Op 1 november werd in het Rotterdamse stadhuis het project (H)echt Verbonden gepresenteerd, over huwelijkse gevangenschap. Het project gaat over situaties waarin – meestal – vrouwen zich bevinden als zij willen scheiden, maar waar de partner weigert mee te werken aan de scheiding. Er is een rapport gemaakt en aanvullende informatie gegeven op verschillende media voor verschillende doelgroepen. Het project is bedoeld om betrokkenen informatie te bieden over hoe te werk te gaan en waar en door wie hulp kan worden verleend.
(H)echt Verbonden is het resultaat van een samenwerking tussen vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen in de regio, ervaringsdeskundigen, hulpverleners, juridische en andere experts en de gemeente. Juist die brede samenwerking was een absolute voorwaarde om dit project succesvol op te zetten. Zoals één van de organisatoren zei: ‘Hierdoor voorkom je stigmatisering van een specifieke groep. Bovendien heeft de samenwerking tussen diverse religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen bewezen dat we door uitwisseling en kennismaking van elkaar kunnen leren en tot nieuwe inzichten kunnen komen. Dat is wat mij betreft de grootste winst binnen dit project.’
Het rapport werd aangeboden aan de Rotterdamse wethouder Judith Bokhove, portefeuillehouder Mobiliteit, Jeugd(hulp) en Taal. Het was geen bijeenkomst in een zijzaaltje in een bijgebouw onder tl-buizen. Er was flink uitgepakt met een uitgebreid buffet voorafgaand aan de bijeenkomst in de grote burgerzaal van het stadhuis, waar vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen, ambtenaren, politici en andere belangstellenden bij elkaar kwamen. Tijdens de presentatie kwam een aantal van hen aan het woord.
Een belangrijke bijdrage aan de totstandkoming van dit project werd geleverd door vertegenwoordigers van SPIOR, de koepelorganisatie van moskeeën en andere islamitische organisaties in de regio Rijnmond. Niet zo verwonderlijk, vanwege de zeer actieve opstelling van de koepel bij tal van ‘hete hangijzers’, maar ook belangrijk omdat, wanneer het om zaken als huwelijkse gevangenschap gaat, islam doorgaans de olifant in de kamer is. Tijdens de presentatie kreeg ook een rabbijn en een pandit het woord – overigens geen vertegenwoordiger van het christendom. Ook bij die religieuze gemeenschappen is er sprake van huwelijkse gevangenschap, maar helaas, het heersende beeld in de samenleving is dat we hier toch vooral weer te maken hebben met een islamdingetje. Juist daarom is het van belang ook islamitische gezagsdragers bij zo’n initiatief te betrekken.
Hoe buitengewoon gevoelig en ingewikkeld dat allemaal ligt, bleek ook wel naar aanleiding van de ophef die een jaar geleden ontstond over de campagne van de beweging Zelfgekozen, met posters door heel Rotterdam van zoenende mensen met verschillende achtergronden. Men wilde daarmee duidelijk maken dat het kiezen van een huwelijkspartner vrij moet zijn. Zelfgekozen richt zich op huwelijksdwang, dus de dwang met iemand te moeten trouwen. Op zichzelf goed om dat ook aan de kaak te stellen, maar de manier waarop Zelfgekozen en (H)echt Verbonden te werk gaan verschilt enorm.
De strategie van Zelfgekozen is een zo groot mogelijke zichtbaarheid en ruchtbaarheid in de media, met veel lawaai en verontwaardiging. En, niet onbelangrijk, de initiatiefnemers menen dat de islam het grote kwaad is. Dat is niet zo verwonderlijk als we weten wie de initiatiefnemers van Zelfgekozen zijn; onder meer Leefbaar Rotterdam en Femmes for Freedom, de club van Shirin Musa. Beide staan bekend als uitgesproken critici van de islam. Dat mag, maar doe het dan ook op een integere manier en niet door het verspreiden van nepnieuws en het bespelen van sentiment. Zo werd een aantal onderzoekers naar islamitisch huwelijksrecht er door de oprichters van Zelfgekozen zonder enige onderbouwing van beschuldigd te pleiten voor de invoering van ‘shariarechtbanken’ in Nederland. In plaats van samen met betrokkenen te zoeken naar een oplossing, worden vooral onderbuikgevoelens bespeeld en wordt gedaan alsof zij tegen de heersende opinie in iets aan de kaak stellen. Niets is minder waar. Huwelijksdwang is een thema dat bijvoorbeeld SPIOR, maar ook andere islamitische organisaties al meer dan vijftien jaar geleden aan de orde stelden.
Het grote verschil tussen Zelfgekozen en (H)echt Verbonden is nu juist dat de laatsten heel zorgvuldig te werk zijn gegaan en zo in staat waren om een brede coalitie tot stand te brengen van partijen die doorgaans niet zo snel met elkaar om de tafel zitten. Hoe effectief (H)echt Verbonden zal zijn, moeten we natuurlijk afwachten, maar de aanloop ernaartoe is in elk geval veelbelovend want heel inclusief. Het is overduidelijk dat het aanwijzen van bepaalde bevolkingsgroepen als schuldige, het toch al sterk gepolariseerde veld alleen maar meer onder druk zet. Om gevoelige kwesties aan de kaak stellen, heb je mensen nodig die omzichtig te werk gaan, die niet op voorhand partijen uitsluiten en die zonder constante media-aandacht hun werk kunnen doen. Met activisten die op hoge toon hun verontwaardiging uiten, kom je geen stap verder.
‘Het feit dat mijn moeder het gesprek aangaat, terwijl ze veel eigenlijk niet wil bespreken, dát is het revolutionaire.’
Samen met haar moeder ging Nazmiye Oral drie jaar geleden met het aangrijpende theaterstuk Niet meer zonder jou langs theaters en buurtcentra in binnen- én buitenland, waaronder New York. Rode draad is het gesprek tussen een streng gelovige moeder en een vrijzinnige dochter. Nu is er de gelijknamige, ontroerende en eerlijke documentaire, waarin het gesprek plaatsvindt thuis bij Orals moeder, in Hengelo. Een gesprek waarin alles op tafel komt, inclusief tot dan onbesproken taboes.
Waarom wilde je de documentaire graag maken?
‘Van ieder werk dat je maakt, wil je dat het door zoveel mogelijk mensen gezien en ervaren wordt. Voor mij was het een droom om dit te doen. Ik heb goede mensen om me heen die die droom deelden, met als belangrijkste persoon mijn regisseur Adelheid Roosen. Ik vind het belangrijk, omdat de documentaire toepasbaar is op alles. Het is een gesprek tussen een moeder en een dochter, om openheid en verlichting te brengen, het heft in handen te nemen, begrip voor elkaar te hebben, zonder oorlog en zonder de behoefte om de één of de ander te laten veranderen. Ook al houd ik me niet aan de traditie, de traditie is ook van mij. Ik wil die mede vormgeven, want dat is niet alleen maar voorbehouden aan mensen die vinden dat ze mogen beslissen over hoe het allemaal moet zijn. ‘Niet meer zonder jou is’ geen film, maar een gebeurtenis’, zei iemand. Zo zie ik dat ook.’
Kan je dat uitleggen?
‘Iedereen legt de focus op mijn verhaal en dat van mijn moeder, maar het verhaal is niet het doel of de hoofdpersoon, het gesprek is de hoofdpersoon. Ik vind dit zo belangrijk dat ik hoopte, wenste en droomde dat het zou gebeuren, maar ik had eigenlijk nooit verwacht dat het zou gebeuren. Daarom ben ik enorm trots op mijn familie… dat ze dit doen en durven, want het is niet niks.’
Je hebt jezelf losgemaakt van de islam, het geloof dat je familie nog wel aanhangt. Is Niet meer zonder jou bedoeld om mensen die daarmee worstelen, een steun in de rug te geven?
‘We hebben de voorstelling een paar jaar gespeeld en je merkte dat het publiek er echt op reageerde. Mensen zeiden dat ze het nu echt begrepen, vanuit welke cultuur ze ook kwamen. Het is heel moeilijk als je in de ‘ik-cultuur’ bent opgevoed, de westerse cultuur, om te snappen waarom het voor iemand uit de ‘wij-cultuur’, de islamitische cultuur, moeilijk is om tegen de familie of tegen de gemeenschap in te gaan. Andere mensen vinden het weer juist niet cultuurgebonden. Ik krijg veel reacties en merk dat het mensen erg veel doet en vooral dat het zoveel mensen aanspreekt, zowel aan de linker- als aan de rechterkant.’
Nazmiye Oral (Hengelo, 1969) is schrijfster, theatermaakster en actrice. Haar ouders maken deel uit van de eerste generatie Turkse Nederlanders in ons land. Ze verliet op haar eenentwintigste haar ouderlijk huis in Hengelo, nadat ze op haar achttiende was uitgehuwelijkt. Ze speelde onder meer in het theaterstuk Gesluierde monologen (2003) van Adelheid Roosen over islamitische vrouwen, interviewde Pim Fortuyn over de islam en integratie, een dag voordat hij werd doodgeschoten, en is medeoprichter van het theaterplatform Zina, een gezelschap van makers uit verschillende culturen en disciplines. In 2011 kwam haar debuutroman Zehra uit, die haar een nominatie voor de E. du Perron-prijs opleverde. Sinds 2016 heeft ze een Gouden Kalf in huis voor ‘beste actrice televisiedrama’ voor haar rol in de film In vrijheid (2016).
Hoe?
‘Mensen vinden het een voorbeeld en zien mijn moeder ook zo, want zij doet het heel goed. De eerste generatie is nog steeds traditioneel, maar wil toch wel luisteren en begrip tonen voor de nieuwe generatie. De documentaire heet Niet meer zonder jou en dat houdt voor mij in dat ik niet zomaar wegloop als ik het moeilijk heb, maar juist vecht voor het recht om niet weg te hoeven. Men moet ermee leren leven dat mensen die de mening van de dominante groep binnen een moslimgemeenschap niet delen, bijvoorbeeld over wel of niet moslim zijn, trouwen en hetero of homo zijn, ook thuishoren in dezelfde gemeenschap.’
De meeste moslimgemeenschappen zijn vrij gesloten. Hoe moeilijk is het om ervoor te zorgen dat zulke gemeenschappen zich openstellen voor bepaalde veranderingen?
‘Ik denk net zo moeilijk als dat in Nederland is bij bijvoorbeeld mensen die onderdeel zijn van streng gereformeerde gemeenschappen. Zij zijn net streng gelovige Turkse mensen. Het zijn bepaalde waardes waar mensen aan vasthouden, een identiteit en eer, maar er zijn ook taboes, pijn en dingen die niet mogen. Het is verschrikkelijk als je zo opgroeit. Ik probeer het belangrijkste verschil tussen de westerse en de islamitische cultuur als volgt te verklaren. Westerlingen hebben bij geboorte eigen benen gekregen, waarmee ze kunnen weglopen. Mijn benen zijn niet van mij. Die zijn opgebouwd uit het deeg en de regels van de gemeenschap, want niets in de moslimgemeenschap behoort tot ‘ik’. ‘Ik’ staat in dienst van het geheel. Om weg te kunnen lopen moet je eerst uit het niets eigen benen maken. En als je wegloopt, dan is er schuld. Schuld die kan eindigen in de dood. Want weggelopen zou onvergeeflijk zijn, omdat je de gemeenschap iets zou hebben afgepakt. Ik ben weggegaan, terwijl mijn benen niet van mij waren, maar van de gemeenschap.’
Wat vind jij daarvan?
‘Ik kan dat niet aangeven en ik hou er ook niet van om op die manier over cultuur te praten. Ik vind het een steriele en afstandelijke manier van het benaderen van een cultuur. Cultuur, religie, politiek, het zijn allemaal mensen. We doen het allemaal zelf. We geloven in iets en dan wordt het groot of we geloven niet meer in iets en dan sterft het uit. Hetzelfde geldt voor mijn verhaal. Sommige mensen gaan er maar vanuit dat ik de drang had om een ander pad te kiezen dan trouwen, kinderen krijgen en gelukkig zijn, omdat ik op mijn eenentwintigste het huis uit ben gegaan en dat zou dan een verdienste zijn van het Westen. Dat is een totaal verkeerde benadering. Het is niet zo dat er alleen hier in het Westen verlichte of artistieke mensen zijn of dat alleen de mensen hier iets anders willen zijn dan de moeder of dochter van iemand.’
Heeft dat zijn weerslag in de documentaire?
‘Dat denk ik wel. De grootste reactie is van mensen uit de ‘wij-cultuur’ die opgelucht zijn dat er eindelijk gepraat wordt. Het bijzondere van dit verhaal is niet dat iemand voor het eerst tegen de regels is ingegaan, want Ayaan Hirsi Ali deed dat bijvoorbeeld ook al, maar het bijzondere hiervan is – en dat vind ik nieuw en revolutionair – dat de oude garde het gesprek helemaal aangaat. Helemaal, tot op het bot. Het feit dat mijn moeder het gesprek aangaat, terwijl ze veel eigenlijk niet wil bespreken, dát is het revolutionaire. Als ik dit had gedaan met een paar andere verlichte vrienden, dan had het niet gewerkt.’
Hoe reageerde je moeder toen je haar vroeg voor het gesprek?
‘Toen ik aan mijn moeder voorstelde om het gesprek te voeren, niet onder vier ogen, maar voor honderden mensen, zei ze meteen ‘ja’. Dat vond ik dapper, zeker omdat we het over alles konden hebben; seks, homoseksualiteit, atheïsme, godsdienst, alles. En dat we onszelf op het hakblok legden. Mijn moeder draagt een hoofddoek, spreekt niet zo goed Nederlands, is geen acteur, maar heeft toch de ‘ballen’ om in mijn territorium te komen en zich uit te spreken. Ik zag dat mijn moeder af en toe bang was dat mensen haar een verschrikkelijke vrouw zouden vinden en toch ging ze er staan. Dat is bijzonder.’
Hoe was dat voor jou?
‘Het was nooit een vanzelfsprekendheid dat we op deze manier ergens over praatten, dus daarom vond ik dat het een keer moest gebeuren. Al heb ik het ook écht moeten leren, elke avond weer op het podium. Het leven kan van de éné op de andere minuut voorbij zijn en dan heb je nooit geweten… wie de ander is. Dan weet je eigenlijk niets van elkaar. Ik vond daarom dat het gesprek nú moest gebeuren. Ik was klaar met zwijgen en langs elkaar heen praten.’
Hoe is het dan om het gesprek niet privé te doen, maar ten overstaan van de wereld?
‘Geweldig. Het dwingt je om jezelf helemaal te geven en dat is voor mij de enige manier om het te doen. Het is erg louterend en ook intiem. Ik dacht ook altijd dat een onderwerp na een goed gesprek afgerond was, maar dat is niet zo. Je moet het gesprek blijven voeren, steeds opnieuw. Sommige mensen denken na de voorstelling dat ik erkenning van mijn moeder wil hebben, maar dat is niet zo. Dan had ik namelijk nooit een gesprek met haar kunnen voeren, want dan is die erkenning het belangrijkste en sta ik al op achterstand.’
Was het moeilijk om het gesprek te voeren terwijl het geloof er tussenin stond?
‘Het feit dat ze gelovig is, heeft geen invloed op ons gesprek gehad, maar het is nog steeds moeilijk om tegen haar te zeggen dat ik niet geloof. Daar wordt ze helemaal raar van. Ze zegt dat ze me niet kwijt wil en dat ze niet wil dat ik brand in het hiernamaals, omdat dat in haar ogen zal gebeuren, omdat ik niet geloof. Dat is op zich heel lief, maar het is angst. Er zit een harnas omheen. De eerste keer dat ik haar vertelde dat ik niet geloof, schrok ze enorm. Toen heb ik haar uitgelegd waar ik wel in geloof… Als ik al ergens in geloof, dan is het Advaita, wat niet eens een geloof is, maar uitgaat van dat alles één is. Dat vond ze toch op haar situatie lijken en toen was ze relaxt. Dus toen bleken we toch over het geloof te kunnen praten. Ik denk ook dat veel meer ouders dat kunnen, terwijl ze in eerste instantie denken dat ze er niet open voor staan. Maar het is misschien niet voor niets dat we dit nu pas kunnen, je moet er wel klaar voor zijn en het vergt moed en de grote wens om dichter bij elkaar te komen en samen een waarachtig leven te leiden.’
Staat dat los van geloof?
‘Tuurlijk. Iedereen kan het doen. Met je ouders, vriend of buurman. Zelfs van natie tot natie. Het belangrijkste is dat je elkaar erkent, zelfs als je elkaar niet kent. Maar je moet jezelf niet afsluiten of weglopen. En je moet de ander niet willen overtuigen van iets, je moet iemand niet willen veranderen en je moet niet hoeven te winnen. Het doel zou moeten zijn: getuigenis doen van jezelf in de aanwezigheid van de ander en de wens de ander te ervaren terwijl hij of zij getuigenis doet van zichzelf.’
Op een plek waar mensen aarden in stuifzand, is de blik op de wijde wereld nooit ver weg.
De meeste Nederlanders kennen Vlieland als die zomerse badplaats vol zeeleeuwen, dikke Duitsers en weinig verkeer. Toch wordt de gemeente het hele jaar door bewoond door een gemeenschap van zo’n duizend mensen. Hoe kijken deze Vlielanders aan tegen hun woonplaats, de Randstad en de wereld in het algemeen? Onze verslaggever Freek de Swart zocht het uit.
Aankomen op Vlieland in het laagseizoen voelt in het begin niet eens zo heel anders dan tijdens de zomer. Er staat turend volk langs de kade, er hangen krijsende meeuwen in de lucht en overal staan bagagezoekers irritant in de weg. Dat het echt geen vakantietijd is, merk je een klein kwartier later. De massa is verdwenen en het aankomstplein ligt erbij als een filmset na sluitingstijd. Zelfs de vogels lijken naar elders te zijn gevolgen. Gelukkig blijkt het nabijgelegen VVV-kantoor nog wel bewoond. Hier helpt een vriendelijke medewerkster graag mee met het zoeken naar bewoners die het Vlielandse leven ademen. Op de achterkant van een folder schrijft ze wat namen, inclusief adressen. Rekening houden met privacy op een klein eiland is immers net zo zinloos als het bouwen van een treinstation.
Bittere armoede
De eerste naam op het lijstje is Dirk Bruin, een lokale historicus die genetisch gezien niet Vlielandser kan zijn. Binnen bij waddencentrum De Noordwester vertelt hij trots dat zijn voorouders al in 1759 op het eiland woonden. ‘Ik vind het bijzonder dat heel het eiland vol ligt met hun voetstappen en dat ik daarin treed, dat is anders dan bij iemand die hier net komt wonen.’ Bruin legt uit dat het op Vlieland in die tijd vooral draaide om de maritieme handel. Vloten richting de Oostzee en later Oost-Indië begonnen en eindigden hun reis vaak in het dorp. Daar kwam een eind aan toen het vasteland betere aansluitingen kreeg op de Noordzee en de grote rivieren. Ook werden de schepen langzaamaan te groot voor de Waddenzee. ‘De doodsklap was de bouw van de Afsluitdijk, sindsdien speelt Vlieland op maritiem vlak absoluut geen rol meer.’
Dirk Bruin.
Aangezien de grond op het eiland niet geschikt is voor landbouw, begon daarmee een zware tijd voor Vlieland. Veel eilanders trokken naar het vasteland of zochten hun heil in de minuscule en nog piepjonge toeristische sector. Toch verzet de historicus zich tegen het beeld dat Vlieland begin twintigste eeuw in bittere armoede leefde. Bruin verwijst daarbij naar zijn eigen overgrootvader die in deze periode een huis met een stuk tuin bezat en voedsel kon rapen op het wad. ‘Tegenwoordig is er geen werkman meer op Vlieland die een eigen huis kan kopen. Jongelui willen graag blijven en er is genoeg werk, maar dus geen betaalbare woningen.’ Het bouwen van nieuwe huizen op Vlieland blijkt moeilijk, omdat het eiland voor het leeuwendeel in handen is van Staatsbosbeheer. ‘Die weigert grond vrij te geven voor bebouwing en toont zich ook bij ruilverkaveling geen ruimhartige partner. Het was begin twintigste eeuw een stuivende bende hier en de bevolking kreeg het niet vastgelegd. Staatsbosbeheer heeft toen deze prachtige bossen aangelegd. Het is een vloek en een zegen tegelijk.’
Cultuurverschillen en een azc
Tijdens de rondleiding door het museum van De Noordwester blijkt Bruin niet alleen historische talenten, maar ook archeologische te bezitten. Veel van de uitgestalde pronkstukken heeft hij zelf gevonden op het strand of opgedoken uit wrakken in het water. Zo liggen er onder andere klokken uit Britse onderzeeërs, maar ook veel ouder munt- en aardewerk. Het zijn duidelijk restanten uit een tijd toen verdrinkingen op zee onderdeel waren van het dagelijkse leven. Hoewel Vlieland inmiddels volledig is aangesloten op de moderne wereld, merkt Bruin nog steeds wel cultuurverschillen. ‘Soms praat ik met nieuwe bewoners en dan hoor ik meteen: dit zijn geen blijvers. Die hebben dan moeite met plaatselijke gebruiken.’ Als voorbeeld noemt hij de aangespoelde boot van een drenkeling. Het jutten van de aangespoelde spullen vonden veel nieuwkomers in het dorp gelijkstaan aan lijkenpikkerij. Bruin is zich daarentegen van geen kwaad bewust. ‘Aangespoelde dingen neem je mee naar huis. Ik heb er wel gevoel bij dat er iemand is omgekomen, maar de zee geeft en neemt.’
Andersom hadden de bewoners van Vlieland grote bezwaren tegen de komst van een azc naar het eiland in 2001. ‘Er was vooral angst dat groepen alleenstaande mannen onrust zouden veroorzaken. Uiteindelijk kwamen er vooral gezinnen. Toen ze vertrokken stonden er mensen met tranen langs de kade, dat heeft een verandering in denken teweeggebracht.’ Een Servisch-Kroatisch echtpaar bleef wel achter. Zij bestieren tegenwoordig het succesvolle theater Podium Vlieland.
Ook qua homoseksuelen is Vlieland volgens Bruin tolerant. Zo kent het dorp een handvol homostellen die met een gerust hart hand in hand kunnen lopen door de Dorpsstraat, iets wat in bepaalde wijken van grote steden niet altijd zonder gevaar is. Bruin merkt op dat toeristen uit de Randstad wel vaker wat bangig uit de ogen kijken wanneer ze bijvoorbeeld op straat worden begroet. ‘Ik snap dat je in Amsterdam niet iedereen de hele tijd kan groeten, maar je hoeft toch niet te schrikken?’
Eenmaal buiten bij het waddencentrum De Noordwester heeft de avond de straten van Oost-Vlieland verandert van rustig naar leeg. Er wordt spaarzaam met straatverlichting omgegaan in het dorp, wat het geheel een desolaat doch sprookjesachtig sfeertje geeft. Zo’n plek waar Jack the Ripper kan toeslaan, maar ook een romantische serenade niet zou misstaan. Vlieland bij nacht is dan misschien niet het einde van de wereld, maar zeker wel het eindstation van Nederland, zoveel is zeker.
Ook in de cafés zijn geen Vlielanders te bekennen. Aan de bar hangt een paar bouwvakkers uit Wolvega. Ze zijn op het eiland om een nieuw hekwerk rondom een voetbalveld te plaatsen. Ook de barvrouw blijkt van het vasteland te komen. Volgens haar bestaat vrijwel het gehele horecabestand op het eiland uit expats. ‘Vlielanders zijn mensen met een gebruiksaanwijzing, kan ik je zeggen’, laat ze tijdens de laatste ronde weten. Of dat een compliment is over hun diepzinnigheid of een sneer richting hun botheid wordt niet duidelijk.
Vlielanders en eilanders
De volgende dag scoren we een ontbijtje in de lokale supermarkt, waar we Folkert Janssens ontmoeten. Deze Drent kwam in 1985 voor het eerst op het eiland en was op slag verliefd. Vanwege de woningnood duurde het tot 2000 voordat hij zich er voorgoed vestigde. ‘Alles is hier overzichtelijk en elk Nederlands landschapstype heb je hier, behalve mergelgrotten.’ Janssens blijkt een groot natuurliefhebber te zijn die regelmatig het gezelschap opzoekt van bruinvissen en zeeleeuwen. Ook tijdens het interview wordt hij een paar keer afgeleid door een voorbijvliegend winterkoninkje. ‘Vogels zijn hier veel minder schuw dan op het vasteland’, vertelt hij er enthousiast bij.
Een ander verschil met de rest van Nederland is volgens Janssens het leefritme. ‘Dat wordt voor een groot gedeelte bepaald door de drie veerboten die het eiland dagelijks aandoen.’ Dit fysieke isolement betekent volgens hem overigens niet dat de moderne tijd geen grip heeft op Vlieland. ‘Heel veel mensen denken dat we hier achterlopen, maar als je hier iets bestelt, dan heb je het de volgende dag in huis.’
Dat Vlielanders van nature hun blik juist op de wereld hebben gericht blijkt ook uit het standbeeld van Willem de Vlamingh (1640-1698) dat vlakbij de veerbootterminal staat. Deze Vlielandse kapitein werd geboren als Willem Hesselsz, maar vernoemde zichzelf al vrij snel naar de gevreesde Vlamingen om zijn beperkte lengte te compenseren. Voor de VOC voer hij rond de wereld en bracht onder andere de westkust van Australië in kaart. ‘Vlielanders zijn ondernemend en waaien vaak uit over heel de wereld.’ Janssens noemt zichzelf trouwens nooit Vlielander, want: ‘Vlielander word je nooit echt, maar een eilander wel.’
Drenkelingen
Vervolgens neemt Janssens ons mee naar het kerkhof van Vlieland. Naast veel eilandbewoners is de plek ook de laatste rustplaats van veel drenkelingen. Graven van aangespoelde Duitse en Engelse soldaten uit de Tweede Wereldoorlog liggen er gebroederlijk naast elkaar, maar ook eeuwenoude grafstenen zoals die van Lancelot Skynner. Deze kapitein ging ten onder in 1799 samen met de HMS Lutine. Dit schip had zoveel goud aan boord dat het verzekeraar Lloyds bijna ruïneerde. ‘Later is de bel van het schip nog opgedoken, die luiden ze nu in het hoofdkantoor van Lloyds als er heel slecht nieuws is.’
Volgens Janssens is er veel respect voor drenkelingen op Vlieland, omdat vroeger iedereen op het eiland wel iemand had verloren op zee. Ook tradities uit het verleden worden daarbij geëerd. Zo staat er op de begraafplaats een replica van een walviskaak. Die stonden vroeger vaak op graven van kapiteins. Of het niet benauwend is om met zo’n kleine gemeenschap op een eiland te leven? Janssens vindt van niet. ‘Niet alleen is er genoeg natuur om je in terug te trekken, het samenwonen midden op zee zorgt ook voor een bepaalde harmonie. Je kunt wel ruzie hebben met elkaar, maar samen heb je ook altijd ruzie met de elementen.’
De tocht gaat verder richting De Jutter. Deze school biedt onderwijs aan voor leerlingen tussen de vier en achttien jaar. Sinds 2016 bezit de onderwijsinstelling een hypermodern nieuw gebouw waar ook een bibliotheek en kinderopvang in gehuisvest zijn.
Buiten speelt de elfjarige Coen Rispens een potje voetbal met zijn beste vriend. Het leven op Vlieland bevalt hem prima. ‘Je kunt hier veel dingen op straat doen, want er zijn niet veel auto’s.’ Wel mist de jongen speelgoedwinkels en pretparken op het eiland. Een voordeel is dan weer dat Rispens vakantievrienden heeft die ieder jaar terugkomen. Net als Janssens begint ook hij over het verkeerde beeld dat sommige mensen op het vasteland hebben over Vlieland. ‘Veel mensen zeggen dat we dingen niet hebben, maar wifi hebben we hier gewoon.’ Of Rispens de rest van zijn leven op het eiland blijft wonen, is nog maar de vraag. Momenteel speelt hij voor de lokale voetbalclub VSV ‘31 en een baan als profkeeper lijkt hem wel wat. Dromerig vertelt hij over een voetbalcarrière die hem via FC Groningen en Ajax naar Chelsea moet leiden. Toch zal hij ook in het hippe Londen zijn roots niet vergeten. ‘Ik zal dan wel een huis hebben in Engeland, maar ook terugkomen en hier een tweede huis kopen.’
Coen Rispens (rechts).
Wanderlust
Net zoals elk ander respectabel eiland kent ook Vlieland een kluizenaar, in de vorm van Jan Snoek. Al is hij het zelf niet met deze term eens. ‘Kluizenaar, hoezo? Ik heb toch gezelschap’, wijzend naar zijn hond Hessels.
Jan Snoek met zijn hond Hessels.
Snoek woont in een oude boot in de haven van Vlieland en draagt ongeacht het jaargetijde een korte broek. Voordat hij toestemt met een interview moet de verslaggever wel beloven geen vragen te stellen van financiële aard. ‘Dat bracht mij namelijk eerder in de problemen.’ Uit het bord op zijn boot wordt wel duidelijk dat de man zeepieren verkoopt.
Snoek vertelt dat hij oorspronkelijk uit Den Helder komt en in 1983 voor het eerst op Vlieland belandde. ‘Omdat ik midden in een militair oefenterrein aanmeerde, werd ik gelijk opgepakt en naar het dorp gebracht. Ik was toen nog een kwajongen zonder zorgen’, herinnert hij zich die tijd. Tegenwoordig komt hij alleen in Oost-Vlieland om boodschappen te doen. Naar het strand om te jutten doet hij eveneens minder dan eerst. ‘Je vindt alleen een stukje visnet en wat plastic. Vroeger viel er nog weleens iets van een schip af, maar ze bouwen die tegenwoordig beter, denk ik.’ Ook de bossen op het eiland waren volgens hem vroeger beter. ‘Door strengere eisen van Staatsbosbeheer mag daar steeds minder. We mogen bijvoorbeeld niet meer met een kettingzaag het bos in zonder cursus. En daar vragen ze driehonderdvijftig euro voor.’
Of Snoek ondanks al deze achteruitgang de rest van zijn leven op Vlieland blijft weet hij nog niet. Wel woont hij bewust op een schip zodat hij weg kan varen zodra de wanderlust toeslaat. In die zin symboliseert Snoek misschien nog wel als beste de volksaard van de bewoners van het eiland. Want op een plek waar mensen aarden in stuifzand, is de blik op de wijde wereld nooit ver weg.
Het brievenproject is weer begonnen. Ik schreef er eerder al eens over. Het is een project van het Joods Maatschappelijk Werk, waarbij jongeren en Joodse ouderen die de oorlog hebben overleefd, elkaar brieven schrijven. Het mooiste aan het brievenproject vind ik om te zien hoe snel er een band ontstaat tussen totaal verschillende mensen – de Joodse ouderen die de oorlog overleefd hebben en de leerlingen die zo’n zestig jaar jonger zijn en vaak een niet-Nederlandse culturele achtergrond hebben. Hoe is dat toch mogelijk?
Het project begint met het bezoek van een Joodse man of vrouw in de klas. Die vertelt over de oorlog en wat hem of haar overkomen is. Dit jaar was Miel Andriesse onze gast. Hij was anderhalf toen hij werd ondergebracht bij een familie in Noord-Brabant. Daar overleefde hij de oorlog. Het is een indrukwekkend verhaal, maar het leek een beetje langs mijn leerlingen heen te gaan. Dat lag niet aan Miel, het is eerder dat de kinderen het niet begrijpen. Ze weten te weinig over de oorlog en ze hebben geen houvast om de gebeurtenissen te plaatsen. ‘Ik had een buurman die ook zo’n barcode had’, zei Sergio, toen Miel vertelde over Auschwitz en hoe daar de Joden een nummer op hun arm getatoeëerd kregen. Dat had hij dus wel gezien, maar het verhaal erachter kende hij niet.
In Europa is oorlog een zeldzaam verschijnsel, maar er zitten leerlingen in mijn klas die directe ervaring hebben met oorlog. Vlak voordat Miel ons bezocht, had Osko een spreekbeurt gehouden over wat hem overkomen is. Hij woont nu twee jaar in Nederland, is afkomstig uit Syrië. ‘De Koerden waren aan alle kanten niet welkom’, aldus Osko. Bovendien was het oorlog in Syrië, dus vluchtte zijn familie eerst naar Turkije en daarna naar Nederland. ‘We hadden veel geluk’, zei Osko. Daarmee bedoelt hij dat ze het overleefd hebben. Ook Miel heeft in die zin geluk gehad, ook hij overleefde de oorlog. Zijn vader en moeder niet. En van zijn vaders kant waren na de oorlog nog maar een paar mensen in leven.
Na het verhaal van Miel ging het project echt van start. We hadden de kinderen ingedeeld en in groepjes van twee gingen ze schrijven naar voor hen onbekende ouderen. Moeten ze schrijven, want het is eigenlijk huiswerk. ‘Omdat ik u wil leren kennen schrijf ik u deze brief’, begon één van de leerlingen. Dat is de opdracht van ons aan de leerlingen: die ander leren kennen. En die opdracht werkt! Dát uitspreken of beter gezegd schrijven, is de toverformule waarmee het allemaal begint. Daarna gaat het eigenlijk vanzelf en vertellen en vragen de kinderen honderduit. Het gaat over geloof, (leerling: ‘Ik heb geen geloof, ik heb alleen een broertje’), liefde, familie en wat ze graag eten. Eigenlijk al vanaf brief twee zie je dat de belangstelling gewekt is en voordat je het weet zien de kinderen dat er meer overeenkomsten dan verschillen zijn tussen hen en de ander. De ouderen met wie ze schrijven zijn ooit jong geweest, houden soms ook van sport, hebben hobby’s en interesses die de leerlingen zelf ook hebben. Wat dan volgt is herkenning. ‘Ik begrijp ook dat het moeilijk was zonder uw echte moeder, zelf woonde ik een halfjaar bij mij tante.’ Al snel durven de kinderen alles te vragen. ‘Hebben uw familieleden de oorlog overleefd? Hoe voelde u zich na de oorlog? En hoe was uw liefdesleven?’
In februari ontmoeten de brievenschrijvers elkaar, en dan is het alsof ze elkaar eigenlijk al kennen. En dat is ook zo, ze kennen elkaar al, hoewel ze maar een paar brieven hebben uitgewisseld. Het is een leerzame ervaring en een les tegen vooringenomenheid en vooroordelen. Leer de ander kennen, dat is het ongewone huiswerk waar de kinderen mee op pad gestuurd worden. Bijna altijd zien ze dan dat die ander veel minder van hen verschilt dan ze op het eerste gezicht dachten.
‘Broeder, wat is er aan de hand met Nederland?’, vraagt een vriend dringend via WhatsApp. ‘Wij moeten dit snel analyseren.’ Op zo’n vraag kun je verschillende antwoorden geven. Lage werkloosheid en een personeelstekort in de bouw, de zorg, de politie, het onderwijs en de ICT – om maar wat te noemen. Toch dacht ik na het WhatsApp-bericht van de vriend in kwestie meteen aan het dossier-Zwarte Piet.
De Telegraaf-activist Wierd Duk heeft met een collega een ophitsend artikel – naar de traditie van zijn krant – gepubliceerd waarin zij anti-Zwarte Piet-boegbeelden Mitchell Esajas en Jerry Afriyie bestempelen als radicaal-links en gevaarlijk. Esajas, Afriyie en andere anti-Zwarte Piet-activisten moeten deze maand extra voor hun leven vrezen. November is al jaren een Zwarte Pieten-maand in dit land. Door misinformatie, verspreid door ophitsers en actiejournalisten zoals Duk, nemen veel Nederlanders de vrijheid om racistische opmerkingen en doodsbedreigingen te sturen naar mensen die zich inzetten tegen Zwarte Piet.
De rechtbank in Leeuwarden heeft de zogenaamde blokkeer-Friezen tot taakstraffen veroordeeld. Deze blokkeer-Friezen hebben vorig jaar een sabotageactie midden op de snelweg uitgevoerd om de vrijheid van meningsuiting van anti-Zwarte Piet-betogers te beperken. Bij het vonnis van de rechtbank in Leeuwarden kreeg hun leider, Jenny Douwes, een zwaardere straf: tweehonderdveertig uur taakstraf plus een maand voorwaardelijke celstraf. Volgens de rechter heeft Douwes zich schuldig gemaakt aan opruiing. Toch hebben de blokkeer-Friezen een heldenstatus gekregen. Dat ondanks het feit dat ze het recht hebben geschonden om een racistische karikatuur te verdedigen. De leider van de groep werd vorig jaar door Duk tot volksheldin van Friesland verklaard. Zij kreeg de bijnaam ‘Jenny d’Arc’. De blokkeer-Friezen gaan in hoger beroep tegen hun vonnis. Een crowdfunding-campagne om het hoger beroep te steunen, haalde binnen een paar dagen meer dan anderhalve ton binnen.
Zowel de vriend die mij een WhatsApp-bericht stuurde als heel mijn omgeving – bestaande uit zowel witte als niet-witte Nederlanders – werd emotioneel van het feit dat tegenstanders van Zwarte Piet voor de zoveelste keer gedemoniseerd worden als mensen die een gevaar vormen voor Nederland. Dat terwijl het juist voorstanders van Zwarte Piet zijn die bereid zijn agressieve middelen in te zetten om voor de knecht van de Sint te vechten, zoals uit het vonnis bleek. Het is vooral pijnlijk om te ontdekken dat een grote groep mensen bereid is om de schenders van de wet zowel financieel als moreel te steunen, terwijl mensen die voor hun vrijheid van meningsuiting voor hun leven moeten vrezen. Dus toen de vriend via WhatsApp vroeg wat er aan de hand is met Nederland, wist ik meteen waarop hij doelde.
‘De stilte van de stille meerderheid is het probleem – misschien nog wel meer dan de opwinding van die pro-Zwarte Piet-activisten die voor de rechter zijn gebracht’, schrijft journalist Joost de Vries (de Groene Amsterdammer) in The Guardian. ‘Een grote meerderheid van de bevolking lijkt haar gedachten aan zichzelf te houden. Toch is het onmogelijk een dialoog te hebben met iemand die zwijgt en dan alleen maar spreekt in de stembus en verkiezingsresultaten produceert die niemand ziet aankomen.’ Zijn analyse doet denken aan een uitspraak van Martin Luther King.
In the end, we will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends.
De vraag die wij in de toekomst zullen moeten beantwoorden luidt: wat heeft u gedaan toen een kleine zwarte minderheid zich verzette tegen een racistische karikatuur?
‘Tot eind jaren negentig was het heel normaal dat we deelnamen aan elkaars vieringen, maar na 2004 sloeg vriendschap om in angst, wantrouwen en isolatie.’
Sinds januari 2004 kwamen er bijna zevenduizend mensen om het leven door aanslagen in het zuiden van Thailand. Deze aanslagen worden gepleegd door islamitische groeperingen die onafhankelijkheid zoeken van het boeddhistische Thailand. Ondanks dat het geweld de afgelopen jaren is afgenomen, heeft de regering nog altijd geen controle over de situatie en vielen er dit jaar al enkele tientallen doden door schietpartijen en bomaanslagen. Dat klinkt als het welbekende scenario van terreur in naam van religie, maar wat als blijkt dat smokkel, corruptie en machtspolitiek grotere drijfveren zijn dan godsdienst?
De drie meest zuidelijke provincies van Thailand – Yala, Pattani, Narathiwat – grenzen aan Maleisië en zijn etnisch en cultureel sterk verbonden met hun buurland. Tachtig procent van de bevolking spreekt een Maleis dialect en in tegenstelling tot de rest van boeddhistisch Thailand wordt hier de islam beoefend. Deze regio, het voormalig Maleis sultanaat Pattani, werd in 1785 door Thailand veroverd. Met name vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw kwam de centrale overheid met een serie hardhandige maatregelen om assimilatie af te dwingen, hetgeen vooral zorgde voor etnische spanningen, gebrek aan samenwerking met de lokale bevolking en, door falend gezag, een situatie van wetteloosheid.
Hoewel er al meer dan zestig jaar onvrede heerst onder de islamitische bevolking over het gezag uit Bangkok, escaleerde het geweld pas in 2004, toen de Thaise overheid onder voormalig premier Thaksin Shinawatra besloot om lokale overheidsinstellingen in het roerige zuiden te ontmantelen. Hij verving deze met een corrupte politiemacht en zorgde voor sterke militaire aanwezigheid, wat leidde tot een klimaat van wantrouwen, machtsmisbruik en buitensporig geweld van Thaise agenten tegen de plaatselijke bevolking. Ook werd het oude systeem van raadgeving bij de lokale gemeenschapsleiders afgeschaft, wat ervoor zorgde dat burgers in de drie provincies zich steeds meer onder het juk voelden van vreemde machthebbers. Toen separatistische groeperingen bomaanslagen begonnen te plegen op overheidsinstellingen, militairen, leraren, boeddhistische monniken en in de openbare ruimte, was er voor de Thaise overheid, van oudsher gedomineerd door militairen, geen weg terug om te ontsnappen aan de cyclus van geweld.
Na het uitbreken van het geweld in het voormalig sultanaat bleven beide partijen bijdragen aan een escalatie van dit geweld. De overheid reageert met zware represailles op aanslagen, probeert seculier Thais onderwijs af te dwingen en wantrouwt de lokale bevolking. De separatistische groeperingen profiteren van het overheidsgeweld door nieuwe rekruten aan te trekken onder jongeren, die vaak laaggeschoold zijn. Ook kampt het gebied met grootschalige georganiseerde misdaad, smokkel en corruptie waar zowel ambtenaren als separatisten bij betrokken zijn. Het doorbreken van de geweldsspiraal zou daarom de belangen van lokale bestuurders en de ondergrondse economie in de regio schaden, waardoor veel partijen gebaat zijn bij een voortzetting van de relatieve wetteloosheid.
Toch is de veiligheidssituatie in het zuiden verbeterd en is het aantal aanslagen sterk gedaald sinds 2015. Desondanks vielen er de afgelopen drie jaar nog ruim honderdzestig doden door schietpartijen, afrekeningen en bomaanslagen en staan er nog altijd checkpoints met zwaarbewapende militairen en pantservoertuigen verspreid door het gebied. Tot op heden hebben besprekingen tussen de overheid en het cluster aan separatistische groeperingen nog weinig opgeleverd. De opstandelingen zeggen dat de overheid de dialoog alleen gebruikt om hun leiders te identificeren en op te sporen en enkele groeperingen weigeren ronduit om aan te schuiven zonder tussenkomst van internationale bemiddelaars, iets wat de Thaise regering van begin af aan geweigerd heeft. Hierdoor blijft het onzeker of en wanneer het geweld weer op zal laaien.
Een constructieve aanpak door de Thaise overheid wordt belemmerd door een gebrek aan begrip van de lokale cultuur, een gebrek aan ervaring in conflicthantering en door rivaliteit tussen de regionale politie en het leger. Volgens plaatselijke bronnen zijn veel agenten in de zuidelijke provincies betrokken bij drugshandel en andere criminele activiteiten. Door deze reputatie wordt de politie geminacht door het leger en stagneert de samenwerking tussen beide partijen. Het leger reageert vaak hard op aanslagen door met zwaarbewapende militairen hele dorpen uit te kammen en er zijn honderden gevallen bekend waarin verdachten en hun families gemarteld en seksueel mishandeld werden om verklaringen af te leggen. Uit onderzoek blijkt dat deze mensenrechtenschendingen systematisch plaatsvinden, waardoor het vertrouwen in de Thaise staat voortdurend wordt geschaad en de dorpelingen in de armen worden gedreven van de opstandelingen. Om deze reden provoceren de rebellen het leger en de onervaren Thaise overheid tot gewelddadige acties om sympathie te genereren bij hun eigen bevolking. Want, redeneren veel dorpelingen in dit geval, als beide kampen geweld plegen, is het beter om je aan te sluiten bij je eigen mensen.
Volgens de Thaise overheid wordt de opstand gefinancierd door criminelen en ook externe waarnemers vermoeden dat de lokale onderwereld een grote rol speelt in het geweld. Een van de oorzaken is de wetteloosheid die jarenlang heerste in het bergachtige grensgebied. Olie, drugs, wapens, bedreigde diersoorten en zelfs mensen worden in grote aantallen van en naar Maleisië gesmokkeld. Volgens de Thaise publieke omroep is vooral oliesmokkel een miljoenenbusiness die gerund wordt door een illegaal kartel van invloedrijke personen. Zo liet de arrestatie van het voormalig hoofd van de Thaise inlichtingendienst Pongpat Chayapan in 2014, op beschuldiging van corruptie en hulp bij oliesmokkel, zien dat er een link bestaat tussen hoge Thaise autoriteiten en de smokkelaars. Ook zijn er aanslagen gepleegd die specifiek gericht waren op agenten die onderzoek deden naar de oliesmokkel, hetgeen doet vermoeden dat er machtige personen bij betrokken zijn.
Volgens een analyse van Reuters-journalist Jason Szep wordt algemeen aangenomen dat de oliesmokkel gerelateerd is aan het geweld en dat de separatisten grotendeels gefinancierd worden door inkomsten uit illegale handel. Szep schrijft dat veel westerse diplomaten zelfs vermoeden dat het grootste deel van de aanslagen direct gerelateerd is aan aan de drugshandel, andere smokkel en georganiseerde misdaad en minder dan de helft aan de onafhankelijkheidsstrijd. Politicoloog Aurel Croissant van de Universiteit van Heidelberg (Duitsland) stelt dat het naïef zou zijn om aan te nemen dat smokkelaars en separatisten duidelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden. Volgens hem zijn criminaliteit en terrorisme daarvoor teveel met elkaar verweven.
Naast de samenhang tussen terrorisme en smokkel, kampt Thailand al jarenlang met ongebreidelde corruptie in alle lagen van de overheid. Een gevaarlijk samenspel van drugshandel, prostitutie, vriendjespolitiek, samenzweringen, traditionele boeddhistische tolerantie, een tendens om problemen te negeren en een cultuur van onschendbaarheid van hooggeplaatste officieren heeft geleid tot een complexe misdaadgolf die het land overspoelt. Wapenbezit in het zuiden wordt geschat op één per vijf inwoners, waarmee het behoort tot de meest bewapende gebieden ter wereld. Ook is de corruptie in de drie roerige provincies volgens de Wereldbank zelfs zo groot dat functionarissen vanuit het hele land solliciteren op functies in de instabiele regio, want, zoals de krant Asian Times schrijft, ‘oorlog is winst in Zuid-Thailand’.
Sinds de Rohingya-crisis in buurland Birma is ook mensenhandel een grote bron van inkomsten geworden voor de smokkelkartels. Wanhopige vluchtelingen worden in de handen gedreven van smokkelaars en komen vaak terecht in illegale kampen in de bergen van Zuid-Thailand. Volgens een overlevende zitten er soms duizenden mensen in dit soort kampen in de hoop doorgestuurd te worden naar buurland Maleisië of om aan het werk te kunnen in Thailand. Voor veel van hen gebeurt geen van beiden en worden ze onder erbarmelijke omstandigheden vastgezet in de afgelegen kampen. De vluchtelingen worden gemarteld en gedwongen hun familie te bellen om ze vrij te kopen. Wanneer dit niet mogelijk is, worden veel van hen uitgehongerd, verkocht als slaaf of vermoord en gedumpt in een van de vele massagraven in de jungle. Volgens Phil Robertson van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch is het onmogelijk dat de Thaise autoriteiten niet op de hoogte zijn van deze praktijken. ‘We hebben getuigenverklaringen van Thaise ambtenaren die onderhandelen met smokkelaars terwijl honderden vluchtelingen gevangen worden gehouden en er zijn zelfs bewijzen van overheidsfunctionarissen die de asielzoekers zogenaamd redden, maar ze vervolgens weer doorverkopen aan de mensenhandelaren.’
De Thaise generaal Udomchai Thammasarojrat stelde in 2011 dat het geweld vooral oplaaide toen het leger begon met het bestrijden van de oliesmokkel. ‘De smokkelkartels reageerden met aanslagen, gepleegd in naam van de onafhankelijkheidsstrijd, uitgevoerd door jonge, laagopgeleide jongeren, waarvan een groot deel drugsverslaafd is’, verklaart de generaal. Volgens de overheid zijn het dezelfde jongeren die worden ingezet voor het plegen van liquidaties in de onderwereld en in de grootschalige handel in drugs, waarbij grote hoeveelheden heroïne, pillen en cocaïne naar buurland Maleisië worden gesmokkeld, maar die ook terechtkomen in het gebied zelf. In een onderzoek uit 2010 gaven bewoners van de zuidelijke provincies dan ook aan dat drugshandel het meest urgente probleem in de regio is.
Ondanks het streven van het leger en de overheid om de veelheid aan criminele activiteiten in het zuiden de kop in te drukken, zouden zij volgens veiligheidsexpert Thitinan Pongsudhirak zelf verantwoordelijk zijn voor het verhinderen van een doorbraak. ‘Ondanks dat hun pogingen oprecht en serieus zijn, heeft een militaire overheid met absolute macht en een top-down-beleid ironisch genoeg niet de kracht om dit soort problemen op te lossen. Dit komt zowel door een gebrek aan medewerking als door corruptie in alle betrokken lagen van bestuur en uitvoering. Het uitbannen van mensenhandel en andere criminaliteit kan simpelweg niet van bovenaf gecommandeerd worden, daarvoor heb je vooral actieve betrokkenheid in het veld nodig en die is er nauwelijks.’
Ook onderzoekers Desmond Ball en Nicholas Farrelly van de Nationale Universiteit van Australië vermoeden dat pogingen om het conflict te beëindigen vaak hun doel missen. Volgens hen houdt de overheid met militaire maatregelen de cultuur van represailles in stand door de bijna onschendbare positie van soldaten die gestationeerd zijn in het zuiden. Door machtspolitiek, wantrouwen richting de bevolking en concurrentie met de lokale politie heerst er een cultuur van trots binnen het leger, waardoor er een klimaat is ontstaan waarin aanslagen worden gezien als een aanval op hun persoonlijke eer en reputatie en er dus hard teruggeslagen moet worden. ‘En wat als de lokale jeugd verstrikt raakt in deze vergeldingsdynamiek?’, schrijft Farrelly in zijn onderzoek naar de veiligheidssituatie in Zuid-Thailand. ‘Waar is voor hen de uitweg? Kunnen zij de spiraal van geweld zomaar doorbreken ondanks dat zoveel van hun vrienden en familieleden zijn omgekomen? Vaak zijn de jongeren laagopgeleid, economische mogelijkheden zijn beperkt in het agrarische bosgebied en veel van hen zien smokkel en andere criminele activiteiten als enige optie.’ Volgens de onderzoekers hebben deze omstandigheden geleid tot het geloof onder veel zuiderlingen dat het geweld niet zal stoppen vanwege de economische kansen die de wetteloosheid in het conflictgebied biedt.
Dit zijn duidelijke aanwijzingen dat verschillende betrokken partijen niet gebaat zijn bij het doorbreken van het geweld. Er is geen eind in zicht zolang de Thaise autoriteiten blijven investeren in hardhandig contra-terrorisme terwijl tegelijkertijd lokale onvrede wordt aangewakkerd door criminaliteit en wanpraktijken van ambtenaren en soldaten in het veld.
Hoewel volgens kenners de werkelijke opstandelingen slechts verantwoordelijk zijn voor een fractie van het geweld, bepalen zij wel de retoriek en de morele rechtvaardiging ervan. Na de aanslagen van 11 september 2001 vonden de militante groeperingen aanleiding tot het uitroepen van een heilige oorlog en sindsdien worden ook steeds vaker IS-achtige filmpjes geplaatst van onthoofdingen en met jihadistisch taalgebruik. Ondanks deze ogenschijnlijke overeenkomst met islamitische opstanden zoals die in Irak, de Filipijnen en Syrië, krijgen groepen als al-Qaida en IS hier geen voet aan de grond. Het Nationaal Revolutionair Front (Barisan Revolusi Nasional, BRN), de grootste rebellengroep in Zuid-Thailand, heeft duidelijk gemaakt dat IS hier niet welkom is, ook al hebben zij vergelijkbare extremistische denkbeelden. De groep is bang om door samenwerking met buitenlandse jihadistische organisaties hun legitimiteit en steun te verliezen, zowel binnen de internationale gemeenschap als onder hun eigen aanhangers.
Ondanks dat de verschillende groeperingen van elkaar verschillen in aanpak en doelstellingen zijn ze allemaal in bepaalde mate op zoek naar meer autonomie. Sommige willen op politieke wijze meer zelfbestuur van de Thaise overheid, terwijl anderen doelen op complete onafhankelijkheid en de heroprichting van het oude sultanaat. Tot op heden zijn de groeperingen vooral succesvol geweest in het ondermijnen van de staat door het gebied relatief onbestuurbaar te maken met aanslagen op boeddhisten en Thaise overheidsdoelen. Toch leidt de islamitische burgerbevolking zelf het meest onder het geweld, omdat er ook veel aanslagen worden gepleegd op markten en winkelcentra. Maar liefst negentig procent van alle slachtoffers viel onder de burgerbevolking en het grootste deel hiervan is moslim.
Ondanks dat het aantal aanslagen de afgelopen jaren verminderd is, zijn de separatisten nog altijd actief. Met name in arme, geïsoleerde dorpen blijkt de steun aan lokale groeperingen en de aanverwante smokkelarij moeilijk uit te roeien. Dit heeft voor een groot deel te maken met armoede en slechte educatie in het gebied. Bewoners van de grensprovincies verdienen ruim de helft minder dan in andere delen van Thailand, bijna zeventig procent van de moslimbevolking heeft niet meer dan een basisschooldiploma en minder dan tien procent heeft de middelbare school afgemaakt. Dit komt vooral omdat er door het geweld scholen gesloten zijn en veel lokale leraren het doelwit werden van aanslagen vanwege hun samenwerking met de Thaise overheid.
Maatschappelijke deelname is logischerwijs beperkt voor de inwoners van Pattani, Yala en Narathiwat. Niet alleen uit angst voor separatisten, maar ook omdat ze een achterstand hebben in taal en zich niet thuisvoelen in de Thaise boeddhistische cultuur. Vooral sinds de opleving van het geweld in 2004 zijn aanhangers van de twee religies sterk uit elkaar gegroeid. Zo vertelt de boeddhistische apotheker Athorn dat zijn gezin in het verleden bevriend was met moslimfamilies. ‘Tot eind jaren negentig was het heel normaal dat we deelnamen aan elkaars vieringen, maar na 2004 sloeg vriendschap om in angst, wantrouwen en isolatie. Het lijkt er nu op dat de moslims ons willen verjagen zodat zij hier de baas kunnen worden.’ Inmiddels is een deel van de boeddhisten het gebied ontvlucht of woont in door het leger beschermde enclaves.
Toch is er verandering gaande binnen de drie provincies. Druk op de overheid en de separatisten om een verandering van tactiek en het stoppen van het geweld begint toe te nemen doordat de bevolking zich door moderne informatievoorzieningen beter bewust is van het grotere plaatje. Zij zien in dat het pad van geweld voor beide kampen op niets uitloopt en dat de onderliggende problemen in het gebied niet worden aangepakt. Veel van hen beseffen dat totale onafhankelijkheid van het voormalig sultanaat realistisch gezien nooit gaat gebeuren, maar zien mogelijkheden in een constructieve dialoog over een vorm van decentralisatie met meer zelfbestuur en verhoogde religieuze en educatieve vrijheid.
Op verschillende plekken in de regio zijn sociale werkgroepen ontstaan die hun best doen deze dialoog zelf te voeren. Waar de separatisten tot op heden een monopolie hadden op de richting waar het conflict heen ging, eisen burgers meer zeggenschap en sturen zij erop aan om in gesprek te gaan met de overheid, desnoods buiten de rebellen om. Ook lijkt er vanuit de burgerbevolking meer momentum te ontstaan om onderling het debat aan te gaan over hun identiteit en de problemen in de regio. Dit zou erop kunnen duiden dat het conflict een nieuwe fase ingaat met mogelijkheden om te ontsnappen aan de cyclus van geweld die de Zuid-Thaise maatschappij al jarenlang in een wurggreep houdt.
Een paar maanden geleden kreeg ik een Facebook-bericht van ene Lodewijk: ‘Ik vind het jammer dat je opa ontsnapte uit Auschwitz. Als ik hem daar gespot had kunnen hebben, dan had ik hem kapotgeschoten zodat we zo een kankerneus als jij zouden kunnen voorkomen.’ Ik ben helaas heel wat gewend als het aankomt op boze tweets of beledigende mailtjes, maar zo dreigend had ik het niet eerder meegemaakt. Ik deed aangifte bij de politie en ging over tot de orde van de dag.
Afgelopen zaterdag dacht ik voor het eerst weer aan dit berichtje toen ik in de Volkskrant een artikel las met de titel Hoe Alt-right online Jodenhaat verspreidt. Twee journalisten deden maandenlang onderzoek naar het antisemitische gedachtegoed op extreemrechtse internetplatforms als 4chan. En dat bleek niet mee te vallen. In hun artikel lieten ze ‘Roel’ aan het woord. Roel was niet zijn echte naam, want hij wilde voorkomen dat zijn vrienden, familie en collega’s ook maar iets van zijn online bezigheden zouden afweten. Volgens Roel zijn ‘Joodse mensen’ bezig de blanke christenen te ondermijnen zodat het blanke ras verdwijnt. ‘Zij zitten overal achter: ze pushen de immigratie, promoten allerlei fetisjgewoonten, stimuleren homoseksuele relaties en indoctrineren kinderen met een genderneutrale opvoeding zodat ze in de war raken over hun geslacht.’
Ik kon niet geloven wat ik las. Wat waren dit voor idiote complottheorieën, gebaseerd op het nationaalsocialisme en aangevuld met moderne thema’s? Ook de Zwarte Pieten-discussie was volgens Roel een Joodse truc. ‘Joden willen die traditie ondermijnen omdat het een blanke traditie is.’ Nu ben ik zelf inderdaad geen voorstander van Zwarte Piet, maar alleen omdat een deel van de Nederlanders zich gediscrimineerd voelt door deze kindervriend en het feestelijke er daardoor wat mij betreft wel vanaf is. Overigens ken ik ook veel Joden die hardcore Zwarte Piet-fan zijn.
Op internet regende het reacties na het stuk in de Volkskrant. Veel lezers bleken net zo geschrokken als ik, maar anderen meenden dat ‘deze linkse, opportunistische krant het beperkte antisemitisme van Alt-right gebruikt om het veel zorgwekkender antisemitisme van linkse partijen te bagatelliseren’. Natuurlijk werd ook het ‘epidemische antisemitisme onder moslims’ er veelvuldig bijgehaald en stelde een enkeling dat ‘door dit soort manipulatieve en eenzijdige artikelen het échte nieuwe antisemitisme, het antizionisme, vrij spel krijgt’.
Ik zal niet ontkennen dat ik in het verleden weleens ben uitgescholden voor ‘kankerjood’ of ‘vuile zionist’ door Nederlanders met een migratieachtergrond. Vaak gebeurde dit wanneer er oorlog woedde tussen Israël en de Palestijnen. Volkomen verwerpelijk uiteraard, maar extreemrechts antisemitisme vind ik niet minder eng. In mijn beleving is het sluipender, meer onderhuids, verborgener.
De reacties die volgden op het stuk vind ik misschien wel net zo zorgelijk als het fenomeen antisemitisme zelf. Waarom worden journalistieke feiten meteen gekaapt voor de zoveelste links versus rechts-discussie? Waarop baseert men zich wanneer het antisemitisme van Alt-right als ‘beperkt’ wordt afgedaan? En waarom staan sommige twitteraars te popelen om moslims of antizionisten te bestempelen als ‘de echte daders’?
Antisemitisme is een oeroud fenomeen dat niet begon met de opkomst van extreemrechtse internetfora en ook niet met de komst van migranten naar Nederland. Het werd zelfs niet uitgevonden door Hitler.
Waarschijnlijk zullen er altijd groepen en individuen bestaan die Joden haten, bedreigen of vermoorden. Ik zou willen dat men dáár gezamenlijk tegen strijdt in plaats van elkaar de tent uit te vechten omwille van stompzinnige welles-nietes-spelletjes. Want voor we het weten blijven we zodanig hangen in discussies rondom identiteitspolitiek dat het echte gevaar ons ontgaat.
‘Waarom zijn ‘moslimleiders’ die de mond vol hebben van ‘solidariteit tussen moslims wereldwijd’, zo stil? Zijn ze bang? Hebben ze geen geweten? Draait álles om geld?’, aldus de Oeigoerse leider Dolkun Isa. ‘De Oeigoerse gemeenschap is zeer teleurgesteld en ontmoedigd door het gebrek aan steun uit islamitische hoek, maar we geven de moed niet op.’
Zeker één miljoen Oeigoerse moslims en een onbekend aantal niet-Oeigoerse moslims zitten volgens mensenrechtenorganisaties vast in concentratiekampen in de autonome regio Xinjiang, die onder Oeigoeren bekendstaat als Oost-Turkestan. De Kanttekening sprak erover met Dolkun Isa, president van het World Uyghur Congress en vice-president van de Organisatie van Niet-Vertegenwoordigde Naties en Volkeren.
The world already promised ‘never again’ — but it’s happening again, Tomorrow may be too late. https://t.co/aehXSkhPDU
Isa (Aksu, 1967) organiseerde in 1988, toen hij studeerde aan de Xinjiang University, studentendemonstraties in Ürümqi tegen de onderdrukking van de Oeigoeren, waarna hij belandde op de ‘zwarte lijst’ van het Chinese regime. In 1994 vluchtte hij naar Turkije en later naar Europa. Sinds 2006 is hij staatsburger van Duitsland.
Afgelopen februari trok Interpol tot groot ongenoegen van China een red notice-opsporingsbevel tegen Isa in, dat bijna twee decennia geleden tegen hem was uitgevaardigd op verzoek van China, op beschuldiging van ‘terrorisme’. Met een red notice roept een land andere landen op iemand op te pakken. Diplomatieke bronnen verklaarden tegenover Reuters dat China Europese landen vaak heeft gevraagd Isa te arresteren, maar nooit bewijs heeft geleverd voor de vermeende misdaden die hij gepleegd zou hebben. Daarom is het opsporingsbevel tegen hem überhaupt nooit uitgevoerd door Europese landen.
‘We hebben nooit gehoord dat mensen de kampen verlaten’, zei Isa onlangs tegen Reuters tijdens een mensenrechtenprogramma in Genève. Hij sprak van een ‘onvoorstelbare verslechtering’ van de mensenrechtensituatie in Xinjiang en riep de lidstaten van de Verenigde Naties op een ‘luid en krachtig’ signaal af te geven richting China.
Foto: Reuters. Dolkun Isa. Het in 2004 opgerichte World Uyghur Congress, dat zijn hoofdkwartier heeft in München, is een internationale organisatie van Oeigoeren die in ballingschap leven. Het World Uyghur Congress beschrijft zichzelf als een ‘geweldloze en vreedzame beweging die zich verzet tegen de Chinese bezetting van Oost-Turkestan, streeft naar het vertegenwoordigen van het gemeenschappelijk belang van het Oeigoerse volk en pleit voor het afwijzen van totalitarisme, religieuze onverdraagzaamheid en terrorisme als beleidsinstrument’. De organisatie wordt deels gefinancierd door de Amerikaanse ngo National Endowment for Democracy. Isa is de derde president van de organisatie. Zijn voorgangers waren Erkin Alptekin, die algemene secretaris was van de kortstondige Eerste Oost-Turkestaanse Republiek (1933-1934) en nauw betrokken was bij de oprichting van het World Uyghur Congress en de Organisatie van Niet-Vertegenwoordigde Naties en Volkeren, en de gerenommeerde mensenrechtenactivist Rebiya Kadeer, die vijf keer is genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. Alptekin en Kadeer zijn nog steeds actief voor de organisatie, Alptekin als ‘hoofdadviseur’ en Kadeer als ‘speciale leider’.
Is het dieptepunt van de Chinese repressie al bereikt of wordt het nog erger?
‘Ik vrees het ergste. De Oeigoeren zijn slachtoffer van een culturele genocide. Er is een reële mogelijkheid dat de culturele genocide escaleert tot een complete genocide. Onder Chinees bewind is het nooit goed geweest in Oost-Turkestan, maar onder het bewind van Xi Jinping (sinds 2012 secretaris-generaal van de Communistische Partij van China en sinds 2013 president van het land, red.) zijn de omstandigheden verder verslechterd en heeft de situatie inmiddels een dieptepunt bereikt. De mensenrechten worden met de voeten getreden. Xi implementeert in Oost-Turkestan een beleid dat gelijkenissen vertoont met zijn beleid in Tibet, maar zijn beleid in Oost-Turkestan is nog veel gewelddadiger.
Peking probeert mensen voor de gek te houden door te beweren dat de kampen niets meer zijn dan ‘beschaafde heropvoedingskampen’. De realiteit is dat het concentratiekampen zijn. Laat dat even bezinken, concentratiekampen anno 2018… Het is een gigantisch mensenrechtenschandaal. Als de mensonterende praktijken van dit regime geen halt toegeroepen worden, zal de situatie blijven verslechteren en uiteindelijk volledig uit de hand lopen. Hoe kan de internationale gemeenschap anno 2018 zoiets toelaten? Waarom verenigen landen die zich beweren te bekommeren om vrede, vrijheid en democratie zich niet om hier zo snel mogelijk een eind aan te maken?’
Wat voor meldingen ontvangt het World Uyghur Congress zoal uit Xinjiang?
‘Zelfs voor grote mediaorganisaties, mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International en Human Rights Watch en het World Uyghur Congress, de grootste en invloedrijkste organisatie van Oeigoeren ter wereld, is het zeer moeilijk om erachter te komen wat er gebeurt in het gebied, en dan heb ik het niet alleen over wat zich voltrekt in de kampen, maar in heel Oost-Turkestan. Peking heeft de regio vrijwel compleet afgesloten van de buitenwereld, op alle mogelijke manieren. Communiceren met mensen in het gebied is vrijwel mission impossible.
Toch weten we dankzij moedig, doortastend en diepgravend speurwerk van gedreven journalisten en mensenrechtenactivisten het één en ander, zoals dat vele mensen in detentie zijn omgekomen, fysieke en psychische martelingen, brainwashing en ontvoeringen.’
Heeft u contact met vrienden, kennissen of familieleden in de regio?
‘De laatste keer dat ik contact had met een vriend, kennis of familielid in het gebied was in april vorig jaar. Ik belde toen kort met mijn achtenzeventigjarige moeder. Afgelopen juni kwam ik erachter dat ze circa een jaar had vastgezeten in een kamp en op 17 mei jongstleden was omgekomen. Pas ruim drie weken na haar dood kwam ik erachter dat ze was overleden. Radio Free Asia (Amerikaanse mediaorganisatie die wordt gefinancierd door het United States Agency for Global Media, een ‘onafhankelijk’ agentschap van de Amerikaanse regering dat niet valt onder de supervisie van een ministerie, red.) onthulde dat ze had vastgezeten in een kamp in haar geboorte- en woonplaats, Aksu.
Radio Free Asia stelde vast dat ze was gevangengezet voor ‘religieus extremisme’. Wat een gotspe. De Chinese staat beschouwt zelfs de geringste uiting van religie, vooral door moslims, als ‘religieus extremisme’, zoals het lezen van de Koran of het dragen van een baard. Het leven zuur maken en zelfs het leven afnemen van iemands moeder om wraak te nemen op haar zoon, die op een vreedzame manier mensenrechtenschendingen aan de kaak stelt, is het toppunt van lafheid.
De laatste keer dat ik mijn moeder zag was in mei 1994, net voordat ik noodgedwongen mijn land moest ontvluchten. Sindsdien had ik haar niet gezien, zelfs niet via videochat.
Ik maak me zorgen om al mijn dierbaren in China, onder wie mijn negentigjarige vader. Ik weet niet of ze gevangenzitten in een kamp… ik weet niet eens of ze überhaupt nog leven. Miljoenen anderen, onder wie Oeigoeren, maar ook bijvoorbeeld Kazachen en Tibetanen, ervaren een soortgelijke nachtmerrie als ik. Maar ondanks alles blijf ik me, gelukkig samen met vele anderen, met waardigheid inzetten voor de rechten van mijn volk.’
Foto: Radio Free Asia. Dolkun Isa’s moeder & vader.
Volgens China bent u een terrorist.
‘Het Chinese regime hanteert een ongeëvenaard brede definitie van ‘terrorisme’. Hoeveel dingen het regime schaart onder de noemer ‘terrorisme’, is verbijsterend en surrealistisch. Kritiek uiten op de Communistische Partij? Terrorisme. Kritiek uiten op Chinese gebruiken, normen of waarden? Terrorisme. Een artikel schrijven over de Oeigoerse identiteit? Terrorisme. Oeigoers schrijven of spreken? Terrorisme. Een artikel schrijven over de Tibetaanse cultuur? Terrorisme. Vreedzaam betogen? Terrorisme. Discussiëren met een politieagent? Terrorisme. Weigeren dat een politieagent je irissen scant? Terrorisme. Vasten? Terrorisme. Bidden? Terrorisme. Een hoofddoek dragen? Terrorisme. As-salamoe alaykoem (islamitische groet, ‘vrede zij met u’ in het Arabisch, red.) zeggen? Terrorisme. Niet roken of geen alcohol drinken? Terrorisme. Halal voedsel verkopen? Terrorisme. Je kind een islamitische naam geven? Terrorisme.
Ik heb nooit een pistool of geweer gezien in mijn leven, laat staan dat ik geweld heb gebruikt. Ik heb nooit geweld gebruikt en dat zal ik ook nooit doen. Pistolen en geweren heb ik alleen in films gezien. Ik keur geweld af en veroordeel alle vormen van terrorisme. Mijn enige ‘wapens’ zijn mijn pen, mijn computer en de woorden die ik uitspreek. En ik ben een topterrorist volgens China? Ik ben er nog steeds niet helemaal over uit, moet ik me daar rot om lachen of moet ik erom huilen? Het Chinese regime is heer en meester in het inboezemen van angst bij het volk. De Communistische Partij hoeft dan ook niet eindeloos te zoeken naar terrorisme, de terrorist die ze zoekt is ze zelf. We hebben te maken met een terreurregime. De Communistische Partij leidt een nietsontziende dictatuur en voert een genadeloos terreurbewind.’
Koestert u haat jegens Chinezen?
‘Nee. Ik geloof niet in haat. Haat werkt averechts, want haat creëert haat en leidt tot geweld en geweld produceert geweld. Ik heb niets tegen normale Chinese burgers, ik veroordeel het angstregime van de Communistische Partij. Dat zijn twee totaal verschillende dingen.’
Op welke manieren zet Peking druk op de Oeigoerse diaspora?
‘De Chinese autoriteiten intimideren en bedreigen Oeigoeren buiten China, vooral activisten, op allerlei manieren, bijvoorbeeld door jacht te maken op hun dierbaren in Oost-Turkestan en druk te zetten op overheden om onschuldige Oeigoeren te arresteren. Het is schandalig dat dat het standaardbeleid van de Communistische Partij is.
De druk van Peking heb ik aan den levenden lijve ondervonden. Zo ben ik in verschillende landen aangehouden en ondervraagd door de politie, waaronder Zuid-Korea en Italië. In Zuid-Korea werd ik aangehouden op het Incheon International Airport in Seoul, waar ik een mensenrechtenprogramma van het World Forum for Democratization in Asia wilde bijwonen. Ik heb vier dagen vastgezeten in Seoul. Zuid-Korea overwoog om me uit te leveren aan China, maar na tussenkomst van Duitsland en de Europese Unie werd ik uiteindelijk vrijgelaten en vloog ik in het geheim terug naar Duitsland.
Een ander land dat onder druk wordt gezet door China is Turkije. Op verzoek van China heeft Turkije mij een toegangsverbod tot het land opgelegd. En dat terwijl ik jarenlang heb gewoond in Turkije, waar ik politicologie en sociologie heb gestudeerd aan de Gazi University in Ankara. Deze houding van Turkije doet me ontzettend pijn, omdat ik hou van Turkije en juist Turkije, een land waarmee de Oeigoeren behalve een religie, ook een cultuur en een taal delen, op zou moeten komen voor zijn Oeigoerse broeders en zusters.’
Moslimlanden houden zich muisstil over China’s mensenrechtenschendingen, omdat ze volgens experts en analisten vrezen voor economische vergelding van economische supermacht China en ze geen aandacht willen vestigen op de barre mensenrechtensituatie in eigen land, zo schrijft journaliste Alexandra Ma in het artikel Why the Muslim world isn’t saying anything about China’s repression and ‘cultural cleansing’ of its downtrodden Muslim minority(Business Insider). Heeft u nog hoop dat dat verandert?
‘Mensen moeten goed begrijpen dat zich een tragedie, een catastrofe voltrekt in Oost-Turkestan. Peking voert een oorlog tegen de islam en moslims. Ik begrijp dat economische vergelding moslimlanden afschrikt, maar toch blijft het verbazingwekkend dat moslimlanden geen kik geven en met geen woord reppen over China’s grove mensenrechtenschendingen. Waarom zijn ‘moslimleiders’ die de mond vol hebben van ‘solidariteit tussen moslims wereldwijd’, zo stil? Zijn ze bang? Hebben ze geen geweten? Draait álles om geld?
Nog verbazingwekkender is dat sommige moslimlanden zelfs actief kant kiezen voor China in de Oeigoeren-kwestie, bijvoorbeeld tijdens debatten in VN-verband. China probeert een monopolie te creëren binnen cruciale VN-organen en daarmee de Oeigoeren en andere bevolkingsgroepen die ze onderdrukt, de mond te snoeren. Landen die oprecht waarde hechten aan mensenrechten, moeten zich daar met man en macht tegen verzetten. De Oeigoerse gemeenschap is zeer teleurgesteld en ontmoedigd door het gebrek aan steun uit islamitische hoek, maar we geven de moed niet op.’
On Nov 6th, 14 states raised the mass arbitrary detention of #Uyghurs in internment camps in their recommendations to #China during its UN Universal Periodic Review of its #humanrights record.
Het oorlogsverleden, machtspolitiek en een gebrek aan perspectief zetten Balkan-jongeren aan tot emigreren of radicaliseren.
Vorige maand waren er landelijke verkiezingen in Bosnië-Herzegovina. Kort voor de verkiezingen publiceerde Trouw een interview met de Oostenrijker Valentin Inzko, die sinds 2009 de hoogste internationale toezichthouder is in Bosnië. ‘Sinds hij in Bosnië zit, zijn de bevolkingsgroepen nauwelijks nader tot elkaar gekomen. De stembusgang van 7 oktober zal daar geen verandering in brengen. De campagnes voor de verkiezingen spelen zich grotendeels weer langs etnische lijnen af, met nationalistische retoriek van moslims, Serviërs en Kroaten’, aldus Trouw. Inzko zei onder meer: ‘Helaas worden de echte problemen uit het dagelijks leven niet aangekaart, zoals werk. Van de jongeren heeft vijftig tot zestig procent geen baan. Twintig tot dertigduizend van hen verlaten het land elk jaar, dus het zou moeten gaan over banen en betere ziekenhuizen, beter onderwijs, een beter rechtssysteem.’ In Bosnië vinden sommige politici het echter belangrijker om te laten zien dat zij zich sterk maken voor of Serviërs of Kroaten of Bosniakken (Bosnische moslims), de drie grootste bevolkingsgroepen in het land. Binnen Bosnië bestaat bijvoorbeeld een Servische deelrepubliek. Bosnië is na het Verdrag van Dayton (1995), dat een eind maakte aan de Bosnische Burgeroorlog (1992-1995), opgedeeld in twee entiteiten, de Federatie van Bosnië en de Servische Republiek. ‘Ik denk dat het goed is als westerse leiders ook elke maand vijf minuten van hun tijd voor Bosnië vrijmaken. Ook omdat het in hun eigen belang is dat hier een rechtsstaat geldt, met goed leiderschap. Problemen met de smokkel van wapens, mensen en drugs spelen nu al’, aldus Inzko.
Over het belang van de Balkan voor de EU zei oud-crisisdiplomaat Pieter Feith tegen BNR: ‘De EU heeft de laatste jaren een beetje te weinig aandacht aan de Balkan besteed. Dat heeft een opening geboden aan landen als Rusland, Turkije en China om hun invloed uit te breiden op de Balkan.’ Feith vindt het tevens opvallend dat er ieder jaar een toename is in het aantal moskeeën op de Balkan. ‘Dat komt niet alleen uit Turkije, maar ook uit Saoedi-Arabië. Het wahabisme breidt zich uit. Dat is geen oorlogszuchtige vorm van de islam, maar het geeft wel aanleiding tot radicalisering. Op dit moment is er niet onmiddellijk aanleiding om te denken aan de uitvoer van geradicaliseerde jongeren uit de Balkan naar onze landen toe, maar dat kan natuurlijk veranderen. Gewelddadig religieus fanatisme hangt ook samen met het perspectief dat de jongeren wordt geboden. Het is dus van groot belang de hoge werkloosheidscijfers te veranderen. Het houdt de jongeren van de straat en geeft ze een vreedzaam perspectief. wat natuurlijk veel beter is voor het land en voor de samenleving.’
Verschillende kranten kopten na de verkiezingsuitslag ‘Drie presidenten gekozen in Bosnië’, omdat de Bosniakken, Kroaten en Serviërs alle een eigen president afleverden en daar ook massaal op stemden. In Bosnië is er één partij, Naša Stranka (Onze Partij), die probeert om alle bevolkingsgroepen in het land te vertegenwoordigen. Deze partij is echter nog klein. Overigens bleek dat de helft van de Bosnische bevolking überhaupt niet heeft gestemd. De versplintering is groot. De Kanttekening sprak met Goran Trkulja en Arlinda Rrustemi over onder meer extremisme, nationalisme en het gebrek aan perspectief onder Balkan-jongeren. Trkulja was als journalist en radiomaker onder meer werkzaam voor de Volkskrant, Trouw en VPRO. Rrustemi van The Hague Centre for Strategic Studies is strategisch analist, docent vrede- en conflictstudies en kenner op het gebied van onder meer internationaal recht en terrorisme.
Er zijn berichten dat IS en vergelijkbare extremistische groeperingen voet aan de grond hebben gekregen in Balkan-landen zoals Bosnië. Hoeveel mensen uit de Balkan zijn afgereisd naar het Midden-Oosten om daar te vechten? Trkulja: ‘Er zijn inderdaad mensen uit Balkan-landen – vooral Bosnië, Servië en Kosovo – die naar Syrië en Irak zijn gereisd en zich aangesloten hebben bij verschillende gewapende groepen. Het gaat vooral om jonge moslimmannen. Naar schatting – exacte aantallen zijn moeilijk te achterhalen – uit Kosovo rond de tweehonderddertig, uit Servië, specifiek de regio Sandzak (een gebied in Zuidwest-Servië en Noord-Montenegro waar moslims in de meerderheid zijn, red.) ruim honderd en uit Bosnië tussen de honderd en tweehonderdvijftig mannen.’ Rrustemi: ‘Het is altijd moeilijk om over exacte cijfers te spreken, omdat deze per instantie verschillen, maar Bosnië heeft het grootste aantal Syrië-gangers.’
Bij Bosniërs loopt het cijfer van het aantal Syrië-gangers uiteen van vierhonderd tot vijfduizend. Verder spreken schattingen van zo’n honderdveertig personen uit Macedonië. De Albanese regering zegt dat sinds 2011 ruim honderd mensen naar Syrië en Irak zijn afgereisd. Het aantal Kosovaren varieert tussen ruim tweehonderd en ruim driehonderd. Ook zou een zeventigtal Serviërs zijn afgereisd.
Wat maakt deze mensen kwetsbaar, wat zijn de oorzaken of motieven voor hun vertrek? Trkulja: ‘In een opiniestuk voor de Belgische krant De Morgen schreef ik in 2015 al dat de economische en politieke crisis in Bosnië een voedingsbodem is voor fundamentalistisch populisme in dit land. Als het om Bosnië gaat moet men weten dat meer dan de helft van de jonge bevolking onder de leeftijd van dertig werkloos is. De huidige politiek biedt geen perspectief voor de toekomst en deze grote groep probeert naar EU-landen te emigreren. Een kleinere groep, vooral de jongeren die onder de invloed staan van salafisten – in het Bosnisch heten zij vehabije, dat komt van ‘wahabieten’ – kiezen voor het leven volgens de strenge islamitische regels en zij zijn makkelijk beïnvloedbaar voor extreme ideeën. Het is misschien goed om te weten dat bijvoorbeeld in Bosnië, naast de officieel geregistreerde Islamitische Gemeenschap (Islamska Zajednica, IZ, red.), irreguliere islamitische groepen bestaan die buiten de IZ vallen. Deze gemeenschappen – in het beginjaar 2016 waren er in Bosnië vierenzestig dzematen (gemeenschappen, red.), later zijn er nog enkele van overgebleven die zich weigeren aan te sluiten bij de IZ – staan onder invloed van de geradicaliseerde islamitische leer die afkomstig is uit Arabische landen.’ Rrustemi: ‘Er zijn verschillende oorzaken. De context van waaruit ze komen is belangrijk. Balkan-jongeren komen uit een lange oorlog, twee decennia geleden. Dat heeft ervoor gezorgd dat staten en organisaties moeilijk konden functioneren na de oorlog. Verschillende organisaties hebben terroristische propaganda en activiteiten gedaan. Een voorbeeld: de overheid in Kosovo had een grote actie tegen die organisaties ondernomen, maar als je zulke organisaties twee decennia laat blijven bestaan, hebben die een grote invloed kunnen uitoefenen op de samenleving. Dit hebben we gezien met de grote aantallen die zijn afgereisd naar Syrië. De landen van na de oorlog zijn geschikte locaties voor zulke organisaties om te groeien, omdat er geen rule of law is die werkt. Daarnaast zijn er persoonlijke factoren die worden gebruikt (of eigenlijk misbruikt) door terroristische organisaties. Zij spelen in op allerlei kwesties die sommige delen van de samenleving zich hebben doen afkeren van hun omgeving. Denk aan: corruptie door mensen in de overheid, kapitalisme, de Amerikaanse interventie in Irak die onjuist en onterecht was, eventuele persoonlijke omstandigheden, een ‘onduidelijke’ identiteit en dus een zoektocht daarnaar na de oorlog.’
De meeste mensen die zich bij de gewapende groepen aansloten hebben bijvoorbeeld een Marokkaanse of Turkse achtergrond. Wat is de situatie onder Nederlandse jongeren met een (islamitische) Balkan-achtergrond, zoals Bosniërs of Kosovaren? Trkulja: ‘Waar de Bosnische, Servische of Kosovaarse Nederlanders de motivatie vinden om zich aan te sluiten bij IS of een andere islamistische terreurgroep weet ik niet. Overigens denk ik niet dat het om een aanzienlijk aantal jongeren met een ex-Joegoslavische achtergrond gaat. Daarnaast, vluchtelingen uit Bosnië zijn gemiddeld gezien beter geïntegreerd in de Nederlandse samenleving dan veel andere groepen.’ Rrustemi: ‘Er zijn wel Bosniërs vanuit Nederland die zich hebben aangesloten, maar deze groep is heel klein wanneer je het vergelijkt met migranten met bijvoorbeeld een Marokkaanse of Turkse achtergrond.’
In een artikel in de Volkskrant (2015) wordt gesteld dat de arbeidsparticipatie en het onderwijsniveau onder vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië hoog zijn; de werkloosheid behoort tot de laagste van alle migrantengroepen en het onderwijsniveau tot de hoogste – van de tweede generatie heeft ruim veertig procent een wo- of hbo-opleiding gevolgd. Ze spreken de Nederlandse taal goed en voelen zich hier thuis, aldus Marjon Bolwijn en Geerlof de Mooij. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn er per 2018 zesentachtigduizend Nederlanders met een (ex-)Joegoslavische achtergrond.
Mark Dechesne van de Universiteit Leiden legt in een recente lezing de nadruk op het verleden van de Balkan als deel van het Ottomaanse Rijk. Wat is de visie van de sympathiserende jongeren op Turkije? En speelt er in de bereidheid van de jongeren om te vechten ook een soort ‘oud zeer’ van het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk, het ‘kwijtraken’ van het Midden-Oosten (aan Westerse landen) of de verdeeldheid onder moslims wereldwijd? Trkulja: ‘Sympathie voor het Ottomaanse Rijk? Mij is niet bekend dat hiernaar onderzoek is gedaan. Kijkend naar de actuele politieke situatie in bijvoorbeeld Bosnië kan men wel concluderen dat de Bosniakken bepaalde sympathie koesteren voor het huidige Turkije en hun charismatische leider Erdogan. Dit kan ook een reactie zijn op de andere twee etnische groepen in het land, Serven en Kroaten, die in Servië en Kroatië een sterke bondgenoot hebben, of, om wat verder te gaan, in Rusland of de NAVO. Dat de Bosnische moslims dan een symbolische ondersteuning zoeken in een sterk islamitisch land is best mogelijk, maar dit moet je niet te groot achten. In tegenstelling tot Bosnische Serviërs en Kroaten spreken de Bosniakken geen gezamenlijke taal met de Turken en, behalve het geloof, hebben ze nauwelijks culturele banden met Turkije die je sterk zou kunnen noemen.’ Rrustemi: ‘Er is sprake van een kloof op de Balkan. Er zijn jongeren die sympathiseren met Turkije, maar die groep lijkt me niet zo groot. Er is ook een kloof ontstaan tussen Gülen en Erdogan, dus er zijn verschillende jongeren die sympathiseren met verschillende ‘kanten’ van Turkije. Deze jongeren zijn religieuzer, maar er is ook een groot aantal jongeren dat naar westerse landen wil gaan. Deze tweeledige ontwikkeling zegt wat over de aanwezigheid van twee machtsblokken in de regio, namelijk Turkije en het Westen.’
De laatste jaren is er in verschillende Europese landen een oprukkend nationalisme waar te nemen. Vaak wordt hierbij ook gelieerd aan ‘christelijke waarden’ en worden eerder gebruikte symboliek en concepten weer uit de kast gehaald. Is er op de Balkan ook een aanwezigheid van christelijk, of meer algemeen, nationalistisch extremisme? Zo ja, in hoeverre is er sprake van een reëel gevaar vanuit zulke groeperingen? Rrustemi: ‘De Balkan-regio heeft onder het communisme een geschiedenis van secularisme gekend, dus mensen waren minder strikt religieus. Nu zijn er meer religieuze mensen. De kerk is heel belangrijk en speelt ook een grote rol in etnische vraagstukken, zoals op het gebied van Kosovo. Verder is in Albanië afgelopen week een Griekse inwoner gedood door de politie. Dit soort incidenten kunnen nationalistische sentimenten versterken.’ Trkulja: ‘Nationalistisch extremisme is zeker aanwezig – meer dan christelijk extremisme, dat ook aanwezig is – onder Serviërs, orthodoxen, en Kroaten, katholieken. Dan heb je het soms zelfs over fascisme en neonazisme. Nationalisme richt zich tegen degenen die ‘anders’ zijn – met een ander geloof, andere huidskleur, taal of cultuur in algemene zin. De moslims in Bosnië en Servië voelen zich dus niet prettig en soms ook niet veilig. Maar, omdat de oorlog deze groepen uit elkaar heeft gehaald (een voorbeeld zijn de etnische zuiveringen in Bosnië tussen 1992 en 1995, red.), wonen ze niet met elkaar maar naast elkaar en is de kans op een direct conflict wat minder aanwezig. Daardoor is de angst voor ‘de ander’ en voor het conflict ook minder aanwezig, maar dit is zeker een potentieel gevaar voor de Bosnische en misschien ook de Servische samenleving. De uitslag van de verkiezingen in Bosnië heeft de nationalisten opnieuw steviger in het zadel gebracht. Niet de armoede, werkloosheid en uitzichtloosheid hebben als thema’s een rol gespeeld maar ‘de bescherming van nationale interesses’ was het hoofditem van de verkiezingen. Wat Pieter Feith zegt is waar, zijn woorden over de aanleiding tot radicalisering van jongeren onderteken ik, evenals wat betreft de invloed van China, Rusland en Turkije in de regio.’
In Amerika is hij sinds de midterm elections afgelopen dinsdag enigszins in zijn slagkracht beperkt, maar elders heeft hij in toenemende mate vrij spel: ‘de sterke man’. In een reeks van landen is hij in opkomst. Trump, Poetin, Erdogan, Bolsonaro, Duterte, Orban, Salvini – het rijtje wordt steeds langer. En gezien de autoritaire wijze waarop zij hun eigen partijen leiden en geen interne kritiek dulden, lijken ook Wilders en Baudet daarvan soms te dromen. Op Nederlandse schaal en in Nederlandse poldervorm uiteraard, maar dat gold indertijd ook voor de NSB. Wie nu filmpjes van haar partijdagen in de jaren dertig ziet, wordt ook eerder herinnerd aan een EO-gezinsuitje dan aan Leni Riefenstahls verfilming van Hitler in Neurenberg.
De genoemde buitenlandse regeringsleiders zijn allemaal via democratische verkiezingen aan de macht gekomen, waaraan zij vervolgens het recht menen te ontlenen om hun tegenstanders volledig in de hoek te drukken. De beginselen van de rechtsstaat zijn niet aan hen besteed (en dat geldt in elk geval ook zeer nadrukkelijk voor de extreemrechtse partijen in Nederland). ‘Het volk heeft mij gekozen’, zo luidt hun boodschap, ‘dus mag ik namens het volk doen wat ik wil’. Met minderheden – zoals etnische, religieuze en seksuele minderheden – die afwijken van de dominante nationale norm die zij zeggen te belichamen, hebben zij veelal weinig op. Datzelfde geldt voor de waarheid, of dat nu de MH17 of de eigen inauguratie betreft.
Ook proberen ze het via manipulaties zo te regelen dat zij nooit hun macht meer hoeven af te staan. Poetin heeft met een wisseltruc zijn zittingsduur fors weten te verlengen, Erdogan heeft dat grondwettelijk geregeld, Orban door de kieswet te manipuleren – een methode die ook de Republikeinen in de Verenigde Staten op grote schaal hebben toegepast. Het is dat de president hier aan een zittingsduur van maximaal twee termijnen gebonden is, want anders zou ook Trump vast bijtekenen tot in de eeuwigheid.
De democratische gedachte, die na de val van de Berlijnse Muur wereldwijd de wind mee leek te hebben – niet alleen in Oost-Europa, maar ook in Latijns-Amerika – is in elk geval in het defensief gedrukt. Nog los van het in bloedbaden ontsporen van de ‘Arabische Lente’ (Tunesië uitgezonderd) en de opkomst van China – waar overigens ook Xi Jinping veel dictatorialer optreedt dan zijn voorgangers – dat steeds meer economische greep op andere landen krijgt. De grote vraag die oprijst: valt er een rode lijn in de opkomst van al deze ‘sterke mannen’ te ontdekken? Of verschilt de oorzaak van hun succes daarvoor van geval tot geval te fors?
In het geval van Trump en Bolsonaro heeft het bipolaire kiessysteem mede hun verkiezingszege mogelijk gemaakt. Geen twijfel: een substantieel deel van hun kiezers is even xenofoob en racistisch als zij, maar dat was voor hun meerderheid niet genoeg. In beide gevallen was het voor veel kiezers een keuze tussen twee kwaden en opteerden zij voor de kandidaat die zij het minst verafschuwden.
Foto: CNN
Elders speelt dat weer geen rol en in Engeland werkt het soortgelijke kiesstelsel over het algemeen juist matigend, zoals dat ook lang voor Amerika gegolden heeft: om per kiesdistrict te winnen, moeten de politici in het midden gaan zitten. Extreemrechts is daarom nog nooit tot het Lagerhuis doorgedrongen. Anderzijds, evenredige vertegenwoordiging brengt dergelijke partijen weliswaar sneller in het parlement, maar daarvan gaat ook een waarschuwende werking uit – Londen kan de illusie koesteren dat de Britse kiezer voor antidemocratische sentimenten immuun is – en een meerderheid zullen in West-Europa PVV, AfD, FPÖ en alle anderen niet snel halen. In Oost-Europa en Latijns-Amerika, regio’s met nog veel minder democratische ervaring, is dat risico groter.
Het kiesstelsel kan bovendien in sommige gevallen dan wel verklaren waarom het mogelijk is dat een ‘sterke man’ in geval van electoraal succes aan de macht komt, het verklaart nog niet dat electorale succes als zodanig. Ook daarvoor is het niet zo makkelijk een rode draad te vinden die alle afzonderlijke gevallen verbindt. Een belangrijke factor vormt afkeer van de zittende elite, die voor corrupt en zelfzuchtig wordt versleten – en vaak ook niet geheel ten onrechte. Dan wordt de buitenstaander met de bezem populair. Dat geldt heel duidelijk voor Amerika, Brazilië en Italië. Hoe ongeloofwaardig de multimiljardair Trump als voorvechter van de gewone man ook is, aan Hillary kleefde Wall Street. Aan Bolsonaro’s en Salvini’s tegenstanders kleefde corruptie en in het eerste geval ook (na juist een aanvankelijk groot succes) een economische crisis. Op dat laatste was ook Poetins opkomst gebaseerd: na de chaos van de Jeltsin-jaren bracht hij stabiliteit.
Bij Poetins positie speelt ook iets anders een grote rol: het gevoel van nationale vernedering. Poetin staat voor ‘Maak Rusland weer groot’, zoals dat ook voor Erdogan geldt. En in zekere zin gaat dat ook voor Hongarije op, dat nog altijd het trauma van het verlies van tweederde van zijn grondgebied na de Eerste Wereldoorlog niet te boven is. En voor Italië, dat zich niet als gelijke van Frankrijk en Engeland behandeld voelt, terwijl het toch evenveel inwoners telt. In Rome en Boedapest is het zo ook het verzet tegen wat als betutteling door Brussel ervaren wordt, wat de rechtse nationalisten vleugels geeft: de Europese Unie als een soort buitenlandse dictatoriale macht van ongekozen technocraten.
Daaronder ligt in veel landen – ook Marine Le Pen ontleent daaraan een groot deel van haar electorale kracht – een groeiend gevoel van onzekerheid bij een groot deel van de bevolking. Dat voelt zich door de gevolgen van de globalisering, zoals migratie en open arbeidsmarkt, sociaal-cultureel en sociaal-economisch in zijn bestaanszekerheid bedreigd. En het voelt zich vervolgens in zijn angsten onbegrepen door de eigen nationale elite, die juist een grenzeloze wereld propageert, omdat ze daar zelf wél enorm van profiteert.
Onze site gebruikt cookies en vergelijkbare technologieën onder andere om u een optimale gebruikerservaring te bieden. Ook kunnen we hierdoor het gedrag van bezoekers vastleggen en analyseren en daardoor onze website verbeteren.
Deze website gebruikt cookies om uw gebruikservaring op deze website te verbeteren. Van deze cookies worden cookies aangemerkt als "Noodzakelijk" in uw browser bewaard, deze cookies zijn essentieel voor het functioneren van de website. Bijvoorbeeld het opslaan van uw keuze of u wel of geen cookies wilt hebben. Wij maken ook gebruik van cookies van derde partijen die ons helpen met het analyseren en begrijpen van de gebruik van deze website door u. Deze cookies worden alleen gebruikt als u daar toestemming toe geeft. U heeft ook de mogelijkheid om uzelf uit te sluiten voor deze cookies. Dit zal echter effect hebben op uw gebruikerservaring.
Noodzakelijke cookies zijn absoluut nodig voor het functioneren van de website. De cookies in deze categorie zorgen alleen voor de veiligheid en het functioneren van deze website . Deze cookies bewaren geen persoonlijke gegevens
Deze cookies zijn niet strict noodzakelijk, maar ze helpen de Kanttekening een beter beeld te krijgen van de gebruikers die langskomen en ons aan te passen aan de behoeftes van onze lezers. Hiervoor gebruiken wij tracking cookies. Bij het embedden van elementen vanuit andere websites zullen er door deze sites ook cookies worden gebruikt.