Home Blog

VN-commissie eist van Israël dat het de Palestijnse arts Hussam Abu Safia vrijlaat

0

De VN eist dat Israël de Palestijnse arts Hussam Abu Safia, tevens directeur van het Kamal Adwan-ziekenhuis, onmiddellijk vrijlaat. Hij wordt al 18 maanden zonder aanklacht vastgehouden. Er zijn sterke ‘aanwijzingen’ dat hij wordt misbruikt, zo meldt Al Jazeera.

De advocaat van de arts, Nasser Odeh, luidt de noodklok over de miserabele gezondheid van de arts. Hij zou ieder moment kunnen sterven in de cel, waar hij dagelijks het slachtoffer is van fysiek en mentaal geweld door Israëlische gevangenbewaarders. Mensenrechtengroepen spreken over ‘reguliere martelpraktijken’.

Bij een bezoek had de advocaat moeite om zijn cliënt te herkennen, meldt de mensenrechtenorganisatie Physicians for Human Rights Israel. Op video’s is de arts ook sterk vermagerd te zien.

‘De Commissie (van de VN) roept op tot de onmiddellijke, onvoorwaardelijke en veilige vrijlating van Abu Safia en van al het medische personeel dat door Israël in willekeurige detentie wordt gehouden,’ aldus de commissie in een verklaring, en vervolgt: ‘Daarnaast dringt zij er bij de Israëlische autoriteiten op aan om onmiddellijke onafhankelijke medische zorg voor Abu Safia te bieden.’

Abu Safia is zeker niet de enige Palestijn die het slachtoffer is van systemisch geweld door het Israëlische regime. Naast de genocide in Palestina en Libanon worden duizenden Palestijnen gevangengehouden, en volgens vele mensenrechtenorganisaties worden zij gemarteld.

‘Wat maakt iemand daadwerkelijk tot Nederlander?’

0

Wat ons met elkaar verbindt, is de centrale vraag, niet wie er niet bij hoort, schrijft Ioannis Kavvadias.

De afgelopen jaren zijn de spanningen in de Nederlandse politiek en samenleving toegenomen. Er werd gewaarschuwd voor een ‘integratiecrisis’; het verzet tegen migratie groeide en polarisatie werd zichtbaarder. Incidenten zoals de brandstichting bij het asielzoekerscentrum in Loosdrecht en de rellen in Den Haag in september, waarbij Hitlergroeten werden gebracht en het D66-partijbureau werd vernield, markeerden de dieptepunten. Het Tweede Kamerdebat van 26 mei was een voorlopig hoogtepunt van deze spanningen. Toen FvD-fractievoorzitter Lidewij de Vos stelde dat het bezit van een paspoort iemand in de praktijk nog geen ‘Nederlander’ maakt, ontstond direct een fel en gepolariseerd debat.

Al decennialang klinkt de oproep dat ‘Nederland wel Nederland moet blijven’ of dat ‘Nederlanders zich thuis moeten kunnen voelen’. De onderliggende vraag blijft echter onbeantwoord: wat maakt iemand in 2026 daadwerkelijk tot Nederlander en op basis waarvan bepalen we dat?

In 2017 demonstreerden Turkse Nederlanders op de Erasmusbrug in Rotterdam ter steun van president Erdogan. Dat riep bij veel mensen vragen op over politieke loyaliteit en nationale verbondenheid. Tegelijkertijd is een sterke emotionele of familiale band met een ander land niet onverenigbaar met het Nederlandse burgerschap. Daarom is de relevante vraag niet of mensen één identiteit mogen hebben, maar welke publieke loyaliteit burgers met elkaar delen wanneer democratische waarden, buitenlandse conflicten of maatschappelijke spanningen onder druk komen te staan.

Blijft er dan nog iets over als gemeenschappelijke basis?

Dit spanningsveld rond nationale identiteit is niet exclusief een ‘migrantenverschijnsel’. Kijk naar de jonge, progressieve generatie internationaal georiënteerde studenten, bijvoorbeeld in Amsterdam: zij voelen zich vaak vooral ‘Europeaan’ of ‘wereldburger’, spreken onderling Engels en hebben minder binding met nationale symbolen of tradities. Meervoudige verbondenheid is op zichzelf geen probleem. Maar als de betekenis van het Nederlanderschap voor verschillende groepen afneemt, blijft er dan nog iets over als gemeenschappelijke basis?

‘Direct zijn’

Wanneer in Nederland wordt gevraagd naar de inhoud van onze cultuur, blijft het antwoord vaak abstract. Er wordt verwezen naar respect voor de democratie, de Grondwet, gelijkheid of het homohuwelijk. Dit zijn universele, liberale rechtsstatelijke principes, geen unieke cultuurkenmerken. De kernvraag is daarom niet óf we waarden delen, maar welke culturele inhoud het Nederlanderschap verder draagt. Wanneer het concreet moet worden gemaakt, komen we vaak niet verder dan een haring in de hand en ‘direct zijn’ in de communicatie.

Het probleem is niet dat Nederland geen cultuur heeft, maar dat veel vormen van Nederlandse cultuur minder zichtbaar, minder gedeeld en minder verbindend zijn geworden. Nederland kent vanzelfsprekend diepgewortelde tradities, lokale gebruiken, verenigingen, herdenkingen, sportcultuur, taal en dagelijkse gewoonten. Toch ontbreken vaak publieke rituelen en gedeelde momenten die generaties, sociale klassen en verschillende gemeenschappen met elkaar verbinden. Daardoor speelt veel van wat als typisch Nederlands wordt ervaren zich inmiddels vooral af in de eigen kring, achter de voordeur of in commerciële vormen van vrije tijd.

Religieus-conservatieve burgers

Tegen deze achtergrond rijst een ongemakkelijke vraag: waarom worden sommige religieus-conservatieve burgers, zoals conservatieve gereformeerden uit de Biblebelt, vanzelfsprekend als onderdeel van de Nederlandse samenleving gezien, terwijl anderen, zoals conservatieve moslims, sneller als buitenstaanders worden behandeld, zelfs als zij hier geboren zijn, hier leven en juridisch volwaardige burgers zijn? Beide groepen kunnen op bepaalde punten kritisch staan tegenover de moderne liberale cultuur en sterk verbonden zijn met hun eigen geloofsgemeenschap.

Natuurlijk zijn er reële verschillen tussen religieuze stromingen, opvattingen en maatschappelijke praktijken. Niet iedere vorm van religieus conservatisme is hetzelfde, en elke beweging mag kritisch worden bevraagd over haar verhouding tot de democratische rechtsstaat, de vrijheid en de veiligheid van anderen. Toch wordt ons oordeel over wie erbij hoort niet alleen door deze inhoudelijke vragen bepaald; ook historische herkenbaarheid, afkomst en uiterlijk spelen daarbij een rol. Daarom moet de norm voor iedere burger gelijk zijn: respect voor de rechtsstaat, de vrijheid en de veiligheid van anderen. Daarnaast is een positieve en gedeelde invulling van burgerschap nodig om duidelijk te maken wat het Nederlanderschap inhoudt.

Als we willen dat het Nederlanderschap weer betekenis krijgt, moeten we stoppen met politieke verwijten en het debat richten op de concrete invulling van het burgerschap. De centrale vraag is niet langer wie er niet bij hoort, maar welke gemeenschappelijkheid we actief willen opbouwen. Cultuur en verbondenheid ontstaan niet alleen door de wet te volgen of een inburgeringscursus te voltooien, maar vooral wanneer mensen hun eigen kring verlaten en samen iets opbouwen.

Als we willen dat het Nederlanderschap weer betekenis krijgt, moeten we stoppen met politieke verwijten

De politiek moet overwegen instituten te ontwikkelen die gemeenschappelijkheid bevorderen. Maak dit concreet door nationale feestdagen, zoals Bevrijdingsdag, om te zetten in lokale ontmoetingsmomenten in de wijk, via het lokale bestuur, in plaats van alleen grootschalige festivals waar alleen festivalgangers naartoe gaan. Investeer daarnaast bijvoorbeeld in een brede, toegankelijke maatschappelijke diensttijd waarin mensen met verschillende achtergronden samen bijdragen aan zorg, Defensie, natuurbeheer of lokale gemeenschappen. Dit moet geen inburgeringsinstrument voor specifieke groepen zijn, maar een publieke ervaring die voor alle burgers openstaat en waarin mensen buiten hun eigen sociale kring samenwerken aan iets groters dan alleen zichzelf. Zo krijgt burgerschap niet alleen juridische, maar ook praktische en relationele betekenis.

Het debat moet niet langer gaan over uitsluiting of het in twijfel trekken van paspoorten. De opdracht die voor ons ligt is constructief en helder: durven we de inhoud van ons burgerschap te definiëren? Alleen als we gezamenlijk formuleren wat Nederlands burgerschap betekent, kunnen we de strijd over wie er wel of niet bij hoort achter ons laten.

‘Schoof hoorde er nooit helemaal bij’

Hij wilde de premier zijn van alle Nederlanders. Maar was dat wel mogelijk in een radicaal-rechts kabinet? En hoorde hij er eigenlijk ooit wel bij? NRC-journalisten Lamyae Aharouay en Petra de Koning volgden Dick Schoof een jaar lang en schreven een boek over de eerste partijloze premier van Nederland.

Ze zagen hem steeds weer opduiken in Den Haag tijdens de formatie: een nerveus ogende man met zwaaiende handbewegingen en enorme wallen onder zijn ogen. Wie was deze man en wat deed hij hier, vroegen de parlementair verslaggevers zich af.

Al snel bleek hij kandidaat voor het normaal gesproken eervolle ambt van premier; de enige die ‘ja’ zei nadat zeven anderen hadden bedankt. De fractievoorzitters van de formerende partijen waren niet op zoek naar iemand die zou gaan stralen. Ze zochten een grijze, partijloze premier. Schoof ging akkoord.

Lamyae en Petra besloten hem te volgen. Ze gingen mee tijdens werkbezoeken, volgden debatten en spraken met mensen uit zijn vroegere en huidige sociale omgeving. Beetje bij beetje kregen ze een beeld van de man achter de premier.

Schoof was geen bekend persoon voordat hij premier werd. Wat maakte dat jullie dachten: laten we een boek over hem schrijven?

Petra: ‘Misschien juist omdat hij geen bekend persoon was. Daarnaast leidde hij het eerste kabinet met de PVV én was hij de eerste partijloze premier. In Den Haag was iedereen nieuwsgierig naar hem. Toen hij op dat podium stond tijdens zijn allereerste persconferentie, vroeg iedereen zich af: wie is deze man?’

Wat was jullie eerste indruk van hem? Wat viel jullie op?

Petra: ‘Die eerste persconferentie was een vreemde ervaring. Hij maakte een zenuwachtige indruk. Hij stotterde en bewoog druk met zijn handen. Hij noemde Mark Rutte als zijn grote voorbeeld, wilde van de PVV geen afstand doen, maar de partij ook niet omarmen. Ik weet nog dat wij toen dachten: wat voor premier wordt dit?’

Lamyae: ‘Naarmate we aan het schrijven waren, begrepen we dat Schoof zelf ook een beetje overdonderd was dat hij daar mocht staan. Het ging niet zoals gepland. Zijn naam was uitgelekt, dus hij moest opeens het podium op. Er was helemaal geen tijd om zich voor te bereiden. Nog later bleek die nervositeit, die manier van praten, kenmerkend te zijn voor wie hij was.’

Jullie hebben een jaar onderzoek gedaan. Wat heeft jullie zoal verrast?

Petra: ‘Dat hij een linkse student in Nijmegen was bijvoorbeeld. Daar had hij bovendien met andere studenten besloten een woongroep op te richten. Vervolgens werd hij uit die woongroep gezet. Dat gevoel van nergens helemaal bij horen zie je later ook terug in zijn loopbaan.’

Lamyae Aharouay

Hoe bedoelen jullie dat?

Lamyae: ‘Als premier hoorde hij er ook niet echt bij. Terwijl de vier fractievoorzitters overlegden over de voorjaarsnota, wachtte hij letterlijk op de gang. Opvallend was dat hij nauwelijks probeerde daar verandering in te brengen. Terwijl hij, als enige kandidaat die uiteindelijk ‘ja’ zei, best een sterke onderhandelingspositie had. Hij had ook kunnen zeggen: jullie hebben me nodig, laat me mijn werk doen.’

Hebben jullie kunnen achterhalen waarom hij dat niet deed?

Petra: ‘Daar is geen eenduidig antwoord op. Sommigen zeggen dat hij het simpelweg te leuk vond om premier te zijn en geen risico wilde nemen. Anderen wijzen op zijn achtergrond als topambtenaar. Als ambtenaar ben je gewend dienstbaar te zijn en op de achtergrond te opereren. Maar een premier moet soms juist met de vuist op tafel slaan. Dat heeft Schoof nauwelijks gedaan.’

Lamyae: ‘Uit gesprekken met mensen uit zijn omgeving kregen wij bovendien niet de indruk dat hij het heel erg vond om buiten zulke overleggen te blijven. Wel vond hij het vervelend dat dit vervolgens in de krant terechtkwam.’

Denken jullie dat hij het anders had kunnen doen? In hoeverre lag dit aan hem, en in hoeverre lag het aan de politieke constructie waarin hij zich bevond?

Petra: ‘Dat weet je eigenlijk nooit. Wij hebben ons natuurlijk ook afgevraagd hoe Marnix van Rij (CDA) het had gedaan (Van Rij werd voor Schoof benaderd voor het premierschap en bedankte voor de eer omdat CDA niet in de coalitie zat, red.). Maar zover is het niet gekomen.’

Hebben jullie dit hem zelf wel eens gevraagd?

Petra: ‘Ja, dat is hem heel vaak gevraagd. Wat opviel is dat hij daar niet heel uitgebreid over nadenkt. Die reflectie lijkt hij een beetje ingewikkeld te vinden. Hij zei de hele tijd: daar vind ik het nog te vroeg voor.’

‘Onlangs nam hij een boek over zijn kabinet in ontvangst en benoemde hij vooral wat er volgens hem goed was gegaan. Dat zijn premierschap uiteindelijk anders is verlopen dan gehoopt, lijkt hij zelf minder zo te zien.’

Schoof staat bekend als iemand die weinig van zijn eigen opvattingen laat zien. Was het moeilijk hem een mening te ontlokken? Of heeft hij deze echt niet?

Lamyae: ‘Hij liet in ieder geval niet heel sterk blijken dat hij meningen had. Steun aan Oekraïne vond hij wel heel belangrijk. Dat is ook de enige keer dat hij enigszins met die vuist op tafel heeft geslagen.’

Toch waren mensen uit zijn eigen omgeving teleurgesteld over hoe hij omging met bijvoorbeeld de Maccabi-rellen. Raakte hem dat niet?

Petra: ‘Daar waren we natuurlijk niet bij, maar hij heeft zich daar nooit uitgebreid over uitgelaten. Wel zei hij eens dat de oorlog in Gaza Nederland had gepolariseerd en dat hij dat ook in zijn eigen omgeving merkte. Verder ging hij daar nauwelijks op in. De vraag is in hoeverre dat echt tot hem is doorgedrongen.’

Schoof was als ambtenaar verantwoordelijk voor de moskeeonderzoeken, waar later veel ophef over is ontstaan. Kon hij wel de premier van alle Nederlanders zijn?

Petra: ‘Dat was inderdaad meteen een deel van zijn verhaal, van wat hij had gedaan als ambtenaar. Tegelijkertijd werd hij premier van een kabinet waarin de PVV de grootste partij was. Ik denk dat dat voor veel Nederlanders uiteindelijk zwaarder woog dan zijn eerdere rol als ambtenaar.’

Petra de Koning

Hoe zagen jullie hem omgaan met de migrantengemeenschappen?

Lamyae: ‘Aan het begin van zijn premierschap herhaalde hij voortdurend dat hij de premier van alle Nederlanders wilde zijn. Dat werd een soort mantra. Tijdens zijn eerste debat in de Tweede Kamer noemde hij zelfs Sifan Hassan als iemand die hem inspireerde. Hij leek zich ervan bewust dat hij zich ook tot minderheidsgroepen moest verhouden.’

‘Tegelijkertijd zagen we dat nauwelijks terug in zijn werkbezoeken. Hij bezocht niet opvallend vaak moskeeën of wijken waar veel Nederlanders met een migratieachtergrond wonen. Pas na de Maccabi-rellen ontving hij vertegenwoordigers van verschillende minderheidsgroepen op het Catshuis.’

‘Opvallend genoeg zei hij steeds minder vaak dat hij de premier van alle Nederlanders wilde zijn. Op een gegeven moment zei hij het helemaal niet meer.’

Welke impact heeft zijn premierschap gehad op de polarisatie in Nederland?

Lamyae: ‘Hij sprak in de laatste maanden van zijn premierschap vaak over polarisatie en zei dat hij zich daar zorgen over maakte. Maar hij sprak er vooral over als een maatschappelijk verschijnsel. We zagen weinig reflectie op de rol die hijzelf of zijn kabinet daarin hadden gespeeld. Wel zei hij achteraf dat hij er zo‘n last van had dat hij werd gezien als het gezicht van een radicaal-rechts kabinet.’

Zijn jullie anders naar hem gaan kijken tijdens jullie onderzoek?

Petra: ‘We kenden hem vooraf nauwelijks, dus in die zin niet. Wel zagen we tijdens ons onderzoek steeds opnieuw bevestigd wat we al vermoedden: dat hij een speelbal was. Dat begon eigenlijk al bij zijn eerste persconferentie en bleef tijdens zijn hele premierschap zichtbaar.’

Lamyae: ‘Wat wel een eyeopener was, is dat het hem echt niet lukte om beter uit de verf te komen tijdens debatten. Hij werd gecoacht door ervaren mensen als Klaas Dijkhoff en Bas Erlings, maar we zagen de resultaten hiervan niet terug in de daaropvolgende debatten. Hij kon het echt niet.’

Jullie besteden veel aandacht aan zijn stunteligheid. Waarom vonden jullie dat belangrijk?

Lamyae: ‘Omdat het onderdeel is van wie hij is. Het boek vormt een portret. We wilden niet alleen schrijven over de politieke gebeurtenissen, maar ook over de mens achter de premier.’

Petra: ‘Iemands jeugd, studententijd en loopbaan vormen hoe iemand uiteindelijk politiek handelt. Dat verhaal wilden we vertellen.’

Jullie schreven heel beschouwend en lieten een oordeel achterwege. Waarom?

Lamyae: ‘Dat is niet onze rol. We beschrijven wat we hebben gezien, wat betrokkenen ons hebben verteld en welke feiten we hebben kunnen reconstrueren. Vervolgens is het aan de lezer om daar een oordeel over te vormen.’

Dick Schoof, Petra de Koning en Lamyae Aharouay, Brooklyn, 128 blz., € 18,-

Stabiele financiering voor COA: niet steeds opvanglocaties openen en sluiten

0

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) krijgt voortaan een vaste manier van financieren. De Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben hiermee ingestemd. Door deze verandering hoeft het COA niet steeds opvanglocaties te openen en te sluiten. Volgens het COA is dit een belangrijke stap om de asielopvang rustiger, menselijker en uiteindelijk goedkoper te maken.

Waarnemend bestuursvoorzitter Joeri Kapteijns zegt dat de oude manier van betalen veel problemen veroorzaakte. ‘De ad hoc financiering van de afgelopen decennia is heel schadelijk gebleken voor zo’n beetje alles’, zegt hij. ‘Het voelt gek om blij te zijn met iets wat de ingrijpende situatie van vandaag niet direct oplost, maar deze stap gaat wel voorkomen dat we in de toekomst weer in deze situatie terecht komen. Met stabiele financiering kunnen gemeenten en het COA afspraken maken voor een langere periode en een vast aantal opvangplekken aanhouden, ongeacht schommelingen in het aantal mensen in de opvang.’

Volgens hem geeft dit rust en duidelijkheid aan de azc-bewoners, azc-medewerkers en de omwonenden. ‘En het biedt bovendien kansen om in de toekomst ook andere doelgroepen die dringend op zoek zijn naar woonruimte, op deze locaties te huisvesten’, aldus Kapteijns.

Op dit moment is er nog steeds een tekort aan opvangplekken. Daarom gebruikt het COA noodopvang. Deze locaties worden snel opgebouwd en later weer gesloten. Bewoners moeten daardoor vaak verhuizen, soms meerdere keren per jaar. Kinderen moeten van school wisselen en mensen met werk raken hun baan kwijt. Ook omwonenden horen vaak pas laat dat er een tijdelijke opvanglocatie komt of verdwijnt. Dat zorgt voor minder draagvlak.

Het COA vindt het belangrijk dat het kabinet blijft werken aan een stabiel opvangsysteem. De vaste financiering en een goede uitvoering van de Spreidingswet zijn volgens de organisatie belangrijke voorwaarden.

Door de Armeense genocide te erkennen, erkent Israël ook de genocide in Gaza

0

De Israëlische regering heeft onlangs de massamoord op de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog officieel als genocide erkend. Daarmee erkent zij ook impliciet het eigen daderschap in de Gaza-genocide, stelt criminoloog Yarin Eski.

De Armeense premier Nikol Pashinyan reageerde vorige week terughoudend op de Israëlische erkenning van de Armeense genocide. Hij benadrukte dat Armenië de genocide niet als politiek wapen wil gebruiken.

Serj Tankian, zanger van de metalband System of a Down, kleinzoon van overlevenden van de Armeense genocide en al decennialang een van de bekendste pleitbezorgers voor internationale erkenning daarvan, reageerde woedend. Volgens Tankian wordt de gitzwarte geschiedenis van zijn volk misbruikt voor geopolitieke doeleinden. Jarenlang hield de Israëlische regering die erkenning namelijk tegen vanwege de strategische relatie met Turkije. Die was belangrijker dan de historische werkelijkheid.

Nu de toch al gespannen relatie tussen Israël en Turkije door hun tegenstrijdige belangen in Syrië na de val van de Assad-regering verder is verslechterd en de twee landen op ramkoers liggen, komt de erkenning de Israëlische regering goed uit. Volgens Tankian gebeurt dat juist op het moment dat diezelfde regering zelf genocide pleegt in Gaza. Hij schreef op Instagram: ‘Ze gebruiken onze geschiedenis, onze genocide, onze pijn voor hun politiek gewin.’

Uiteraard verwierp de Turkse president Erdogan de Israëlische erkenning van de Armeense genocide. Hij stelde dat Israël, gezien het grote aantal Palestijnse doden in Gaza, geen moreel gezag heeft om Turkije de maat te nemen. Hij zei: ‘Onze geschiedenis is vrij van genocide, massamoord, onderdrukking en kolonialisme.’

Motie van Wilders

Ook in Nederland is de erkenning van de Armeense genocide als politiek wapen gebruikt. Geert Wilders diende een motie in waarin hij stelde ‘dat er brede wetenschappelijke erkenning is dat de Armeense volkerenmoord aangemerkt moet worden als genocide’ en de regering verzocht ‘niet langer te spreken’ over ‘de kwestie van de Armeense genocide’, maar over ‘de Armeense genocide’. Daarmee wilde hij de Nederlands-Turkse bevolking, die de genocide nog steeds niet erkent, dwarszitten. De motie haalde het destijds niet.

Vreemd, overigens, dat Wilders toen wel, maar ten aanzien van Gaza niet luistert naar genocidewetenschappers en hun oordeel dat er een genocide plaatsvindt. Ook het huidige kabinet-Jetten lijkt, net als de vorige kabinetten, nog steeds niet naar experts te (willen) luisteren. Het is namelijk nog altijd ‘niet opportuun‘ de Armeense genocide te erkennen en het officiële standpunt blijft dan ook om te spreken over de kwestie van de Armeense genocide. We polderen op elk onderwerp, blijkt maar weer.

Dat is opmerkelijk, omdat juist Adolf Hitler een van de eerste regeringsleiders was die de Armeense genocide erkende, hoewel het genocideconcept zelf nog niet bestond. ‘Wie herinnert zich vandaag nog de uitroeiing van de Armeniërs?’, vroeg Hitler in 1939 tijdens zijn Obersalzberg-rede. Het is een cynische erkenning van de Armeense genocide. Volgens historici wilde Hitler ermee aantonen dat volkerenmoord ongestraft kan blijven, zelfs als er overeenstemming over is dát die heeft plaatsgevonden.

Armeniërs verzamelen zich in een stad voorafgaand aan hun deportatie. Buiten de stad werden zij vermoord.

De geestelijk vader van genocide als begrip, de Pools-Joodse advocaat Raphael Lemkin, reageerde precies tegenovergesteld op de Armeense volkerenmoord. Mede geïnspireerd door deze geschiedenis – en die van de Holocaust – ontwikkelde hij het concept genocide. Hij maakte dergelijke vernietiging benoembaar en werkte eraan die strafbaar te stellen, in het bijzonder door genocide juridisch en moreel toepasbaar te maken. Dat kader is later verdragsrechtelijk verankerd in de Genocideconventie.

Straffeloosheid is terug

Vandaag de dag, in onze extreem multipolaire wereld, waar de Trumps, Poetins en Xi’s het voor het zeggen hebben, lijkt de rechtvaardiging van genocide terrein te winnen ten koste van het universaliteitsbeginsel van de Genocideconventie. Dat verdrag wordt eigenlijk keihard genegeerd door de machtigste landen der aarde. Het dwingende verbod op genocide wordt zo een dode letter. Of scherper gezegd: de straffeloosheid na de Armeense genocide die Hitler inspireerde, is terug, maar ditmaal vermomd als politieke schijnheiligheid.

De taal die machthebbers gebruiken, verdraait en verbergt de gruwelijke werkelijkheid

Nog erger vind ik dat dergelijk cynisch opportunisme eerder regel dan uitzondering is. Het past precies bij het gevaarlijke retorische spel dat regeringen vandaag de dag spelen, niet alleen met de feiten over de Gaza-genocide, de Armeense genocide of de eerste en tweede genocide in Darfur, maar met nog veel meer genocides. De taal die machthebbers gebruiken, verdraait en verbergt de gruwelijke werkelijkheid. Zo ontstaat geopolitieke ruimte die veelal uitmondt in nog meer mensenrechtenschendend massageweld.

De Frans-Joodse filosoof Jacques Derrida, die zich altijd kritisch uitliet over het Israëlische koloniale bezettingsbeleid in Gaza, sprak van violence originaire, oorspronkelijk geweld. Daarmee doelde hij op het idee dat wij, zodra we de wereld (theoretisch) proberen te vatten in taal, onvermijdelijk geweld doen aan de complexiteit van de werkelijkheid. Maar ook dat elk rechtsstelsel en iedere grondwet – juridische taal dus – historisch zijn voortgekomen uit, in principe, een onwettige daad van (massa)geweld. Dat geldt voor de stichting van de Turkse, Israëlische, Amerikaanse, Russische en Chinese natiestaat, en vele andere natiestaten.

Dat betekent dat woorden er dus écht toe doen. Volkskrant-commentator Raoul du Pré schreef vorige week nog dat in ons parlement systematisch ‘huisvijanden’ worden gecreëerd. Politici dragen zo bewust bij aan een klimaat van haat en polarisatie dat uiteindelijk hun eigen gezag en ambt ondermijnt.

Israëlische regering valt door de mand

Daarom vind ik de cynische Israëlische erkenning van de Armeense genocide zo intrigerend. Met die erkenning legt de Israëlische regering niet alleen de eigen dubbele moraal bloot, maar valt zij ook, heel simpel gezegd, door de mand.

Door het universaliteitsbeginsel van genocide te erkennen, erkent zij impliciet dat genocide niet exclusief aan de Holocaust is verbonden. Daarmee bevestigt de Israëlische regering de formeel-juridische universaliteit van het genocideverbod zoals dat sinds 1948 verankerd is in de Genocideconventie. Dat is in strijd met het officiële Israëlische standpunt dat de Holocaust een absoluut unieke genocide of zelfs een unieke gebeurtenis is. Die opvatting, die ook binnen delen van de Holocauststudies invloedrijk was, is nauw verweven met de identiteit van de staat Israël.

De Holocaust of welke genocide dan ook een uitzonderingspositie toekennen, is inmiddels een sterk bekritiseerde manier van prioriteren tussen genocides.

Juridische gevolgen

De Israëlische zelfondermijning hier zou zomaar eens juridische gevolgen kunnen hebben, specifiek door de Israëlische erkenning van bepaalde gebeurtenissen, zoals doelgerichte arrestaties, gedwongen deportaties, uithongering, onteigening van land en eigendommen en uiteindelijk de massamoord op de Armeniërs. Deze voltrok zich vrijwel volledig op een manier die sterk vergelijkbaar is met de huidige genocide in Gaza en andere genocides.

Inmiddels zijn er al 14 landen die sinds 2024 de Gaza-genocide erkennen

Ook opmerkelijk is dat de Israëlische regering, in casu de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar, ter rechtvaardiging van de erkenning erop wees dat inmiddels 32 landen de Armeense genocide erkennen, terwijl Turkije die volgens hem nog altijd systematisch ontkent en bagatelliseert.

Inmiddels zijn er al 14 landen die sinds 2024 de Gaza-genocide erkennen. Als we de Israëlische redenering van erkenning van de Armeense genocide in getal en tijdlijn consequent toepassen, zou ook op die manier de Israëlische regering indirect een patroon (h)erkennen ten opzichte van de Gaza-genocide.

Dan heb ik het nog niet eens over de VN-rapportages, juristen en mensenrechtenorganisaties die al enkele jaren waarschuwen voor de systematische uithongering, illegale Israëlische nederzettingen, gedwongen migratie en de massale slachting van burgers in Gaza, waarbij meerdere malen dat alles tezamen wordt opgevoerd als bewijs voor genocidale intentie en genocide. Onlangs verscheen opnieuw een schrijnend rapport over het structureel uitroeien van kinderen in Gaza. Naast deze officiële kanalen zijn er talloze onofficiële die afgrijselijk audiovisueel materiaal verzamelen als bewijs, zoals deze website (let op: het is echt ijzingwekkend wat daar te zien is).

Hoop op Zohran Mamdani

Zelfs vergeleken met de genocides in Rwanda (1994) en Srebrenica (1995), uitgezonden op tv, is er nu al veel meer (live) inzicht in de Gaza-genocide. Er is ook meer en sneller dan ooit erkenning door regeringen. Er is zelfs een zaak aanhangig gemaakt bij het Internationaal Strafhof en een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen onder andere Netanyahu zelf. In september dit jaar zal de Israëlische premier naar New York gaan om de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij te wonen. Internationaal vestigt men de hoop op de burgemeester van New York, Zohran Mamdani, om hem inderdaad te arresteren, mocht Netanyahu daar arriveren. Netanyahu lijkt dat niets te schelen.

Van het ‘recht op zelfverdediging’ als legitimatie voor het genocidale geweld tot het betwisten van slachtofferaantallen; van het instrumentaliseren van kritiek op de Israëlische staat als antisemitisme tot iedere Palestijn een Hamasaanhanger noemen en hen zo te dehumaniseren; van het oorlogsrecht herinterpreteren tot het zwartmaken van VN-gezant Francesca Albanese; en van het toelaten van voedselhulpdistributie waarop verhongerde Palestijnen afkomen, die vervolgens doodgeschoten worden door het Israëlische leger, tot de opportune erkenning van de Armeense genocide (en er zijn nog veel meer voorbeelden) – er wordt middels bedrog een genocide ontkend terwijl die gaande is.

Uiteindelijk is dat zelfbedrog en zelfondermijning. Want in hun strijd om internationale legitimiteit, waarin het erop lijkt alsof zij de genocide gepleegd door de ander nodig hebben voor een listige afleidingsmanoeuvre, geven namelijk zowel de Israëlische als de Turkse regering het eigen genocidedaderschap toe.

Paraguayaanse senator maakt racistische opmerkingen over Franse sterspeler Mbappé

0

Kylian Mbappé is slachtoffer van racistische opmerkingen van de Paraguayaanse senator Celeste Amarilla.

De druiven zijn zuur voor de Paraguayaanse senator Celeste Amarilla, na de verloren wedstrijd tegen Frankrijk op het WK Voetbal. Ze plaatste een racistisch haatbericht, aldus de Franse krant Le Monde, waarin ze de zwarte sterspeler van Frankrijk, Kylian Mbappé voor van alles uitmaakte. Hij was niet alleen ‘nep-Fransman’ die ‘gekoloniseerd’ zou zijn, maar ook een parvenu (nieuw rijke). Mbappé moet dankbaar zijn dat hij na de wedstrijd niet is geslagen door de Paraguayaanse spelers.

De senator nam geen blad voor de mond. ‘Gekoloniseerde Kameroener, die hard probeert Frans te zijn, wrok koestert, nieuw rijk is, arrogant en lelijk. Hij was nerveus en doodsbang tijdens de hele wedstrijd, net als zijn hele team; ze konden zelfs geen doelpunt scoren, ze wonnen bij toeval… Het enige wat velen van ons van de Albirroja eisten, was dat ze hem na de wedstrijd niet openhandig hadden geslagen. En dat terwijl ik geen voetbalfan ben’, schreef ze.

Mbappé reageerde geprikkeld. ‘U bent een verachtelijke vrouw en onwaardig voor uw positie. U vertegenwoordigt Paraguay niet, dat land dat gedurende de competitie met passie en eer heeft gezwoegd’, schreef de voetballer op sociale media.’Door uw roekeloosheid en uw brutale racisme is de hele wereld de reis en de historische inspanning die uw spelers tijdens dit WK hebben geleverd, al vergeten, en maakt u plaats voor een incompetente vrouw die het slechtste mogelijke beeld van haar land geeft. Ik zal nooit toestaan dat mensen zoals zij de vrijheid hebben om hun haat en racisme over de wereld te verspreiden.’

Elsfest: celstraf voor aanvaller D66-pand

0

De rechtbank in Den Haag heeft drie verdachten veroordeeld voor hun betrokkenheid bij agitatie tegen asielzoekers en migranten tijdens ‘Elsfest’, de beruchte extreemrechtse demonstratie van 20 september vorig jaar die uitliep op rellen. Een van de verdachten, een 35-jarige man, viel het D66-kantoor aan met een brandende container, aldus ANP.

De rechtbank vindt het eveneens bewezen dat hij op het Malieveld een ME‑voertuig heeft aangevallen en op het Plein geweld heeft gebruikt tegen zowel iemand die aan het filmen was als een beveiliger die probeerde in te grijpen. Naast de celstraf moet hij in totaal 15.000 euro aan schadevergoedingen betalen, waarvan een derde ten goede komt aan D66.

De overige twee veroordeelden zijn een man van 20 en een man van 46, die zich schuldig maakten aan het bestormen van een politiebusje en het hinderen van een arrestatie. De jongste krijgt een taakstraf van 100 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. De 46‑jarige krijgt eveneens een maand voorwaardelijk, maar moet 120 uur taakstraf uitvoeren. Hij heeft eerder al een veroordeling voor geweld op zijn naam staan.

In totaal zijn tot nu toe 41 mensen veroordeeld voor hun deelname aan de extreemrechtse Elsfest-rellen.

 

Open brief roept Rotterdamse raad op zelf te oordelen over benoeming Harika

0

Een brede groep Rotterdammers heeft de gemeenteraad in een open brief opgeroepen zich niet te laten leiden door uitgelekte informatie over de voordracht van Miriam Harika als wethouder.

De brief, ondertekend door ruim dertig personen uit onder meer het maatschappelijk middenveld, het onderwijs, de advocatuur en de politiek, stelt dat de raad zelfstandig een oordeel moet vormen op basis van het officiële dossier. AD heeft een verkorte versie van de brief gepubliceerd.

Aanleiding is een vertrouwelijke brief van de Rotterdamse ombudsman die uitlekte voordat de gemeenteraad zich over de benoeming kon uitspreken. In de media verschenen vervolgens kwalificaties als ’toxische cultuur’ en ‘angstcultuur’. Volgens de ondertekenaars ontstaat daardoor een publiek oordeel voordat een zorgvuldige procedure is afgerond.

De briefschrijvers verwijzen naar de recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam in de zaak rond het Nederlands Fotomuseum. Daar oordeelde de rechter dat beschuldigingen van sociale onveiligheid onvoldoende waren onderbouwd en dat de negatieve publiciteit de voormalig directeur ernstig had beschadigd. Volgens de initiatiefnemers laat die zaak zien dat ernstige kwalificaties eerst zorgvuldig moeten worden getoetst.

Daarnaast stellen zij dat de gemeentelijke ombudsman een belangrijke controlerende rol vervult, maar dat de uiteindelijke beslissing over de benoeming van een wethouder bij de gemeenteraad ligt. Ook vragen zij aandacht voor het lekken van vertrouwelijke informatie, dat volgens hen zowel de kandidaat als de melders, de ombudsman en de raad schaadt.

De ondertekenaars verzoeken de raad daarom twee dingen. Ten eerste moet de benoeming uitsluitend worden beoordeeld op basis van de formele procedure, ten tweede moet er een onderzoek komen naar het lek van de vertrouwelijke brief.

Nederland moet nu in actie komen tegen racisme

0

Het zit er weer op. Nederland ligt uit het WK, dus dat is klaar. Even los van al die Nederlandse Marokkanen die nog wel met spanning naar de wedstrijden uitkijken. Zonder ingerichte pleinen met grote schermen, maar dat terzijde.

Keti Koti ligt ook achter ons. Alle evenementen over herdenken, eren, vieren, een gedeeld verleden en een gezamenlijke toekomst, over nazaten van tot slaafgemaakten en herstel. Het is geweest. Alle mooie woorden zijn gesproken.

En nu?

Volgens onze minister-president is er na de excuses te weinig gedaan. Er moet meer actie komen. Hij nodigt alle ministeries uit om op 1 juli de vlag te hijsen, net zoals het ministerie van Algemene Zaken heeft gedaan. Hij nodigt uit. Hij legt niets op. En 1 juli is nog steeds geen nationale vrije dag.

Eerlijk?

Ik vind het te weinig.

In het licht van het rapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, waarin duidelijk wordt gesteld dat Nederland een racistisch systeem heeft, met racisme en discriminatie verankerd in beleid en instituties. Als je kijkt naar de uitspraken van bepaalde politici over wie er wel of niet Nederlander is. En dan de reacties op het niet scoren van zwarte voetballers, trots gehuld in het Oranjeshirt, dat ze blijkbaar alleen mogen dragen als ze winnen.

Op het jaarlijkse congres van de Nationale Coördinator tegen Discriminatie en Racisme zat ik in een deelsessie. Een van de andere aanwezigen zei dat het haar pijn deed dat jonge mensen nog steeds bezig waren met dit thema. Er wordt al zo lang aan gewerkt, maar het lijkt alsof we niet vooruitkomen. Een jonge vrouw zei dat wij als zwarte gemeenschap niet boos genoeg zijn. We zouden ons meer uit moeten spreken, meer moeten laten gelden.

Ik weet niet of het aan ons ligt. Volgens mij ligt het aan de Ander.

De Ander die opeens te veel van ons ziet stijgen op de maatschappelijke ladder. Die op straat naar alle diversiteit kijkt en dan denkt dat er wel erg veel buitenlanders in de wijk zijn komen wonen. Maar vergeet dat er ook nog zoiets is als een Nederlands paspoort. Dat bepaalt wie er wel of geen Nederlander is. Niet de blik van die Ander.

De Ander die naar ons kijkt en geen verschil ziet tussen twee zwarte vrouwen, want zwart en vrouw, en ze lijken allemaal op elkaar. Ondanks verschillen in huidskleur, lengte of postuur.

Ik bid dat er iemand opstaat en zegt: ‘Wij als Nederland trekken hier een streep’

Volgens mij is het de Ander die van mening is dat het allemaal wel heel snel gaat. Dat er wel heel erg veel verandert. En dat je tegenwoordig niets meer mag zeggen.

En ik ben het beu dat die Ander altijd maar aan mij vraagt, aan ons, om ons gedeisd te houden. Om niet te veel op te vallen. Om niet zo zwart te zijn.

Ik bid dat er iemand opstaat en zegt: ‘Wij als Nederland trekken hier een streep.’ Wij erkennen dat we een racistisch en discriminerend land zijn. En dat gaan we nu veranderen. We gaan een landelijk verandertraject starten om in 2040 alle instituties, wetgeving, beleid, overheidsdiensten en gemeenten, heel BV Nederland, vrij van racisme en discriminatie te hebben. Een grote publiekscampagne gericht op het vergroten van de bewustwording rondom alledaags racisme, vooral onder witte Nederlanders. Om in elke gemeente gesprekken te voeren met zo veel mogelijk bewoners. Ook al die Nederlanders die niet racistisch zijn, want ze hebben een partner, kind, buurman of vul maar in wie, van welke afkomst ook, met wie ze goed omgaan. Die ze gewoon accepteren. Juist die Nederlanders moeten het gesprek voeren. Met zichzelf.

Al te lang wordt er gesproken over racisme en discriminatie in een bepaalde groep mensen, met steeds dezelfde goedwillende mensen. En ja, zoals Rob Jetten zei: er is veel gebeurd en er wordt veel gedaan. Maar er moet meer actie komen. Ik citeer: ‘Op 1 juli herdenken we. De andere 364 dagen handelen we. In gezamenlijkheid. Als we dat doen, komen we verder.’

Ik hoop dat de Ander goed naar deze woorden luistert.

Civiele bestuur Hamas in Gaza draagt stokje over aan technocraten

0

De door Hamas geleide regering in Gaza heeft maandag verklaard dat het haar eigen civiele regering heeft ontbonden en de macht zal overdragen aan een technocratisch bestuur, zo melden verschillende media.

Hamas bestuurt de Gazastrook sinds 2006, toen de islamitische organisatie de Palestijnse parlementsverkiezingen won. Vervolgens brak er een strijd uit met de seculiere organisatie Fatah, die de macht niet wilde opgeven. Hamas werd vervolgens de baas in de Gazastrook, Fatah in de Palestijnse gebieden op de Westelijke Jordaanoever. 

Maar Hamas heeft nu de macht overgedragen aan een technocratische bestuur, het ‘National Committee for the Administration of Gaza’ (NCAG). Dit bestuur bestaat uit onafhankelijke Palestijnse experts en zou het dagelijks bestuur moeten vormen in de Gazastrook. Dit werd overeengekomen tijdens onderhandelingen voor een vredesovereenkomst, die in september 2025 werd bereikt na bemiddeling door de Verenigde Staten, Qatar en Egypte.

Deze vredesovereenkomst, onderdeel van het ‘twintigpuntenplan’ van de Amerikaanse president Donald Trump, had een einde moeten maken aan de Israëlische genocide op de Palestijnen in Gaza, die meer dan 73.000 Palestijnen het leven heeft gekost. Israël is ondanks het akkoord echter doorgegaan met aanvallen op Gaza, waardoor sinds dat akkoord meer dan duizend Palestijnen omkwamen, schrijft Middle East Eye.

Een woordvoerder van Hamas liet weten dat de beweging klaar is voor een civiele machtsoverdracht. Ze hebben ‘een stap gezet door niet langer de leiding over de Gazastrook te voeren teneinde alle smoezen weg te nemen’, die Israël volgens hem gebruikt ‘om de uitroeiingsoorlog voort te zetten.’ Hij riep bemiddelende staten op om ervoor te zorgen dat Israël zich aan de wapenstilstand houdt.

Volgens experts is het besluit van Hamas om het civiele bestuur te ontbinden bedoeld als een boodschap aan de Amerikaanse president Donald Trump dat de beweging geen obstakel is voor diens plan voor vrede in Gaza. Dit in tegenstelling tot Israël, dat niet alleen doorgaat met aanvallen, maar ook hulpgoederen tegenhoudt en inmiddels bijna zeventig procent van de Gazastrook in handen heeft.

Het is nog onzeker welke macht het nieuwe bestuursorgaan (NCAG) precies zal hebben, schrijft The New Arab. Ook is een bestuursoverdracht nog geen oplossing voor de vastgelopen onderhandelingen, waaronder afspraken rond wederopbouw, het bestuur op lange termijn en de toekomst van de militaire tak van Hamas.

De ontwapening van Hamas’ militaire tak blijft een heet hangijzer. De beweging ging in de overeenkomst van september vorig jaar akkoord met het neerleggen van haar wapens, op voorwaarde dat Israël zich zou terugtrekken achter de ‘Gele Lijn’, die een bufferzone zou aangeven. Maar Israël heeft deze lijn steeds verder opgeschoven en meer land ingenomen. De Israëlische premier Benjamin Netanyahu instrueerde het leger afgelopen mei om zeventig procent van Gaza in te nemen.

Hamas heeft altijd volgehouden dat ze zich niet zullen ontwapenen zolang Israël zich niet terugtrekt.