De plannen voor ‘remigratie’ die de Duitse extreemrechtse partij AfD heeft gepresenteerd, stuiten op kritiek van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, schrijven Die Welten de NOS. ‘Het concept van remigratie van de AfD is niets anders dan een etnische zuivering naar huidskleur en afkomst’, zei Merz woensdag tijdens een fel debat in de Bondsdag.
Onder ‘remigratie’ verstaat de AfD de consequente uitzetting van vreemdelingen die wettelijk verplicht zijn Duitsland te verlaten. Volgens Die Welt hebben verschillende AfD’ers dit begrip uitgebreid. De voorzitter van de jongerenafdeling van de AfD eiste onlangs het vertrek van ‘miljoenen immigranten’, wat een veel grotere groep zou vormen dan de ongeveer 259.000 uitgeprocedeerde vreemdelingen in Duitsland.
Volgens de NOS spreken prominente AfD’ers van een onderscheid tussen ‘echte Duitsers’ en ‘mensen met een Duits paspoort’.
Ook wil de partij het recht op asiel afschaffen en geen enkele vluchteling meer toelaten, schrijft de NOS.
De AfD, die afgelopen zondag de verkiezingen in de deelstaat Saksen-Anhalt won, wordt daar door de veiligheidsdienst als extreemrechts beschouwd. Niet alleen Merz, maar ook de leiders van andere partijen vielen AfD-leider Alice Weidel aan, schrijft de NOS.
Weidel verweet de coalitie van Merz ‘linkse ideologie, linkse massamigratie en socialistische herverdeling’. Zij pleitte niet alleen voor de deportatie van vluchtelingen, maar ook voor het stopzetten van hulp aan Oekraïne en het importeren van Russisch gas.
Merz wees erop dat de remigratieplannen slecht zullen uitpakken voor Duitsland, aangezien veel praktisch werk, zoals in de zorg en in restaurants, wordt gedaan door mensen met een migratieachtergrond.
De discussie over de politieke rol van ontwikkelingsorganisaties laait opnieuw op in de Tweede Kamer. VVD-Kamerlid Nicole Maes stelde woensdag tijdens een Kamerdebat dat ngo’s die overheidssubsidies ontvangen zich politiek neutraal zouden moeten opstellen.
Maes had de kwestie vorige maand al schriftelijk bij minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sjoerd Sjoerdsma aangekaart. Op 20 augustus stelde zij dat sommige ngo’s te activistisch zijn, terwijl ze voor een deel van hun inkomen afhankelijk zijn van overheidsgeld.
De minister beantwoordde die vragen op 8 september. Hij benadrukte het belang van de mogelijkheid om de macht kritisch te bevragen, ook door ngo’s. Hij stelde bovendien dat ngo’s slechts voor een deel gefinancierd zijn door de overheid. Voor het overgrote deel zijn ze zelf verantwoordelijk voor hun inkomen.
De kritiek vanuit de ngo-sector is scherp. Rolien Strasse, directeur van vredesorganisatie PAX, noemt het idee dat gesubsidieerde ngo’s politiek neutraal zouden moeten zijn een miskenning van de historische reden waarom maatschappelijke organisaties überhaupt door de overheid worden gefinancierd.
‘Voor haar een geschiedenisles’, schrijft Strasse in een post op LinkedIn. Zij wijst erop dat financiering van ngo’s juist is ontstaan vanuit het idee dat deze organisaties een eigen, onafhankelijke rol in de samenleving vervullen en geen verlengstuk zijn van overheidsbeleid.
Volgens Strasse hebben ngo’s daarbij drie belangrijke functies. Allereerst beschikken zij over expertise en internationale netwerken die de Nederlandse overheid zelf niet heeft. In oorlogsgebieden en dictaturen kunnen ngo’s bovendien soms werken op plekken waar de overheid diplomatiek of politiek weinig kan uitrichten. ‘Soms gevoelig’, erkent Strasse, ‘maar nuttig.’
Daarnaast hebben maatschappelijke organisaties volgens haar een onafhankelijke blik op overheidsbeleid. Dat betekent volgens Strasse niet dat ngo’s partijpolitiek bedrijven, maar wel dat zij zich uitspreken over ‘onrecht en ongelijkheid’, de politieke en economische oorzaken van conflicten en manieren om vrede te bereiken.
Ten slotte vertegenwoordigen ngo’s volgens haar een eigen achterban in de Nederlandse samenleving. Zij informeren, organiseren en mobiliseren burgers en dragen daarmee bij aan maatschappelijke betrokkenheid. Dit argument klinkt ook door in het betoog van Sjoerdsma, die stelt dat maatschappelijke organisaties en hun achterban zelf gaan over de doelen die zij nastreven en de manier waarop zij dit doen.
De discussie is overigens niet nieuw. Ook in eerdere Kamerdebatten over ontwikkelingssamenwerking is kritiek geuit op overheidssubsidies aan organisaties die zich activistisch of politiek uitspreken. Zo pleitten rechtse partijen eerder voor het beperken of beëindigen van steun aan wat zij ‘activistische ngo’s’ noemen. In het debat over de ontwikkelingsbegroting voor 2026 werd bijvoorbeeld door de PVV expliciet gepleit voor het stoppen van subsidies aan dergelijke organisaties.
Uitspraken van de Griekse premier Mitsotakis over het uitbreiden van de territoriale wateren tot twaalf zeemijl hebben tot felle reacties geleid op de Turkse televisie. Gasten spraken daar over een mogelijke oorlog met Griekenland.
In een programma op de Turkse zender A Haber discussieerden gasten openlijk over het innemen van Griekse eilanden, schrijft Greek City Times. Aanleiding waren uitspraken van de Griekse premier Kyriakos Mitsotakis over het uitbreiden van de Griekse territoriale wateren in de Egeïsche Zee. Volgens gasten in het programma zou zo’n uitbreiding voor Turkije een reden voor oorlog kunnen zijn.
Mitsotakis had gezegd dat Griekenland het recht heeft zijn territoriale wateren uit te breiden tot twaalf zeemijl. Dat leidde in Turkije tot felle reacties. Turkije beschouwt zo’n uitbreiding als een casus belli: een reden om oorlog te voeren.
Griekenland hanteert in het grootste deel van de Egeïsche Zee nu een grens van zes zeemijl. Bij een uitbreiding naar twaalf zeemijl zou volgens Turkse berekeningen ongeveer 71 procent van de Egeïsche Zee onder Griekse territoriale wateren vallen, tegenover ongeveer 43,5 procent nu. Omdat veel Griekse eilanden dicht bij de Turkse kust liggen, vreest Turkije dat Turkse schepen op weg naar open zee vaker door Griekse territoriale wateren zouden moeten varen.
In het programma vroegen gasten zich daarom af of Griekenland met een uitbreiding feitelijk de oorlog aan Turkije zou verklaren. Militair expert Ugur Özköker ging nog verder en sprak over het innemen van Griekse eilanden en zelfs de stad Thessaloniki, schrijft de krant.
Volgens Özköker zou een uitbreiding van de Griekse territoriale wateren, ‘al met honderd meter’, voor Turkije reden zijn om de oorlog te verklaren. Als Griekenland zijn territoriale wateren uitbreidt, zou de Egeïsche Zee volgens hem een ‘Grieks meer’ worden. Turkse schepen zouden dan volgens hem toestemming moeten vragen om door Griekse territoriale wateren te varen.
Toen de presentator suggereerde Thessaloniki in te nemen, stemde Özköker daarmee in. Hij voegde eraan toe dat Turkije ook het Griekse eiland Thasos en de stad Komotini in West-Thracië zou moeten innemen, schrijft de krant.
De uitspraken komen op een moment dat de spanningen tussen Griekenland en Turkije oplopen, net als die tussen Turkije en Israël. Griekenland en Israël tekenden vorige maand een defensieovereenkomst ter waarde van 3,5 miljard dollar. Daarbij zal Israël onder meer een luchtverdedigingssysteem voor Griekenland opzetten.
Toen ik opgroeide, was ik dol op stripboeken. Amerikaanse stripboeken om precies te zijn. Elke vrijdagmiddag op de basisschool mochten we bij wijze van ontspanning allerlei Marvel-strips van de boekenplank lezen. X-Men, Wolverine en Iron Man behoorden tot de favoriete titels, maar die haalden het niet bij de populariteit van Spider-Man. De vriendelijke, slimme en stoere Peter Parker, die met zijn spinnenkracht New York van de schurken redde, met de o zo bekende skyline op de achtergrond, sprak tot de verbeelding. Niet voor niets breekt de huidige verfilming van de superheld in de bioscopen record na record.
In aanloop naar de vijfentwintigjarige herdenking van de aanslagen op 11 september 2001 moest ik denken aan onze friendly neighbourhood Spiderman. Ongeveer een maand na de terreuraanval verscheen het eerstvolgende nummer van de stripreeks The Amazing Spider-Man, met een geheel zwarte cover. Ik heb het stripboek destijds gekocht, maar helaas niet bewaard. Gelukkig zijn er online genoeg digitale kopieën te vinden.
Het nummer is me altijd bijgebleven. Spiderman komt machteloos aan in Lower Manhattan, te midden van de puinhopen van de Twin Towers. Hij ziet het immense verdriet, maar ook de enorme veerkracht van gewone New Yorkers. Vervolgens reflecteert hij op de aanslagen, waarbij hij naar woorden zoekt om het onvoorstelbare kwaad te verklaren.
Mijn oog valt op een pagina waar commentaar wordt geleverd op de vergoelijkende reacties op de aanslagen. De anti-Amerikaanse uitlatingen van de toenmalige woordvoerder van de Taliban worden veroordeeld, maar dat geldt net zo goed voor de uitspraken van de christelijke voorganger Jerry Falwell, die 9/11 beschouwde als een straf van God vanwege de gestage secularisering van de Amerikaanse samenleving. Een opvallende verwerping van alle vormen van religieus extremisme in een periode waarin vooral de islam het moest ontgelden.
Op dezelfde pagina wordt de godsdienstwaanzin van Al-Qaeda losgetrokken van ‘veertien eeuwen oprechte gebeden’ van vrome moslims. Het moet gezegd: dat deed president George W. Bush in die tijd ook consequent. De onschuldige moslim mocht niet de dupe worden van de daden van een kleine groep criminelen die zich op dezelfde religie beroept, zei Bush herhaaldelijk. Onder zijn presidentschap werd de Iftar Dinner geïntroduceerd om het vertrouwen van Amerikaanse moslims te behouden.
Ook westerse landen zien nu het ware gezicht van het Amerikaanse imperium
Dit inclusieve patriottisme stond in schril contrast met de extreem gewelddadige uitwerking van de door dezelfde Bush afgekondigde War on Terror. Afghanistan en vervolgens Irak werden gebombardeerd en jarenlang bezet door de Amerikanen en hun westerse bondgenoten. Nog meer terreuraanslagen in Europa volgden. Oorlogsmisdrijven waren schering en inslag. Intussen werden moslims in het Westen continu verdacht gemaakt en door rechtse politici neergezet als een vijfde colonne.
Uitgerekend in de 9/11-editie van Spider-Man wordt er gewaarschuwd voor deze ontsporing. Het nummer benadrukt eerst de exceptionele positie van de Verenigde Staten in de wereld, een supermacht die zich bewust is van zijn eigen verantwoordelijkheid. Immers, with great power comes great responsibility, om de bekendste frase uit het Spider-Man-universum aan te halen. Terughoudend optreden is het devies. ‘Do not do as they do, or the war is lost before it is even begun. Do not let that knowledge be washed away in blood.’
Het zijn mooie en wijze woorden, geheel passend bij het Amerikaanse zelfbeeld. Woorden die te grabbel zijn gegooid door opeenvolgende presidenten in Washington. Aan de huidige president, wiens naam we maar niet zullen noemen, hoeven we al helemaal geen woorden vuil te maken. Niet alleen het mondiale Zuiden, maar ook westerse landen zien nu het ware gezicht van het Amerikaanse imperium.
Is er dan nog iets over van het morele geweten van de Verenigde Staten, zoals verwoord in het Spider-Man-nummer? Dat is nog wel te vinden in – waar anders – New York, met burgemeester Zohran Mamdani voorop. Opgegroeid in de schaduw van 9/11 beet hij tijdens de verkiezingsrace van zich af: zijn islamitische identiteit is geen diskwalificatie, zoals tegenstanders die tegen hem gebruikten. En islamitische New Yorkers zijn net zo Amerikaans als ieder ander. In the land of the free hebben ook zij het recht om zichzelf te zijn.
Veel New Yorkers spiegelen de charismatische en betrokken Mamdani inmiddels aan Spiderman zelf. Het zou me niet verbazen als Mamdani als tienjarige jongen datzelfde Spider-Man-nummer op zijn nachtkastje had liggen.
Tien jaar na hun komst gaat het op veel vlakken beter met Syrische Nederlanders: ze spreken beter Nederlands en steeds meer mensen hebben werk. Toch is er ook een andere ontwikkeling: ze voelen zich vaker eenzaam en minder thuis en ervaren meer discriminatie. Volgens nieuw onderzoek werkt ook de moeilijke start in Nederland nog lang door.
Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) volgt al tien jaar lang Syrische Nederlanders vanaf het moment dat ze een status kregen en publiceerde op basis daarvan meerdere onderzoeken. In een nieuw onderzoek, dat het uitvoerde met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), keek het specifiek naar de lange termijnontwikkeling van deze groep nieuwe Nederlanders.
Hoe bouwen Syrische vluchtelingen na het ontvangen van een verblijfsvergunning hun leven weer op en hoe verwerven ze en een positie in de Nederlandse samenleving, wilden de onderzoekers weten. Ze keken daarbij naar arbeidsmarktparticipatie, taalvaardigheid, sociale netwerken, mentale gezondheid en zich thuis voelen.
De mate waarin ze hierin slagen, hangt sterk af van de beginperiode, concluderen ze. Want hoewel velen een plek op de arbeidsmarkt vinden en na een tijd redelijk goed Nederlands spreken, blijft de manier waarop ze in Nederland zijn gestart hun mentale welzijn beïnvloeden. Lange procedures, lang verblijf in de opvang en verhuizingen naar verschillende azc’s hebben een langdurige impact.
‘Naarmate statushouders langer in Nederland wonen, voelen zij zich vaker eenzaam en minder thuis, en ervaren zij vaker discriminatie. Sociale contacten nemen verder af, zowel met personen zonder migratieachtergrond als met andere Syrische Nederlanders’, aldus het WODC.
Volgens het rapport speelt mee dat Syrische Nederlanders na verloop van tijd vaker discriminatie en uitsluiting ervaren. Tegelijkertijd nemen hun sociale contacten af, zowel met Nederlanders zonder migratieachtergrond als met andere Syrische Nederlanders. Hierdoor voelen zij zich vaker eenzaam en minder thuis in Nederland.
De onderzoekers adviseren om meer aandacht te hebben voor kwetsbare groepen in deze fase en ervoor te zorgen dat ze sneller kunnen starten. Dit kan ervoor zorgen dat ze later beter financieel gezond zijn en zich meer thuis voelen in Nederland.
Historicus Lotfi El Hamidi begint vandaag als columnist bij de Kanttekening. De Marokkaans-Nederlandse journalist zal maandelijks een column schrijven.
El Hamidi (40) heeft al een lange staat van dienst in de journalistieke wereld. Na zijn studie geschiedenis begon hij in 2016 als fellow bij De Groene Amsterdammer. Meteen daarna maakte hij in 2017 de overstap naar NRC, waar hij achtereenvolgens redacteur, columnist, commentator en chef Opinie was. Sinds begin 2025 werkt hij als redacteur bij De Groene Amsterdammer.
Inmiddels heeft hij ook twee boeken op zijn naam staan. In 2022 debuteerde hij met Generatie 9/11 – Migratie, diaspora en identiteit, over de invloed van de aanslagen op 11 september 2001 op jonge moslims in Nederland. Dit jaar verscheen van zijn hand ook het boek Stakkers en wolven. In de schaduw van Gaza.
Naast schrijven is El Hamidi een bevlogen spreker. Bij de presentatie van het boek Galmende geschiedenissen van antropoloog Sinan Çankaya uitte hij vorig jaar scherpe kritiek op de houding van de Nederlandse overheid ten aanzien van de voortdurende genocide in Gaza. ‘Als dit een rechtbank was, dan was het hele kabinet schuldig aan medeplichtigheid en ontkenning van genocide’, aldus El Hamidi, die de aanwezige jongeren moed insprak: ‘Blijf je uitspreken met sit-ins en demonstraties, geef vooral niet op.’
CDA-minister Mirjam Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) vindt dat kerken meer zouden moeten doen voor de zorg. Haar Willibrordlezing roept veel kritiek op uit christelijke hoek, maar ze krijgt ook bijval. Achter de ophef gaat een diepere vraag schuil: zijn kerken, moskeeën en andere gebedshuizen er alleen voor het zielenheil, of hebben ze ook een sociale opdracht?
De toespraak van minister Mirjam Sterk, die ze op 31 augustus hield aan de Protestantse Theologische Universiteit, had waarschijnlijk een bescheiden academisch moment kunnen blijven. Maar in plaats daarvan werd het een kleine rel. De minister zou kerken de schuld geven van maatschappelijke problemen en hen verwijten dat ze in slaap zijn gesukkeld door de verzorgingsstaat. Impliciet zou ze hiermee suggereren dat religieuze gemeenschappen maar moeten bijspringen, nu de staat zich terugtrekt.
Op social media en in de kolommen van Trouw en het Nederlands Dagblad klonk er gemor. Waarom wees Sterk naar de kerk, terwijl de overheid zelf jarenlang heeft bezuinigd op zorg, welzijn en ondersteuning?
Cultuurtheoloog Frank Bosman is ook kritisch. Hij plaatst haar lezing in een bredere ontwikkeling waarin de staat zich terugtrekt, religieuze gemeenschappen worden aangesproken, en ondertussen de politieke verantwoordelijkheid wordt afgezwakt. Hij verwijst in dit verband naar de Canadese filosoof Charles Taylor, die laat zien dat secularisatie samenhangt met de opkomst van een sociaal vangnet.
Frank Bosman
‘Als de staat zorgt voor mensen, dan lijkt de kerk overbodig’, zegt Bosman. ‘Maar het werkt ook andersom. Want wanneer de staat zich terugtrekt, vullen kerken en andere religieuze gemeenschappen het gat op. Dat de staat voor mensen zorgt, is in de geschiedenis echt een uitzondering. De zorg van kerken, moskeeën en andere religieuze instellingen is de norm.’
Kerken, kloosters en religieuze stichtingen hebben eeuwenlang scholen, ziekenhuizen, armenzorg en opvang georganiseerd, van middeleeuwse orden als de dominicanen en de franciscanen die zich in steden richtten op armenzorg, zieken en onderwijs tot de 20e-eeuwse zuilen met hun eigen scholen, ziekenhuizen en sociale netwerken. Ook in de islam is zorg geen bijzaak, zegt Bosman. Zakaat – het geven aan armen en behoeftigen – is een van de vijf zuilen.
‘Dat de staat voor mensen zorgt, is in de geschiedenis echt een uitzondering’
Bosman ziet daarom een spanning in Sterks lezing. ‘Enerzijds erkent ze dat religies een traditie van zorg hebben. Maar aan de andere kant is ze kritisch op de rol van de kerk, die te weinig zou doen. Nu de verzorgingsstaat onder druk staat, moeten kerken en religieuze gemeenschappen het maar oplossen, zegt ze impliciet.’ Daar heeft hij weinig geduld mee: ‘Als je de brandweer wegbezuinigt en vervolgens boos wordt dat de scouting brandjes niet goed blust, ben je hypocriet.’
Natuurlijk mag je kerken, moskeeën en andere religieuze organisaties aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar dat mag niet dienen als alibi voor een terugtredende staat. ‘Religieuze gemeenschappen kunnen en willen veel doen — daklozenopvang, hulp aan drugsverslaafden, voedselbanken, buurtinitiatieven — maar ze zijn geen vervanging voor structureel beleid. Sterks appel is niet zonder risico in een politieke context, waarin ‘participatiesamenleving’ een eufemisme is voor harde bezuinigingen op zorg.’
Kerk en volk
Heel anders klinkt Lambert Pasterkamp, docent aan de Christelijke Hogeschool Ede en promovendus aan de Theologische Universiteit Utrecht. Hij schrijft een proefschrift over de kerk en het sociale vraagstuk, met een onderzoek dat deels historisch, deels normatief is. Zijn focus ligt vooral op protestantse kerken en orthodoxe armenzorg.
Lambert Pasterkamp
Pasterkamp ziet de kritiek op Sterk als begrijpelijk, maar overdreven. Hij leest haar lezing niet als een verwijt aan kerken, maar als een appel. ‘Ik snap de kritiek, dat kerken de schuld krijgen terwijl de overheid veel heeft bezuinigd. Maar ze heeft ook een punt. De verzorgingsstaat loopt op zijn einde. We zitten in een participatiesamenleving, een zorgsamenleving. Kerken zijn bij uitstek plekken van participatie of zorg, maar dat lijken ze soms zelf te vergeten.’
Historisch gezien is dat opvallend. In de 19e eeuw waren kerken en kerkelijk geïnspireerde organisaties belangrijke spelers in de armenzorg. Ze speelden daarmee ook een rol in wat Pasterkamp de ‘sociale verbeelding’ van de samenleving noemt. Figuren als predikant en filantroop Ottho Gerhard Heldring richtten tehuizen op voor tienermeisjes die in de prostitutie hadden gezeten en dachten na over hoe de kerk voor mensen moest zorgen. Hun organisaties hadden nationale pretenties, zegt Pasterkamp. ‘Ze hadden daarmee heel de samenleving op het oog, niet alleen de eigen kring.’
‘Christelijke armenzorg was vaak paternalistisch’
Er was ook kritiek op naastenliefde voor mensen buiten de kerk. ‘Moet je prostituees wel willen helpen?’, klonk het in sommige kringen. Christelijke armenzorg was vaak paternalistisch, moraliserend en sterk gekoppeld aan sociale controle, denk aan huisbezoeken om te checken of mensen zich aan de regels hielden. Niettemin was de inzet een vorm van sociale verbeelding: een idee over hoe de samenleving er idealiter uit zou moeten zien. De Nederlandse Hervormde Kerk wilde er zijn voor iedereen.’
Met de opkomst van de verzorgingsstaat verschoof de verantwoordelijkheid. De overheid concludeerde pragmatisch dat de kerk niet langer alle armen kon helpen. Linkse liberalen, ook die van vrijzinnig-christelijke huize, pleitten er eind 19e, begin 20e eeuw voor dat hulp naar de staat moest. ‘De Armenwet van 1912 hield formeel nog vast aan het primaat van de kerk, maar feitelijk was dat al achterhaald’, zegt Pasterkamp. ‘Maar pas na de Tweede Wereldoorlog nam de staat officieel de zorg van wieg tot graf over.’
Een kleine groep strenge christenen protesteerde tegen de verzorgingsstaat. Sommigen weigerden zelfs AOW, omdat zorg volgens hen een taak van de kerk was. ‘Maar dat was een minderheid. De meeste kerken pasten zich aan de nieuwe werkelijkheid aan.’
Pasterkamp ziet nu een dubbele beweging. Enerzijds is er een terechte gevoeligheid voor paternalisme en machtsmisbruik. ‘In de opleiding Social Work op mijn hogeschool is er veel aandacht voor autonomie. In hoeverre mag je mensen sturen? En hoe voorkom je dat hulp bevoogdend wordt?’ Anderzijds is er een samenleving die hij ‘verweesd’ noemt. ‘Er is soms te weinig sturing, mensen krijgen te weinig kaders aangereikt en we bekommeren ons te weinig om elkaar.’
In dat spanningsveld vindt Pasterkamp Sterks appel interessant. ‘Je moet het niet zien als een nostalgische oproep om terug te keren naar de 19e eeuw, maar als uitnodiging aan kerken om opnieuw na te denken over de verbeelding van de samenleving, zonder de fouten van vroeger te herhalen.’
De kerk was er niet alleen voor de gelovigen
Matthias Smalbrugge, hoogleraar aan de School of Religion and Theology van de Vrije Universiteit Amsterdam, is misschien wel het meest uitgesproken in zijn verdediging van Sterk. Hij vindt de kritiek op haar lezing ‘overdreven’.
Matthias Smalbrugge. Beeld: Wiep van Apeldoorn
‘Ze schuift de sociale verantwoordelijkheid van de overheid niet op het bordje van de kerk, maar ze zegt dat ons discours, onze taal, te weinig gevuld is. Er moet meer invulling worden gegeven aan waarden.’
Volgens Smalbrugge gaat Sterks lezing niet over het afschuiven van taken, maar over het ontbreken van een narratief, een verhaal. We hebben modellen, begrippen en instrumenten in de zorg – efficiëntie, indicaties, protocollen – maar te weinig geestelijke taal om te zeggen waarom we zorgen, wat we belangrijk vinden, hoe we elkaar zien. Wat je doet, je handelen, moet een link hebben met een inhoudelijk verhaal, anders spelen we theorie en praktijk uit elkaar.
Smalbrugge plaatst Sterk in een traditie die teruggaat tot de hervormde theoloog Arnold van Ruler. In maart 1945, nog tijdens de oorlog, schreef Van Ruler dat de antithese, de tegenstelling tussen gelovig en ongelovig, niet de kern is. Mensen hebben elkaar juist nodig. In de nieuwe kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk was er veel aandacht voor de publieke taak van de kerk. De kerk was er niet alleen voor de gelovigen, maar voor heel de samenleving.
‘Er moet meer invulling worden gegeven aan waarden’
De hoogleraar vertelt dat verschillende religieuze tradities het principe van naastenliefde op hun eigen manier invulden. Gereformeerden waren meer naar binnen gericht, met een sterk eigen verhaal en eigen organisaties. Hervormden waren meer naar buiten gericht, de mensen aan de rand hoorden er ook bij, je vroeg niet aan mensen hoe gelovig ze wel of niet waren. Katholieken namen een tussenpositie in. Ze waren missionair, maar ook sterk zuilgebonden. Ze hadden eigen scholen en ziekenhuizen, veelal georganiseerd door religieuze orden en congregaties. Die waren er voor iedereen, maar ze hadden wel een duidelijk verhaal waar je je aan moest houden.
In al die gevallen was er iets wat Smalbrugge nu mist: een verbindend narratief. In de verzuilingstijd konden de gereformeerde voorman Abraham Kuyper en zijn katholieke evenknie Herman Schaepman elkaar vinden in een gedeeld idee van samenleven, ondanks alle grote ideologische verschillen. Vandaag lukt dat echter nauwelijks. Links en rechts staan lijnrecht tegenover elkaar en ‘compromis’ is een vies woord geworden. ‘De huidige begrotingsonderhandelingen verlopen zeer moeizaam. Ze laten zien hoezeer Nederland snakt naar een verhaal. Dat hoeft wat mij betreft niet nationalistisch te zijn, maar wel verbindend.’
Volgens historicus Yüksel Nizamoglu treedt het Turkse regime steeds harder op tegen islamitische groepen die Erdogan niet steunen. Dat gebeurt nu met de Süleymanci-gemeenschap.
Yüksel Nizamoglu (1966) promoveerde in de geschiedenis aan de Universiteit van Istanbul. Daarna werkte hij als universitair docent Internationale Betrekkingen en Politicologie aan de Turgut Özal Universiteit in Akara. Die universiteit werd na de mislukte coup van 15 juli 2016 gesloten. Tegenwoordig werkt de bekende historicus in Duitsland als pedagogisch medewerker op een openbare school.
Volgens Nizamoglu vertoont het huidige optreden van de Turkse regering tegen de Süleymanci-gemeenschap duidelijke overeenkomsten met de eerdere vervolging van de Gülenbeweging. De operatie tegen de süleymancılar bevindt zich volgens hem nog wel in een beginfase. ‘Het gaat om het in het gareel brengen van degenen die niet gehoorzamen’, stelt hij.
Hoe past de aanpak van religieuze gemeenschappen in de seculiere traditie van Turkije?
‘De Republiek Turkije, die ontstond als opvolger van het Ottomaanse Rijk, koos in tegenstelling tot het Ottomaanse Rijk voor een seculier regime. Tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog werd niet alleen gevochten tegen de Britten, Fransen, Italianen en Grieken, maar ook tegen de kalief-sultan en zijn aanhangers. Met de afschaffing van het sultanaat en het kalifaat en de sluiting van medreses [islamitische scholen], tekkes [gebedshuizen] en spirituele derwisj- en soefi-ordes kregen religieuze instellingen een zware slag te verduren. Uiteindelijk werd op 10 april 1928 in de grondwet van 1924 vastgelegd dat de staat ‘seculier’ was.
Historicus Yüksel Nizamoglu
Voor het onder leiding van Atatürk opgerichte ‘seculiere regime’ werd irtica, religieus reactionisme, gezien als een grote bedreiging. Gebeurtenissen als de opstand van de Koerdische en religieuze leider Sjeik Said in 1925 en het Menemen-incident in 1930, waarbij islamitische opstandelingen een legerofficier doodden, versterkten bij de staat het idee dat religieuze groepen een ‘bedreiging’ vormden.
Onder Atatürk stond het religieuze leven onder druk. Zo werden alle moskeeën onder het gezag van Diyanet, het Turkse overheidsorgaan voor religieuze zaken, gebracht. Ook liet het regime de Koran en de uitleg van de Koranteksten in het Turks vertalen.
Tegelijkertijd verbood het regime alle soefi-ordes en religieuze activiteiten die niet door Diyanet werden gecontroleerd. Religieuze leiders als Said Nursi en Süleyman Hilmi Tunahan, die beiden eigen islamitische gemeenschappen opbouwden, en hun volgelingen kregen voortdurend te maken met rechtszaken, verbanning en arrestaties.
Uiteindelijk wilde de ‘seculiere staat’ een religieus leven dat onder controle van de staat stond. Religieuze groepen die zich daaraan onttrokken of dat mogelijk zouden doen, werden als een ‘bedreiging’ gezien. Erdogan en de AKP zetten deze traditie voort: eerst door de Gülenbeweging uit te schakelen en nu door de süleymancılar, de volgelingen van Tunahan, en door Alparslan Kuytul, leider van de islamitische Furkan-beweging, tot doelwit te maken.’
Probeert Erdogan op deze manier islamitische groepen die hem niet steunen uit te schakelen? In het verleden werkte hij juist nauw samen met veel religieuze gemeenschappen.
‘Ik zie deze operaties als een voortzetting van de grondfilosofie van de republiek. Tijdens de regeringen van de centrumrechtse Democratische Partij (DP) en later de Gerechtigheidspartij (AP) nam de druk op het religieuze leven enigszins af. Religieuze gemeenschappen en soefi-ordes steunden in die periode vooral rechtse partijen.
Bij de verkiezingen van 2002, waarmee Erdogan aan de macht kwam, steunden de süleymancılar hem voor zover ik weet niet. De Gülenbeweging liet haar volgelingen, net als bij eerdere verkiezingen, vrij om zelf te kiezen. Waarschijnlijk stemden velen op andere rechtse partijen.
‘Een deel steunde Erdogan, een ander deel keerde zich tegen hem’
Dat veranderde in 2007, nadat het Turkse leger zich met een memorandum tegen de mogelijke verkiezing van AKP-politicus Abdullah Gül tot president had gekeerd. De Gülenbeweging schaarde zich toen rechtstreeks achter de AKP. Ik denk dat de periode van ‘volledige steun’ van de Gülenbeweging aan de AKP beperkt bleef tot 2007-2011.
Voor zover ik begrijp, raakten de süleymancılar in deze periode verdeeld: een deel steunde Erdogan, een ander deel keerde zich tegen hem. De groep die vandaag wordt aangepakt, is het deel dat zich tegen Erdogan heeft uitgesproken en hem niet heeft gesteund.
Het doel van Erdogan is om de top van deze groep uit te schakelen en ervoor te zorgen dat de ‘achterban’ zich aan zijn kant schaart. Maar we mogen niet vergeten dat Erdogan aanvankelijk ook bij de Gülenbeweging een operatie begon die zich op de top richtte.’
Is er een historisch keerpunt aan te wijzen waarop de breuk tussen Erdogan en islamitische groepen ontstond?
‘De openlijke breuk kwam op 17 en 25 december 2013. Toen keerde Erdogan zich openlijk tegen de Gülenbeweging.
In de jaren daarna werden, net zoals we nu bij Süleymanci-gemeenschap zien, kayyum[curatoren] aangesteld bij bedrijven, scholen, examentrainingscentra, universiteiten – waaronder de universiteit waar ik werkte – en bij kranten en televisiezenders. Daarmee werden deze instellingen overgenomen en werd de gemeenschap weerloos. In zijn uitspraken richtte Erdogan zich vooral op de leiding van de gemeenschap. Hij vatte dat samen met de woorden: ‘De basis houdt zich bezig met aanbidding, het midden met handel en de top met verraad.’ Na de mislukte coup van 15 juli 2016 richtte hij zich echter ook op vrouwen en ouderen en aarzelde hij niet om hen te laten arresteren.
Ook vandaag gebruikt hij vergelijkbare retoriek tegen de bestuurders van een deel van de Süleymanci-gemeenschap. Als de achterban zijn leiders niet opgeeft, kan worden verwacht dat dezelfde aanpak zal volgen.’
Is er volgens u in Turkije daadwerkelijk sprake van een ‘criminele organisatie’ onder leiding van Alihan Kuris?
‘Dit soort operaties gaat in Turkije gepaard met veel desinformatie. De regering brengt veel informatie naar buiten die niet klopt. Daarom is het verstandig om voorzichtig met dergelijke beschuldigingen om te gaan.
‘Dit soort operaties gaat in Turkije gepaard met veel desinformatie’
Er valt nog iets op. Tegen leiders van religieuze gemeenschappen die de AKP niet steunen, worden arrestatiebevelen uitgevaardigd. Tegelijkertijd worden hun bedrijven onder curatele geplaatst, waardoor de regering de financiële controle krijgt. Vervolgens zullen deze bedrijven waarschijnlijk worden uitgehold en voor zeer lage prijzen aan AKP-aanhangers worden verkocht. Dat gebeurde ook met in beslag genomen bedrijven van de Gülenbeweging. Zo komt kapitaal uiteindelijk in andere handen terecht.’
Waarom worden de süleymancılar juist nu aangepakt?
‘Misschien zijn er onderhandelingen gevoerd over ‘gehoorzaamheid’ en heeft de regering, toen die niets opleverden, voor deze aanpak gekozen. Een andere mogelijkheid zijn de presidentsverkiezingen. Bij de laatste verkiezingen zagen we bijvoorbeeld hoe Erdogan afspraken maakte met de nationalistische politicus Sinan Ogan en de islamistische partijleider Fatih Erbakan om hun steun te krijgen. Zulke groepen zijn vanwege hun mogelijke aantal stemmen van groot belang. Om te winnen is immers 50 procent plus één stem nodig.
Daarnaast kan het de bedoeling zijn om andere religieuze gemeenschappen en soefi-ordes te intimideren. Want volgens Erdogan geldt: ‘Als je medelijden toont, zul je uiteindelijk zelf in een meelijwekkende positie terechtkomen.’
Is het tegenwoordig strafbaar om süleymancı te zijn of lid te zijn van een religieuze gemeenschap als Menzil of de Furkan-beweging?
‘Zolang de wet van 30 november 1925, die soefi-ordes verbiedt, van kracht is, is het lidmaatschap van zulke groepen in Turkije in feite niet legaal. In de praktijk zijn deze groepen ondanks het verbod niet verdwenen. Vooral door de verstedelijking van Turkije zijn ze juist gegroeid. De staat heeft hen echter nooit officieel als religieuze gemeenschappen of gesprekspartner erkend.’
Waarin verschilt de aanpak van de Süleymancılar van de vervolging van de Gülenbeweging?
‘Erdogan ziet het oproepen van Hakan Fidan, destijds het hoofd van de Turkse inlichtingendienst MIT en een vertrouweling van Erdogan, voor verhoor in 2012 als het ‘keerpunt’. Maar de openlijke strijd begon pas met de dreiging om de huiswerkscholen te sluiten en de grote corruptieonderzoeken van 17 en 25 december 2013 naar mensen rond de AKP-regering. Erdogan beschuldigde de Gülenbeweging ervan achter deze onderzoeken te zitten.’
‘Als je medelijden toont, zul je uiteindelijk zelf in een meelijwekkende positie terechtkomen’
Erdogan richtte zich toen heel duidelijk tegen de Gülenbeweging met de woorden: ‘Wat hebben jullie niet gekregen dat ik niet heb gegeven? Jullie krijgen zelfs geen water meer.’ Uiteindelijk deed hij wat hij had aangekondigd. Duizenden mensen werden uit de publieke sector ontslagen en instellingen, bedrijven en stichtingen werden in beslag genomen. Tegen duizenden mensen die niets met de mislukte coup van 15 juli 2016 te maken hadden, werden op basis van vermeende iltisak [verbondenheid] juridische procedures gevoerd die meedogenloos en in strijd met universele rechtsbeginselen waren. De mislukte coup, die Erdogan ‘een geschenk van God’ noemde, bood hem de mogelijkheid om dit alles uit te voeren.’
De Turkse regering noemt de Gülenbeweging ‘FETÖ’, oftewel de ‘Fethullahistische terreurorganisatie’. De süleymancılar worden daarentegen een ‘criminele organisatie’ genoemd. Waar komt dat verschil vandaan?
‘Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de operatie zich nog in de eerste fase bevindt. Op dit moment wordt geprobeerd de achterban los te weken van de bestuurders door deze beschuldiging centraal te stellen. De arrestaties vinden binnen dit kader plaats.
Net zoals men de Gülenbeweging probeerde neer te zetten als een beweging die vanuit de Verenigde Staten werd gesteund, probeert men nu de indruk te wekken dat deze gemeenschap steun krijgt van Duitsland. Daarbij wordt gewezen op de activiteiten van de groep in Duitsland en vooral op het nieuwe hoofdgebouw in Keulen.
Hierbij moet nog iets worden opgemerkt. De Gülenbeweging beschikte in Turkije over een groot medianetwerk en was ook georganiseerd aanwezig op sociale media. Deze groep heeft daarentegen geen eigen media en is nauwelijks zichtbaar op sociale media. Daardoor is het niet alleen moeilijk om de ontwikkelingen volledig te volgen, maar kunnen we ook nauwelijks zien hoe de groep zich verdedigt. Dat maakt het moeilijker om het proces te duiden.’
Deze ontwikkelingen vinden plaats terwijl Turkije werkt aan vrede met de Koerden. Ziet u een verband?
‘Mijn inschatting is dat Erdogan opnieuw tot president gekozen wil worden, hoewel dat wettelijk niet mogelijk is. Daarvoor probeert hij de steun van de Koerden te krijgen, maar hij wil ook niets aan het toeval overlaten. Bij de laatste presidentsverkiezingen hebben we gezien hoe belangrijk zelfs de stemmen van een kleine groep kunnen zijn.
‘Het Westen is tevreden met Erdogan’
De operatie tegen Ekrem Imamoglu [de opgepakte burgemeester van Istanbul], het opnieuw aanstellen van Kiliçdaroglu als leider van de CHP en de vrijwel dagelijkse operaties tegen gemeenten die door de oppositiepartijen CHP en de Yeni Parti worden bestuurd, zijn volgens mij eveneens bedoeld om obstakels voor Erdogan uit de weg te ruimen.
Tegelijkertijd wordt aan de Menzil-gemeenschap, de Ismailaga-gemeenschap en andere religieuze groepen duidelijk gemaakt wat hun te wachten staat als zij ‘niet gehoorzamen en geen steun verlenen.
Ook moet nog iets anders worden gezegd. Het Westen is tevreden met Erdogan en voert een beleid dat gericht is op het voortbestaan van zijn regime. Tegelijkertijd krijgen de operaties tegen religieuze groepen, martelingen en mensenrechtenschendingen maar weinig aandacht.’
De regering-Erdogan lijkt islamistische groepen die buiten haar controle vallen te willen uitschakelen. Is dat volgens u te verenigen met islamitische waarden?
‘In de Ottomaanse en Turkse traditie bestaat de gedachte dat ‘de staat heilig is’ en dat ‘voor het behoud van de wereldorde zelfs broers en zonen kunnen worden gedood’. Die opvatting bestaat vandaag nog steeds. In Turkije beschouwden zowel rechtse als religieuze groepen, waaronder religieuze gemeenschappen en soefi-ordes, de heiligheid van de staat als hoogste prioriteit. Zelfs ‘broedermoord’, om een strijd om de troon en onrust in het rijk te voorkomen, werd tijdens de Ottomaanse periode als legitiem beschouwd.
Hoewel het uitschakelen van islamistische groepen door Erdogan religieus gezien niet juist is, zijn er daarom honderden ‘geleerden’ te vinden die daarvoor een religieuze rechtvaardiging kunnen geven. Op de avond van 15 juli zagen we op de pleinen predikers en religieuze leiders die over leden van de Gülen-gemeenschap zeiden: ‘Hun bezit, alles van hen, is voor ons halal.’ Dan hoeft dat ons niet te verbazen.’
Wanneer is het vanuit islamitisch perspectief toegestaan om tegen de regering in opstand te komen of zich ertegen te verzetten?
‘Binnen de soennitische traditie wordt verzet tegen de staat of opstand niet als iets normaals beschouwd. De gedachte dat ‘zelfs de slechtste staat beter is dan staatloosheid’ is breed aanvaard. Daarom komen religieuze gemeenschappen en soefi-ordes niet gemakkelijk in opstand tegen het regime.
‘De gedachte dat ‘zelfs de slechtste staat beter is dan staatloosheid’ is breed aanvaard’
Zelfs in de periode waarin islamitische scholen werden gesloten, soefi-ordes werden verboden, het onderwijzen van de Koran werd belemmerd en de oproep tot het gebed in het Turks werd voorgeschreven, was er maar weinig direct verzet. Daarbij speelde natuurlijk een grote rol dat de staat meedogenloos geweld gebruikte tegen dergelijke reacties.
De islamitische geleerde Said Nursi koos er bijvoorbeeld voor om via zijn werken strijd te voeren en werd van de ene verbanning naar de andere gestuurd. Süleyman Hilmi Tunahan probeerde soms in treinwagons en soms op boerderijen de Koran te onderwijzen en op die manier weerstand te bieden. De soennitische gemeenschap kan dus eigenlijk alleen deze wegen bewandelen. Zo stelde Gülen tijdens de coup van 28 februari 1997 aan de machtige generaals voor om ‘alle scholen aan de staat over te dragen’.’
De nieuwe Labour-regering van Andy Burnham stelt dat er sprake is van ‘etnische zuivering’ door Israëlische kolonisten op de Westelijke Jordaanoever. Ook gaat de Britse regering over tot sancties tegen producten die afkomstig zijn van de illegale Israëlische nederzettingen, zo meldt de Arabische nieuwssite MiddleEast Eye.
Deze Britse erkenning vertoont overeenkomsten met de analyse van de Israëlische historicus Ilan Pappe. In zijn boek The Ethnic Cleansing of Palestine (2006) betoogt hij dat de verdrijving van Palestijnen vanaf 1948 geen toevallig bijproduct van oorlog was, maar een doelbewust en systematisch proces van etnische zuivering. Volgens Pappe vormt dit beleid de historische kern van het zionistische project. De Britse regering gaat niet zo ver, maar gebruikt de term ‘etnische zuivering’ als het gaat om verdrijving van Palestijnen door Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever.
Het onrecht die Palestijnen dag in dag uit wordt aangedaan, wordt door activisten en experts ook wel de ongoing Nakba genoemd. Nakba is Arabisch voor ‘de catastrofe’, waarmee de gedwongen ‘verhuizing’ van honderdduizenden Palestijnen in 1948 wordt bedoeld. Meer dan 700.000 Palestijnen raakten toen ontheemd en veel Palestijnse dorpen werden ontvolkt of verwoest. Met ‘ongoing Nakba’ wordt bedoeld dat dit niet alleen een gebeurtenis uit 1948 is, maar een proces dat tot op heden voortduurt, bijvoorbeeld door gedwongen ontheemding, verdrijving, vernietiging van woningen en beperkingen op terugkeer.
De maatregelen van de nieuwe Britse regering lijken overigens in overeenstemming met sancties die Frankrijk en Canada in petto hebben voor gewelddadige kolonisten op de Westbank. Daarnaast heeft het Verenigd Koninkrijk alle militaire en militair-economische samenwerking met Israël opgeschorst. Minister van Buitenlandse Zaken Ed Miliband – zelf Joods – gaf in het Lagerhuis uitleg: ‘Het officiële standpunt van de Britse regering is dat de bezetting onwettig is vanwege de verankering van Israëls controle, de intentie om permanente soevereiniteit uit te breiden en de expansionistische agenda via illegale nederzettingen.’
Minister-president Andy Burnham en zijn team breken met het traditionele, pro-Israëlische beleid van hun voorgangers. Israël heeft daarop het Britse consulaat-generaal in Oost-Jeruzalem gesloten.
In Jemen is de burgeroorlog weer terug van nooit weggeweest. Deze week eiste het conflict beduidend meer slachtoffers dan in de afgelopen jaren. Het is de dodelijkste escalatie sinds 2022, met bijna 300 doden. De verslechterende internationale context lijkt hier debet aan, zo meldt de Volkskrant.
Jemen staat al langer op het menu van regionale machten zoals Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Iran, maar ook van een wereldmacht als de Verenigde Staten. Al deze partijen steunen verschillende groepen in de strijd om de macht in Jemen. De sji’itische Houthi-rebellen worden gesteund door Iran, terwijl de internationaal erkende soennitische regering wordt gesteund door Saoedi-Arabië en het Westen.
Het oplaaiende geweld concentreert zich vooral aan de strategische westkust van Jemen. Niet lang geleden opende Iran daar een tweede front tegen het internationale vrachtverkeer, om zo de Amerikanen te tarten. Als de Houthi’s de havenstad Mokka in handen krijgen versterken de Iraanse ayatollahs hun strijd om de vitale handelsroutes op zee. ‘In het verleden beschoten de Houthi’s internationale vrachtschepen vanuit stellingen op 90 à 150 kilometer afstand met drones en ballistische raketten; het doel is nu om dichterbij te komen, zodat men hetzelfde kan bereiken met eenvoudige, goedkopere raketten’, schrijft de Volkskrant.
De burgeroorlog in Jemen is sinds 2015 aan de gang. Volgens schattingen van de Verenigde Naties zijn er inmiddels meer dan 230.000 mensen om het leven gekomen, waaronder veel vrouwen en kinderen. Een deel is gestorven vanwege het oorlogsgeweld, anderen door honger en ziekte.
Onze site gebruikt cookies en vergelijkbare technologieën onder andere om u een optimale gebruikerservaring te bieden. Ook kunnen we hierdoor het gedrag van bezoekers vastleggen en analyseren en daardoor onze website verbeteren.
Deze website gebruikt cookies om uw gebruikservaring op deze website te verbeteren. Van deze cookies worden cookies aangemerkt als "Noodzakelijk" in uw browser bewaard, deze cookies zijn essentieel voor het functioneren van de website. Bijvoorbeeld het opslaan van uw keuze of u wel of geen cookies wilt hebben. Wij maken ook gebruik van cookies van derde partijen die ons helpen met het analyseren en begrijpen van de gebruik van deze website door u. Deze cookies worden alleen gebruikt als u daar toestemming toe geeft. U heeft ook de mogelijkheid om uzelf uit te sluiten voor deze cookies. Dit zal echter effect hebben op uw gebruikerservaring.
Noodzakelijke cookies zijn absoluut nodig voor het functioneren van de website. De cookies in deze categorie zorgen alleen voor de veiligheid en het functioneren van deze website . Deze cookies bewaren geen persoonlijke gegevens
Deze cookies zijn niet strict noodzakelijk, maar ze helpen de Kanttekening een beter beeld te krijgen van de gebruikers die langskomen en ons aan te passen aan de behoeftes van onze lezers. Hiervoor gebruiken wij tracking cookies. Bij het embedden van elementen vanuit andere websites zullen er door deze sites ook cookies worden gebruikt.