19.3 C
Amsterdam
Home Blog

VN-rapporteurs springen voor Franse Europarlementariër Rima Hassan op de bres

0

Vijf rapporteurs van de Verenigde Naties (VN) hebben hun bezorgdheid geuit over wat zij beschouwen als een mogelijke vorm van ‘gerechtelijke en politieke intimidatie’ tegen de pro-Palestijnse politica Rima Hassan, zo schrijven diverse Franse media.

Hassan is een Frans-Palestijnse Europarlementariër voor de radicaal-linkse partij La France Insoumise (LFI). Sinds zij in 2024 werd verkozen in het Europees Parlement komt ze op voor de rechten van de Palestijnen. Ook staat Hassan bekend om haar activisme.

Afgelopen april werd Hassan gearresteerd door de Franse autoriteiten, nadat zij op X een citaat had geplaatst van de Japanse militant Kozo Okamoto, die werd veroordeeld voor zijn rol in de aanslag op de luchthaven van Tel Aviv in 1972. Zesentwintig mensen kwamen toen om. Het citaat verwees naar het recht van Palestijnen om zicht tegen hun onderdrukking door Israël te verzetten. Ze werd voor enkele uren vastgehouden.

Hassan werd aangeklaagd voor het ‘verheerlijken van terrorisme’. Op 19 en 20 oktober behandelt een Franse rechbank haar zaak.

Hassan vertelde Middle East Eye dat de juridische druk die zij ervaart, een bewuste strategie is om haar tot stilzwijgen te brengen. Ook werd volgens haar valse informatie verspreid over het in bezit hebben van drugs. Ze benadrukt dat dergelijke intimidatie niet alleen haar, maar ook anderen die zich uitspreken over de Palestijnse kwestie, kan treffen.

De VN-rapporteurs die een mandaat hebben van de Mensenrechtenraad, maar volgens Le Parisien niet namens de raad spreken, stellen in een verklaring dat de acties tegen Hassan een schending zijn van haar recht op vrije meningsuiting, vrijheid van vereniging en samenkomst, gelijkheid en non-discriminatie. Ze waarschuwen dat de Franse autoriteiten hiermee diegenen onderdrukken die opkomen voor de rechten van de Palestijnen.

De situatie rondom Hassan heeft geleid tot een bredere discussie over de grenzen van politieke meningsuiting in Europa. Critici van de juridische stappen tegen haar wijzen erop dat deze acties een gevaarlijk precedent kunnen scheppen voor de vrijheid van meningsuiting, vooral als het gaat om gevoelige onderwerpen zoals de kwestie Israël-Palestina. De rapporteurs van de VN hebben hun zorgen geuit dat deze juridische intimidatie niet alleen gericht is op Hassan, maar ook op anderen die zich kritisch uitlaten over Israël.

Hassan’s situatie is niet uniek; het is een reflectie van een bredere trend waarbij politici en activisten die zich uitspreken over de Palestijnse kwestie, steeds vaker te maken krijgen met juridische en politieke druk.

Wat hadden wij ons vaderland lief

0

Alle schoolkinderen kwamen op de ochtend van Koninginnedag naar het grote marktplein en brachten daar de jaarlijkse aubade aan onze jarige vorstin. ‘Aubade’ was geloof ik het eerste moeilijke woord dat ons als vijf- of zesjarigen werd bijgebracht.

Het moeten voor onze ouders en grootouders best nog moeilijke jaren zijn geweest, zo kort na die Tweede Wereldoorlog. Maar de koningin en de prins waren na hun ballingschap tijdens die bezettingsjaren weer terug in het land en luidkeels klonk het uit onze kindermondjes:

Waar de blanke top der duinen
Schittert in de zonnegloed
En de Noordzee vriend’lijk bruisend
Neerlands smalle kust begroet
Juich ik aan het vlakke strand
Juich ik aan het vlakke strand
‘k Heb u lief mijn Nederland
‘k Heb u lief mijn Nederland

Zo werd onze onschuldige kinderzieltjes de zuivere liefde voor het vaderland ingeprent. ‘Ik heb u lief mijn Nederland.’ O, wat hadden wij ons Nederland toch lief!

Met het klimmen der jaren lijkt het steeds moeilijker die liefde te blijven koesteren voor het land waar ooit onze wieg en de wieg van onze ouders, groot- en overgrootouders hebben gestaan.

Is dit echt nog wel het land waar ‘het lachend groen der heuvels, ’t kleed der stille heide omzoomd’? Is het echt ‘het land der vaad’ren, make u eendracht sterk en groot’?

De getallen doen ons duizelen. Genoeg om niet alleen weerzin te krijgen tegen het land waar op de jaarlijkse nationale feestdag ooit deze lovende woorden uit die kindermondjes schalden. Maar ook genoeg om een vrees te ontwikkelen, met een blik op de toekomst.

Twintigduizend van onze jonge Nederlandse jongeren die het hun hele leven al zo moeilijk hadden, kregen daar nog eens de traumatische ervaringen van de Gesloten Jeugdzorg overheen. Genoeg om hun levens voorgoed te beschadigen. Twintigduizend kinderen in ons eigen Nederland. Deze week kregen zij excuses aangeboden. Maar de schade blijft.

Drieënveertigduizend bedraagt het aantal erkende slachtoffers van de toeslagenaffaire. Drieënveertigduizend van onze medemensen in ons land die te maken kregen met onterechte beschuldigingen van fraude, die werden opgezadeld met enorme schulden, het kwijtraken van uit huis geplaatste kinderen en zwaar psychisch leed.

Stel je voor dat we dit allemaal hoorden over een land elders in de wereld

Meer dan twaalfduizend Nederlanders, waaronder meer dan drieduizend militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), werden in het inmiddels onafhankelijke Indonesië veelal tegen hun wil ingescheept. Om bij aankomst in Rotterdam van regeringswege te worden afgescheept met valse voorwendselen. Zij waren in de haven van Rotterdam nog niet van de boot gestapt of ze kregen te horen dat zij per onmiddellijk uit overheidsdienst waren ontslagen. Zij kregen geen salaris, hoogstens een zakcentje, en de gezinnen werden ondergebracht in voormalige concentratie- en werkkampen uit de Tweede Wereldoorlog.

Twintigduizend, drieënveertigduizend, twaalfduizend. En dit zijn nog maar drie voorbeelden van heel veel meer misstanden.

Kunnen we nog wel van zo’n Nederland houden? Stel je voor dat we dit allemaal hoorden over een land elders in de wereld. Een land dat dit zijn burgers allemaal aandoet. Hoe zouden we daar dan naar kijken? Allemaal de straat op met spandoeken tegen Holland? Wegen blokkeren? Eisen dat Nederland geboycot zou moeten worden?

Deze getallen, met alles wat daarachter schuilgaat, zouden ons alle hoop op een mooie samenleving kunnen laten verliezen.

In zijn boek Tijd is een Leeuwerik, reizen langs de rafelranden van Nederland stimuleert de schrijver en journalist Hilbrand Rozema ons tot een andere blik op de harde samenleving. ‘Elk dorp heeft zijn eigen oorlogsverhaal.’ Over meelopers en over verzet. Deze twee uitersten plaatst hij naast elkaar. ‘Joodse landgenoten raakten huis en haard kwijt.’ Maar pastoor Vullinghs in het Limburgse Grubbenhorst roept al op 12 mei 1940: ‘Onze soldaten kunnen niets meer doen. Nu is het aan ons.’

Nederlanders waren niet alleen meelopers. Velen hadden net zo’n moreel kompas als die pastoor.

Hilbrand Rozema schrijft ook over getallen. In die oorlogsjaren ‘versleet’ een onderduiker vijf tot zeven adressen. Maar twintig of dertig kwam ook voor. Dat betekent dat in totaal zo’n driehonderd- tot vierhonderdduizend Nederlanders ooit onderduikers in huis moeten hebben gehad. Naast die helpers onderweg, die ook meetellen. De mooie keerzijde van doffe volksellende.

De schrijver vat zijn hoofdstuk samen. ‘In menig dorp ging het leven gewoon door, pal naast een werkkamp waarin Joden waren opgesloten. Zo bestaan er in Nederland uiteenlopende oorlogsverhalen naast elkaar. Het ene is leerzaam. Het andere inspireert.’

Gesloten Jeugdzorgkinderen. Slachtoffers van de toeslagenaffaire. Aan hun bittere lot overgelaten Molukkers. Te pijnlijk om allemaal te benoemen.

Maar nog steeds kent ons Nederland toch echt wel die andere burgers. Die medemens die zich nog steeds op allerlei manieren inzet om die naaste een bloeiend Nederlands leven te gunnen. De medemens die onze ‘blanke top der duinen, schitterend in de zonnegloed’ nooit verloren zal laten gaan. Zo blijven wij kijken naar ons eigen landje. En hopelijk ook naar de wereld om ons heen, waar het echt niet allemaal pais en vree is. Maar waar diezelfde inspanningen worden geleverd om de wereld wel leefbaar en bloeiend te houden. Ook tegen de overheid in.

Mekkapact: soennitisch-islamitische bondgenoten voor het eerst bijeen in Istanbul

0

Saoedi-Arabië, Pakistan en Turkije, de kersverse bondgenoten van het zogenoemde Mekkapact, hebben hun eerste vergadering belegd in Istanbul. Dit bericht de Turkse krant Yeni Safak.

In Istanbul kwamen de ministers van Buitenlandse Zaken, Defensie en de militaire stafchefs van de drie landen bijeen in het zogenoemde Comité van Strategie, Politiek en Defensie. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken Hakan Fidan voerde als gastheer het woord tegenover de pers. ‘Met dit bondgenootschap zullen we zien dat er steeds grotere stabiliteit in de regio ontstaat en dat de onzekerheid afneemt.’

Ondertussen beschoten de Verenigde Staten Iraanse doelen en viel Iran Amerikaanse doelen aan in het Midden-Oosten, onder andere een basis in Jordanië. Maar over die beschietingen werd in Istanbul met geen woord gerept. Wel deelden de bondgenoten mee dat er nu een routekaart is voor kandidaat-landen, die overwegen zich aan te sluiten bij het Mekkapact. ‘We hebben hiermee de eerste institutionele beslissingen genomen’, aldus Fidan. Ook werd bekend dat het secretariaat van het Mekka-pact in Saoedi-Arabië zal worden gevestigd en dat Pakistan als eerste land de secretaris-generaal zal leveren, die voor drie jaar wordt benoemd.

Wat er verder is besloten blijft binnenskamers. Wel klonken er vanuit Turkse kant veroordelingen richting de Israëlische premier Benjamin Netanyahu, vanwege het Israëlische geweld in Gaza, maar ook de Israëlische inmenging in Syrië. ‘Het is noodzakelijk om een einde te maken aan de schade die deze genocidepleger toebrengt aan de regio, Israël, het Joodse volk en de hele wereld’, zei Fidan.

In de regio zijn ook andere landen bezig met nieuwe allianties. Zo heeft Israël met Griekenland een militaire deal getekend van 3,5 miljard dollar, waarbij Israël de Griekse luchtafweersystemen zal gaan moderniseren. Griekenland maakt zich grote zorgen over het toenemende drone- en rakettenarsenaal van Turkije en voert al langer gesprekken met Israël om de Turkse dreiging het hoofd te bieden. Officieel zijn Griekenland en Turkije bondgenoten, maar beide landen bejegenen elkaar zeer vijandig.

De Grieks-Turkse spanningen zijn al eeuwenoud. Na de Grieks-Turkse Oorlog (1919-1922) zijn de verhoudingen tussen beide landen herhaaldelijk op scherp komen te staan, met dieptepunten zoals de Turkse invasie van Cyprus in 1974 en diverse conflicten over territoriale wateren en luchtruim in de Egeïsche Zee. Ondanks hun gezamenlijke lidmaatschap van de NAVO blijft de historische animositeit de geopolitieke verhoudingen in de regio bepalen.

Falklandeilanden: trekt Trump Amerikaanse steun aan het Verenigd Koninkrijk in?

0

De Amerikaanse president Donald Trump suggereert dat de Verenigde Staten niet langer het Verenigd Koninkrijk steunen wat betreft de status van de Falkland-eilanden. Het Witte Huis lijkt de aanspraken van Argentinië op de eilandengroep te steunen, zo schrijft de Britse krant The Guardian.

Er zal weinig van de ‘speciale relatie’ tussen de twee Angelsaksische landen overblijven als Trump daadwerkelijk overgaat tot een ‘America First’-beleid aangaande de Falklandeilanden. Hij is er zelf in ieder geval dubbelzinnig over.

‘Ik herbeoordeel altijd elke positie – dat is slechts één van de vele,’ zo vertelde hij aan verslaggevers in het Witte Huis. Trump reageerde op een vraag van een journalist of hij de positie van de Verenigde Staten inzake de Falklandeilanden heroverwoog. De status van deze archipel wordt al lange tijd betwist door Argentinië.

De Falklandeilanden, door Argentinië geclaimd als Las Islas Malvinas, zijn sinds 1833 onder Brits bestuur. De soevereiniteit over de eilanden leidde in 1982 tot een korte maar hevige oorlog tussen het Verenigd Koninkrijk en Argentinië, die eindigde in een Britse overwinning. Sindsdien blijft de status van de archipel een gevoelig punt in de diplomatieke betrekkingen tussen beide landen.

Dirk Wanrooij: Islamitische scholen helpen moslims hun plek te vinden

0

Islamitische scholen worden nogal eens gezien als een manier om je terug te trekken uit de samenleving. Maar volgens schrijver en leerkracht Dirk Wanrooij helpen ze juist bij het ontwikkelen van een Nederlandse islamitische identiteit.

Wanrooij (43) groeide de eerste tien jaar van zijn leven op in Jemen en Pakistan, waar hij als kind al kennismaakte met de islam. Na zijn studies geschiedenis en Arabische taal en cultuur werkte hij bijna tien jaar als journalist in Egypte. Daar verdiepte hij zich verder in de islam en de politieke en maatschappelijke rol van religie in de Arabische wereld. Tijdens de Arabische Lente keerde Wanrooij terug naar Nederland. Hij besloot zijn carrière om te gooien en meldde zich aan als zij-instromer in het islamitische basisonderwijs. Deze maand verschijnt zijn boek ‘De islam hoort wél bij Nederland.’

De gemiddelde witte Nederlander zal zich misschien afvragen waarom je op een islamitische basisschool bent gaan werken. Wat trok je daarin aan?

‘Dat vind ik een gekke gedachte. Een meerderheid van ons onderwijs is bijzonder onderwijs, vooral christelijk. Dan is het heel gek als we islamitisch onderwijs als iets anders zien. Er zijn bijvoorbeeld maar weinig niet-moslims die solliciteren bij islamitische scholen. Kennelijk is er een barrière om daar aan de slag te gaan. Maar we werken allemaal met dezelfde landelijke richtlijnen van het basisonderwijs.’

Je schrijft in je nieuwe boek dat je de verbinding wilde zoeken ‘als hoogopgeleide witte man met uitgesproken ideeën over diversiteit en de noodzaak van inclusieve instituties’. Welke rol zag je daarin voor jezelf?

‘Terwijl inclusiviteit in eerste instantie betekende dat je binnen een door wit gedomineerde omgeving kleur verwelkomt, heb ik inmiddels ingezien dat inclusiviteit ook betekent dat je instituties omarmt die niet wit gedomineerd zijn en bereid moet zijn om daar een minderheid te zijn. Dit wilde ik vanzelfsprekend maken.’

Was dat jouw rol, om de minderheid te zijn?

‘Nee, mijn rol was om leerkracht te zijn, al zette de dynamiek op school me wel aan het denken. Ik moest zelf ook een proces doormaken en kwam in eerste instantie binnen met opgetrokken wenkbrauwen.’

‘Ik heb veel geleerd over hoe het voor de islamitische minderheid is om in Nederland te leven’

Je was aanvankelijk terughoudend om op een islamitische basisschool aan de slag te gaan, zo schrijf je, omdat je elke vorm van religieus geïnspireerd onderwijs als een ‘anachronisme’ beschouwde, ‘in essentie polariserend en daarom waarschijnlijk ongewenst in de huidige tijd.’

Wat heeft jouw mening doen veranderen?

‘Ik dacht aanvankelijk dat we openbaar onderwijs nodig hadden waar iedereen bij elkaar zat. Ik kwam dus binnen met enige scepsis. Inmiddels heb ik de positieve aspecten ingezien. Ik heb veel geleerd over hoe het voor de islamitische minderheid is om in Nederland te leven en heb dit vergeleken met mijn ervaring. Die is wezenlijk anders dan die van hen. En van daaruit ben ik gaan inzien dat het voor hen belangrijk is om veilige plekken te hebben waar je niet als moslim wordt beoordeeld. Een plek waar wordt gewerkt aan een Nederlandse islamitische identiteit. Mijn boek is een verslag van die omslag.’

In hoeverre heeft het feit dat jij als niet-moslim daar tot de minderheid behoorde het je moeilijker gemaakt om tot de leerlingen door te dringen?

‘Ik ben uiteindelijk gewoon leerkracht. Als leerkracht heb ik geleerd dat het niet uitmaakt welk geloof de kinderen tegenover je hebben. Uiteindelijk gaat het om de vaardigheden om met een groep om te gaan en dat je hen als individu, maar ook als groep weet te raken. In die zin heeft dat het voor mij niet moeilijker gemaakt.’

Maar hoe was dat toen leerlingen koste wat kost wilden bidden, terwijl jij vanwege de tijd had besloten dat het gebed niet door kon gaan? Maakte het feit dat jij geen moslim was het niet moeilijker om tegen hun wens in te gaan?

‘Als leerkracht zijn er wel vaker momenten dat je botst met de groep. Dat hoort erbij. Je leert daarmee omgaan. Op een openbare school komt dat ook voor. Ik was op dat moment wel wat onzeker, omdat ik niet wist waar de grenzen lagen van wat kan of mag. Maar uiteindelijk is dat aan de leerkracht en speelt het religieuze aspect geen rol.’

De titel van je boek lijkt een reactie op het idee dat de islam niet bij Nederland zou horen. Klopt dat? Welk tegengeluid wil je met je boek laten horen?

‘Het is een reactie op een geluid dat veel te dominant is geweest de afgelopen vijfentwintig jaar, zoals dat van Wilders en de zijnen. Maar het is ook een stelling, eentje die heel logisch is voor mij. Natuurlijk hoort de islam bij Nederland, want er zijn een miljoen moslims in Nederland, vaak al generaties lang. En iedereen hoort erbij. Voor mij is dat heel voor de hand liggend. Blijkbaar is dit controversieel.

Ik zag een verschil tussen mijn ervaringen op school, in de omgang met kinderen, ouders en collega’s, en de manier waarop erover gesproken werd buiten de school. Toen ik vertelde waar ik werkte, werd bijvoorbeeld gevraagd of er ook Nederlands werd gesproken op de school. Maar dat is irrelevant, want natuurlijk wordt er Nederlands gesproken op een Nederlandse school. Uit dit soort vragen bleek dat men er heel weinig van wist. Het viel me ook op dat men het idee had dat islamitisch onderwijs niet bij Nederland past, of dat er een dreiging vanuit zou gaan. Dat beeld wilde ik bijstellen.’

Je schrijft dat je veel hebt geleerd over Nederlanders met een migratieachtergrond. Wat heb je tijdens je docentschap over de islam geleerd en wat zou je willen meegeven aan mensen die vinden dat de islam niet in Nederland thuishoort?

‘Dat ‘de islam’ eigenlijk niet bestaat, dat het heel divers is. Ik heb vooral van mensen geleerd, van collega’s. Dat zij moslim waren, dat was niet relevant. Maar ik heb wel goede dingen gezien van de islam, en dat zit met name in het gemeenschapsgevoel, de verbroedering en het vertrouwen in elkaar. Al zou ik dat niet direct als iets van de islam kunnen bestempelen. Ik heb wel gezien dat de islam veel handvatten biedt in het onderwijs. Onze school legde de focus op akhlaaq, of morele deugden. Dat was voor veel ouders een reden om te kiezen voor een islamitische basisschool, om slechte invloeden van buitenaf te weren. En net zo goed als allerlei [universele] methoden om gemeenschapsvorming of omgangsvormen in de klas te doceren, hebben islamitische leerkrachten een rijk naslagwerk dat zij kunnen inzetten. Daarmee brengen zij de leerlingen bij hoe zij zich dienen te gedragen binnen een gemeenschap. Aangezien de kinderen die verhalen al kennen, komt het écht binnen bij de leerlingen.’

Het aantal islamitische basisscholen groeide van twee eind jaren tachtig naar tweeëndertig in 2002 en tweeëntachtig in 2025. Je schrijft dat gemengde scholen daardoor op den duur witter worden. Is dat een teken dat de islamitische gemeenschap zich steeds meer terugtrekt, mede onder invloed van (extreem)rechts?

‘‘Terugtrekken’ vind ik een negatieve term, maar ik begrijp goed dat men een veilige omgeving zoekt voor kinderen, waar ze er niet op worden aangekeken dat ze moslim zijn. Ik vind het ook belangrijk dat deze omgeving geschapen wordt waarin wordt gewerkt aan een Nederlandse islamitische identiteit. Met het politieke klimaat in het achterhoofd zie ik daar een groeiend zelfvertrouwen in.’

‘Ik begrijp goed dat men een veilige omgeving zoekt’

Toch zouden mensen op rechts wellicht zeggen dat dit een teken is dat de integratie inderdaad mislukt is, omdat moslims zo hun eigen weg gaan.

‘Maar het merendeel van de scholen is toch christelijk? In onze geschiedenis heeft de verzuiling geleid tot emancipatie van verschillende groepen. Dus dan is het niet zo gek dat dit ook bij moslims gebeurt en dat de identiteit in een eigen tempo wordt gevormd. Ik vind het een loos argument om te zeggen dat dit een bewijs is dat de integratie mislukt is. Integendeel, want er wordt gebruikgemaakt van iets wat ontzettend Nederlands is, namelijk onderwijsvrijheid. Dat inzetten in een proces van emancipatie is iets echt Nederlands. Bovendien gebruiken ze methoden die alle andere kinderen op school krijgen.’

Wat zegt de institutionele discriminatie van islamitische personen en organisaties waarover je schrijft over de manier waarop in Nederland naar moslims wordt gekeken?

‘Tijdens mijn periode op de islamitische school heb ik gezien dat de mate van institutionele discriminatie de islamitische gemeenschap parten speelt. Hoewel er niet meteen over geklaagd wordt, is het wel continu aanwezig. Maar het verbaasde me dat toen Wilders de verkiezingen won, mensen niet verdrietig reageerden, maar gelaten. ‘Dit is het Nederland dat we al jaren kennen,’ hoorde ik ze dan zeggen. Die onderstroom werd door hen altijd al gevoeld, iets waar wij, witte Nederlanders, ons niet zo van bewust zijn.’

Wat wil je meegeven aan witte Nederlanders die negatief denken over de islam en moslims?

‘Wees niet bang. Ik vind dat we moeten stoppen met doen alsof het ons vreemd is, want dat is het niet. We moeten er maar aan wennen, dus vind maar een manier om ermee om te gaan. Een mooi voorbeeld vond ik toen mijn leerlingen, toen acht of negen jaar oud, midden in het centrum van Amsterdam hun ruimte opeisten door als klas spontaan een demonstratie te beginnen. De genocide in Gaza was in volle gang en we gingen met het openbaar vervoer op excursie naar het chique Leidseplein, een plek die geografisch dichtbij, maar gevoelsmatig erg ver weg is voor die leerlingen. Na een wat timide begin begon de klas toen ‘Free Palestine’ te roepen.

Dat was voor mij wel een bijzonder moment. Aanvankelijk had ik de neiging om hen te stoppen, om hen te beschermen tegen boze blikken van mensen op straat. Zij begonnen al te filmen met hun telefoons. Maar vervolgens drong het tot me door dat dit een belangrijk moment was voor die leerlingen en besefte ik dat ik het engagement van mijn leerlingen diende te omarmen in plaats van het weg te zetten als niet oprecht of als iets anders dan engagement. Dat liet mij ook zien dat zij de ruimte wilden opeisen en van zich wilden laten horen. Dat vond ik heel mooi. Hiermee zag ik dat mijn eigen ontwikkeling rond was.’

Dirk Wanrooij schreef eerder ‘Oproer’ (2015) en ‘Het Huis in de Wolken’ (2023). Op 4 september verschijnt ‘De islam hoort wél bij Nederland’ bij uitgeverij De Geus.

EW: Bontenbal zegt Lubbers te volgen, maar bedoelt iets anders

0

Terwijl CDA-leider Henri Bontenbal zich beroept op vertrouwde waarden en woorden van het CDA, streeft hij een beleid na waartegen zijn voorbeeld Ruud Lubbers zich fel verzette, schrijft EW Magazine.

Bontenbal werd benoemd tot leider van het CDA om het christendemocratische verhaal nieuw leven in te blazen.

Volgens EW veranderden de uitgangspunten van het CDA rond migratie na de opkomst van Pim Fortuyn. Gaandeweg stelde de partij de zegeningen van de multiculturele samenleving ter discussie en pleitte zij voor een strenger immigratiebeleid.

Met het verdwijnen van de traditionele christelijke achterban verloor de partij ook de taal waarmee zij haar migratiestandpunten jarenlang rechtvaardigde, schrijft EW. In plaats daarvan kwam de nadruk onder meer te liggen op de terugkeer van migranten en het beheersen van de instroom. Lubbers had daar kritiek op.

Bontenbal probeert de christendemocratische waarden weer te laten herleven in het migratiedebat, maar heeft volgens EW te maken met een andere politieke werkelijkheid. Hoewel hij de taal van Lubbers spreekt, hebben die woorden inmiddels een andere betekenis gekregen.

Zo zag het CDA in het Europese verkiezingsprogramma van 1994 de opvang van vluchtelingen als een gezamenlijke christendemocratische verantwoordelijkheid van de landen binnen de Europese Unie. Solidariteit betrof daarbij vooral de vluchtelingen zelf.

Dertig jaar later heeft de solidariteit waarvoor de partij pleit niet langer betrekking op de vluchtelingen, maar op de ongelijke verdeling van asielzoekers over Europa. Daarmee heeft de term volgens EW ‘een totaal andere politieke functie’ gekregen.

Hetzelfde geldt voor de Europese aanpak van asiel. Terwijl het CDA in 1994 de term ‘gespreide verantwoordelijkheid’ gebruikte om samenwerking bij de bescherming van vluchtelingen te bepleiten, dient zo’n gezamenlijke aanpak voor de partij nu niet langer primair dat doel. In plaats daarvan staan het inperken van migratie en het bewaken van de buitengrenzen voorop.

Door migratie als probleem te zien, neemt Bontenbal afstand van Lubbers, stelt EW.

Eerste Amerikaanse aanvallen op Iran in weken

0

De Verenigde Staten hebben vannacht voor het eerst in weken een aanval uitgevoerd op Iran, dit keer op het eiland Larak, in de Straat van Hormuz. Volgens een Amerikaanse functionaris zou het gaan om twee raketlanceerinstallaties die klaar zouden hebben gestaan om raketten met zeemijnen de waterweg in te sturen.

Volgens The Middle East Eye zei de Amerikaanse president Trump vorige week nog dat alle mijnen in de Straat waren opgeruimd. Hij waarschuwde Iran dat elk schip dat mijnen zou leggen, zou worden vernietigd.

De Iraanse Revolutionaire Garde zei dat bij de aanval militairen en burgers werden gedood en gewond zijn geraakt. Het Iraanse ministerie van Buitenlandse Zaken veroordeelde de Amerikaanse ‘agressie’ als schending van het Handvest van de Verenigde Naties en maakte de internationale gemeenschap duidelijk dat ‘de illegale agressie van de Verenigde staten en het zionistische regime’ [Israël, red.] de enige reden van de crisis is.

Vergeldingsacties

Iran kondigde al snel vergeldingsacties aan en enkele uren na de Amerikaanse aanval stuurde Iran raketten af op Amerikaanse militaire infrastructuur op twee vliegbases in Jordanië, Koning Husseinbasis en de al-Azraqbasis. De aanvallen werden onderschept en gewonden of doden bleven uit.

Maandagochtend meldde het Iraanse leger dat zij een drone-aanval had uitgevoerd op al-Minhad vliegbasis in het emiraat Dubai, al ontkenden de lokale autoriteiten dit.

Terwijl Iran de VS beschuldigde van ‘agressie’, beweerde de US Central Command, het Amerikaanse commandocentrum dat militaire operaties leidt in West-Azië (het Midden-Oosten) en Midden-Azië, in een post op X dat de VS enkel had aangevallen omdat Iran een ‘dreiging had gecreëerd,’ en om ‘civiele en commerciële scheepvaart en de vrije doorgang van goederen te beschermen.’

Het conflict tussen de VS en Iran raakte de afgelopen weken in een impasse. Trump dreigde Iran met ‘de meest vernietigende economische operatie tegen een land ooit’, wat zou inhouden dat landen die met Iran samenwerken, financieel zouden worden gestraft.

Trump post AI-video

Afgelopen nacht postte Trump op ‘Truth Social’ een AI-video waarop te zien was dat het Iraanse eiland Kharg werd aangevallen. Het eiland, dat de belangrijkste raffinaderij van het land huisvest, zou volgens Trump ‘aan diggelen’ zijn geschoten. Het Amerikaanse leger heeft een dergelijke aanval niet bevestigd.

De VS en Iran claimen inmiddels beide de controle over de Straat van Hormuz, waar, voordat de VS en Israël Iran aanvielen, zo’n twintig procent van ’s werelds vraag naar olie doorheen ging. Eerder hadden beiden landen aangekondigd dat de Straat weer zou worden geopend, maar het bleef onduidelijk wie precies de controle zou krijgen over de waterweg.

Volgens Al Jazeera Arabic zijn beide landen nu een nieuwe fase in de machtsstrijd in gegaan. Washington probeert de blokkade van de Straat aan te scherpen en blijft de economische druk blijft opvoeren, gesteund met gerichte aanvallen. Iran wijst een bestand af, terwijl het signalen afgeeft dat het niet alleen gevolgen heeft voor de Straat van Hormuz, maar ook voor de Amerikaanse aanwezigheid en die van haar bondgenoten in de regio.

Volgens een Iraanse oud-diplomaat die Al Jazeera sprak is de Amerikaanse positie ‘strategisch incoherent’, omdat het verschuift tussen verschillende opties, waaronder het opleggen van sancties, het uitvoeren van zeeslagen en militaire parades op zee en de druk opvoeren via de media en diplomatie. Hierdoor ontbreekt het volgens hem aan een strategische visie die een einde moet maken aan de crisis, en de afschrikkingscapaciteiten in te dammen.

Bezorgdheid binnen Amerikaanse krijgsmacht

Tegelijkertijd groeit binnen de Amerikaanse krijgsmacht de bezorgdheid over het voortduren van de oorlog. Verschillende hoge militaire leiders hebben minister van Defensie Pete Hegseth gewaarschuwd dat de grootschalige inzet tegen Iran op den duur niet vol te houden is. Dat meldt The Washington Post op basis van een geheime beoordeling die voor Hegseth is opgesteld.

Voor de oorlog met Iran houdt het Amerikaanse Central Command al maanden meer dan 50.000 militairen paraat in het Midden-Oosten. Sommige van deze militairen moeten tot september blijven, andere eenheden mogelijk tot in 2027. De langdurige inzet in het Midden-Oosten gaat volgens de militaire leiders ten koste van de Amerikaanse slagkracht in Europa, Azië en Latijns-Amerika.

Iraanse minister noemt Israëlische premier Netanyahu een ‘slang’

Ook tussen Iran en Israël lopen de spanningen verder op. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Abbas Araghchi beschuldigde de Israëlische premier Benjamin Netanyahu er vandaag van Washington te hebben misleid om oorlog te voeren met Iran. Hij noemde Netanyahu een ‘slang’, meldt de Franse nieuwsdienst AFP. Vorige week had Netanyahu een akkoord tussen Iran en de VS nog afgewezen en de Iraanse leiders ‘barbaren’ genoemd.

Burgemeester Halsema: dakloosheid en drugsoverlast zetten leefbaarheid Amsterdam onder druk

0

Burgemeester Femke Halsema van Amsterdam waarschuwde zondag in Buitenhof voor de groeiende problemen met dakloosheid, drugsgebruik en mensen met verward gedrag in de grote steden. Volgens haar staat hierdoor de leefbaarheid steeds verder onder druk.

In de regio Amsterdam zijn bij de gemeente 3644 dakloze mensen in beeld die overlast veroorzaken. Naar schatting zijn in de regio in totaal 15.000 mensen dak- of thuisloos. De gemeente gaat ervan uit dat het werkelijke aantal nog hoger ligt.

‘Het neemt nu zulke vormen aan dat het de kwaliteit van leven in de stad onder druk zet’, zegt Halsema in een interview in Het Parool dat eveneens gisteren verscheen. Volgens haar is de regering medeverantwoordelijk. ‘Mensen vallen tussen wal en schip en die komen bij ons in de daklozenopvang terecht. Dit is landelijk beleid en de problemen kunnen wij als stad helaas maar heel beperkt oplossen.’

De problemen beperken zich niet tot Amsterdam. Steeds meer grote steden kampen met de gevolgen van dakloosheid, drugsgebruik en een tekort aan passende zorg. Ook de woningnood speelt daarbij een belangrijke rol.

Het aantal dakloze mensen in Nederland is de afgelopen twintig jaar aanzienlijk toegenomen. Het CBS telde begin 2024 ongeveer 33.000 dakloze mensen.

Veerboot gekapseisd voor de kust van Noord-Cyprus, bemanning aangehouden

0

Een veerboot met 267 opvarenden is gisteren voor de kust van Noord-Cyprus gekapseisd. Zeker acht mensen zijn verdronken en 241 opvarenden zijn gered. Van 17 anderen ontbreekt nog elk spoor. De kapitein en de bemanningsleden zijn aangehouden, zo meldt de Turkse nieuwssite Serbestiyet.

De boot vertrok gistermiddag vanuit de Noord-Cypriotische haven Girne richting Turkije, maar kwam direct na vertrek in de problemen. Om vooralsnog onverklaarbare redenen liep het schip vol water. De kapitein schakelde daarop de Turkse kustwacht in voor hulp.

Sommige reizigers die met lokale media spraken, maken melding van een ‘knallend geluid’ voorafgaand aan het kapseizen, meldt Turkish Minute. Ook zouden er te weinig reddingsvesten aan boord zijn geweest. ‘Sommige mensen moesten springen zonder reddingsboeien of zwemvesten,’ vertelde een jonge man, Efe Multici, aan CNN Türk. ‘Het was letterlijk een strijd om te overleven.’

Op videobeelden is te zien dat de veerboot op 8 kilometer voor de kust kapseisde en langzaam zinkt.

Het eiland Cyprus is sinds 1974, na een Turkse militaire interventie, verdeeld. Het noordelijke deel wordt enkel door Turkije erkend als de Turkse Republiek Noord-Cyprus, terwijl het zuidelijke deel wordt bestuurd door de internationaal erkende Republiek Cyprus, die lid is van de Europese Unie.

Een vreemde vogel die besloot te blijven

0

Dit weekend werd aan het IJ in Amsterdam een bijzonder beeld onthuld. In het Wilhelmina Druckerpark, een weids grasveld achter het EYE Filmmuseum, staat sinds vrijdag een reusachtige halsbandparkiet. Deze knalgroene vogels zijn inmiddels een bekend fenomeen in de meeste Nederlandse steden. Ze zijn geliefd vanwege hun kleurenpracht, maar soms ook irritant omdat ze luidruchtig krijsen.

De halsbandparkiet komt van oorsprong uit Azië en Afrika. De Nederlandse stadsparkiet landde midden jaren zeventig in Amsterdam. De anekdote dat één persoon één kooi openzette en daarmee alle Nederlandse halsbandparkieten heeft veroorzaakt, wordt soms verteld, maar is waarschijnlijk te simpel. Ook dat de Surinaamse migratie ermee samenhangt, is waarschijnlijk een fabeltje. Surinamers houden traditioneel Zuid-Amerikaanse zangvogels. Bovendien vloog de eerste Nederlandse populatie al eind jaren zestig in Den Haag. Ze moeten uit volières zijn ontsnapt of vrijgelaten. Sindsdien verspreidde de exotische vogel zich geleidelijk over Nederlandse stadsparken. Halsbandparkieten kunnen goed tegen kou. In steden vinden ze precies wat ze nodig hebben: restvoedsel en een stedelijk klimaat dat gemiddeld wat warmer is dan het buitengebied. Bijvoeren door stedelingen heeft waarschijnlijk eveneens geholpen.

Waarom dan toch steeds weer roepen dat hij terug moet naar zijn eigen land?

Geheel onomstreden is de halsbandparkiet niet. Het is best een lawaaiige vogel en ook nog eens brutaal. Toch vindt kunstenaar Teun Castelein, maker van het Amsterdamse beeld, dat deze vogel een ode verdient. Hij werkte enkele jaren aan het zeven meter hoge beeld van kleurrijk keramiek. Volgens Castelein zien Nederlanders ‘invasieve’ soorten te lang als exoot. Hij wijst erop dat de parkiet al meer dan vijftig jaar in ons land is. Waarom dan toch steeds weer roepen dat hij terug moet naar zijn eigen land? Zo is het beeld een eerbetoon aan een vreemde vogel die gewoon besloot te blijven.

De locatie van het kunstwerk zet deze boodschap toevallig kracht bij. In vroeger eeuwen was dit park het galgenveld van Amsterdam. Er stonden raderen, schandpalen, spiesen, staken en galgenputten. Dit alles ‘ter grauwelijck exempel’ totdat de lijken waren ‘verteerd door de lucht en de vogelen des velds’. ‘Pronkstuk’ was de Leeuwenput, een stenen galgenput met drie zuilen met daarop gebeeldhouwde leeuwen. Van de veertiende tot en met de achttiende eeuw vergingen hier zo’n duizend ter dood gebrachten. Tentoongesteld worden op het galgenveld was een extra straf die vaak armen en buitenlanders ten deel viel. Zij hadden minder geld of familie die hun deze straf kon besparen.

Een eerder voorstel om een kunstwerk op te richten ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het galgenveld haalde het niet. De parkiet biedt een vrolijk alternatief. Het is vooral een knipoog richting migratie die past in een traditie van geëngageerde kunstenaars. Denk aan het grote beeld van de jonge zwarte vrouw op het Stationsplein van Rotterdam. Die staat er in alledaagse kleding, met haar handen in haar zakken. Geen standbeeld voor een held, maar voor iemand die er gewoon is en daarmee waardigheid uitstraalt. Op het bekende standbeeld van filosoof Spinoza – zoon van Joodse migranten – voor het stadhuis van Amsterdam draagt de denker een mantel vol parkieten. Migranten blijven geen vreemdelingen, ze voegen kleur toe aan de stad.

Als je op Amsterdam CS bent, neem dan vooral de gratis pont naar EYE. Dit kunstwerk zal binnen enkele jaren het bekendste standbeeld van de hoofdstad zijn. Want het is zeer instagrammable. Die zeven meter hoge immigrant heeft z’n plek veroverd en is niet van plan op te vliegen.