Home Blog Pagina 989

Volgevreten monster of ultiem paradijs?

1
‘Nu zie je haast niet meer dat je in Thailand bent: hotels met infinity pools, beerpong-toernooien, elke nacht dronken, dansende mensen in zwemkleding op het strand en getatoeëerde jongeren die met veel te snelle brommertjes over de gevaarlijke heuvelweggetjes racen.’ Onze correspondent Tieme Hermans doet verslag vanuit Thailand.

Reizen is hip, bucket lists zijn hip en Thailand is hip. Sinds kaskraker The Beach uit 2000 is het massatoerisme in het Zuidoost-Aziatische koninkrijk verviervoudigd en is het van exotische bestemming voor backpackers en rijke honeymooners naar mainstream vakantieland gegaan. Want wie is er nou nog niet in Thailand geweest?

Waar jonge westerlingen vroeger een rondreis maakten door Europa en families gingen kamperen in Frankrijk of Italië, is er een trend gaande waarin het steeds normaler wordt om even naar Thailand te vliegen, soms voor slechts tien dagen. Dat het ervaren van het dromerige Zuidoost-Azië met perfecte stranden, kruidige curry’s, lieve gastvrijheid en exotische natuur niet langer buiten bereik ligt van de westerse middenklasse is te zien aan het groeiende aantal bezoekers dat Thailand jaarlijks trekt. Van ruim negen miljoen in 2008 naar een geschatte zesendertig miljoen dit jaar. Deze snelle groei bezorgt het koninkrijk tegenwoordig zo’n twintig procent van het bruto nationaal product, maar gaat volgens critici ook gepaard met overvolle stranden, vervuiling, natuurschade, criminaliteit en verschraling van de Thaise eilandcultuur. Zijn de hoogtijdagen van het Thais eilandtoerisme achter de rug? De Kanttekening sprak inwoners, toeristen en experts.

Vier Iraanse en twee Duitse toeristen staan teneergeslagen rond hun rolkoffers en rugzakken. De twee Duitse jongens scrollen verwoed op hun telefoon en de vier Iraanse meiden kijken wat ongemakkelijk om zich heen. Zojuist werd het zestal door een boot afgezet op het strand van Railay, een bekend, paradijselijk strand in de Golf van Krabi in Zuid-Thailand. Tot grote schrik van de jonge backpackers blijkt dat ze niet de enigen zijn die droomden over het paradijs van Railay, want het parelwitte strand ligt bomvol toeristen, de zee vol met bootjes en overal klinkt muziek van de omliggende bars en hotels die elkaar met promotiemenu’s en goedkope drank proberen af te troeven. ‘Op Google zag het er toch iets anders uit’, mompelt de dertig-jarige Nooshin voor ze met een zucht haar rugtas omzwaait en toch maar richting de hotels loopt, want Railay is alleen per boot bereikbaar.

Volgens de Thaise ondernemer Itthi (36) van Koh Samui (Koh is Thais voor eiland) begint het massatoerisme steeds grotere schade toe te brengen aan de natuur, maar ook aan de cultuur op de eilanden. ‘Vroeger kwamen een handjevol toeristen naar deze stranden, maar werkten de meeste Thai nog gewoon in de visserij. Als je hier nu rondloopt zie je veel jonge Thai die opgroeien in een totaal andere wereld dan hun ouders. Ze nemen alle slechte gewoonten van de toeristen over; roken, drinken en de hele dag niets doen. Ze zien niet dat al deze Europese feestgangers straks weer terug gaan naar hun normale leven. Voor de generatie die hier opgroeit aan de kust is het elke dag feest.’

Ook expat Barry (66) uit Ierland voelt zich niet langer thuis aan de Thaise kust.‘Toen ik hier vijfentwintig jaar geleden kwam was Koh Samui een paradijsje waar mensen elkaar groetten op straat en je het enorme strand deelde met slechts een paar anderen. Daar is nu niets meer van over. Alles draait om toerisme en dus geld. Zelfs ik word belaagd door masseuses en proppers onderweg naar huis. Dit is niet het Thailand waar ik verliefd op ben geworden.’

Britse expat Martin (78) vult aan dat na de militaire coup van 2014 de Thaise visumregels een stuk strenger zijn geworden. ‘Voor rijke Westerlingen die in korte tijd veel geld uitgeven staan de deuren hier wijd open, maar het wordt je als gepensioneerde steeds moeilijker gemaakt om permanent in Thailand te blijven.’ Zowel Martin als Barry is bezig om te verhuizen naar buurland Cambodja. ‘Daar voelt het meer als het goede oude Thailand’, lacht Barry, ‘ze nemen het er niet te nauw met de regels, het leven is er goedkoop en mensen zijn nog eerlijk en vriendelijk.’

Barry denkt dat de hoogtijdagen van het Thais eilandtoerisme achter de rug zijn. ‘Er mogen nu wel meer bezoekers komen, maar wie goed kijkt, ziet dat het een zinkend schip is. Het aantal hotels blijft groeien, de stranden raken voller en voller, de vervuiling neemt toe en de paradijservaring neemt af. Ik vergelijk Thailand vaak met een verzadigd, gulzig monster dat binnenkort door zijn eigen vraatzucht ten onder gaat.’ Volgens de Ierse expat maken omliggende landen als Birma, Cambodja en Vietnam grote kans de vlag van Thailand over te nemen. ‘Let op mijn woorden, binnen tien jaar is die hele Thailand-hype overgewaaid en zit dit land met vervuilde, leegstaande spookstadjes aan de kust. Alle toeristen zitten dan in Birma, waar de ontwikkeling van strandtoerisme nog in de kinderschoenen staat. Daar kan je echt bounty beaches vinden zonder die te hoeven delen met drommen andere toeristen.’

Over de vervuiling en de natuurschade maken ook Thaise deskundigen zich zorgen. Volgens marien bioloog Thon (51) van de Kasetsart Universiteit in de hoofdstad Bangkok is maar liefst zevenenzeventig procent van de Thaise koraalriffen ernstig beschadigd door aan toerisme gelinkte activiteiten, een stijging van dertig procent ten opzichte van tien jaar geleden. Thon beweert dat veel van deze schade wordt veroorzaakt door strandhotels die hun riolering en ander vuil direct in zee laten stromen, door toeristen die tijdens het snorkelen op het koraal trappen, door ankers van toeristenbootjes en plastic afval dat achterblijft op het strand en in zee spoelt. Ook zanderosie is volgens de marinoloog een groot probleem. ‘Momenteel dreigt er al zo’n zeshonderdzeventig kilometer aan strand te gaan verdwijnen door zanderosie die grotendeels veroorzaakt wordt door grote bouwprojecten aan de kust.’

In recente jaren weten ook veel Chinezen, Koreanen en Brazilianen het land te vinden, wat weer een hele nieuwe markt heeft geopend en een publiek trekt dat een andere cultuur en andere verwachtingen met zich meebrengt. Vooral de Chinese toeristen leveren een steeds groter wordende bijdrage aan het aantal strandbezoekers. ‘Ze zijn overal!’, roept de Russische Sofia (38) gefrustreerd. ‘We kwamen naar de Similan-eilanden na het lezen van goede reviews op internet, maar toen ik hier aankwam met mijn man en zoontje bleek het te wemelen van de Chinese groepsreizigers die met bootladingen tegelijk worden afgezet.’

Er lijkt een patroon te zitten in de toestroom van toeristen, denkt leraar Phonsak (54) van Koh Phangan aan de zuidkust. ‘Toen ik nog een puber was in de jaren zeventig kwamen hippies naar ons mooie eiland, nu vooral bekend bij toeristen vanwege de enorme maandelijkse full moon party. De hippies vierden daar, net als de lokale boeddhistische bevolking het vollemaansfeest en bleven daarna rond kampvuurtjes op het strand zitten.’

Deze bijeenkomsten groeiden langzaam uit tot een fenomeen op zich. Phonsak vertelt dat wat begon als een feestje op het strand voor minder dan vijftig mensen uitgroeide tot de roemruchte feesten die hier vandaag de dag worden gehouden. ‘In die tijd hadden we nog geeneens stroom, geen wegen en geen grote speakers. Nu zie je haast niet meer dat je in Thailand bent: hotels met infinity pools, beerpong-toernooien, elke nacht dronken, dansende mensen in zwemkleding op het strand en getatoeëerde jongeren die met veel te snelle brommertjes over de gevaarlijke heuvelweggetjes racen. Ik vraag me af of de hippies van toen ooit hadden kunnen denken dat hun jamsessie hiertoe zou leiden.’

Ook maffiapraktijken werpen een schaduw op Thailands imago als vriendelijk vakantieland. Zo werden er gedurende de afgelopen vier jaar zeven backpackers vermoord op het idyllische Koh Tao. Deze moorden zijn nooit volledig opgelost, maar op het eiland zelf is algemeen bekend dat de lokale maffiafamilies erachter zitten. Ook op Phuket, Koh Phi Phi en Koh Samui is volgens kolonel Thitirat Nonghanpitak van het Thais Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau veel maffia-activiteit gaande in transport, toerisme, prostitutie, straatverkoop, mensensmokkel en vastgoed, maar heeft vooral de lokale bevolking hier last van.

Toch blijven strandgangers van over de hele wereld aangetrokken door de Thaise belofte. De prognose voor de komende jaren is dat de bezoekersaantallen zullen blijven stijgen. Thailand blijft hot. Volgens bareigenaar Tuna (48) van Koh Jum aan de zuidkust zijn veel strandgangers niet op zoek naar een onbewoond-eilandgevoel, maar zoeken ze juist graag de levendigheid, leuke restaurants en barretjes op. Dit heeft weliswaar tot gevolg dat veel toeristen terecht komen op dezelfde plek, maar voor een groot deel van de bezoekers is dit juist geen probleem. Toch denkt Tuna dat gezien de natuurschade en andere problemen die het massatoerisme met zich meebrengt het beter zou zijn als het toerisme zich wat gelijkmatiger zou spreiden over de verschillende eilanden. ‘Het probleem is ook dat toeristen elkaar volgen en zich op zo’n verre reis vastklampen aan de wijsheid van de Lonely Planet of andere reiswebsites. Thailand heeft nog altijd een fantastisch aanbod aan eilanden waar je rust, ruimte, natuurschoon en vriendelijke cultuur kan ervaren. Je moet er alleen iets beter voor zoeken.’ Tuna geeft ook aan dat luxe en rust niet altijd goed samengaan. ‘De mooiste stranden zijn vaak niet eens per weg bereikbaar. Zodra er grote resorts en wegen worden aangelegd met toeristische barretjes en restaurants met internationaal menu, dan kan je verwachten dat het binnen tien jaar gedaan is met die rust en vrede.’

Zijn buurvrouw, advocate Maialin (39), vult aan dat bezoekers rekening moeten houden met wat zij de illusie van het optische paradijs noemt: ‘vanaf je beeldscherm thuis lijkt het ene strand nog geweldiger dan het andere, maar op het moment dat je afgezet wordt bij je hotel bekruipt je het gevoel dat je Robinson Crusoe-fantasie toch niet helemaal zo mooi is als je had gedroomd.’ Toch geeft de advocate aan dat Thailand, met een kustlijn van 3219 kilometer en ruim duizend eilanden, technisch gezien veel meer toeristen aan zou kunnen, maar dat er nu hordes toeristen op een eiland zitten terwijl het volgende nagenoeg verlaten is. ‘Ons koninkrijk heeft nog tientallen net zo mooie, maar veel rustiger eilanden. Wie zegt dat Thailand vol en verzadigd is, kijkt gewoon niet goed uit zijn doppen.’

Het potentieel van Thaise stranden lijkt nog altijd enorm, omdat een groot deel van de eilanden slechts kleine bezoekersaantallen trekt. Voor elk soort reiziger biedt het land nog voldoende keuze. Voor wie het echt een droom is om de zon onder te zien gaan vanaf een leeg bounty beach, een visje van de barbecue te eten waar de lokale visser net mee aan komt gelopen en te genieten van ongekunstelde gastvrijheid en eilandcultuur heeft Thailand nog altijd een groot aanbod aan verborgen paradijsjes. Kilometers nagenoeg verlaten strand en het rustige eilandleven, van hippyparadijs tot de droombestemming voor honeymooners. De tien onderstaande eilanden zijn slechts een greep uit het ruime aanbod.

Flashpackers, stelletjes, families

1. Koh Jum. Island vibe en rustige zee. Kleurrijke vissersdorpjes, vriendelijke moslimdorpjes waar iedereen elkaar kent en zelfs in het hoogseizoen nog voldoende kans om een eigen stukje strand te bemachtigen. Veel vriendelijker dan locals op Ko Jum wordt het niet volgens sommige bezoekers en heb je hier grote kans om uitgenodigd te worden voor een visbarbecue in een klein reggaebarretje waar de eigenaar de hele dag op een gitaar zit te pingelen alsof de dag van morgen niet bestaat. Koh Jum biedt accommodatie voor budgetreizigers en families. Beste tijd om te bezoeken: december tot maart. Gemiddelde prijs per nacht: vijftien tot dertig euro per nacht.

2. Koh Kood. Rust, ruimte en comfort. Kristalhelder water, perfect zandstrand en een groot koraalrif maken dit eiland de ultieme bestemming voor wie een rustige vakantie zoekt met prachtige zonsondergangen, mooie natuur en ruimte om te genieten voor families en stelletjes. Beste tijd om te bezoeken: oktober tot februari. Gemiddelde prijs per nacht: twintig tot veertig euro per nacht.

3. Koh Yao Noi en Ko Yao Yai. Lekker eten en mooie resorts zonder hordes toeristen.
Perfect voor families, met rustige resorts, privévilla’s en uitstekende eetgelegenheden. De accommodatie is iets aan de dure kant voor backpackers, maar voor families en stelletjes bieden deze beide eilanden, in de rustige Baai van Phang Nga, de perfecte balans tussen comfort en authentieke eilandervaring. Beste tijd om te bezoeken: november tot mei. Gemiddelde prijs per nacht: tussen de vijfentwintig en zestig euro per nacht.

4. Koh Sukorn. Het eilandleven van weleer. Meer waterbuffels dan mensen, slechts vier resorts en vriendelijke traditionele bevolking. Verken de rijstvelden, kokosnootplantages en wilde natuur per fiets en geniet van het rustige eilandleven vanuit een hangmat. Beste tijd om te bezoeken: december tot maart. Gemiddelde prijs per nacht: tussen de vijftien en veertig euro.

Alternatieve soloreizigers of backpackers met beperkt budget

5. Koh Chang Noi. Ultieme hangmatbestemming. Voor onafhankelijke reizigers die niet veel geven om 24-uur stroom, wifi en pluche onderkomens. Het slaperige Koh Chang Noi, niet te verwarren met Koh Chang aan de oostkust, heeft geen politie, beperkte faciliteiten en weinig toerisme. In ruil daarvoor krijg je een eiland met vriendelijke locals, ongerepte natuur en spectaculaire uitzichten op buurland Birma. Beste tijd om te bezoeken: november tot maart. Gemiddelde prijs per nacht: tussen de tien en dertig euro.

6. Koh Phayam. Voor de artsy backpacker. Verwacht geen seven eleven-supermarkten en pinautomaten op het kleine Koh Phayam. Maar wel een eiland met klassieke, relaxte strandsfeer met bezoekers die al jarenlang nergens anders naar toe willen op vakantie. Favoriet onder kunstenaars en muzikanten waardoor er een ongekunstelde hippysfeer hangt. Er zijn de afgelopen jaren een aantal meer upscale accommodaties, barretjes en kunstgalerietjes, dus Koh Phayam is allang niet alleen maar een toevluchtsoord voor vagebonden. Beste tijd om te bezoeken: november tot mei. Gemiddelde prijs per nacht: tussen de twaalf en veertig euro.

7. Ko Phra Thong. Lekker authentiek chillen in je houten bungalow. Volgens sommigen is dit de beste plek in Thailand voor vogelspotters en natuurliefhebbers. Op dit eiland vind je vooral basic bungalows en enorme, uitgestrekte stukken onontwikkeld strand. Beste tijd om te bezoeken: november tot april. Gemiddelde prijs per nacht: tussen de twaalf en twintig euro.

Kampeerders

Wie zegt dat je in Thailand niet kunt kamperen heeft niet goed opgelet. Nagenoeg alle nationale parken bieden kampeerplekken aan en zeker in het koele seizoen tussen december en maart is kamperen op een Thais strand voor sommigen de ultieme vrijheidservaring.

8. Koh Lao Liang: voor de actieve natuurliefhebber. Deze geïsoleerde eilandengroep, niet ver van Maleisië, biedt een off the beaten track-ervaring voor klimmers, kampeerders en natuurliefhebbers aan de Andamanse Zee. Beste tijd om te bezoeken: januari en februari. Gemiddelde prijs per nacht: veertig euro voor een luxe tent.

9. Koh Rawi: onvervalste Crusoe-ervaring. Een bijna onbewoond eiland waar je kunt kamperen. Op het prachtige strand worden af en toe dagjesmensen afgezet, maar zodra die vertrokken zijn, heb je het strand voor jezelf. Beste tijd om te bezoeken: januari tot maart. Gemiddelde prijs per nacht: vijf euro voor een tent.

10. Koh Surin: walvishaaien en zeeschildpadden. Nog zo’n afgelegen pareltje waar je kunt genieten van snorkelen, het zien van zeeschildpadden en walvishaaien zien en kunt verblijven in een tent of bungalow van de rangers in het nationale park. Beste tijd om te bezoeken: januari en februari. Gemiddelde prijs per nacht: tent vanaf acht euro, bungalow vanaf vijftig euro.

Een andere zogenaamde travel hack is reizen in het regenseizoen. Sommige eilanden als Koh Phayam kennen een bijzonder heftige moesson waardoor de meeste hotels gesloten zijn, maar andere eilanden als Koh Kood en Koh Rawi zijn dan nog rustiger, accommodatie is er goedkoper dan in het hoogseizoen en het regent vaak slechts een uur per dag. Ook loont het vaak de moeite om net iets buiten de toeristencentra te gaan zitten. Zo vind je op het full moon-partyeiland Koh Phangan niet alleen feestende backpackers, maar ook prachtige jungle en een yogadorp waar mensen komen voor rust, gezond eten en yogalesjes op het strand.

De Thaise overheid heeft zich de afgelopen jaren tot doel gesteld om het massatoerisme op overvolle eilanden als Koh Phi Phi, de Similan-eilanden en Koh Tachai in te perken om de natuur de kans te geven zich te herstellen. Vooral de grote cruiseschepen en lawaaiige motorboten met dagjesmensen worden geweerd. Volgens marinoloog Thon is dit slechts een deel van de oplossing. ‘Het tijdelijk sluiten van de deuren op sommige stranden zal tot op zekere hoogte helpen, maar om volledig te herstellen zouden deze plekken permanent dicht moeten, maar daarvoor zijn we te afhankelijk van de inkomsten die het toerisme ons land brengt.’

Alarm! Salafisten in het stadhuis!

0

Toen de Telegraaf mij belde om commentaar op de reportage van de krant dat ‘salafisten infiltreerden in het Rotterdamse stadhuis’ wist ik uit ervaring dat mijn woorden ingebed zouden kunnen worden in een schreeuwerig stuk dat moord en brand schreeuwde. Het eerste stuk dat over de kwestie ging stond hoe dan ook bepaald niet op de achterpagina en de kritiek op de Telegraaf was dat ze geen wederhoor had gepleegd. De experts in radicalisering op het Rotterdamse stadhuis, een man en een vrouw, zouden niet benaderd zijn om hun verhaal te doen. Nikki Sterkenburg, journaliste bij Elsevier, nam de gelegenheid te baat om onder andere via Twitter te vertellen dat toen zij indertijd onderzoek deed naar een vergelijkbare kwestie in het Amsterdamse stadhuis, zij zich liet verleiden tot het geloven dat de duivel zelf zich genesteld had in de Amsterdamse burelen (mijn woorden). Het bleek allemaal veel genuanceerder te liggen dan ze eerder veronderstelde. Ik vond haar mea culpa mooi, maar er zat een rafelrandje aan, waarom er pas mee voor de dag komen nu de ‘kwestie Rotterdam’ zich aandient en niet eerder? Of kwam ze nu pas tot het besef? Enfin, het is hoe dan ook mooi dat iemand in het toch al zo gepolariseerde debat publiekelijk verklaart verkeerd te hebben gezeten. Daar kan menig journalist een les van leren.

Ik schets dit allemaal omdat ook mijn commentaar stevig gefileerd werd op internet. Wat had ik nu te zeggen over twee mensen die ik nog nooit had gesproken? En hoe zat het met mijn bronnen op het stadhuis? Toch wist ik deze kritiek te pareren, omdat de Telegraaf journalist Silvan Schoonhoven mij niet vroeg naar de specifieke twee medewerkers van de gemeente Rotterdam, maar in zijn algemeenheid naar de wenselijkheid van mensen zoals adviseurs op een gevoelig thema zoals radicalisering binnen de moslimgemeenschap, die zelf orthodoxe of zelfs salafistische standpunten hebben. Ik ging wat mij betreft in op de theoretische vraag wetend dat velen dat niet als zodanig zouden percipiëren. En ik kwam tot hetzelfde standpunt als toen ik vorig jaar bij een uitzending van Nieuwsuur werd geïnterviewd over het ‘herbronnen’ van jonge moslims die het ware geloof zochten in een tamelijk rigide vorm van islam. Ik beargumenteerde toen dat dat allemaal kon in de samenleving, maar dat ik er niet bij stond te juichen en ook dat ik vond dat universiteiten (als de Vrije Universiteit) dit soort bewegingen niet moesten faciliteren met zalen of gebedsruimtes. Ik vind hoe dan ook dat religie zoveel als maar mogelijk is niet aanwezig zou moeten zijn in de publieke ruimte of in instellingen die door de overheid worden gefinancierd waarbij ik me ook realiseer dat dat erg lastig is gezien artikel drieëntwintig van de Grondwet dat de financiering van bijzonder onderwijs faciliteert. Ik zou hoe dan ook, ook voor het afschaffen van het gebed zijn waar promoties in mijn Tilburgse universiteit mee beginnen en eindigen en dat geldt ook voor de halalhoek in de mensa van dezelfde universiteit.

Het grootste bezwaar dat ik had op de mogelijke aanwezigheid van orthodoxe gelovigen, in dit geval moslims, in overheidsgremia is dat ze doorgaans een wat mij betreft zeer orthodox gedachtegoed met zich meebrengen over bijvoorbeeld de positie van de vrouw, homoseksualiteit en de democratie, dat nogal contrasteert met mainstream Nederlandse waarden. Consequent als ik probeer te zijn in de opvatting dat religie toch vooral achter de voordeur moet worden beleefd, ben ik er niet voor om dit soort mensen te rekruteren. Ik besef wel dat ik hier in de buurt kom van het schenden van het gelijkheidsbeginsel van artikel één van de Grondwet en het is om die reden dan ook dat ik deze mening als voorkeur uit en niet als regel. Mijn wens is politiek van aard en niets houdt mij tegen die te uiten, wetend dat de Grondwet de beleving van religie (artikel zes) garandeert, overigens zonder dat dat tot wanordelijkheden leidt (aldus lid twee van datzelfde artikel).

Ten slotte ben ik van mening dat als moslims door gemeentes in dienst genomen worden om signalen van radicalisering door te geven zij in hun eigen achterban en vooral door potentiële rekruteerders en jihadisten gemeden zullen worden. Zij zullen een groot deel van hun contacten verliezen of deze zullen zwijgen. Dan kun je beter gewoon de veiligheidsdiensten erop zetten. Die zijn daarop getraind en hebben, naar verluidt, al ettelijke aanslagen voorkomen.

Overigens had de Telegraaf mijn commentaar uiteindelijk prima verwoord. Compliment voor de grootste krant van Nederland.

Nieuw liberaal inclusief nationalisme

0

Diversiteit, inclusie, verscheidenheid, multiculti, samenleven, het zijn termen die aan de lopende band voorbij komen wanneer we spreken over onze multietnische samenleving. En veelal worden ze ook in een bepaalde context gebruikt, en worden termen als rijkdom, verrijkend en de toekomst eraan gekoppeld om aan te geven dat het geheel iets positiefs is, en het de realiteit is waar weinig meer aan veranderd kan worden.

Dat er desondanks velen zijn die anders denken, dat werd recentelijk maar weer eens duidelijk met de uitspraken van Minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok over de multiculturele samenleving. De beste man uitte zich daar weinig positief over. In de politiek en media viel vrijwel iedereen over hem heen, maar toch kan een flink deel van de bevolking zich wel degelijk in zijn uitspraken vinden. Dergelijke sentimenten worden dan vervolgens al snel weggezet met termen als wit privilege, etnocentrisme en racisme, en dan gaan we weer over tot de orde van de dag. Diversiteit is rijkdom en dient gevierd te worden, kritische vraagtekens erbij plaatsen wordt racistisch geacht.

Overigens ís diversiteit ook rijkdom. Een diverse samenleving kent veel voordelen, en daar profiteren we van. Tegelijkertijd zitten er ook nadelen aan vast, en moet er de ruimte zijn om deze te bespreken. Maar dat is niet het punt dat ik hier wil maken. De vraag is namelijk of we in een diverse samenleving, die als gevolg van migratie alleen maar diverser wordt, wel op de goede weg zitten wanneer we ernaar streven om het te vieren. Waarbij we er dan in de praktijk vooral mee bezig zijn te benadrukken hoe verschillend we allemaal zijn, en hoe geweldig dat wel niet is.

En dan komen we bij iets wat ik graag als een diversiteitsparadox (er zijn er meerdere) zou willen omschrijven. Enerzijds zijn we als samenleving continu bezig om diversiteit en het belang ervan te benadrukken. Anderzijds schieten we juist in die diverse samenleving geregeld in een kramp wanneer het om gelijkheid en gelijke behandeling gaat. Verschil mag er immers alleen zijn wanneer het iets positiefs is en niet wanneer de gevolgen ervan negatief kunnen uitpakken.

Op zich vrij logisch, want mensen willen en horen gelijk behandeld te worden. De vraag is hoe consistent dit streven is met het continu willen benadrukken van diversiteit en erkenning verlangen van het anders-zijn. In zijn algemeenheid kunnen we ons ook afvragen hoe wenselijk het is de nadruk te leggen op de diversiteit in een samenleving waarin sprake is van groeiende spanningen omtrent diversiteit. Is het niet beter om in plaats van diversiteit te vieren, dus in plaats van het benadrukken van het verschil, juist meer te kijken naar wat ons verenigt en verbindt, wat we gemeenschappelijk hebben in plaats van waarin we van elkaar verschillen?

In plaats van als samenleving diversiteit te vieren zouden we er beter aan doen om eenheid te smeden. Juist in een diverse samenleving. Een dergelijke samenleving heeft juist behoefte aan verbinding, aan een gemeenschappelijk verhaal en een helder idee over wat we precies met elkaar delen, in plaats van alleen maar aan te horen waarin we van elkaar verschillen. Juist die verbondenheid is cruciaal wanneer het gaat om het in stand houden van onze liberale democratie, rechtstaat (waarbinnen we allen gelijk behandeld worden) en verzorgingsstaat. Wanneer verdeeldheid onze samenleving in haar greep krijgt, komen die namelijk onder druk te staan.

Wat we als samenleving nodig hebben is dus een nieuw, liberaal, inclusief nationalisme, dat ondanks onze verschillende achtergronden in staat is om onze gezamenlijke toekomst te schetsen. Een gevoel van ergens bij horen en verbonden zijn met je medeburger. Een gevoel van hier thuis zijn, en daar met recht trots op kunnen zijn. Een gevoel dat eenieder die daar graag bij wil horen er ook daadwerkelijk bij hoort, en dat we samen deze samenleving maken tot het succes wat zij is. Een dergelijk verhaal is veel krachtiger, en ook veel meer verbindend, dan alleen maar de focus op diversiteit en hoe verschillend we wel niet allemaal zijn. Willen we voorkomen dat onze samenleving steeds meer als los zand uiteen dreigt te vallen en weggespoeld wordt door het denkbeeldige water, dan moeten we een stevige dijk om de polder heen bouwen: de dijk van het liberaal nationalisme, dat ons verbindt en beschermt, met het oog op de stormen van de toekomst.

De Nederlandse kraakbeweging is niet dood

1
De huizenprijzen rijzen in veel grote steden de pan uit, de woningnood is groot. Daardoor komen ook krakers steeds vaker in beeld. De Kanttekening sprak enkele betrokkenen.

De Nederlandse kraakbeweging is niet dood. Ze leeft. Waren de krakers vroeger nog vooral Nederlandse, bijna kansloze woningzoekers, nu gaat het vooral om uitgeprocedeerde vluchtelingen die zich het basisrecht in dit land niet laten ontzeggen: het recht op een dak boven je hoofd.

Studenten en jongeren van deze tijd zijn minder activistisch ondanks de enorme hoge huurprijzen en kraken ook veel minder. Waar in de jaren tachtig nog duizenden jongeren op de barricaden stonden tegen het slopen van gebouwen, betalen jongeren van nu vaak de hoofdprijs. De prijzen lopen op tot veertienhonderd euro voor vijfenveertig vierkante meter woonruimte in de Randstad. Kraken is ontstaan uit woningnood en is vaak een bezigheid van de kansarmen. Maar de meeste studenten van nu zijn niet echt kansarm.

Toch blijven de huurprijzen flink stijgen en hebben veel studenten maar ook andere jongeren moeite om een betaalbare kamer te vinden. In het Parool stond begin juli nog op de voorpagina dat duizenden Amsterdammers de stad verlaten om in de provincie Noord-Holland goedkoper en groter te wonen. Hiermee drukken ze de lokale woningzoekenden uit de markt. De woningnood beperkt zich dus ook niet meer tot de grote steden. Toch gaan de jongeren niet meer massaal over op kraken. Dat was in Nederland wel eens anders.

Het hoogtepunt van de Nederlandse kraakbeweging lag in de jaren tachtig. Met Amsterdam als krakershoofdstad. Kraken gebeurde al op kleine schaal in de jaren vijftig, maar deze illegale huisbezettingen zoals dat destijds heette bleven onder de radar. De eerste echte bekende kraakacties vonden plaats in 1964 in Amsterdam op een van de oostelijk eilanden, Kattenburg. Kattenburg moest tegen de vlakte voor nieuwbouw, maar de sloop liet jaren op zich wachten. Gemeenteambtenaren maakten de huizen destijds opzettelijk onbewoonbaar. De studenten van het blad Propria Cures namen het de gemeente kwalijk dat de wijk jarenlang had kunnen dienen als huisvesting voor studenten. Ze gingen over tot actie. Dit werd het begin van de kraakbeweging. Sindsdien verkeerde Amsterdam eigenlijk tot 1985 steeds in onrust. De kraakbeweging groeide met de acties van de Provo’s in de jaren zestig, de sloop van een deel de Nieuwmarktbuurt en bereikte uiteindelijk haar hoogtepunt met de inhuldiging van Beatrix op 30 april 1980 en later de spectaculaire ontruiming van de Vondelstraat.

Teun (57), oud-kraker in Amsterdam, kan het zich nog goed herinneren. Hij is nu vrijwilliger bij de kraakbeweging en geeft graag krakers adviezen. ‘Er zijn regels. Online staat er een algemene krakershandleiding die we destijds hebben geschreven. Het is zeer handig om die te volgen.’ Teun deed mee omdat hij als student in de jaren tachtig een woning nodig had. ‘Het was toen denk ik wat makkelijker om te kraken, omdat er gewoon heel veel panden in de stad leeg stonden. In het centrum hebben we wel twintig gebouwen gekraakt. In de Jordaan al zeven. Het kraken in die tijd was ongeëvenaard.’

John (61), kunstenaar uit de VS kwam in 1981 naar Amsterdam. ‘Ik heb me vrijwel meteen bij de kraakbeweging aangesloten. We hadden een mooi pand in het centrum gekraakt en hadden zelfs ons eigen moestuintje. Dat was een heel fijn leven in die tijd. Maar toen de overheid de boel ging opruimen, deden ze de oude krakers toch een goed aanbod. Ze zetten ons bovenaan de lijst van woningzoekenden. Ik heb het aanbod dat ik kreeg aangenomen en ben gaan huren tegen een redelijke prijs.’

Renate (68), gepensioneerd bedrijfsarts en nu woonachtig in Huizen, kraakte in 1971 een woning. ‘Ik zat in een alternatieve scene. Je had een groep die in de gaten hield welke woningen leeg stonden. Wij kraakten uiteindelijk een woning op de Kostverlorenkade in Amsterdam. De eigenaar stuurde er meteen een knokploeg op af. Maar toen ze zagen dat daar een jonge moeder met een kind woonde lieten ze het maar gaan. Er werd afgesproken dat ik honderd gulden per maand zou betalen. Ik heb daar een paar jaar plezierig gewoond.’

Bekende grote krakersbolwerken waren de Grote Keizer en de Grote Wetering. De ontruiming van deze krakersforten ging gepaard met veel geweld en veel arrestaties. Gerrit (71), voormalig journalist uit Huizen, kan zich deze straatgevechten nog goed herinneren. ‘Ik werkte toen bij de krant en maakte gebruik van de telefooncel in de Constantijn Huygensstraat om de richting van de actievoerders te berichten. Ik had de redactie gebeld en vijf minuten later verpulverde een bulldozer van de politie heel die cel. Misschien om de communicatie tussen de actievoerders te voorkomen.’ Gepantserde wagens, shuffles, pelotons ME en traangas maakten destijds deel uit van het straatbeeld.

Oud-kraker Jo (62) is werkzaam in de media, oprichter van Migrant2Migrant (M2M) en communicatieadviseur van de krakende vluchtelingengroep We Are Here. Hij vertelt: ‘In 1980, met de inhuldiging van Beatrix hebben we een dagblad gemaakt met als kop Rellen verstoord door plechtigheden. Schande. De jaren tachtig zaten vol met hoogtepunten. De Vondelstraat was nog mooier, zeker voor de kraakbeweging. De kroningsdag was gewoon totale chaos. Dat was ook wel lachen. De slogan van deze dag was ‘geen woning, geen kroning’.’

De kraakbeweging raakte vanaf toen in heel Nederland in een stroomversnelling. In alle grote steden zoals Haarlem, Utrecht, Den Haag, Den Bosch, Groningen en Nijmegen werd nu gekraakt. Het aantal krakers van 1980 tot 1981 steeg tot twintigduizend. Tegelijkertijd veranderde volgens Geert Mak ook de tendens in de beweging. In de jaren zestig werd vooral gesproken over participatie en was het volgens Mak een beweging vóór jongerenhuisvesting. ‘In de jaren tachtig veranderde dit in een tegenbeweging. Een beweging tegen autoriteiten, de consumptiemaatschappij, onderdrukking, uitbuiting en dwang. Het kraakpand fungeerde in de nieuwe subcultuur als een vaste burcht waarbinnen van harte geëxperimenteerd kon worden met woon-, werk- en leefvormen en die tegelijkertijd als uitvalsbasis fungeerde tegen alle onrecht in de wereld’, aldus Mak.

Door het geweld dat werd gebruikt bij de inhuldiging, ontstond er een tweedeling in de kraakbeweging. Toch was een eenheid eigenlijk al nooit echt te vinden. Eric Duivenvoorden, voormalig kraker en nu socioloog en auteur van het boek Een voet tussen de deur geschiedenis van de kraakbeweging van 1964 tot 1999, beschrijft de kraakbeweging als ‘een samengeraapt zooitje van de meest uiteenlopende types met ieder zijn drijfveren en motieven’.

Jo ziet de kraakbeweging van vroeger toch ook als een heel diverse beweging. ‘Het was een tegenbeweging, maar het was ook een heel constructieve beweging. Ik zie het kraken als het in gebruik nemen van ruimte. Wat er in die ruimte vervolgens gebeurt, gedaan en gemaakt wordt, dat is interessant. Wat er vanuit een gekraakt pand uitgaat naar de stad of naar de wereld dat is ook constructief.’ Maar volgens Jo is er soms natuurlijk ook de onvermijdelijke confrontatie. ‘Als je als krakersgroep bedreigd wordt door knokploegen of de politiek, dan ga je natuurlijk in het verzet. Als je te maken krijgt met ontruimingen, dan zeg je: we blijven hier, we gaan er niet uit. Dat is natuurlijk geen beweging. Dat is zitten blijven. Dat is een beetje het probleem van de kraakbeweging en van We Are Here. Mensen doen alsof het een actiegroep is, een beweging, maar wat ze het liefste doen is stilzitten en zich verstoppen. Om vervolgens een zo een relaxed en goedkoop mogelijk leven te leiden. Ten slotte, dat geldt voor de helft.’ Maar het woord beweging moet je volgens Jo met een korreltje zout nemen. ‘Het is natuurlijk in de beleving van de meeste mensen wel een vorm van inbreken. Dat is nu zelfs tegen de wet. Het is strafbaar om te kraken. Maar ook dat moet je ook met een korreltje zout nemen, want in de praktijk doen we het lekker toch.’

Volgens Jo was het ook een sociale beweging. ‘Heel veel mensen zijn de kraakbeweging ingegaan, de barricades opgegaan om in de steden als ware dorpjes op te bouwen. Veel mensen zijn naar het buitenland gegaan om daar te helpen, bijvoorbeeld naar Joegoslavië toen daar oorlog was. Het was echt een voedingsbodem van innovatief actievoeren. Al die restaurantjes, winkeltjes, projectjes en kunstenaars die daar onderdak hebben gevonden dat is toch een stuk sociaal erfgoed van de stad. En heel die dure hipster-industrie is min of meer een soort diefstal van alternatief Amsterdam. Jo zegt stoer met Amsterdams accent: ‘Er is nog genoeg om tegen te zijn, weet je.’

Teun: ‘Langzamerhand begon de grote uitverkoop van de stad. Zoveel panden werden achter elkaar ontruimd.’ Op het hoogtepunt van de kraakbeweging waren er zevenhonderd gebouwen en woningen gekraakt. In 2010 waren dit er driehonderdvijftig en vandaag de dag zijn dit er nog maar rond de dertig. Teun kwam met een andere oplossing. ‘Ik zette met tien andere mensen een woonvereniging op, genaamd ‘Soweto’ naar de grootste sloppenwijk in Zuid-Afrika. We hadden het oog op een schoolgebouw. We hebben met fundraising een derde van aankoopbedrag kunnen verzamelen. Bij de Nederlandse banken konden we niet terecht. Die snapten zogenaamd niets van ons idee, terwijl Duitse banken al veel ervaring hebben met collectieve projecten. Met dat geleende geld hebben we het gebouw voor een vriendschappelijke prijs van de gemeente kunnen kopen. De gemeente dacht: ‘Hey, wat strak, dat dit soort dingen gebeuren.’

Eind jaren tachtig werd het lastiger om te kraken. Steeds minder gebouwen stonden leeg. En sinds 2010 is het zelfs illegaal verklaard met de komst van de leegstandswet. Volgens Gerrit heeft de kraakbeweging zeker weten wel een positief effect gehad op de samenleving. ‘In die tijd zeker. De krakers zorgden ervoor dat de wijk betaalbaar en divers bleef.’

Hedendaagse kraakbeweging
De krakerspreekuren in de huidige kraakpanden in Amsterdam trekken geen volle zalen meer. Zo is het spreekuur in het kraakpand in de Pretoriusstraat in Amsterdam-Oost nagenoeg leeg. Karel (31) zit achter de bar. Hij kraakt al acht jaar. Hij woont op het Griekse eiland Lesbos, maar is even terug in Nederland. Volgens Karel is het zo rustig omdat het zomer is. ‘Pas tegen de winter beginnen mensen weer met kraken.’ Volgens Karel geven ze ook graag tips aan de beweging ‘We Are Here’. ‘We zijn geen gezamenlijke beweging, maar we steunen ze graag. We willen iedereen helpen die geïnteresseerd is in kraken.’ Aan de bar zit Stefan (26), een Engelse masterstudent die internationale betrekkingen studeert aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Ik kwam vijf jaar geleden aan in Nederland en kon geen huis vinden. Via-via kwam ik uit bij de Pretoriusstraat. Ik kraak niet actief, maar ben blij dat ik hier nu een woning heb gevonden en in de stad kan leven.’

Karel sloot zich aan bij de kraakbeweging omdat dit de enige manier voor hem was om bij zijn ouders weg te komen. ‘Daarbij was het een erg enerverend leven. Pas jaren later kwam het politieke bewustzijn erbij. Mijn droom is dat er geen woningmarkt is. Natuurlijk moeten we de maatschappij dan heel anders indelen. Het is dan niet mogelijk dat iedereen in een villa woont. Er moet gedeeld worden. De schoonmakers, de stratenmakers, zij moeten ook in de stad kunnen blijven wonen. In de zuidelijke landen is het veel makkelijker om te kraken, omdat de administratie daar slecht op orde is.’

In Groningen zijn er ook nog enkele kraakpanden over. Jeffrey (27), IT’er uit Groningen, vindt de kraakpanden een aanwinst in de stad. ‘Ik kraak zelf niet, maar we hadden hier een kraakpand waar elke week concertjes of activiteiten werden gegeven. Halve blikken goedkoop bier, daar betaalde je vijftig cent voor en voor Hertog-Jan een euro. Als je dan met een Hertog rondliep werd je bijna met de nek aangekeken. Dat was eigenlijk al luxe.’ Het kraakpand is helaas twee jaar geleden na veel strijd ontruimd.’ Gelukkig zijn er nog wel andere panden zoals La Viola die leuke avonden verschaffen.’

Roos (35) woont anti-kraak in De Pijp voor tweehonderdvijfentwintig euro per maand. ‘Ik wil niet dat ik al mijn geld uitgeef aan de huur. Ik ben in zeven jaar tijd, zeven keer verhuisd. Soms zit het mee en kan je lang in een pand blijven, maar ik moest er ook een keer na zes weken uit. Dat is het nadeel van anti-kraak wonen. Er is nu veel vraag naar anti-kraak door de beweging ‘We Are Here’. Ik ken een anti-kraker waarbij leden van ‘We Are Here ‘gewoon opeens in zijn woonkamer stonden. Dan schrik je wel even van.’

Karel vindt anti-kraak geen goede optie. ‘Mensen doen hiermee niets tegen de woningnood. Er zitten maar een paar mensen in een gigantisch pand. Er zitten verder geen idealen achter. Het is een business. Ik heb niets tegen de mensen die erin zitten, maar de corporaties vind ik wel echt slecht.’

Anne (31), werkzaam in de verzorging in Amsterdam, komt net rond. ‘Ik betaal zeshonderd euro voor mijn kamer van twaalf m2, maar ik deel het kleine appartement maar met een meisje. Het kraken leeft helemaal niet meer onder onze generatie denk ik, omdat de noodzaak niet zo groot is. Ik kan mijn woning wel gewoon betalen en kraken lijkt me heel lastig.’

Nadine (34), jongerenbegeleider in Amsterdam, is net haar huis uitgezet. ‘We moeten binnen een maand verhuizen. Dit terwijl ik een hernia heb en over twee weken geopereerd wordt. We hebben bijna elke dag een bezichtiging. Maar er zitten huizen tussen van vijftig m2 voor veertienhonderd euro. Exclusief. Dat ga ik dus echt niet doen. Er is geen eens ruimte voor een wasmachine. Ik ga niet over tot kraken, omdat ik gesteld ben op mijn privacy.’

Volgende week een vervolg op dit artikel: een interview met Jo, communicatieadviseur van de krakende vluchtelingengroep We Are Here.

Het rijk der moralisten loopt spoedig ten einde

0

Sinds een jaartje of twee schrijf ik af en toe opiniestukjes en essays voor kranten en bladen. Mijn eerste gebadder in het publicistenmoeras leerde mij dat ik een kant moest kiezen. Niet tussen links en rechts of tussen elite en populisme. Nee, de echte fundamentele tweestrijd is die tussen de goedgemutste gekken en de zendingsdriftige zeloten. Deze twee groepen zijn in een kosmisch conflict verwikkeld.

Ondeugend van aard, sloot ik mij aan bij de goedgemutste gekken. Wij goedgemutsten schrijven speelse, analytische of provocante stukjes, ter vermaak, of om discussie los te maken. Voor verdere hogere doelstellingen zijn we te bescheiden. Onze onvolprezen aanvoerder is columnist en alcoholist Arthur ‘Don Arturo’ van Amerongen (Volkskrant, HP/DeTijd), die Nederland vanuit een Portugees vissersdorp overstelpt met literaire plaagstootjes, gespeend van ieder volksbevoogdend motief.

De zendingsdriftigen daarentegen maken het volk ‘bewust’ van wat goed en wat fout is, en wel door foute mensen en standpunten te identificeren en te corrigeren. Deze moraliseringsmissie zou urgent zijn, omdat iedere verkeerde meningsuiting het menselijk lijden weer een klein stukje vergroot en de door de zendingsdriftigen reeds voorziene, betere toekomst, weer verder uitstelt. Kortom, de wereld staat op het spel, iedere dag weer. En ze weten precies van wie er afstand moet worden genomen en waar de scheidslijnen tussen goed en kwaad lopen. Ze hebben de boom van kennis van goed en kwaad in Gods tuin helemaal leeggegeten, terwijl wij goedgemutsten nog steeds in naakte naïviteit door een vrolijk ambivalent landschap banjeren.

Paneldiscussie over ‘wittenprivilege’
Zo banjerde ik laatst het hol van de betere-wereld-brullende leeuw in. Ik was overgetreind uit Duitsland om deel te nemen aan een paneldiscussie georganiseerd door de SIB-Leiden over ‘wittenprivilege’ – het nieuwste moraliseerconcept – met, jawel, drie van ’s lands grootste moraalhelden: Jerry Afriyie, dr. Ewout Klei en dr. Karwan Fatah-Black. Activist Afriyie vecht voor een wereld zonder racisme en zonder Zwarte Piet. Klei, journalist en historicus, verricht (naast zijn werk voor De Kanttekening) moreel afbakingswerk op Jalta, het beruchte beleringsblog dat zich opwerpt als het morele geweten van rechts. Eigenlijk is Klei een te laat geboren nazi-jager, die Mengele in Paraguay had willen opsporen, maar nu dan maar op fout-rechtse tweets en opiniestukken jaagt. Tenslotte: de Leidse historicus Karwan Fatah-Black. Hij is gespecialiseerd in de transatlantische slavenhandel en vooral bekend van zijn debatten met professor Piet Emmer, de leidende Nederlandse expert op het gebied van slavernijgeschiedenis. In deze debatten neemt Fatah-Black ongeveer dezelfde inhoudelijke historische standpunten in als Emmer, maar hij weet zich te onderscheiden met een ‘onrechtsbewustere’ toon. Zo spreekt hij bijvoorbeeld niet van ‘slaven’, maar van ‘slaafgemaakten’, ook als hij het over mensen heeft die al vanaf hun geboorte ‘slaafgemaakt’ waren. Gevoeligheidsexhibitionisme van de tenenkietelende soort.

Welnu, het discussiepunt: terwijl Afriyie en dr. Fatah-Black voor het gebruik van het begrip ‘wittenprivilege’ pleitten, stelden dr. Klei en ik dat het conceptueel niet goed in elkaar steekt. Het denken in termen van een tweedeling tussen geprivilegieerde ‘witten’ en achtergestelde ‘niet-witten’ doet geen recht aan de complexe (non-binaire) realiteit van etnische diversiteit in Nederland. Bovendien is het onduidelijk of de ‘witheid’ waarvan gesproken wordt, alleen naar huidskleur of ook naar sociale klasse verwijst. Op die manier kom je in absurde discussies terecht, zoals over de vraag of Turkse Nederlanders achtergesteld genoeg zijn om als ‘niet-wit’ of zelfs als ‘zwart’ te gelden, ondanks hun lichte pigment. Met dat soort discussies los je nergens problemen op.

Maar voor de voorstanders van het begrip verwijst het naar een alomtegenwoordig, metafysisch kwaad, dat immigranten en donkergekleurden teistert. Het aanspreken van dat kwaad is de eerste stap naar erkenning en heling. Met de ‘bewustwording’ rond ‘wittenprivilege’ worden zo allerlei morele of zelfs religieuze voorstellingen verbonden. Het praten over ‘wittenprivilege’ dient als bezweringsformule: als we het woord ‘wittenprivilege’ maar vaak genoeg afkeurend uitspreken, dan opent er ooit ergens een poort naar een betere wereld.

Omdat begripssceptici zoals ik die betere wereld vooral in de weg zouden staan, had ik van tevoren gevreesd te worden uitgejouwd door gepikeerde panelisten en safespacende studenten. Maar eerlijk gezegd vielen de deugeskaders best mee en was Afriyie vooral innemend.

De knorrige Fatah-Black
Het enige knorbeest was de Leidse historicus Fatah-Black, wiens gezicht steeds roder werd gaande de discussie. Ik dacht aanvankelijk dat hij nerveus was, of met zijn rode gelaat verder wilde bijdragen aan de diversiteit van het discussiepanel, maar terugkijkend was hij wellicht gewoon boos. Zijn knorrige houding tegen mij was me bij aankomst al opgevallen, omdat hij me minzaam begroette en tijdens de voorstelronde opmerkte dat ‘dr. Hendriks wel erg wilde dingen zegt’. En op dat moment had ik, uhum, nog helemaal niets gezegd.

Maar toch ging ik achteraf nietsvermoedend naar de borrel, verwachtende dat we het gezellig konden houden ondanks meningsverschillen. Het kwam me op anderhalf uur gemoraliseer te staan. Hij deed zo gezellig als een campagnevoerende Ad Melkert. Dr. Fatah-Black bleek met name aanstoot te nemen aan mijn kritische essays over identitair links. En hij klaagde dat ik mezelf aanmerk als ‘opiniemonster’, wat ik doe uit zelfspot, maar wat hij ook weer kwalijk vond. Op een gegeven moment kermde hij: ‘Er worden mensen kapotgemaakt!’ Het leek uit het niets te komen en stak schril af bij het vrolijke studentencafé waarin we ons bevonden. Ik vroeg verbaasd: ‘En dat komt door mij?’ Inderdaad, ik zou met mijn stukjes boosaardige krachten steunen.

Eigenlijk had ik toen als de wiedeweerga moeten vluchten, maar poezelig als ik ben, heb ik zelfs nog met hem en een groepje academici de trein naar Amsterdam gepakt, tevergeefs hopende dat de weledelgeleerde historicus onderweg zou ophouden met zijn gesnauw. Hij bleef hakken. Uiteindelijk associeerde hij mij ook nog met een collega historicus van hem in Leiden, die de verkeerde meningen heeft, alleen bagger op papier zet en als mens immoreel is. We vielen aan de verkeerde kant van zijn goed-fout indeling. Ik vroeg: ‘Beweer je nou dat hij zich in een volledig immorele wereld beweegt, terwijl jij in een volledig morele wereld leeft?’ Mijn retorische vraag had eigenlijk tot doel om een relativering te forceren, maar hij antwoordde ‘ja’.

Chiliasme
Deze zwart-witte denktrant is mij als goedgemutste wezensvreemd. Om haar te begrijpen, lees ik nu boeken over chiliastische bewegingen. Dat zijn religieuze bewegingen die een absolute goed-kwaad dualiteit postuleren en geloven dat het goede op het punt staat om het kwade definitief te verslaan, waarna de beloofde heilstaat zal aanbreken. Zo geloven sommige Christelijke groepen op basis van een vrij letterlijke bijbelinterpretatie dat Jezus na zijn wederkomst, de duivel zal opsluiten en een duizendjarig vredesrijk zal stichten op aarde, alvorens alle gedoemde slechteriken op de dag des oordeels in een vuurmeer belanden. Maar zulke voorspellingen over een naderend ‘hemel op aarde’ komen in veel culturen voor.

Een grappige verschijningsvorm zijn de cargo cults (transportgoederen-culten) in Melanesië. De inheemsen aldaar waren in het begin van de twintigste eeuw zo onder de indruk van de mysterieuze lucht- en scheepsvracht die westerse kolonisten ontvingen uit een ‘andere wereld’, dat ze er een hele religie omheen bedachten. Ze geloofden dat hun voorouders prompt uit de dood terug zouden keren met een enorme bak cargo, waarna er een tijdperk van materiële overvloed en raciale rechtvaardigheid zou aanbreken, vrij van blanke overheersing. Op het eiland Tanna begon men het mysterieuze messiasfiguur John Frum (waarschijnlijk een verbastering van John from America) te vereren, die op het punt zou staan om samen met de voorouders en de cargo aan te monden op het strand. Tot op heden bereiden de eilandbewoners zich ieder jaar op 15 februari voor op de komst van John Frum door zich ritueel als vroeg twintigste-eeuwse Amerikanen te verkleden en met ‘U.S.A.’ op de borst geverfd te dansen.

Zulke chiliastische rituelen moeten het aanbreken van de beloofde heilstaat bespoedigen. De westerse, geseculariseerde variant hierop is het geritualiseerde gedeugpronk van opinisten, die met ‘goede’ meningsuitingen en bezweringsbegrippen zoals ‘wittenprivilege’, een betere wereld dichterbij zouden brengen. Zowel in Nederland als in den verre loopt dit soort rituele deugdoenerij altijd weer uit op een zendingsdriftig feestje. De gedachte is immers dat hóé meer mensen ‘bewust’ worden van de heilige boodschap door mee te doen met de rituelen, hóé waarschijnlijker het wordt, dat een betere wereld zich spoedig zal verwerkelijken. Iedereen moet meedeugen. Sceptici zijn de wegblokkeerders van de toekomst. Zie hier de snode wijze waarop de zendingdriftige, het niet-meedeugende, doch des te deugdzamere, opiniemonster tot de zondebok van een weerbarstige werkelijkheid maakt!

Het wordt tijd dat wij die sluwe zendingsdriftigen met hun eigen wapens bestrijden. Welja, ik heb ook nog een voorspellinkje hoor.

Mijn voorspelling
Ik voorzie dat de strijd tussen de goedgemutsten en de zendingsdriftigen spoedig definitief in óns voordeel zal worden beslist. Wij goedgemutsten; wij, de badineerbazen en verkwikkende kwetteraars; wij die capituleren in aanschouw van een door en door ambivalente wereld en maar gewoon stukjes schrijven, omdat we toch niet weten waar het allemaal heen gaat of heen moet – wíj zullen zegevieren. Onze gutoguts zullen hun behoehoe’s voor altijd verslaan.

Gerechtigheid zal geschieden. Alle deugknapen, normies, moraalvergaloppeerden en solidariteitstatta’s; al die mensen die zo ‘bewust’ zijn van zus of zo; al die distantieerdiva’s, afbakeningsberten, aanmatigingsmaatjes, mekkermarxisten, messianistische meisjes, vingerzwaaivedetten, ha-hoor-mij-eens huichelaars en klaagkoeiende Koerden – ze belanden allemaal in een grote soeppan en zullen voor straf duizend jaar lang in hun eigen sop gaarkoken!

Zie ik dr. Fatah-Black daar lekker sudderen? Hij lijkt iets belerends te willen zeggen, maar hij is moeilijk te verstaan, omdat hij telkens weer in zijn eigen gaarkokende sopje onderdompelt. ‘De transatlantische wer…’ – blub. ‘In Bantam werd in 1629…’ – sop.

Sla acht op de voortekenen. Als de dag des oordeels nadert, zal een grote aardbeving alle morele afbakeningsschema’s door elkaar schudden. Daarna zal de verlosser op dit helse moeras neerdalen. Hij komt, zo heb ik voorzien, vanuit Portugal, vanuit een plaats genaamd Fuseta. Fluister, zing en prijs zijn naam, iedere dag weer, zodat het rijk der moralisten spoedig ten einde loopt: Don Arturo, Don Arturo, Don Arturo.

Blok moet weer saai en voorspelbaar worden

0

Het is ongetwijfeld zeer verstandig van minister Blok geweest om zijn domme uitspraken midden in het reces te doen. Was het geen zomervakantie geweest, dan was de Kamer beslist bijeengeroepen voor een debat en dat had mogelijk fatale politieke consequenties gehad, ook al zou Rutte alles uit de kast halen om niet wéér een stuntelende minister te hoeven verliezen.

Zeker op Buitenlandse Zaken heeft de VVD immers na Rosenthal en Zijlstra qua kneusjes een naam hoog te houden. Zoals de satirische website De Speld kopte: Wordt het niet eens tijd voor een vrouw die domme dingen zegt op Buitenlandse Zaken? Tenminste zou Blok, als hij zijn uitspraken tijdens het politieke seizoen had gedaan, verder hebben moeten gaan als aangeschoten wild. Nu echter zou zo’n debat zozeer mosterd na de maaltijd worden, dat ik niet verwacht dat het er nog van komt. Wel zal een en ander ongetwijfeld gretig door de oppositie weer worden opgerakeld, als Blok een nieuwe uitglijder begaat. Hij moet dus nu drie jaar op kousenvoeten gaan lopen en inderdaad zo saai en voorspelbaar worden als hij tot voor kort heette te zijn.

In de pers is er over de merites van zijn betoog al voldoende gezegd, dus daar wil ik na een kleine maand niet op terugkomen. Ik wil er slechts één puntje uitlichten, naar aanleiding van zijn uitspraak geen voorbeeld te weten van een vreedzame multietnische samenleving waar ook de oorspronkelijke bevolking nog woont, zodat Amerika en Australië zijns inziens afvallen, omdat die daar zou zijn uitgeroeid.

Het gaat mij hier nu om de term ‘oorspronkelijke bewoners’, waarnaar tijdens discussie wel vaker gemakshalve gegrepen wordt, omdat meestal wel aan iedereen duidelijk is wie dan worden bedoeld. Het is in historisch opzicht echter vaak toch wel een problematisch begrip, dat een duidelijke koloniale context bezit. Niet toevallig wordt het vooral voor Amerika en Australië gebezigd, ter markering van het onderscheid tussen de Europese kolonisatoren die – meestal op een exact bekend tijdstip – op hun ontdekkingsreizen voor een hen nog onbekende kust opdoken waar reeds ‘inboorlingen’ bleken wonen. Ook die term is niet zonder de bijsmaak van een primitieve cultuur die door een hogere civilisatie is ontdekt.

Al in het geval van de Amerika’s is die zo helder lijkende terminologie voor een hedendaags etnisch discours echter niet zonder haken en ogen. Enerzijds omdat, vooral in het geval van Latijns Amerika, gedurende vijfhonderd jaar Europese kolonisatie een sterke vermenging van die oorspronkelijke bewoners met de Europese nieuwkomers heeft plaatsgevonden: wie mogen nu dan nog tot de nazaten van de oudste autochtonen gerekend worden? En anderzijds, omdat die ‘oorspronkelijke bewoners’ – een omschrijving die een herkomst uit Adams dagen suggereert – zelf óók pas betrekkelijk laat – en wel via de in een ijstijd dichtgevroren Beringstraat – vanuit Azië Amerika zijn binnengetrokken, vermoedelijk een jaar of twintigduizend geleden.

Gezien de totale ouderdom van de mensheid van pakweg een miljoen – of voor mijn part twee miljoen – jaar is dat zeer recent, en waren de ‘Indianen’ de Europeanen maar ‘net’ voor. Het maakt het in verband met hún ontdekking gemunte en daarom wel als blijk van een arrogant eurocentrisch wereldbeeld beschouwde begrip ‘Nieuwe Wereld’ voor de beide Amerika’s overigens wel op een andere wijze best zinvol. En gezien die Aziatische herkomst van de ‘Indianen’ is die door de Europeanen aan hen gegeven benaming misschien toch weer net wat minder absurd dan sommigen menen.

Hoe dan ook, waar in de Nieuwe Wereld tussen ‘inboorlingen’ en ‘kolonisatoren’ – wat de ‘inboorlingen’ dus ooit ook waren – vanwege een gat van duizenden jaren nog enigszins een scheidslijn valt te trekken, is dat voor de Oude Wereld onmogelijk. Elke blanke en zwarte Amerikaan weet wanneer ‘hij’ in Amerika gekomen is, ook als het zijn betbetbetovergrootouders betreft, en is zich daarmee van zijn immigrantenafkomst bewust. Zo niet de Europeaan: omdat de doop-, trouw- en begraafboeken maar een paar eeuwen terugreiken, en voor veruit de meeste in Europa levende mensen hun eerste Europese voorouder niet te achterhalen valt, is zijn instinctieve notie vanouds: wij waren hier gewoon altijd. Het daaraan gerelateerde argument ‘wij waren hier altijd, dus wij waren hier eerst’ heeft in de Europese geschiedenis bij etnische conflicten vaak een belangrijke rol gespeeld, omdat aan anciënniteit al snel bepaalde rechten worden ontleend.

Pas dankzij dna-onderzoek weten we sinds kort over de oorsprong van de ‘oorspronkelijke’ Europeanen meer. Een ding is in elk geval duidelijk: zowel Europa als Azië vormen in etnisch-genetisch opzicht één groot mengelmoes. En met de Grote Volksverhuizing van de vijfde eeuw voor ogen, mag men aannemen dat niemand meer op zijn ‘oorspronkelijke’ plek woont.

Wat zijn de ‘oorspronkelijke’ Fransen? Nos ancêtres les Gaulois leren ze nog steeds braaf op de Franse lagere school. Maar nadat de Galliërs – behalve dat ene dorpje dan – door Julius Caesar onder de voet waren gelopen, kwamen de Romeinen, en met de genoemde Grote Volksverhuizing vervolgens de Franken, en die doken allemaal met elkaar in bed. En wat zijn de Britten, die nu menen dat ze zo very British en dus heel anders zijn dan de Europese rest? ‘Oorspronkelijk’ woonden er op hun eiland Kelten, maar er is nog slechts een enkele Schot die hun taal spreekt. Toen kwamen ook dáár de Romeinen, en vervolgens de Angelen en Saksen, en uiteindelijk bezigen ze er nu als gevolg van de Normandische invasie van 1066 een mengsel van een Fries dialect en een raar uitgesproken Frans.

‘De oorspronkelijke bewoners’: we kunnen er in het dagelijks taalgebruik vaak niet omheen, omdat het begrip zo makkelijk lijkt, maar wie goed nadenkt loopt daarmee bijna voortdurend onherroepelijk vast.

Zomerstop

0

Beste lezers,

Met de komst van de zomer gaat ook de Kanttekening er even tussenuit, de eerstvolgende krant verschijnt in de week van 13 augustus.

Tot snel!

Bestsellerboy uit de Amsterdamse Pijp

0
‘Kijk naar de thema’s die ik aansnijd, over de stad Amsterdam, vriendschap, liefde, opgroeien en dat dat pijn doet, ongeacht waar je vandaan komt. Die zijn universeel en dat krijg ik ook terug van lezers.’

Bejubeld en verguisd is hij, schrijver en columnist Mano Bouzamour. Met zijn debuutroman De belofte van Pisa brak hij door als schrijver. Nu is hij terug met Bestsellerboy, een verhaal over zijn belevenissen als schrijver in Amsterdam. Wat drijft hem? Waar wil hij heen? Wat heeft hij geleerd? De Kanttekening sprak hem.

Mano, hoe gaat het met je?
‘Het is een gekkenhuis hier. Ik zit tot eind juli vol met optredens in boekhandels en op scholen. En vorige maand zat ik in Cadiz bij vrienden – Norbert ter Hall en zijn vriend Robert Alberdinck Thijm, die bezig zijn met het schieten van een film. Vanaf september gaan zij zich vol storten op mijn eerste boek De belofte van Pisa.’

Leuke en drukke tijden?
‘Ja. Heel spannend, raar, te gek en fascinerend. Hoe die lui een verhaal vertellen via film. Het is een totaal ander medium dan een boek, met heel veel verschillende manieren een beeld oproepen. En hoeveel mensen er aan een scène meewerken! Als schrijver zit je de hele dag alleen op je kamertje en ben je totaal autonoom. Bij film heb je een regisseur, een grimeur, een cameraman, een heel team van vijftig man. En iedereen heeft zijn eigen input.’

Hoe kwam je bij Ter Hall terecht?
‘Er waren destijds zes regisseurs die belangstelling hadden voor het verfilmen van mijn debuut. Ik koos toen voor Rolf Koot, want die had All Stars en Lek gemaakt, één van de allerbeste thrillers van Nederland. Als kind heb ik die film, een VHS nog, echt helemaal kapot gekeken. Toen hij de filmrechten van Pisa wilde hebben, wist ik het meteen. Koot kan een inhoudelijk verhaal vertellen en ook een groot publiek bereiken. Toen heeft hij de regisseur een scenarioschrijver Norbert en Robert erbij gehaald en die zeiden ‘wij doen nooit boekverfilmingen, omdat we ons eigen verhaal willen vertellen, maar toen we je boek lazen wisten we: dit willen we doen!’ Hoe gaaf! Ik was al fan van hun werk toen ze mij nog niet kenden. Dunya en Desi hebben ze gemaakt, Adam en Eva, De Daltons, series waar ik echt gelukkig van word.  En ze kennen Amsterdam zo goed!’

Welke rol ga je zelf spelen in de verfilming?
‘Norbert en Robert zeiden tegen me ‘we willen het heel graag doen, maar op één voorwaarde, dat je zelf honderd procent betrokken blijft bij het hele proces’. Dat vond ik wel fijn. Al zei ik op mijn beurt ook weer ‘ik wil dat jullie de vrijheid voelen om met het script te doen wat jullie willen’. Ik heb ook vrij vroeg tegen Robert gezegd ‘het boek is van mij, de film is van jou, ga helemaal los, breid uit, schrap mensen, voeg personages toe, doe wat je wil’. Het is onmogelijk ieder detail in een film terug te stoppen, dus ze moeten keuzes maken.’

Wie spelen er in mee?
‘We zijn nog met de cast bezig. Yorick van Wageningen, bekend van Oorlogswinter, maar ook in Hollywood doorgebroken, krijgt een gewichtige rol.’

Wie gaat jou spelen?
‘Haha, een heel toffe knul, maar dat is nog geheim. Zelf krijg ik een edelfigurantenrol, agent ofzo of misschien ga ik wel ijsjes verkopen.’

Was het leuk na al die jaren nog zo inhoudelijk bezig te zijn met De belofte van Pisa?
‘Ja, heerlijk. Tijdens optredens op scholen lees ik eigenlijk altijd dezelfde stukjes voor en in Nederlandse interviews gaat het eigenlijk nooit echt over mijn boek. Altijd alleen maar over mijn Marokkaan-zijn, de familie en het beeld dat ik van de Marokkaanse gemeenschap schets. Voor inhoudelijke vragen die echt over het schrijven gaan moet ik echt naar het buitenland, die krijg ik in Nederland bijna nooit gesteld.’

Waarom niet en waarom vind je dat jammer?
‘Ik weet het echt niet. Soms denk ik: we willen het blikveld van iemands culturele achtergrond maar niet ontstijgen. We hebben een obsessie met culturele verschillen in plaats van dat we naar elkaar kijken als mens of als schrijver. In de interviews willen ze mij bijna altijd ergens naartoe wurmen en moet ik me in allerlei bochten wringen waar ik niet naartoe wil. Een soort slachtofferpositie. Of ze willen dat ik het probleem met mijn familie tot enorme proporties opblaas, zoals laatst in de Volkskrant. En dan in dezelfde krant te horen krijgen dat ik ‘uitsluitend’ word uitgegeven omdat ik een migrantenkind ben.’

Ja, die column van Sylvia Witteman…
‘Ach ja, ik ben wel ook wel blij dat ze die eindconclusie heeft getrokken, want zo krijgen we tenminste een kijkje in haar gedachtegang. Dat ze het woord ‘uitsluitend’ gebruikt, is natuurlijk best wel stuitend. Ik bedoel, wat heeft zij gedaan voor de literatuur? Kijk naar de thema’s die ik aansnijd, over de stad Amsterdam, vriendschap, liefde, opgroeien en dat dat pijn doet, ongeacht waar je vandaan komt. Die zijn universeel en dat krijg ik ook terug van lezers.’

Jaloezie van een vakgenoot?
‘Een vakgenoot? Schei uit man, haha. Maar serieus, ik ben dat allang voorbij. Mijn boeken worden gelezen van Berlijn tot Bogota. Maar nee, die hokjesgeest, dat vind ik niet fijn en lelijk om naar te kijken ook. Dat merk ik nu je er weer over begint. Van die journalisten die opeens claimen zelf de literatuur te zijn. In het buitenland kijken ze met een heel frisse blik naar mijn werk, wat ik een verademing vind. Maar eerlijk is eerlijk, veel Nederlandse journalisten begrijpen het ook wel. Joris Luyendijk, Marja Pruis van de Groene Amsterdammer. Kijk, je mag best kritiek hebben op het werk zelf, maar haal er niet van alles bij.’

Mano Bouzamour (Amsterdam, 1991) is schrijver en columnist. Hij debuteerde in 2013 met zijn roman ‘De belofte van Pisa’. In 2018 verscheen zijn tweede roman ‘Bestsellerboy’. Als columnist schrijft hij voor Het Parool, Elle en Cosmopolitan.

Dan bij dezen, een inhoudelijke vraag over je boeken. Waarvan had je bij het teruglezen van je debuut zoiets van ‘dat had ik nu wel anders gedaan’?
‘Ik wilde de lezer vermaken en inzicht geven in omgevingen die ze misschien wel van buiten kennen maar nooit van binnen hebben gezien. Mensen inzicht geven in andere werelden. Dat is wat literatuur kan doen. Maar om op je vraag te antwoorden, toen ik alle shit over me heen kreeg, dacht ik ‘oké, als dit het resultaat is van wat ik nu schrijf, had ik misschien nog feller moeten uithalen’ Haha!’

Als je nu terugkijkt, wat heeft je nu eigenlijk echt aan het schrijven gebracht?
‘Willen weten wat dingen betekenen, denk ik. Ik ben erg expressief, maar we hadden nooit boeken thuis. Wel een Chesterfieldbank waar ik strak in werd ingestopt door mijn vader. Ik werd altijd precies wakker op de manier waarop ik was ingestopt. Boven mijn bed hing een poster van Tupac. En een van Jay-Z. Dat waren mijn helden. Ik luisterde naar hun muziek maar wilde ook weten wat ze mij wilden zeggen. Ik wilde de betekenis van hun teksten doorgronden. Net zoals op de Koranschool eigenlijk. Daar moest ik heel veel koranverzen in mijn hoofd stampen. Maar als ik vroeg: ‘Wat betekent het? Waar gaat het over?’, dan hoorde ik van mijn leraren dat dat onzinvragen waren. Je hoefde het alleen maar op te dreunen. Maar ik wilde de betekenis weten. Wat bedoelen ze als er ‘vuur’ staat? Als kind gingen wij altijd naar de moskee en namen dan een andere route terug naar huis dan de heenweg. Als ik mijn vader vroeg waarom, zei hij altijd ‘omdat de profeet dat zegt’, iedere keer dat ik het vroeg. Toen ik het vorig jaar zelf ging opzoeken, kwam ik uit op een tekst waarin het werd uitgelegd. ‘Omdat je dan nieuwe mensen leert kennen.’ Zo mooi, zo fundamenteel en zo zonde en zo gek dat mensen teksten lezen en dingen doen zonder dat ze weten waarom.’

Wat heb je in Bestsellerboy anders willen doen dan in De belofte van Pisa?
‘In mijn eerste boek is de hoofdpersoon vrij onschuldig en braaf, een jongen die opgroeit. Tijdens het schrijven van Pisa was ik ook vrij naïef over de impact van woorden. Bij Bestsellerboy was ik mijzelf hyperbewust, scherper in mijn uithalen naar de maatschappij. Verder zijn er veel overeenkomsten. Op het lyceum kwam ik opeens terecht in een andere wereld. Ik maakte ook veel mee dat intens was. Maar dat proces ging ook door na mijn debuut: gedoe met familie, veel sociale sprongen. Dat zie je terug in Bestsellerboy, daarin kijkt de hoofdpersoon heel erg op tegen die grote schrijver. Ook wilde ik een tijdsbeeld neerzetten met al die sociale media-shit. Ik wilde in Pisa mijn belevenissen op een toffe manier op papier zetten. En mensen kennis laten maken met een andere wereld. Dat wil ik nu ook weer. Ik heb heel veel notities gemaakt gaande jaren. Zo’n zin als ‘ik was een wees met levende ouders’. Zit ik op de scooter en bedenk ik dat, dan stop ik en schrijf ik het op. Maar ieder verhaal heeft een andere toon. Met welke personages wil ik welk verhaal vertellen? Welke scene, welke thema’s? Ik denk daar fakking veel over na.’

Wanneer wist je waar Bestsellerboy over ging?
‘Toen ik het goedmaakte met mijn ouders. Anderhalf jaar geleden. Ik voelde me best wel boos na mijn eerste boek, ook wel een beetje verraden omdat men zo kwaad op mij was. Ik wilde Marokkanen een stem geven in een overwegend witte literatuur. Goed, ik gaf ook kritiek en dat doet even pijn maar in the long run is het goed. Zo bouw je een beetje weerstand op. Maar toen ik het had goed gemaakt lag ik in bed en moest ik heel hard huilen en toen dacht ik: nu moet ik dat opschrijven. Ik bouwde de hele schrijvershausse op dat moment ook een beetje af.’

Wat heeft het je geleerd, het succes?
‘Hoe snel dingen kunnen veranderen. Als ik iets doe, dan gooi ik mezelf er ook helemaal in. Maar ik ben er wel iets cynischer door geworden. Er zijn veel mensen die het schrijven niet begrijpen. Zowel mijn ouders, als sommige journalisten. Maar ik heb ook heel veel mensen om me heen met wie ik wel alles kan delen. Ik krijg de laatste drie jaar wel veel berichten van mensen uit de gemeenschap die zich herkennen in mijn verhaal. Steeds meer mensen die de islam van binnenuit willen hervormen, wat ik enorm toejuich. Het enige waar ik voor pleit is: denk na, over wat je aan het doen bent en waarom.’

En waar wil je staan in de literaire traditie?
‘Ik wil vermaken, maar stiekem wil ik ook wel een rolmodel zijn voor die jongens op straat en op de scholen. Ik wil die kloof dichten en ervoor zorgen dat ze eerder naar een boek grijpen. Maar goed, daar ben ik niet de enige in natuurlijk. Ik wil verdomd mooie verhalen vertellen die pijn doen, geestig zijn, snel ontroerend en met een beetje diepgang. Maar ik blijft ook steeds denken: hoe kan ik voor veranderingen zorgen? Soms moet je ook erkennen dat dingen langer duren dan je zou willen. Maar als ik reacties krijg van mensen die zeggen dat ze zo veel aan mijn boek hebben gehad, dan ben ik een tevreden mens.’

‘Dé Nederlandse moslim bestaat niet’

0
‘Als je er heel orthodox uitziet denken mensen in Noord-Afrika dat je een terrorist bent. Hier kunnen orthodoxe moslims daarentegen in alle vrijheid hun geloof beleven.’

Volgens het begin vorige maand uitgebrachte SCP-rapport De religieuze beleving van moslims in Nederland worden moslims in Nederland steeds orthodoxer. Moslims bidden meer en steeds meer moslima’s kiezen ervoor een hoofddoek te dragen. De Kanttekening sprak over dit rapport met vier Marokkaans-Nederlandse moslims: Said Bouharrou (39) van de Raad van Marokkaanse Moskeeën in Nederland, imam en ondernemer Yassin Elforkani (35), hbo-docent Bedrijfseconomie en D66-gemeenteraadslid in Gouda Zouhair Saddiki (32) en religiewetenschapper en docent Islamitische Godsdienst aan de Thomas More Hogeschool Kamel Essabane (40).

Hokjesdenken, hoofddoeken, polarisatie
Bouharrou herkent zich in de conclusie van het SCP-rapport dat Nederlandse moslims religieuzer zijn geworden: ‘Er gaan tegenwoordig meer mensen naar de moskee.’ Elforkani vult aan: ‘Jongeren zijn veel meer met hun geloof bezig.’ Saddiki merkt op: ‘Je kunt dat gewoon op straat zien.’

De oorzaak van de toenemende religiositeit is volgens Bouharrou de polarisatie in de Nederlandse samenleving. ‘In de media en in de politiek gaat het erg vaak over de islam. Moslims zijn daardoor bewuster geworden van hun identiteit, zijn zich meer in de islam gaan verdiepen en zijn religieuzer geworden.’ Dat men ook meer met het geloof bezig is als het wat tegen zit vindt Bouharrou geen slechte ontwikkeling, wel dat veel moslims zich afkeren van de maatschappij. ‘Daarover maak ik me zorgen. Mensen voelen zich gediscrimineerd. Veel moslims hebben weinig vertrouwen in de overheid en politiek en wantrouwen de politie. Hun perceptie is ook een realiteit.’ Het grote probleem is volgens Bouharrou het hokjesdenken in de media. ‘Moslims worden altijd als een groep gezien, nooit als individu. Maar dé Nederlandse moslim bestaat niet.’

Elforkani noemt polarisatie in de Nederlandse media en politiek ook een oorzaak van de toenemende religiositeit, maar nuanceert dat meteen. ‘Dat kan een element zijn. Toch is het lastig om dat vast te stellen. De religiositeit groeit ook in Arabische wereld. Dat moslims religieuzer worden is een wereldwijde trend.’ Ook de conclusie dat moslims orthodoxer zijn geworden wordt door Elforkani genuanceerd. ‘Het SCP-rapport is antropologisch correct, maar definieert het begrip ‘orthodox’ niet goed. Moslims worden inderdaad religieuzer, maar dat is niet persé orthodox. Dat meisjes vaker een hoofddoek dragen hoeft niet noodzakelijkerwijs het gevolg te zijn van meer orthodoxie. Er zijn bijvoorbeeld vrouwen zonder hoofddoek die zich strikt aan de islamitische regels houden, elke dag bidden en meedoen aan de ramadan, terwijl er daarnaast vrouwen met een hoofddoek zijn die zich aan deze dingen onttrekken. Het dragen van een hoofddoek betekent dat je wilt laten zien dat je een moslim bent, niet dat je orthodoxe denkbeelden hebt. Het SCP-rapport ziet dit soort nuances te weinig.’

Essabane is het daar roerend mee eens. ‘Ik heb echt moeite met de termen ‘orthodox’ en ‘seculier’. Het SCP-rapport veronderstelt dat orthodoxe moslims echte moslims zijn die zich strikt aan de religieuze leefregels houden. Vasten, halal eten, een hoofddoek dragen als je een vrouw bent. Maar het geven aan armoedebelasting, de zakaat, wat één van de vijf zuilen van de islam is, wordt dan weer niet meegenomen in de analyse. Het rapport kijkt alleen naar wat afwijkt van wat ‘normaal’ is. Het onderzoek is vooringenomen en de vragen zijn nogal gestuurd. Er wordt bijvoorbeeld gevraagd wat moslims van religieus geweld vinden. Zal een SCP-onderzoeker aan Nederlandse christenen ook deze vraag stellen?’

Toch ziet Essabane wel dat het moskeebezoek stijgt en dat islamitische vrouwen vaker een hoofddoek dragen. ‘Dat heeft niet met orthodoxie te maken denk ik, maar met identiteitspolitiek. Moslims willen zich meer als moslim profileren, ook wat uiterlijke kenmerken betreft. Of dat komt door de polarisatie in de samenleving en de kritiek op de islam? Misschien. Maar hier moet meer onderzoek naar worden gedaan.’

Groepsdruk
Turkse en Marokkaanse Nederlanders die zich afkeren van de maatschappij zoeken elkaar vaak op. Volgens Bouharrou is Denk daarom zo succesvol. ‘In Amsterdam en Rotterdam was Denk de grote winnaar bij de gemeenteraadsverkiezingen. Het is niet alleen een partij voor Turkse Nederlanders, ook veel Marokkaanse Nederlanders voelen zich door Denk vertegenwoordigd. Denk wordt als een partij gezien die onvoorwaardelijk voor Aisha en Ahmed opkomt, zoals de PVV voor Henk en Ingrid opkomt. Het valt mij verder op dat juist orthodoxe moslims die normaliter niet of nauwelijks stemmen en die een minderheid vormen binnen de islamitische bevolkingsgroep massaal voor Denk hebben gestemd.’

Elforkani vindt Denk daarentegen helemaal niet zo islamitisch. ‘Denk is helemaal geen religieuze partij, maar een partij die juist heel erg etnisch is. Het gaat Nederlandse Turken vooral om het Turks-zijn, daarna komt de islam pas. Met name die nadruk op het etnische verschil blokkeert de vorming van een Nederlandse islam.’

Essabane is het met Elforkani eens. ‘Voor Nederlandse Turken speelt nationalisme vaak een belangrijke rol, voor Marokkanen is dat veel minder het geval. Natuurlijk heb je nu ook dat Berber-nationalisme, in reactie op de harde straffen voor de leiders van de Rif-opstand, maar etnische identiteit is voor Marokkaanse Nederlanders minder belangrijk.’

Sadikki maakt zich zorgen over de gevolgen van maatschappelijke isolatie. ‘Voor moslims in Nederland wordt groepsdruk steeds belangrijker. Het gaat niet om innerlijke vroomheid, maar om uiterlijkheden. Wat andere mensen van je vinden is veel belangrijker dan wat Allah vindt, lijkt het wel. Natuurlijk keurt de islam alcoholgebruik en prostitutiebezoek niet goed, maar het is volgens mensen pas écht erg als je niet aan de ramadan meedoet. Mensen willen niet uit de groep worden verstoten. Als je niet aan de ramadan meedoet ben je geen goede moslim en hoor je er niet bij. Mensen willen er graag bij horen en gaan zich dan, naar buiten toe, vromer gedragen en nemen sociaal gewenste standpunten in.’ Saddiki is kritisch over diegenen die meteen met de beschuldigende vinger naar Nederland wijzen. ‘Ons land is juist heel tolerant tegenover moslims, ook tegenover orthodoxe moslims. Als je er heel orthodox uitziet denken mensen in Noord-Afrika dat je een terrorist bent. Hier kunnen orthodoxe moslims daarentegen in alle vrijheid hun geloof beleven. Ik snap daarom niet zo goed dat mensen zich zo tegen Nederland afzetten. Je kunt hier naar school, je hebt toegang tot goede zorg, Nederland is een welvarend land. De polariserende Geert Wilders staat echt niet model voor de Nederlander.’

Nederlandse islam
Toch kraakt Saddiki ook harde noten over de manier waarop het islamdebat in Nederland wordt gevoerd. ‘Die discussie over waar je loyaliteit ligt is funest. Je moet moslims niet tot die keuze dwingen. Dat is wat rechts doet. We moeten gewoon accepteren dat deze mensen Nederlander en moslim zijn.’

Bouharrou beaamt dat. ‘We zijn allemaal individuen. Ik ben behalve moslim ook Nederlander, buurman en iemand die van klassieke muziek, schrijven en kunst houdt. Sterker nog, mijn geloof is een persoonlijk onderdeel van mijn leven, ik deel enorm veel Nederlandse gebruiken en er zijn veel meer zaken die mij met mijn autochtone Nederlandse vrienden en vriendinnen verbinden dan zaken waarin ik van hen verschil. Als je mij in een groep wegzet, word ik onzichtbaar.’

Essabane stoort zich aan de tegenstelling die het rapport maakt tussen seculiere en orthodoxe moslims. ‘Volgens het SCP-rapport ervaren seculiere moslims minder discriminatie dan orthodoxe moslims. Maar is dat wel altijd zo? Turkse nationalisten bijvoorbeeld kunnen heel seculier zijn, maar zich tegelijkertijd, omdat ze nationalist zijn, niet identificeren met de Nederlandse samenleving en zich daardoor buitengesloten voelen. De vooronderstelling van het rapport is dat seculiere moslims zich meer verbonden voelen met onze samenleving. Dat durf ik te betwijfelen. Je kunt ook én een moslim zijn die erg bezig is met geloof én tegelijk die verbondenheid met de maatschappij voelen.’

Elforkani benadrukt dat er langzaam maar zeker zoiets als een Nederlandse islam aan het ontstaan is. ‘De meeste moslims willen gewoon meedoen, participeren aan deze samenleving. Ze willen een goede moslim en een goede Nederlander zijn. Ze zijn religieus, maar kiezen niet voor de strenge orthodoxie, waardoor je jezelf isoleert van de rest van de samenleving en moeilijker een baan krijgt.’ De laatste twintig jaar is er veel veranderd volgens Elforkani. ‘Er verschijnen Nederlandse boeken over de islam, die over specifiek Nederlandse problemen gaan. Zulke lectuur bestond vroeger nog niet. Nederlandse moslims vragen aan de imam of je wel met een sjiitisch meisje of een Nederlandse jongen mag trouwen of wat je moet doen als je zoon homo is. In Marokko worden imams zelden tot nooit met zulke vragen geconfronteerd. De confrontatie met de moderne samenleving zorgt voor theologische bezinning. Daardoor ontstaat een Nederlandse islam.’

Volgens Bouharrou is het daarom zo belangrijk dat er een Nederlandse imamopleiding komt. ‘Daar is veel vraag naar. Een imam moet niet alleen kennis hebben van het islamitische geloof, maar ook van de Nederlandse samenleving. Hij moet de Nederlandse taal spreken, thuis zijn in de Nederlandse cultuur, bekend zijn met de problemen en kwesties die hier spelen. In het verleden is een paar keer gepoogd een Nederlandse imamopleiding in het leven te roepen, maar die pogingen zijn telkens mislukt. Dat kwam doordat de moskeekoepels onvoldoende werden meegenomen in de besluitvorming. Nederlandse imams hadden te weinig kennis van de islam, waren niet voor studie in het Midden-Oosten geweest. Er worden nu gesprekken gevoerd met de Vrije Universiteit Amsterdam voor een Nederlandse opleiding. Na de zomer weten we hopelijk meer.’

Het machtsspel van Hun Sen

0
Het straatarme koninkrijkje Cambodja zucht al jaren onder het bewind van premier Hun Sen, de door Vietnam in het zadel geholpen alleenheerser die keer op keer de verkiezingen wint, met alle mogelijke middelen. Onze correspondent Tieme Hermans doet verslag vanuit Cambodja.

De Cambodjaanse Volkspartij kan alvast beginnen met het ophangen van slingers en het opblazen van ballonnen. Ook de catering kan besteld worden. Zonder annuleringsverzekering. De grote leider Hun Sen kan met de voeten op tafel zijn volgende overwinning afwachten.

Het werk voor Hun Sen zit er bijna op. Na het opdoeken van de enige relevante oppositiepartij, het arresteren van zijn grootste tegenstanders en het inperken van de persvrijheid is de Cambodjaanse premier klaar voor de verkiezingen van 29 juli. Hoewel een aantal kleine partijen zich heeft ingeschreven, is er voor de langstzittende premier ter wereld weinig twijfel over wie er na de verkiezingen de scepter zwaait over het kleine koninkrijk.

Na ruim dertig jaar aan de macht te zijn geweest, lijkt de vijfenzestigjarige Hun Sen nog niet klaar te zijn met zijn loopbaan als premier. Maar waar zijn gezag ooit nog leunde op de stem van het Cambodjaanse volk, daar ontpopte hij zich de afgelopen jaren tot alleenheerser. Hun Sen heeft een eigen privéleger, het land is qua persvrijheid afgegleden naar ‘s werelds onderste gelederen en mensenrechten staan steeds lager op de agenda. In 2013 verklaarde hij het land tot zijn vierenzeventigste te willen regeren, wat betekent dat hij nog zeker twee verkiezingen wil winnen, en het lijkt erop dat er niemand is die hem van die ambitie zal afhouden.

Hun Sen begon zijn carrière als commandant van de ultra-communistische Rode Khmer, maar vluchtte in 1977 met zijn soldaten naar Vietnam toen leider Pol Pot aan zijn interne zuiveringen begon. Toen het Vietnamese leger in 1978 Cambodja binnenviel en de Rode Khmer verdreef diende Hun Sen als vicepremier en vanaf 1985 als premier in de door Vietnam gestuurde eenpartijstaat. Nadat de Vietnamezen in 1989 vertrokken begonnen de onderhandelingen in Parijs tussen de Cambodjaanse regering (Hun Sen) en de regering in ballingschap (onder leiding van koning Sihanouk). De koning mocht in 1991 terugkeren als staatshoofd en Hun Sen bleef premier.

Het leek er even op dat het straatarme land de goede richting op zou gaan: het parlement functioneerde, de verkiezingen werden grotendeels eerlijk bevonden door internationale waarnemers en de economie krabbelde op uit een diep dal. Na de verkiezingen van 1993 moest Hun Sen’s partij, de Cambodjaanse Volkspartij, de macht delen met rivaal FUNCINPEC. Het was een wankele coalitie en een periode van onrust brak aan, die culmineerde in straatgevechten tussen aanhangers van Hun Sen en die van zijn tegenstander, koning Sihanouk en zijn zoon prins Ranariddh. In 1997 greep Hun Sen de macht en gaf die niet meer uit handen. Sinds de verkiezingen van 1998 berichten internationale waarnemers en stichtingen als Human Rights Watch over oneerlijke verkiezingen vanwege intimidatie van oppositieleden, tegenwerking van eerlijke waarneming en controle van de media.

Hoewel Cambodja in naam een democratisch land is, controleert Hun Sen’s partij het leger, de politie en het rechtssysteem. De vooruitzichten voor oppositiepartijen zijn de afgelopen jaren verder verslechterd door het toenemende geweld tegen oppositieleden en moordaanslagen op bekende politiek commentatoren, hulpverleners en activisten.

Voormalig journalist Tat Oudom kan erover meepraten. Als reporter voor onder andere de Engelstalige krant The Phnom Penh Post sneed hij gevoelige thema’s aan zoals de slechte arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie en gedwongen landonteigening. Zijn artikelen brachten hem niet alleen internationale erkenning, Oudom kwam er regelmatig door in de problemen. Na een reeks bedreigingen en fysieke intimidatie door onbekende mannen in burger was voor hem de maat vol. ‘In dit politieke klimaat valt als journalist niet te werken. Als ik zo door zou gaan, zouden de honden van de premier me verscheuren’, verzucht hij. Na zijn journalistieke loopbaan begon hij zijn eigen camping en school in een dorpje aan de zuidkust. ‘Ik hou van mijn land en de mensen en probeer nu op een andere manier de volgende generatie klaar te stomen om het heft in handen te nemen.’

Oudom gelooft niet dat er de komende jaren veel in de politieke arena van Cambodja zal veranderen. ‘Wie is er straks nog om de waarheid boven tafel te krijgen? De vergunningen van kritische radiostations worden ingetrokken en kranten die misstanden in het land onthullen worden gesloten of door vriendjes van Hun Sen overgenomen.’ Volgens Oudom is de situatie vooral geëscaleerd sinds het succes van de oppositiepartij, de Cambodjaanse Nationale Reddings Partij (CNRP), bij de verkiezingen van 2013. ‘Ondanks grootschalige verkiezingsfraude won de oppositie bijna evenveel zetels als Hun Sen’s partij. Sindsdien is zijn paranoïde machtsspel verergerd zodat hij de aankomende verkiezingen niet gaat verliezen. Hiervoor heeft onze geliefde premier alles uit de kast getrokken’, zegt Oudom sarcastisch.

Cambodja is in feite veranderd in een eenpartijstaat na de gedwongen ontbinding van de oppositiepartij CNRP. Het hooggerechtshof in de hoofdstad Phnom Penh verbood de partij op verdenking van corruptie en het beramen van een staatsgreep. Daarbij kregen meer dan honderd leden een verbod van vijf jaar op politieke activiteiten en werd CNRP-leider Kem Sokha gearresteerd en schuldig bevonden aan verraad. Aangezien de president van het hooggerechtshof, Dith Munty, prominent lid is van de Hun Sen’s Cambodjaanse Volkspartij, stond weinig het vonnis in de weg. De CNRP weigerde uit protest advocaten in te schakelen in wat volgens haar een schijnproces was.

Voormalig leider van de CNRP, Sam Rainsy, die naar Frankrijk vluchtte om vervolging in eigen land te voorkomen, roept zijn landgenoten op de verkiezingen te boycotten. Ook de VS en de EU hebben hun steun voor de komende verkiezingen ingetrokken, evenals de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties (ASEAN), die de verkiezingen ‘illegitiem’ noemt. Maar voor Hun Sen is dit geen probleem. China, Rusland en Myanmar sturen immers wél waarnemers naar de verkiezingen en bieden de overheid financiële steun. En hoewel verschillende Cambodjaanse actiegroepen klagen dat van het communistische China weinig te verwachten valt wat betreft het organiseren van eerlijke verkiezingen, lijkt de samenwerking tussen Hun Sen en China onomkeerbaar.

In het verleden lukte het de EU en Amerika nog om invloed uit te oefenen op Hun Sen’s regime, maar tegenwoordig is het China die de toon bepaalt. Enorme investeringen en gunstige leningen vanuit Beijing vormen voor de Cambodjaanse regering een aantrekkelijke alternatieve inkomstenbron en een flinke stimulans van de nationale economie. Daarbij hangen er aan het Chinese steunpakket geen voorwaarden als democratisering of het verbeteren van de mensenrechten. Kortom, met China als steun in de rug is de tijd rijp voor Hun Sen om zijn dictatoriale droom ongestraft uit te laten komen.

The Economist publiceert jaarlijks de internationale democratie-index. Dit jaar zakte Cambodja naar plek 124 van de 167 landen. Ook Human Rights Watch vreest dat democratie in Cambodja een snelle dood aan het sterven is. Volgens regiomanager Brad Adams ondermijnt Hun Sen pluralisme, vrijheid van meningsuiting en alle mensenrechten waar in het Vredesverdrag van Parijs uit 1991 zo hard voor gevochten is. Hij roept de internationale gemeenschap op om een krachtige boodschap te sturen en te laten zien dat er serieuze economische, politieke en diplomatieke consequenties zullen zijn als hij zijn land laat afglijden naar een regelrechte dictatuur.

Ondanks zijn autoritaire ambities beseft Hun Sen dondersgoed dat hij de steun van zijn onderdrukte volk nodig heeft. Zijn campagne-offensief voor deze verkiezing is dan ook een cocktail van charme, intimidatie en stemmenkoperij. Zo verschijnt hij in dorpen en fabrieken waar zijn campagneteam enveloppen met geld uitdeelt. De prijs voor een stem? Fabrieksmedewerkers ontvangen 2,50 euro, complete families toucheren driemaal een betaling van 12,50 euro om zich als partijlid te registreren en op de Cambodjaanse Volkspartij te stemmen. ‘Veel andere keuze hebben ze toch niet’, meent minister van Defensie Tea Banh, die volgens de inmiddels opgedoekte The Cambodia Daily, dreigde de tanden van oppositieleden eruit te slaan als ze tegen de verkiezingsuitslag protesteren. ‘Verandering of aftreden gaat toch niet meer gebeuren’, vervolgde de minister. ‘Alsjeblieft mensen, stem gewoon op de Cambodjaanse Volkspartij.’ Of zoals de leider het zelf verwoordde tijdens een toespraak op een universiteit: ‘Niemand is in staat Hun Sen omver te werpen, behalve Hun Sen zelf.’

Ondanks de intimiderende sfeer rond de verkiezingen is taxichauffeur Nimol (46) niet bang om zijn mening te uiten. ‘Veel mensen zijn bang om zich op straat te laten horen. Er geldt tegenwoordig een samenscholingsverbod en daarnaast zijn ze bang om afgeluisterd te worden door agenten in burger. Maar ik niet’, roept Nimol luid. ‘Als we onze mening niet meer kunnen uiten, dan doen we precies wat hij wil en worden we van die rijst etende robots, net als in China.’ Hij wijst op één van de vele hoogbouwprojecten in de hoofdstad Phnom Penh. ‘In ruil voor macht verkoopt hij ons mooie land aan Chinese projectontwikkelaars, laat hij hen al onze bossen kappen en de bodem leegtrekken. De torens schieten hier de grond uit, maar de winsten gaan naar China, het smeergeld naar Hun Sen en zijn vriendjes, terwijl wij net zo arm als vroeger blijven.’

Ook westerse expats maken zich zorgen over wat de komende verkiezingen zal brengen. De Australische marketeer Tim Kassandra (38) zegt tijdens de komende verkiezingen lang op vakantie te gaan. ‘Wie weet wat de overheid van plan is als er ongeregeldheden uitbreken. Tijdens de staatsgreep van 1997 kwamen er ook talloze mensen om het leven. Hun Sen heeft al meerdere malen naar de expatgemeenschap uitgehaald en ons van hulp aan de oppositie of zelfs het omverwerpen van het regime verdacht. Pure intimidatie, dus kies ik er liever voor te wachten tot het circus voorbij is.’ Tim hoopt op een wonder. ‘Er zijn nog altijd kleine partijen die oprecht het beste met het land voor hebben. Alleen zijn ze onbekend bij het grote publiek, wordt hun campagne bemoeilijkt en werd zelfs een van hun leiders vermoord. Toch is het theoretisch mogelijk, maar zelfs dan is het maar de vraag of Hun Sen dit wonder laat gebeuren. Deze man is tot alles in staat.’

Ook Mory Sar, vice-president van studentenorganisatie Het Cambodjaanse Jongeren Netwerk, hoopt op een wonder. Maar dan vooral het wonder van de lokale jeugd. ‘De jonge generatie moet alert en actief blijven’, zegt hij in een interview met Voice of America. ‘De Grondwet zegt dat wij, Cambodjanen, de eigenaar van het land zijn. Dat betekent dat we ons werk als eigenaar moeten doen en ons democratische recht uit moeten blijven oefenen. Dit begint thuis, in onze gemeenschap en op grassrootniveau.’

Maar of het wonder van de Cambodjaanse jeugd en de kleine politieke partijen deze verkiezingen plaats heeft is twijfelachtig, denkt professor Sorpong Peou, expert in politiek en veiligheid in Cambodja. In een interview met The Diplomat zegt hij dat er mogelijk protesten zullen uitbreken, maar dat een verenigde oppositie zwak is en dat de overheid er alles aan zal doen om niet te verliezen. ‘De Cambodjaanse Volkspartij kan het zich niet veroorloven om te verliezen, want verliezen in Cambodja betekent het einde. Hun Sen en zijn partij zullen niet vallen zonder eerst te vechten tot de dood, dat is de grote tragiek van Cambodja.’