Waarom radicaliseren Balkan-jongeren?

Foto: Reuters
Het oorlogsverleden, machtspolitiek en een gebrek aan perspectief zetten Balkan-jongeren aan tot emigreren of radicaliseren.

Vorige maand waren er landelijke verkiezingen in Bosnië-Herzegovina. Kort voor de verkiezingen publiceerde Trouw een interview met de Oostenrijker Valentin Inzko, die sinds 2009 de hoogste internationale toezichthouder is in Bosnië. ‘Sinds hij in Bosnië zit, zijn de bevolkingsgroepen nauwelijks nader tot elkaar gekomen. De stembusgang van 7 oktober zal daar geen verandering in brengen. De campagnes voor de verkiezingen spelen zich grotendeels weer langs etnische lijnen af, met nationalistische retoriek van moslims, Serviërs en Kroaten’, aldus Trouw. Inzko zei onder meer: ‘Helaas worden de echte problemen uit het dagelijks leven niet aangekaart, zoals werk. Van de jongeren heeft vijftig tot zestig procent geen baan. Twintig tot dertigduizend van hen verlaten het land elk jaar, dus het zou moeten gaan over banen en betere ziekenhuizen, beter onderwijs, een beter rechtssysteem.’ In Bosnië vinden sommige politici het echter belangrijker om te laten zien dat zij zich sterk maken voor of Serviërs of Kroaten of Bosniakken (Bosnische moslims), de drie grootste bevolkingsgroepen in het land. Binnen Bosnië bestaat bijvoorbeeld een Servische deelrepubliek. Bosnië is na het Verdrag van Dayton (1995), dat een eind maakte aan de Bosnische Burgeroorlog (1992-1995), opgedeeld in twee entiteiten, de Federatie van Bosnië en de Servische Republiek. ‘Ik denk dat het goed is als westerse leiders ook elke maand vijf minuten van hun tijd voor Bosnië vrijmaken. Ook omdat het in hun eigen belang is dat hier een rechtsstaat geldt, met goed leiderschap. Problemen met de smokkel van wapens, mensen en drugs spelen nu al’, aldus Inzko.

Over het belang van de Balkan voor de EU zei oud-crisisdiplomaat Pieter Feith tegen BNR: ‘De EU heeft de laatste jaren een beetje te weinig aandacht aan de Balkan besteed. Dat heeft een opening geboden aan landen als Rusland, Turkije en China om hun invloed uit te breiden op de Balkan.’ Feith vindt het tevens opvallend dat er ieder jaar een toename is in het aantal moskeeën op de Balkan. ‘Dat komt niet alleen uit Turkije, maar ook uit Saoedi-Arabië. Het wahabisme breidt zich uit. Dat is geen oorlogszuchtige vorm van de islam, maar het geeft wel aanleiding tot radicalisering. Op dit moment is er niet onmiddellijk aanleiding om te denken aan de uitvoer van geradicaliseerde jongeren uit de Balkan naar onze landen toe, maar dat kan natuurlijk veranderen. Gewelddadig religieus fanatisme hangt ook samen met het perspectief dat de jongeren wordt geboden. Het is dus van groot belang de hoge werkloosheidscijfers te veranderen. Het houdt de jongeren van de straat en geeft ze een vreedzaam perspectief. wat natuurlijk veel beter is voor het land en voor de samenleving.’

Verschillende kranten kopten na de verkiezingsuitslag ‘Drie presidenten gekozen in Bosnië’, omdat de Bosniakken, Kroaten en Serviërs alle een eigen president afleverden en daar ook massaal op stemden. In Bosnië is er één partij, Naša Stranka (Onze Partij), die probeert om alle bevolkingsgroepen in het land te vertegenwoordigen. Deze partij is echter nog klein. Overigens bleek dat de helft van de Bosnische bevolking überhaupt niet heeft gestemd. De versplintering is groot. De Kanttekening sprak met Goran Trkulja en Arlinda Rrustemi over onder meer extremisme, nationalisme en het gebrek aan perspectief onder Balkan-jongeren. Trkulja was als journalist en radiomaker onder meer werkzaam voor de Volkskrant, Trouw en VPRO. Rrustemi van The Hague Centre for Strategic Studies is strategisch analist, docent vrede- en conflictstudies en kenner op het gebied van onder meer internationaal recht en terrorisme.

Er zijn berichten dat IS en vergelijkbare extremistische groeperingen voet aan de grond hebben gekregen in Balkan-landen zoals Bosnië. Hoeveel mensen uit de Balkan zijn afgereisd naar het Midden-Oosten om daar te vechten?
Trkulja: ‘Er zijn inderdaad mensen uit Balkan-landen – vooral Bosnië, Servië en Kosovo – die naar Syrië en Irak zijn gereisd en zich aangesloten hebben bij verschillende gewapende groepen. Het gaat vooral om jonge moslimmannen. Naar schatting – exacte aantallen zijn moeilijk te achterhalen – uit Kosovo rond de tweehonderddertig, uit Servië, specifiek de regio Sandzak (een gebied in Zuidwest-Servië en Noord-Montenegro waar moslims in de meerderheid zijn, red.) ruim honderd en uit Bosnië tussen de honderd en tweehonderdvijftig mannen.’
Rrustemi: ‘Het is altijd moeilijk om over exacte cijfers te spreken, omdat deze per instantie verschillen, maar Bosnië heeft het grootste aantal Syrië-gangers.’

Bij Bosniërs loopt het cijfer van het aantal Syrië-gangers uiteen van vierhonderd tot vijfduizend. Verder spreken schattingen van zo’n honderdveertig personen uit Macedonië. De Albanese regering zegt dat sinds 2011 ruim honderd mensen naar Syrië en Irak zijn afgereisd. Het aantal Kosovaren varieert tussen ruim tweehonderd en ruim driehonderd. Ook zou een zeventigtal Serviërs zijn afgereisd.

Wat maakt deze mensen kwetsbaar, wat zijn de oorzaken of motieven voor hun vertrek?
Trkulja: ‘In een opiniestuk voor de Belgische krant De Morgen schreef ik in 2015 al dat de economische en politieke crisis in Bosnië een voedingsbodem is voor fundamentalistisch populisme in dit land. Als het om Bosnië gaat moet men weten dat meer dan de helft van de jonge bevolking onder de leeftijd van dertig werkloos is. De huidige politiek biedt geen perspectief voor de toekomst en deze grote groep probeert naar EU-landen te emigreren. Een kleinere groep, vooral de jongeren die onder de invloed staan van salafisten – in het Bosnisch heten zij vehabije, dat komt van ‘wahabieten’ – kiezen voor het leven volgens de strenge islamitische regels en zij zijn makkelijk beïnvloedbaar voor extreme ideeën. Het is misschien goed om te weten dat bijvoorbeeld in Bosnië, naast de officieel geregistreerde Islamitische Gemeenschap (Islamska Zajednica, IZ, red.), irreguliere islamitische groepen bestaan die buiten de IZ vallen. Deze gemeenschappen – in het beginjaar 2016 waren er in Bosnië vierenzestig dzematen (gemeenschappen, red.), later zijn er nog enkele van overgebleven die zich weigeren aan te sluiten bij de IZ – staan onder invloed van de geradicaliseerde islamitische leer die afkomstig is uit Arabische landen.’
Rrustemi: ‘Er zijn verschillende oorzaken. De context van waaruit ze komen is belangrijk. Balkan-jongeren komen uit een lange oorlog, twee decennia geleden. Dat heeft ervoor gezorgd dat staten en organisaties moeilijk konden functioneren na de oorlog. Verschillende organisaties hebben terroristische propaganda en activiteiten gedaan. Een voorbeeld: de overheid in Kosovo had een grote actie tegen die organisaties ondernomen, maar als je zulke organisaties twee decennia laat blijven bestaan, hebben die een grote invloed kunnen uitoefenen op de samenleving. Dit hebben we gezien met de grote aantallen die zijn afgereisd naar Syrië. De landen van na de oorlog zijn geschikte locaties voor zulke organisaties om te groeien, omdat er geen rule of law is die werkt. Daarnaast zijn er persoonlijke factoren die worden gebruikt (of eigenlijk misbruikt) door terroristische organisaties. Zij spelen in op allerlei kwesties die sommige delen van de samenleving zich hebben doen afkeren van hun omgeving. Denk aan: corruptie door mensen in de overheid, kapitalisme, de Amerikaanse interventie in Irak die onjuist en onterecht was, eventuele persoonlijke omstandigheden, een ‘onduidelijke’ identiteit en dus een zoektocht daarnaar na de oorlog.’

De meeste mensen die zich bij de gewapende groepen aansloten hebben bijvoorbeeld een Marokkaanse of Turkse achtergrond. Wat is de situatie onder Nederlandse jongeren met een (islamitische) Balkan-achtergrond, zoals Bosniërs of Kosovaren?
Trkulja: ‘Waar de Bosnische, Servische of Kosovaarse Nederlanders de motivatie vinden om zich aan te sluiten bij IS of een andere islamistische terreurgroep weet ik niet. Overigens denk ik niet dat het om een aanzienlijk aantal jongeren met een ex-Joegoslavische achtergrond gaat. Daarnaast, vluchtelingen uit Bosnië zijn gemiddeld gezien beter geïntegreerd in de Nederlandse samenleving dan veel andere groepen.’
Rrustemi: ‘Er zijn wel Bosniërs vanuit Nederland die zich hebben aangesloten, maar deze groep is heel klein wanneer je het vergelijkt met migranten met bijvoorbeeld een Marokkaanse of Turkse achtergrond.’

In een artikel in de Volkskrant (2015) wordt gesteld dat de arbeidsparticipatie en het onderwijsniveau onder vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië hoog zijn; de werkloosheid behoort tot de laagste van alle migrantengroepen en het onderwijsniveau tot de hoogste – van de tweede generatie heeft ruim veertig procent een wo- of hbo-opleiding gevolgd. Ze spreken de Nederlandse taal goed en voelen zich hier thuis, aldus Marjon Bolwijn en Geerlof de Mooij. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn er per 2018 zesentachtigduizend Nederlanders met een (ex-)Joegoslavische achtergrond.

Mark Dechesne van de Universiteit Leiden legt in een recente lezing de nadruk op het verleden van de Balkan als deel van het Ottomaanse Rijk. Wat is de visie van de sympathiserende jongeren op Turkije? En speelt er in de bereidheid van de jongeren om te vechten ook een soort ‘oud zeer’ van het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk, het ‘kwijtraken’ van het Midden-Oosten (aan Westerse landen) of de verdeeldheid onder moslims wereldwijd?
Trkulja: ‘Sympathie voor het Ottomaanse Rijk? Mij is niet bekend dat hiernaar onderzoek is gedaan. Kijkend naar de actuele politieke situatie in bijvoorbeeld Bosnië kan men wel concluderen dat de Bosniakken bepaalde sympathie koesteren voor het huidige Turkije en hun charismatische leider Erdogan. Dit kan ook een reactie zijn op de andere twee etnische groepen in het land, Serven en Kroaten, die in Servië en Kroatië een sterke bondgenoot hebben, of, om wat verder te gaan, in Rusland of de NAVO. Dat de Bosnische moslims dan een symbolische ondersteuning zoeken in een sterk islamitisch land is best mogelijk, maar dit moet je niet te groot achten. In tegenstelling tot Bosnische Serviërs en Kroaten spreken de Bosniakken geen gezamenlijke taal met de Turken en, behalve het geloof, hebben ze nauwelijks culturele banden met Turkije die je sterk zou kunnen noemen.’
Rrustemi: ‘Er is sprake van een kloof op de Balkan. Er zijn jongeren die sympathiseren met Turkije, maar die groep lijkt me niet zo groot. Er is ook een kloof ontstaan tussen Gülen en Erdogan, dus er zijn verschillende jongeren die sympathiseren met verschillende ‘kanten’ van Turkije. Deze jongeren zijn religieuzer, maar er is ook een groot aantal jongeren dat naar westerse landen wil gaan. Deze tweeledige ontwikkeling zegt wat over de aanwezigheid van twee machtsblokken in de regio, namelijk Turkije en het Westen.’

De laatste jaren is er in verschillende Europese landen een oprukkend nationalisme waar te nemen. Vaak wordt hierbij ook gelieerd aan ‘christelijke waarden’ en worden eerder gebruikte symboliek en concepten weer uit de kast gehaald. Is er op de Balkan ook een aanwezigheid van christelijk, of meer algemeen, nationalistisch extremisme? Zo ja, in hoeverre is er sprake van een reëel gevaar vanuit zulke groeperingen?
Rrustemi: ‘De Balkan-regio heeft onder het communisme een geschiedenis van secularisme gekend, dus mensen waren minder strikt religieus. Nu zijn er meer religieuze mensen. De kerk is heel belangrijk en speelt ook een grote rol in etnische vraagstukken, zoals op het gebied van Kosovo. Verder is in Albanië afgelopen week een Griekse inwoner gedood door de politie. Dit soort incidenten kunnen nationalistische sentimenten versterken.’
Trkulja: ‘Nationalistisch extremisme is zeker aanwezig – meer dan christelijk extremisme, dat ook aanwezig is – onder Serviërs, orthodoxen, en Kroaten, katholieken. Dan heb je het soms zelfs over fascisme en neonazisme. Nationalisme richt zich tegen degenen die ‘anders’ zijn – met een ander geloof, andere huidskleur, taal of cultuur in algemene zin. De moslims in Bosnië en Servië voelen zich dus niet prettig en soms ook niet veilig. Maar, omdat de oorlog deze groepen uit elkaar heeft gehaald (een voorbeeld zijn de etnische zuiveringen in Bosnië tussen 1992 en 1995, red.), wonen ze niet met elkaar maar naast elkaar en is de kans op een direct conflict wat minder aanwezig. Daardoor is de angst voor ‘de ander’ en voor het conflict ook minder aanwezig, maar dit is zeker een potentieel gevaar voor de Bosnische en misschien ook de Servische samenleving. De uitslag van de verkiezingen in Bosnië heeft de nationalisten opnieuw steviger in het zadel gebracht. Niet de armoede, werkloosheid en uitzichtloosheid hebben als thema’s een rol gespeeld maar ‘de bescherming van nationale interesses’ was het hoofditem van de verkiezingen. Wat Pieter Feith zegt is waar, zijn woorden over de aanleiding tot radicalisering van jongeren onderteken ik, evenals wat betreft de invloed van China, Rusland en Turkije in de regio.’

DELEN
Burhan Cetin
Journalist gespecialiseerd in geschiedenis, Midden-Oosten, mens en samenleving.