dat het niet in staat is beide regeringen te blijven financieren, hopen Boulos en Trump erop dat beide facties kunnen worden overtuigd samen te werken.

Hoewel Libië zal profiteren van internationale investeringen in de olie-industrie, is het de vraag of dit zal leiden tot de gewenste stabiliteit.

Het Amerikaanse diplomatieke offensief wordt door sommigen gezien als een tegenhanger van het door de VN geleide proces. Het door Boulos geleide proces is meer transactioneel en van bovenaf, schrijft de Libische journalist Mustafa Fetouri. Het belangrijkste motief lijkt daarbij het snel realiseren van stabiliteit om met behulp van Amerikaanse bedrijven de olieproductie te verdubbelen.

Bovendien is het onduidelijk wanneer een dergelijke overeenkomst zal leiden tot broodnodige presidents- en parlementsverkiezingen en is er geen garantie dat het zal worden gesteund door het Libische parlement en de VN-Veiligheidsraad, schrijft Fetouri. Het risico van het Amerikaanse plan is volgens Fetouri dat het de verdeeldheid in het land in stand houdt door de elite te belonen die gewapende groepen en publiek geld hebben gebruikt om macht te behouden.

Een overeenkomst tussen de twee facties, Dbeibeh en Haftar, zal mogelijk een einde betekenen van de door Libiërs gehoopte verkiezingen en de revolutie van 2011 beëindigen ten gunste van een nieuw autoritair systeem.

Feest vieren in Tanger

0

Frankrijk was veel te sterk voor Marokko. We liepen het café uit. Op straat werd de nederlaag gevierd alsof het een overwinning was.

De corniche is de boulevard langs het strand. Die strekt zich kilometers uit langs de baai van Tanger. Hier reed lang geleden de trein naar het station van de haven. Die spoorlijn is opgeheven en maakte plaats voor een voetgangerszone.

Er werd vuurwerk afgestoken, gedanst en gezongen. Er was vreugde. We liepen richting de ondergrondse parkeergarage, maar kwamen nauwelijks vooruit door de drukte. Mannen en vrouwen, jongens en meisjes; een wonderbaarlijke mix van hip en traditioneel. Veel zag ik in die gezichten, maar wat ik niet zag, was teleurstelling of verdriet. Wat ik wel zag, was trots.

Wat opvalt, is hoe jong de natie is. Nu loopt generatie Z over straat. Zelfbewust, modieus, werelds. Ik knipper met mijn ogen. Waar ben ik eigenlijk? De corniche, een catwalk. Wat ook opvalt, is hoe veelbelovend de natie is.

Over vier jaar zal het WK voetbal in Marokko plaatsvinden. Het land organiseert het samen met Portugal en Spanje. Mijn dochter is zes en ligt in mijn armen. Ze is allang in slaap gevallen. Over vier jaar zal ze tien zijn en dan zullen we wedstrijden hier in de stad bezoeken. Een mooi vooruitzicht. Een vriendin loopt met haar zoon naast ons. Hij heeft een Nederlandse vader. Over vier jaar is hij puber. Ik hoop dat hij er dan ook bij zal zijn.

Vanuit Nederland komen de gebruikelijke berichten dat feestvierende Marokkanen zich schuldig hebben gemaakt aan ongeregeldheden. Er zou met vuurwerk zijn gegooid. Vervelend, maar niet onoverkomelijk. Veel erger zijn de politici die olie op het vuur gooien. De extreemrechtse politici trekken de gebruikelijke kaarten om de baldadigheid te promoveren tot een staat van burgeroorlog. Ook de minister van Defensie laat van zich horen. Lachwekkend is het.

Ondertussen wordt de Frans-Marokkaanse speler Ayyoub Bouaddi, die een uitstekend WK speelde, gevraagd of hij zijn keuze voor het Marokkaanse elftal niet betreurt. Scorebordjournalistiek. Hij antwoordt dat hij de keuze met zijn hart heeft gemaakt en geen seconde spijt heeft.

Het Marokkaanse en het Egyptische elftal brachten vreugde in Gaza, Caïro, Ramallah en Bagdad

Het hart. We waren dat orgaan begonnen te vergeten. Het Marokkaanse en het Egyptische elftal brachten vreugde in Gaza, Caïro, Ramallah en Bagdad. Het liet miljoenen harten sneller kloppen. Waarom doet die vreugde mij meer dan honderd pagina’s aan diepzinnige bespiegelingen over de triestheid van het leven?

Dan schiet me te binnen wat ik las van de Franse filosoof Gilles Deleuze. Geen makkelijke filosoof. Maar zijn zinnen over vreugde als kracht raken me: ‘De macht vereist droevige lichamen. De macht heeft verdriet nodig omdat het die kan beheersen. Vreugde is daarom verzet, omdat ze zich niet overgeeft. Vreugde als levenskracht brengt ons naar plaatsen waar verdriet ons nooit zou brengen.’

Vreugde brengt ons naar een andere wereld. We zijn even ontsnapt aan de macht. Het is ontsnappen aan de dwang. We worden gedwongen om verdrietig te zijn, we worden gedwongen om sorry te zeggen, om ons schuldig te voelen; we moeten ons schamen dat we feest vieren en vuurwerk afsteken. Verdrietige lichamen kunnen worden beheerst. Vreugdevolle lichamen dansen met de engelen. Dansen met voetballers. Dansen met de kinderen. Dansen met de doden.

Ik rijd de auto de garage uit en zie dat aan het feest nog lang geen einde komt; hele gezinnen die op autodaken zitten, meisjes die uit de ramen hangen en politieagenten die mild toekijken. Verenigd zijn in vreugde is het mooiste wat er is.

Onderweg naar huis zien we een man met een bloedend lichaam. Hij wordt opgelapt om zijn weg te vervolgen.

Erdogan geeft NAVO-leiders revolver cadeau: welke boodschap schuilt achter het geschenk?

0

De tweedaagse NAVO-top in Ankara is voorbij en de regeringsleiders van het militaire bondgenootschap zijn weer naar huis. De verbazing was groot toen bleek welk cadeau de Turkse president Erdogan hun had meegegeven: een klassieke Turkse revolver, een Gümüsay .357 Magnum, verpakt in een houten kistje met de Turkse vlag en het NAVO-logo.

Het geschenk roept vragen op. Is het vooral een promotie van de Turkse defensie-industrie, een verwijzing naar Ottomaanse tradities of wil Ankara er ook een geopolitieke boodschap mee afgeven?

Volgens de regeringsgezinde Turkse media symboliseert het cadeau de hernieuwde positie van Turkije als grootmacht. Ook de ontvangst van de NAVO-leiders door een erehaag van strijders in Ottomaanse kledij wordt gepresenteerd als een verwijzing naar het historische erfgoed van het Ottomaanse Rijk.

‘De Turkse staat is in volle glorie weer terug op het wereldtoneel’, zegt Mehmet Akif Okur tegen de islamistische krant Yeni Safak. ‘In deze regio zien we dat de historische aanwezigheid van Turkije als grote macht wordt benadrukt met de NAVO-top. De Janitsaren (Ottomaanse elite-eenheden, red.) en de mehtermarsen (Ottomaanse marsmuziek, red.), die het historische erfgoed van het Ottomaanse Rijk symboliseren, vormden een mooie choreografie die zowel het verleden als het heden samenbrengt en de continuïteit van onze staat benadrukt.’

Wat de revolver betreft, wordt volgens Okur eveneens een aloude Ottomaanse traditie voortgezet. Bevriende leiders kregen vroeger van de sultan een gedecoreerd zwaard mee. Daarnaast zou revolver ook vooral bedoeld zijn om de kwaliteit van de Turkse defensie-industrie te onderstrepen, gezien de vele deals die tussen westerse bedrijven en Turkije worden gesloten.

Het cadeau leidde tot stomverbaasde reacties. Ook omdat de douanes van de betreffende landen niet bekend zijn met de invoer van wapens via civiele vluchten, ook niet als het om regeringsleiders gaat. Premier Rob Jetten en de Zweedse premier hebben het cadeau bij hun ambassades in Turkije achtergelaten vanwege het ‘papierwerk’ voor de invoer van wapens.

Critici menen in het geschenk ook een verkapt dreigement van het Turkse regime te zien. ‘Wie geeft er nou een geladen wapen cadeau?’ en ‘Ik zou er maar mee oppassen’, klinkt het op sociale media.

Geen brood met kaas maar platbrood met hummus: ‘Dat is het minste wat je kunt doen’

‘Willen ze ons straffen?’ dacht Mohammad toen hij in het azc een sneetje brood met kaas kreeg. Nu runt hij samen met zijn vrouw Anouk een lunchroom en cateringbedrijf, want ‘lekker eten’ is toch wel het minste wat je mensen kunt bieden, vindt het stel. 

Het begon allemaal vanuit thuis. In hun keukentje in Eindhoven maakten Anouk en Mohammad Habanakeh Syrische gerechten klaar op bestelling. Inmiddels verzorgen ze de catering voor azc’s, feesten en evenementen waar hun Arabisch geïnspireerde gerechten goed in de smaak vallen. Vorige maand openden ze hun eerste echte café in Bibliotheek Rotterdam: Morgenland, by Memories of Damascus.

Anouk en Mohammad Habanakeh in hun pas geopende lunchroom in Rotterdam. Beeld: Majorie van Leijen
Anouk en Mohammad Habanakeh in hun pas geopende lunchroom in Rotterdam. Beeld: Majorie van Leijen

Het is de soft opening van het gloednieuwe café. De lichtborden met daarop de fajita’s (Mexicaanse broodjes) en ijskoffies worden nog even aangezet, de deur gaat wagenwijd open. Vanaf het marktplein bij Blaak steekt af en toe iemand nieuwsgierig een hoofd om de hoek. ‘Je bent welkom hoor, we zijn open’, roept Anouk haar nieuwe publiek toe.

Ook vanuit de centrale hal van de Rotterdamse bibliotheek kun je nu naar binnenlopen bij Morgenland, ‘de Nederlandse vertaling van ‘Oriënt’,’ vertelt Anouk. ‘We hebben bewust gekozen voor een naam die niet per se Arabisch klinkt, hoewel er wel een link is met de regio. We willen niet dat mensen denken dat ze hier alleen maar Arabisch kunnen eten of drinken. Maar het is natuurlijk wel door Memories of Damascus.’

Het koppel is inmiddels alweer tien jaar getrouwd. Anouk komt uit Best, studeerde Midden-Oostenstudies en was net terug van haar stage in Istanbul toen ze in 2015 met een vriendin naar een ‘meet-and-eat’-avond ging waar ook de bewoners kwamen van het nabijgelegen azc Heumensoord. Hier ontmoette ze Mohammad uit Damascus, gevlucht uit Syrië en net aangekomen op het azc. Het klikte meteen tussen de twee, ze trouwden en verhuisden naar Eindhoven, waar het zaadje werd geplant voor Memories of Damascus.

Beeld: Memories of Damascus

Hoe kwam het idee voor een Syrische catering tot stand?

‘Voor Mohammad was dit een frustrerende periode. Hij werkte wel, maar had nooit echt een stabiele baan. Op een gegeven moment zei hij: ‘Op deze manier ga ik nog liever terug naar de oorlog”, maar dat kon natuurlijk niet.

‘We besloten voor onszelf te beginnen. Dat begon met niet meer dan een inductieplaat thuis. We maakten mezzes (Syrische gerechtjes) die mensen via een Facebook-pagina konden bestellen. We hadden toen nog geen ervaring. Mohammad belde regelmatig met zijn moeder, die hem telefonisch uitlegde hoe hij de gerechten moest bereiden. Pas later gingen we daar onze eigen draai aan geven.

‘Het leverde niet meer op dan een paar tientjes per week, maar mensen bleven wel bestellen. Het was ook echt wel lekker wat we maakten, maar achteraf denk ik: dat was bijzonder. We hadden niet per se hele mooie foto’s op onze site staan.’

En toen kwam die eerste grote opdracht…

‘Ja, we kregen een opdracht om de catering te verzorgen voor vijftig personen. Dat was voor ons echt groot, zoiets hadden we nog nooit gedaan. We maakten veel te veel en waren na afloop twee dagen bezig met de afwas, en dat alles nog steeds vanuit huis. We hadden ook geen bedrijfsauto, alles moest in onze Ford. Bovendien werkte ik zelf nog fulltime als juridisch adviseur, en we hadden inmiddels kinderen. Dat was echt een spannende tijd.

‘Maar op een gegeven moment begon de catering te lopen. We hebben eerst een ruimte bij iemand gehuurd, later konden we terecht in een professionele keuken in Best. Vanuit daar kregen we onze eerste azc-opdracht.’

Ging dat zomaar?

‘Nee, het begon met de gemeente Boxtel. Zij belden of we konden koken voor een azc met 450 bewoners, elke dag, vier maanden lang. En of we over twee maanden konden beginnen.

‘Toen hebben we wel moeten opschalen. Eerst kwamen de broers van Mohammad uit Duitsland helpen om alles op poten te krijgen. Toen het eenmaal stond, hebben we personeel aangenomen. Het werd echt een bedrijf. Mohammad en de anderen kookten, ik deed de administratie en onderhield de contacten. Hierna volgden ook andere gemeenten met de vraag of we bij hen de catering op het azc wilden verzorgen. Toen heb ik mijn andere baan opgezegd en ben ik me volledig gaan richten op ons bedrijf.’

Wat maakt jullie anders dan andere cateraars voor deze doelgroep?

‘Toen Mohammad in Heumensoord zat, kregen ze op z’n Hollands twee keer per dag een sneetje brood met een plakje kaas of worst. Mijn man heeft weleens aan mij gevraagd: ‘Willen ze ons straffen?” Ik moest daar toen erg om lachen en legde uit dat we dit zelf ook eten.

‘je kunt natuurlijk wel rekening houden met wat bewoners graag eten’

‘Maar goed, je kunt natuurlijk wel rekening houden met wat bewoners graag eten. Het budget is vaak beperkt, maar je kunt bijvoorbeeld af en toe platbrood aanbieden, of hummus en labneh (yoghurt) bij het ontbijt doen. We maken weleens makdous (gevulde aubergine) voor de lunch. De bewoners komen natuurlijk niet alleen uit Syrië, we kijken echt naar de bewoners die er zitten en passen onze maaltijden daar op aan. Zo maken we bijvoorbeeld ook injera voor Ethiopische en Somalische bewoners. Met dit soort gerechten maak je veel mensen blij.’

Wat krijg je mee van de bewoners zelf?

‘Het leven op een azc is natuurlijk een uitdaging. Mensen die daar wonen worden op een gegeven moment depressief en hebben weinig te doen. In het begin raken ze enthousiast over het feit dat ze herkenbaar eten krijgen, maar daarna missen ze toch een stukje zelfbeschikking. Als je jarenlang eet wat de pot schaft, krijg je op een gegeven moment behoefte aan een eigen plek, waar je zelf kunt koken.

‘Het minste wat gemeenten kunnen doen, vind ik, is een beetje rekening houden met het eten. Daar kun je tenminste een beetje aan draaien. Qua kosten maakt het niet uit of je een boterham met pindakaas neerzet of platbrood met hummus. Geef die mensen een beetje erkenning.’

Een fajita uit Morgenland. Beeld: Majorie van Leijen

Jullie hebben ook statushouders in dienst. Is dat een bewuste keuze?

‘Klopt, ongeveer 75 procent van onze werknemers zijn statushouders óf mensen die nog in de procedure zitten. Soms zijn dit mensen die al twee tot zes jaar wachten op een besluit. In het eerste halfjaar mogen mensen niet werken, maar ze kunnen dan wel als vrijwilliger meewerken als ze zich daarvoor bij het COA aanmelden. Als dat goed werkt, kunnen we ze na een halfjaar alsnog in dienst nemen. Dat gaat heel vaak zo.

‘Ongeveer 75 procent van onze werknemers zijn statushouders óf mensen die nog in de procedure zitten’

‘Kijk, voor ons is dit heel fijn, omdat dit vaak mensen zijn die de gerechten kennen en dezelfde taal spreken. Tegelijkertijd zien we dat het vaak hele goede werknemers zijn. Ze zijn gedreven en steunen hun families in Syrië of in andere landen, dus ze willen graag werken. Maar het blijft ook lastig, vooral nu voor veel van hen onzeker is of ze mogen blijven. Dat is ontzettend naar.’

Inmiddels zijn jullie verhuisd naar Rotterdam. Wat bracht jullie hier?

‘De zaken in Eindhoven lopen nu goed. We hebben inmiddels ook een unit op een foodmarkt, dus dat staat. We dachten: laten we eens zien of we ergens anders kunnen uitbreiden. We doen regelmatig mee aan aanbestedingen. Bibliotheek Rotterdam was op zoek naar een passende horecapartner en dat werden wij dus.

‘We hebben ons voorgesteld met het concept van een koffiebar, maar dan geen standaard koffiebar. Op de tweede verdieping hebben we ook een locatie; daar serveren we de gerechten. Het is een mix tussen Arabische en westerse dranken en hapjes. We hebben bijvoorbeeld fajita’s, niet echt een typisch Syrisch gerecht, maar wel gemaakt door onze Syrische chefs. We hebben ook allerlei soorten koffies; Arabische koffie staat hier juist niet op het menu.

‘Hier willen we ons niet alleen op Arabische gasten richten, maar op iedereen. Dat is ook onze kracht. We zijn een Arabisch-Nederlands stel, we kennen beide culturen.’

VN-commissie eist van Israël dat het de Palestijnse arts Hussam Abu Safia vrijlaat

0

De VN eist dat Israël de Palestijnse arts Hussam Abu Safia, tevens directeur van het Kamal Adwan-ziekenhuis, onmiddellijk vrijlaat. Hij wordt al 18 maanden zonder aanklacht vastgehouden. Er zijn sterke ‘aanwijzingen’ dat hij wordt misbruikt, zo meldt Al Jazeera.

De advocaat van de arts, Nasser Odeh, luidt de noodklok over de miserabele gezondheid van de arts. Hij zou ieder moment kunnen sterven in de cel, waar hij dagelijks het slachtoffer is van fysiek en mentaal geweld door Israëlische gevangenbewaarders. Mensenrechtengroepen spreken over ‘reguliere martelpraktijken’.

Bij een bezoek had de advocaat moeite om zijn cliënt te herkennen, meldt de mensenrechtenorganisatie Physicians for Human Rights Israel. Op video’s is de arts ook sterk vermagerd te zien.

‘De Commissie (van de VN) roept op tot de onmiddellijke, onvoorwaardelijke en veilige vrijlating van Abu Safia en van al het medische personeel dat door Israël in willekeurige detentie wordt gehouden,’ aldus de commissie in een verklaring, en vervolgt: ‘Daarnaast dringt zij er bij de Israëlische autoriteiten op aan om onmiddellijke onafhankelijke medische zorg voor Abu Safia te bieden.’

Abu Safia is zeker niet de enige Palestijn die het slachtoffer is van systemisch geweld door het Israëlische regime. Naast de genocide in Palestina en Libanon worden duizenden Palestijnen gevangengehouden, en volgens vele mensenrechtenorganisaties worden zij gemarteld.

‘Wat maakt iemand daadwerkelijk tot Nederlander?’

0

Wat ons met elkaar verbindt, is de centrale vraag, niet wie er niet bij hoort, schrijft Ioannis Kavvadias.

De afgelopen jaren zijn de spanningen in de Nederlandse politiek en samenleving toegenomen. Er werd gewaarschuwd voor een ‘integratiecrisis’; het verzet tegen migratie groeide en polarisatie werd zichtbaarder. Incidenten zoals de brandstichting bij het asielzoekerscentrum in Loosdrecht en de rellen in Den Haag in september, waarbij Hitlergroeten werden gebracht en het D66-partijbureau werd vernield, markeerden de dieptepunten. Het Tweede Kamerdebat van 26 mei was een voorlopig hoogtepunt van deze spanningen. Toen FvD-fractievoorzitter Lidewij de Vos stelde dat het bezit van een paspoort iemand in de praktijk nog geen ‘Nederlander’ maakt, ontstond direct een fel en gepolariseerd debat.

Al decennialang klinkt de oproep dat ‘Nederland wel Nederland moet blijven’ of dat ‘Nederlanders zich thuis moeten kunnen voelen’. De onderliggende vraag blijft echter onbeantwoord: wat maakt iemand in 2026 daadwerkelijk tot Nederlander en op basis waarvan bepalen we dat?

In 2017 demonstreerden Turkse Nederlanders op de Erasmusbrug in Rotterdam ter steun van president Erdogan. Dat riep bij veel mensen vragen op over politieke loyaliteit en nationale verbondenheid. Tegelijkertijd is een sterke emotionele of familiale band met een ander land niet onverenigbaar met het Nederlandse burgerschap. Daarom is de relevante vraag niet of mensen één identiteit mogen hebben, maar welke publieke loyaliteit burgers met elkaar delen wanneer democratische waarden, buitenlandse conflicten of maatschappelijke spanningen onder druk komen te staan.

Blijft er dan nog iets over als gemeenschappelijke basis?

Dit spanningsveld rond nationale identiteit is niet exclusief een ‘migrantenverschijnsel’. Kijk naar de jonge, progressieve generatie internationaal georiënteerde studenten, bijvoorbeeld in Amsterdam: zij voelen zich vaak vooral ‘Europeaan’ of ‘wereldburger’, spreken onderling Engels en hebben minder binding met nationale symbolen of tradities. Meervoudige verbondenheid is op zichzelf geen probleem. Maar als de betekenis van het Nederlanderschap voor verschillende groepen afneemt, blijft er dan nog iets over als gemeenschappelijke basis?

‘Direct zijn’

Wanneer in Nederland wordt gevraagd naar de inhoud van onze cultuur, blijft het antwoord vaak abstract. Er wordt verwezen naar respect voor de democratie, de Grondwet, gelijkheid of het homohuwelijk. Dit zijn universele, liberale rechtsstatelijke principes, geen unieke cultuurkenmerken. De kernvraag is daarom niet óf we waarden delen, maar welke culturele inhoud het Nederlanderschap verder draagt. Wanneer het concreet moet worden gemaakt, komen we vaak niet verder dan een haring in de hand en ‘direct zijn’ in de communicatie.

Het probleem is niet dat Nederland geen cultuur heeft, maar dat veel vormen van Nederlandse cultuur minder zichtbaar, minder gedeeld en minder verbindend zijn geworden. Nederland kent vanzelfsprekend diepgewortelde tradities, lokale gebruiken, verenigingen, herdenkingen, sportcultuur, taal en dagelijkse gewoonten. Toch ontbreken vaak publieke rituelen en gedeelde momenten die generaties, sociale klassen en verschillende gemeenschappen met elkaar verbinden. Daardoor speelt veel van wat als typisch Nederlands wordt ervaren zich inmiddels vooral af in de eigen kring, achter de voordeur of in commerciële vormen van vrije tijd.

Religieus-conservatieve burgers

Tegen deze achtergrond rijst een ongemakkelijke vraag: waarom worden sommige religieus-conservatieve burgers, zoals conservatieve gereformeerden uit de Biblebelt, vanzelfsprekend als onderdeel van de Nederlandse samenleving gezien, terwijl anderen, zoals conservatieve moslims, sneller als buitenstaanders worden behandeld, zelfs als zij hier geboren zijn, hier leven en juridisch volwaardige burgers zijn? Beide groepen kunnen op bepaalde punten kritisch staan tegenover de moderne liberale cultuur en sterk verbonden zijn met hun eigen geloofsgemeenschap.

Natuurlijk zijn er reële verschillen tussen religieuze stromingen, opvattingen en maatschappelijke praktijken. Niet iedere vorm van religieus conservatisme is hetzelfde, en elke beweging mag kritisch worden bevraagd over haar verhouding tot de democratische rechtsstaat, de vrijheid en de veiligheid van anderen. Toch wordt ons oordeel over wie erbij hoort niet alleen door deze inhoudelijke vragen bepaald; ook historische herkenbaarheid, afkomst en uiterlijk spelen daarbij een rol. Daarom moet de norm voor iedere burger gelijk zijn: respect voor de rechtsstaat, de vrijheid en de veiligheid van anderen. Daarnaast is een positieve en gedeelde invulling van burgerschap nodig om duidelijk te maken wat het Nederlanderschap inhoudt.

Als we willen dat het Nederlanderschap weer betekenis krijgt, moeten we stoppen met politieke verwijten en het debat richten op de concrete invulling van het burgerschap. De centrale vraag is niet langer wie er niet bij hoort, maar welke gemeenschappelijkheid we actief willen opbouwen. Cultuur en verbondenheid ontstaan niet alleen door de wet te volgen of een inburgeringscursus te voltooien, maar vooral wanneer mensen hun eigen kring verlaten en samen iets opbouwen.

Als we willen dat het Nederlanderschap weer betekenis krijgt, moeten we stoppen met politieke verwijten

De politiek moet overwegen instituten te ontwikkelen die gemeenschappelijkheid bevorderen. Maak dit concreet door nationale feestdagen, zoals Bevrijdingsdag, om te zetten in lokale ontmoetingsmomenten in de wijk, via het lokale bestuur, in plaats van alleen grootschalige festivals waar alleen festivalgangers naartoe gaan. Investeer daarnaast bijvoorbeeld in een brede, toegankelijke maatschappelijke diensttijd waarin mensen met verschillende achtergronden samen bijdragen aan zorg, Defensie, natuurbeheer of lokale gemeenschappen. Dit moet geen inburgeringsinstrument voor specifieke groepen zijn, maar een publieke ervaring die voor alle burgers openstaat en waarin mensen buiten hun eigen sociale kring samenwerken aan iets groters dan alleen zichzelf. Zo krijgt burgerschap niet alleen juridische, maar ook praktische en relationele betekenis.

Het debat moet niet langer gaan over uitsluiting of het in twijfel trekken van paspoorten. De opdracht die voor ons ligt is constructief en helder: durven we de inhoud van ons burgerschap te definiëren? Alleen als we gezamenlijk formuleren wat Nederlands burgerschap betekent, kunnen we de strijd over wie er wel of niet bij hoort achter ons laten.

‘Schoof hoorde er nooit helemaal bij’

Hij wilde de premier zijn van alle Nederlanders. Maar was dat wel mogelijk in een radicaal-rechts kabinet? En hoorde hij er eigenlijk ooit wel bij? NRC-journalisten Lamyae Aharouay en Petra de Koning volgden Dick Schoof een jaar lang en schreven een boek over de eerste partijloze premier van Nederland.

Ze zagen hem steeds weer opduiken in Den Haag tijdens de formatie: een nerveus ogende man met zwaaiende handbewegingen en enorme wallen onder zijn ogen. Wie was deze man en wat deed hij hier, vroegen de parlementair verslaggevers zich af.

Al snel bleek hij kandidaat voor het normaal gesproken eervolle ambt van premier; de enige die ‘ja’ zei nadat zeven anderen hadden bedankt. De fractievoorzitters van de formerende partijen waren niet op zoek naar iemand die zou gaan stralen. Ze zochten een grijze, partijloze premier. Schoof ging akkoord.

Lamyae en Petra besloten hem te volgen. Ze gingen mee tijdens werkbezoeken, volgden debatten en spraken met mensen uit zijn vroegere en huidige sociale omgeving. Beetje bij beetje kregen ze een beeld van de man achter de premier.

Schoof was geen bekend persoon voordat hij premier werd. Wat maakte dat jullie dachten: laten we een boek over hem schrijven?

Petra: ‘Misschien juist omdat hij geen bekend persoon was. Daarnaast leidde hij het eerste kabinet met de PVV én was hij de eerste partijloze premier. In Den Haag was iedereen nieuwsgierig naar hem. Toen hij op dat podium stond tijdens zijn allereerste persconferentie, vroeg iedereen zich af: wie is deze man?’

Wat was jullie eerste indruk van hem? Wat viel jullie op?

Petra: ‘Die eerste persconferentie was een vreemde ervaring. Hij maakte een zenuwachtige indruk. Hij stotterde en bewoog druk met zijn handen. Hij noemde Mark Rutte als zijn grote voorbeeld, wilde van de PVV geen afstand doen, maar de partij ook niet omarmen. Ik weet nog dat wij toen dachten: wat voor premier wordt dit?’

Lamyae: ‘Naarmate we aan het schrijven waren, begrepen we dat Schoof zelf ook een beetje overdonderd was dat hij daar mocht staan. Het ging niet zoals gepland. Zijn naam was uitgelekt, dus hij moest opeens het podium op. Er was helemaal geen tijd om zich voor te bereiden. Nog later bleek die nervositeit, die manier van praten, kenmerkend te zijn voor wie hij was.’

Jullie hebben een jaar onderzoek gedaan. Wat heeft jullie zoal verrast?

Petra: ‘Dat hij een linkse student in Nijmegen was bijvoorbeeld. Daar had hij bovendien met andere studenten besloten een woongroep op te richten. Vervolgens werd hij uit die woongroep gezet. Dat gevoel van nergens helemaal bij horen zie je later ook terug in zijn loopbaan.’

Lamyae Aharouay

Hoe bedoelen jullie dat?

Lamyae: ‘Als premier hoorde hij er ook niet echt bij. Terwijl de vier fractievoorzitters overlegden over de voorjaarsnota, wachtte hij letterlijk op de gang. Opvallend was dat hij nauwelijks probeerde daar verandering in te brengen. Terwijl hij, als enige kandidaat die uiteindelijk ‘ja’ zei, best een sterke onderhandelingspositie had. Hij had ook kunnen zeggen: jullie hebben me nodig, laat me mijn werk doen.’

Hebben jullie kunnen achterhalen waarom hij dat niet deed?

Petra: ‘Daar is geen eenduidig antwoord op. Sommigen zeggen dat hij het simpelweg te leuk vond om premier te zijn en geen risico wilde nemen. Anderen wijzen op zijn achtergrond als topambtenaar. Als ambtenaar ben je gewend dienstbaar te zijn en op de achtergrond te opereren. Maar een premier moet soms juist met de vuist op tafel slaan. Dat heeft Schoof nauwelijks gedaan.’

Lamyae: ‘Uit gesprekken met mensen uit zijn omgeving kregen wij bovendien niet de indruk dat hij het heel erg vond om buiten zulke overleggen te blijven. Wel vond hij het vervelend dat dit vervolgens in de krant terechtkwam.’

Denken jullie dat hij het anders had kunnen doen? In hoeverre lag dit aan hem, en in hoeverre lag het aan de politieke constructie waarin hij zich bevond?

Petra: ‘Dat weet je eigenlijk nooit. Wij hebben ons natuurlijk ook afgevraagd hoe Marnix van Rij (CDA) het had gedaan (Van Rij werd voor Schoof benaderd voor het premierschap en bedankte voor de eer omdat CDA niet in de coalitie zat, red.). Maar zover is het niet gekomen.’

Hebben jullie dit hem zelf wel eens gevraagd?

Petra: ‘Ja, dat is hem heel vaak gevraagd. Wat opviel is dat hij daar niet heel uitgebreid over nadenkt. Die reflectie lijkt hij een beetje ingewikkeld te vinden. Hij zei de hele tijd: daar vind ik het nog te vroeg voor.’

‘Onlangs nam hij een boek over zijn kabinet in ontvangst en benoemde hij vooral wat er volgens hem goed was gegaan. Dat zijn premierschap uiteindelijk anders is verlopen dan gehoopt, lijkt hij zelf minder zo te zien.’

Schoof staat bekend als iemand die weinig van zijn eigen opvattingen laat zien. Was het moeilijk hem een mening te ontlokken? Of heeft hij deze echt niet?

Lamyae: ‘Hij liet in ieder geval niet heel sterk blijken dat hij meningen had. Steun aan Oekraïne vond hij wel heel belangrijk. Dat is ook de enige keer dat hij enigszins met die vuist op tafel heeft geslagen.’

Toch waren mensen uit zijn eigen omgeving teleurgesteld over hoe hij omging met bijvoorbeeld de Maccabi-rellen. Raakte hem dat niet?

Petra: ‘Daar waren we natuurlijk niet bij, maar hij heeft zich daar nooit uitgebreid over uitgelaten. Wel zei hij eens dat de oorlog in Gaza Nederland had gepolariseerd en dat hij dat ook in zijn eigen omgeving merkte. Verder ging hij daar nauwelijks op in. De vraag is in hoeverre dat echt tot hem is doorgedrongen.’

Schoof was als ambtenaar verantwoordelijk voor de moskeeonderzoeken, waar later veel ophef over is ontstaan. Kon hij wel de premier van alle Nederlanders zijn?

Petra: ‘Dat was inderdaad meteen een deel van zijn verhaal, van wat hij had gedaan als ambtenaar. Tegelijkertijd werd hij premier van een kabinet waarin de PVV de grootste partij was. Ik denk dat dat voor veel Nederlanders uiteindelijk zwaarder woog dan zijn eerdere rol als ambtenaar.’

Petra de Koning

Hoe zagen jullie hem omgaan met de migrantengemeenschappen?

Lamyae: ‘Aan het begin van zijn premierschap herhaalde hij voortdurend dat hij de premier van alle Nederlanders wilde zijn. Dat werd een soort mantra. Tijdens zijn eerste debat in de Tweede Kamer noemde hij zelfs Sifan Hassan als iemand die hem inspireerde. Hij leek zich ervan bewust dat hij zich ook tot minderheidsgroepen moest verhouden.’

‘Tegelijkertijd zagen we dat nauwelijks terug in zijn werkbezoeken. Hij bezocht niet opvallend vaak moskeeën of wijken waar veel Nederlanders met een migratieachtergrond wonen. Pas na de Maccabi-rellen ontving hij vertegenwoordigers van verschillende minderheidsgroepen op het Catshuis.’

‘Opvallend genoeg zei hij steeds minder vaak dat hij de premier van alle Nederlanders wilde zijn. Op een gegeven moment zei hij het helemaal niet meer.’

Welke impact heeft zijn premierschap gehad op de polarisatie in Nederland?

Lamyae: ‘Hij sprak in de laatste maanden van zijn premierschap vaak over polarisatie en zei dat hij zich daar zorgen over maakte. Maar hij sprak er vooral over als een maatschappelijk verschijnsel. We zagen weinig reflectie op de rol die hijzelf of zijn kabinet daarin hadden gespeeld. Wel zei hij achteraf dat hij er zo‘n last van had dat hij werd gezien als het gezicht van een radicaal-rechts kabinet.’

Zijn jullie anders naar hem gaan kijken tijdens jullie onderzoek?

Petra: ‘We kenden hem vooraf nauwelijks, dus in die zin niet. Wel zagen we tijdens ons onderzoek steeds opnieuw bevestigd wat we al vermoedden: dat hij een speelbal was. Dat begon eigenlijk al bij zijn eerste persconferentie en bleef tijdens zijn hele premierschap zichtbaar.’

Lamyae: ‘Wat wel een eyeopener was, is dat het hem echt niet lukte om beter uit de verf te komen tijdens debatten. Hij werd gecoacht door ervaren mensen als Klaas Dijkhoff en Bas Erlings, maar we zagen de resultaten hiervan niet terug in de daaropvolgende debatten. Hij kon het echt niet.’

Jullie besteden veel aandacht aan zijn stunteligheid. Waarom vonden jullie dat belangrijk?

Lamyae: ‘Omdat het onderdeel is van wie hij is. Het boek vormt een portret. We wilden niet alleen schrijven over de politieke gebeurtenissen, maar ook over de mens achter de premier.’

Petra: ‘Iemands jeugd, studententijd en loopbaan vormen hoe iemand uiteindelijk politiek handelt. Dat verhaal wilden we vertellen.’

Jullie schreven heel beschouwend en lieten een oordeel achterwege. Waarom?

Lamyae: ‘Dat is niet onze rol. We beschrijven wat we hebben gezien, wat betrokkenen ons hebben verteld en welke feiten we hebben kunnen reconstrueren. Vervolgens is het aan de lezer om daar een oordeel over te vormen.’

Dick Schoof, Petra de Koning en Lamyae Aharouay, Brooklyn, 128 blz., € 18,-

Stabiele financiering voor COA: niet steeds opvanglocaties openen en sluiten

0

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) krijgt voortaan een vaste manier van financieren. De Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben hiermee ingestemd. Door deze verandering hoeft het COA niet steeds opvanglocaties te openen en te sluiten. Volgens het COA is dit een belangrijke stap om de asielopvang rustiger, menselijker en uiteindelijk goedkoper te maken.

Waarnemend bestuursvoorzitter Joeri Kapteijns zegt dat de oude manier van betalen veel problemen veroorzaakte. ‘De ad hoc financiering van de afgelopen decennia is heel schadelijk gebleken voor zo’n beetje alles’, zegt hij. ‘Het voelt gek om blij te zijn met iets wat de ingrijpende situatie van vandaag niet direct oplost, maar deze stap gaat wel voorkomen dat we in de toekomst weer in deze situatie terecht komen. Met stabiele financiering kunnen gemeenten en het COA afspraken maken voor een langere periode en een vast aantal opvangplekken aanhouden, ongeacht schommelingen in het aantal mensen in de opvang.’

Volgens hem geeft dit rust en duidelijkheid aan de azc-bewoners, azc-medewerkers en de omwonenden. ‘En het biedt bovendien kansen om in de toekomst ook andere doelgroepen die dringend op zoek zijn naar woonruimte, op deze locaties te huisvesten’, aldus Kapteijns.

Op dit moment is er nog steeds een tekort aan opvangplekken. Daarom gebruikt het COA noodopvang. Deze locaties worden snel opgebouwd en later weer gesloten. Bewoners moeten daardoor vaak verhuizen, soms meerdere keren per jaar. Kinderen moeten van school wisselen en mensen met werk raken hun baan kwijt. Ook omwonenden horen vaak pas laat dat er een tijdelijke opvanglocatie komt of verdwijnt. Dat zorgt voor minder draagvlak.

Het COA vindt het belangrijk dat het kabinet blijft werken aan een stabiel opvangsysteem. De vaste financiering en een goede uitvoering van de Spreidingswet zijn volgens de organisatie belangrijke voorwaarden.