Babah Tarawally (1972) wil met zijn nieuwe boek Ik ben omdat wij zijn laten zien dat verzoening en begrip nodig zijn in tijden van polarisatie. Hoewel hij racisme en discriminatie in Nederland ziet toenemen, ziet hij ook hoop en solidariteit.
De zeven jaren waarin hij nu als columnist voor dagblad Trouw schrijft, vergelijkt Tarawally met de zeven ‘magere’ jaren waarin hij in asielzoekerscentra zat, vertelt hij aan de telefoon vanuit zijn geboorteland Sierra Leone. Waar hij toen, in de jaren negentig, moest vechten voor zijn bestaan en voor erkenning, ziet hij dat tegenwoordig terug in het feit dat hij als niet-witte Nederlander opnieuw moet vechten voor zijn plek in de samenleving.
Wat hoop je met je nieuwe boek te bereiken?
‘Toen ik voor de krant begon te schrijven, was het een hele moeilijke tijd, van polarisatie, verdeeldheid, verdeel-en-heerspolitiek, discriminatie en racisme. Mijn columns in Trouw zijn persoonlijke verhalen over wat ik de afgelopen jaren meemaakte. In mijn boek reflecteer ik op die tijd. Ondanks die heftige periode probeer ik lezers te bewegen richting verzoening en begrip voor elkaar. Ik wil benadrukken dat wij allemaal mens zijn. Maar dat kan ik niet doen zonder eerst de pijn bloot te leggen, zoals de Ubuntu-filosofie ons heeft geleerd. Na zeven magere jaren hoop ik nu op zeven goede jaren, zoals je ziet in het christelijke geloof, waarin we nieuw perspectief krijgen in Nederland.’
‘Ik probeer altijd een oplossing te bieden’
Waarom omschrijf je de laatste zeven jaar als magere jaren?
‘Het waren hele pittige jaren waarin we elkaar niet begrepen, waarin sprake was van verdeel-en-heerspolitiek. Mensen in Nederland zagen niet in dat we discriminatie en racisme in stand houden. Mensen ontkenden dat er racisme was, maar in de tussentijd is het genormaliseerd. Maar nu is het van belang: hoe komen we hieruit en zorgen we ervoor dat we elkaar als mens blijven zien? Mijn verhalen gaan niet alleen over racisme en discriminatie, maar ik probeer ook mensen met elkaar te verbinden. Soms kan het pijnlijk en confronterend zijn, maar de bedoeling is om elkaar te vinden. Ik laat de lezer niet achter met een vraagteken; ik probeer altijd een oplossing te bieden. Dat is het doel van mijn boek Ik ben omdat wij zijn. Het eerste wat we moeten erkennen, is dat we de kwaliteit hebben om mens te zijn.’
Hoe heeft racisme zich ontwikkeld sinds jij je in Nederland vestigde?
‘Toen ik net in Nederland was, waren we niet online. Mensen die mij niet mochten, durfden dat niet te zeggen, maar je zag het aan hen, aan hun non-verbale communicatie. Zo werd je uitgesloten. Nu is dat veranderd, zeker sinds de komst van Pim Fortuyn, Rita Verdonk en nu Geert Wilders. Mensen die vanuit een nationalistisch gevoel durven te zeggen wat mensen al lang dachten maar niet durfden uit te spreken.’
Heb je racisme erger zien worden de afgelopen zeven jaar?
‘Ja. Ken je het Afrikaanse spreekwoord “een koe sterft niet zonder zijn staart te bewegen”? Je kunt niet tot heling komen zonder eerst de pijn te voelen. Zoals een koe zijn staart beweegt voordat zij sterft, doen mensen en extreemrechtse bewegingen die discrimineren of zich racistisch uiten een laatste stuiptrekking om zich te verzetten. Zij zijn namelijk aan het verliezen. Zij verzetten zich hiertegen door zich extra hard uit te spreken. Dat is de situatie waarin we nu zitten.’
Maar rechtsextremisme is juist bezig met een opmars in Europa.
‘Wij hebben het gevoel dat het aan het groeien is. Maar wij die daartegen zijn, zijn in de meerderheid. Zij zijn nu veel meer aan het woord en domineren de discussie. En zo bewegen zij als het ware hun staart, zoals het spreekwoord zegt. Zo zeiden mensen vroeger niet tegen mij “ik mag je niet”; nu doen ze dat wel. Vroeger was het racisme verborgen en durfden mensen zoiets niet hardop te zeggen. Dat mensen dat nu wel durven te zeggen, betekent niet dat het toeneemt; het is explicieter geworden en genormaliseerd.’

In een van je stukken schrijf je: ‘In Nederland koken we het racismevirus in een doofpot met deksel, waardoor de damp krampachtig in de pot blijft zitten. Soms ontsnapt er wat, waarop we snel controleren of het deksel nog goed zit.’ Denk je dat die pot verder opengaat met de opkomst en normalisering van extreemrechts?
‘Racisme en discriminatie zijn er altijd geweest. We willen niet dat het explodeert en naar buiten komt. Maar nu is het uit de pan gekomen. Sinds ik dat stukje schreef, is de situatie dus veranderd; het zit niet meer in de doofpot. Dat zie je aan de uitspraak van toenmalig premier Mark Rutte [toen hij in 2016 sprak over Turkse Nederlanders die zich niet zouden houden aan de Nederlandse normen en waarden, red.]: “Pleur op, zou ik in plat Haags willen zeggen.” Racisme heeft nu een gezicht gekregen.’
‘Ons verhaal over verbinding is niet sexy genoeg’
Zie je nu ook signalen dat mensen elkaar weer gaan vinden?
‘Zeker. Ik zie heel veel verandering in Nederland. Kerken, organisaties en bedrijven nodigen me uit om te komen spreken omdat zij het thema belangrijk vinden. Er zijn heel veel mensen die iets doen voor een ander, en dat groeit. Maar dat verhaal wordt niet vaak verteld, omdat we vaak de nadruk leggen op dingen die niet goed gaan. Terwijl we de geluiden van de flanken, zowel extreemrechts als extreemlinks, vaker horen, hoor je het midden weinig. Maar juist daar heb je meer ruimte om elkaar te ontmoeten. Wij zijn in de meerderheid, maar ons verhaal over verbinding is niet sexy genoeg.’
Wat zegt de huidige discussie over de nieuwe asielwetten jou over de angst voor de ander in Nederland?
‘Links maakt nu een grote fout door te denken dat ze het rechtse verhaal moeten gaan vertellen. Ze houden niet vast aan hun waarden en normen. Ze denken dat rechts scoort. En daardoor verliezen we onze menselijkheid uit het oog. Daarom herkennen veel mensen zich niet meer in het linkse verhaal, omdat het linkse verhaal langzamerhand op het rechtse is gaan lijken. Houd vast aan je principes! Vóór de mens. Vóór de humaniteit, vóór het leven, vóór asielzoekers!’
Je omschreef in je columns Nederland als divers, maar niet als inclusief. Kun je dat uitleggen?
‘Vaak wordt eerst de nadruk gelegd op diversiteit. Een bedrijf waar ik trainingen verzorgde aan vluchtelingen, vond diversiteit belangrijk. Zij boden deze vluchtelingen uit verschillende culturen de kans om voor hen te komen werken. Maar eenmaal op de werkvloer merkte ik dat het personeel geen idee had van andere culturen. Ze hadden geen contact met elkaar. Een ander voorbeeld is een 5 mei-viering waar ik bij was. Tot mijn verbazing werden daar alleen liedjes uitgevoerd waarin mijn vrienden en ik, uit Afrika en andere landen, ons niet konden vinden. Het begint bij het bestuur: zitten er mensen in het bestuur die weten wat er speelt in andere culturen? Nee! Zo kun je niet inclusief handelen en doe je dingen vanuit je eigen perspectief. Als een land met zoveel nationaliteiten er niet voor zorgt dat iedereen zich thuis voelt, dan ben je wel een divers land, maar niet inclusief. Als je niet de moeite neemt om verbinding te maken en inclusief te denken, dan is diversiteit een lege huls.’
Inclusiviteit heeft dus een diepere betekenis dan diversiteit, dat wat meer aan de oppervlakte ligt?
‘Klopt, en daarom moeten we de nadruk leggen op inclusiviteit. Als we dat als vertrekpunt willen nemen, moeten we eerst beseffen dat iedereen een mens is met kwaliteiten. En iedereen heeft recht op kansen.’
In je boek put je ook hoop uit de beweging Black Lives Matter. Heeft het opgeleverd wat je ervan hoopte?
‘Black Lives Matter heeft bewustwording gecreëerd, vooral onder Gen Z. De jongere generatie gaat het anders doen. Mijn dochter bijvoorbeeld. Zij ziet niet de pijn die ik zie. Voor deze jongeren is diversiteit vanzelfsprekend, omdat zij denken in inclusie; onder invloed van sociale media is de wereld dichterbij gekomen. Dat geeft mij hoop. Dankzij Black Lives Matter werden mijn dochters bewuster van hun huidskleur en positie in de wereld. Ze komen nu ook voor elkaar op als iemand wordt onderdrukt of gediscrimineerd. Maar je hoeft niet altijd je mond open te doen om dingen aan te kaarten of de dader fysiek te confronteren. Als je onrecht ziet gebeuren, kun je verzet bieden door het te filmen of de politie te bellen. Blijf niet aan de zijlijn staan!’
Babah Tarawally, Ik ben omdat wij zijn, Uitgeverij Jurgen Maas, 228 blz., € 21,99
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

