Home Blog Pagina 996

Mijn atletische prestatie in Pyongyang

0

Ik rende begin april de Pyongyang Marathon, georganiseerd ter ere van de verjaardag van de ‘Grote Leider’, Kim Il-sung (1912-1994), de vader van de ‘Geliefde Leider’ Kim Jong-il (1941-2011) en grootvader van de huidige leider Kim Jong-un. De tour vertrok vanuit Peking, mijn uitvalsbasis in den Verre. Het ging mij niet om de marathon zelf. Ik vond het een mooie gelegenheid om een blik te werpen op ’s werelds meest totalitaire maatschappij en nam de renterreur op de koop toe.

Mijn familie en vrienden hadden geschrokken gereageerd toen ik ze van mijn plan verteld had: ik zou daadwerkelijk ergens gaan hardlopen?! Nu waren er naast de hele marathon ook kortere afstanden. Ik deed de tien kilometer versie van de marathon (dat is nog steeds een echte marathon hoor). Toch maakte mijn moeder zich zorgen dat ze me niet heelhuids terug zou zien. ‘Drink voldoende water onderweg!’ Vreemd. Ik weet niet waarom men denkt dat ik niet goed kan hardlopen. Ik ben juist erg atletisch, maar omdat ik nooit train, kan ik dat alleen niet vaak laten zien.

Dwars door Pyongyang
Het parcours liep dwars door het centrum van Pyongyang en begon en eindigde in een vol Kim Il-sung-stadium. Er waren Noord-Koreaanse en buitenlandse renners, onder wie professionele atleten en amateurs. Langs de brede boulevards werden we aangemoedigd door nieuwsgierige Pyongyangers. De stad zag er fleurig uit, met haar paarse bloesems en pastelkleurige gebouwen.

Zoals op iedere andere dag stonden er op kruispunten vrouwelijke verkeersregelaars in strakke uniformen. Die worden speciaal geselecteerd op lengte en lekkerheid. In Noord-Korea heb je geen reclame, dus laten ze hun modellen het verkeer regelen op grote, lege straten. Dat zouden we in Nederland ook moeten doen; goed voor de mannelijke motivatie. Een beetje zoals F1-pitspoezen, maar dan op ieder kruispunt in de binnenstad.

Omdat het koud was, droeg ik een dikke wollen sjaal. Het viel me bij de start op dat ik de enige besjaalde renner was. Ondertussen rende mijn Zweedse vriend de hele marathon met een cowboyhoed die hij in het zuiden van de Verenigde Staten had gekocht. Dat was omdat hij zijn kapsel wilde verbergen. Zijn laatste knipbeurt had rampzalig uitgepakt. Ergo: we waren niet erg aerodynamisch.

Maar ik liet mij motiveren door de pitspoezen en Kim Il-sung en zette uiteindelijk toch een scherpe tijd neer. Tien kilometer in één uur, vijfendertig minuten en negen seconden. Het was goed voor de vierentachtigste plek. Ik was de snelste van alle langzame renners. Omdat ik zó ruim in de tijd zat, kon ik zelfs tijdens de race nog wat foto’s nemen met mijn lieftallige lokale tienerfans, die met een camera langs de weg stonden en mij even exotisch vonden als ik hen (zie foto). De twee Britse pubtijgers van in de vijftig, die ik in het hotel had uitgedaagd omdat ik dacht dat ik ze als begin-dertiger wel aankon, bleven me helaas voor. Maar ik liet een bejaarde Chinese man ver achter me. Je had hem moeten zien waggelen, ‘t zag er niet uit! Vlak voor de finish sprintte ik een bebierbuikte Roemeen voorbij. Hij deed net alsof het hem niet uitmaakte wie van ons eerder finishte. Loser!

Tijdens het wachten op mijn Zweedse vriend, die de hele afstand rende, bezoop ik me met drie oudere Noord-Koreanen in een tentje naast het stadium. Ik schoof aan waar plaats was en werd opgenomen in het drankfestijn toen bleek dat ik wat Koreaanse woordjes kende. De zelfverzekerde uitstraling van mijn tafelgenoten deden mij doen vermoeden dat ze partijkader waren. We troffen op een gegeven moment zelfs een diplomatieke conclusie: ‘Nederland (is een) vriend’ (nedeollandeu chingu). Maar de stemming sloeg om toen een Noor uit mijn groepsreis-gezelschap, die in de tafel naast ons was komen zitten, foto’s van ons begon te maken. Suf. De gidsen hadden ons nog zo gewaarschuwd: maak geen ongevraagd foto’s van mensen. Bovendien lijkt mij dat kaderleden zich sowieso niet graag in beschonken toestand laten fotografen door en met buitenlanders. Eén van de Koreanen werd boos en dwong de Noor de foto’s te wissen. Vervolgens richtte zijn wantrouwen zich ook op mij. Hij vroeg of ik ook foto’s had. Ik antwoordde ‘niet hebben’ (eopseoyo). Die woordjes, wellicht in combinatie met mijn warrige Boris Johnson-achtige haar, bleken dermate ontwapenend, dat we al snel weer aan het drinken sloegen.

Het menselijke en het totalitaire
Het reisbureau waar we mee reisden, bestaat al sinds begin jaren negentig. Medeoprichter Nick Bonner bracht in 2001 de bekende Britse journalist Christopher Hitchens (1949-2011) het land in. Hitchens schreef na afloop het vernietigende essay Visit to a small planet over Noord-Korea. Toen ik Bonner enkele maanden geleden in een Pekings café naar Hitchens vroeg, noemde hij het een vergissing dat hij hem had meegenomen. It was a mistake. Bonner probeert namelijk de menselijke kant van het leven in Noord-Korea te tonen. Het is inderdaad waar dat je zonder dat humanistische inzicht al snel zoiets krijgt van ‘laten we een grote bom op dat land gooien’. Bonner heeft drie documentaires in Noord-Korea opgenomen en was één van de makers van de enige speelfilm die ontstond uit een samenwerkingsproject tussen westerse en Noord-Koreaanse filmmakers. De film werd een groot succes in Noord-Koreaanse bioscopen. Zijn empathische aanpak werpt vruchten af, maar hij had kunnen voorzien dat de kritische Hitchens zich op het totalitarisme zou richten.

Als ik Hitchens’ verslag van zeventien jaar teruglees, valt me op hoe weinig het land veranderd is. In Noord-Korea heb je sowieso vaak het gevoel dat je uit een tijdmachine bent gestapt. Alle afbeeldingen die je tegenkomt zijn ofwel geschilderd dan wel kopieën
van schilderijen. Nergens enig digitaal ontwerp. Het groezelige televisiescherm in het
Het groezelige televisiescherm in het restaurant van het Yanggakdo Hotel – wellicht daar aangebracht ten tijde van de opening van het hotel in 1996 – herhaalde de beelden van de ontmoeting tussen Deng Xiaoping en Kim Jong-il in 1983. Eigenlijk staat het hele land op replay. De leiderschapscultus rond Kim Il-sung is uitgegroeid tot een versteende traditie, waar zijn zoon en tenslotte zijn kleinzoon aan zijn vastgeplakt. De heilige ideologie heette eerst Kimilsungism en nu KimilsungismKimjongilism. Noord-Korea zit vast in een twintigste-eeuwse psychose.

Onze groepsreis werd langs allerlei symptomen van de totalitaire gekte gevoerd. Tijdens ons bezoek aan een middelbare school werden we eerst een biologiezaaltje met opgezette dieren ingegooid, om direct daarna een klaslokaal te bezoeken, waar stille, rechtopzittende leerlingen als foto-object moesten dienen. Ze leken aanvankelijk nergens op te reageren, totdat iemand uit de groep aan een kind vroeg how old are you? De klas antwoordde direct en synchroon, alsof er een knop was ingedrukt. We are thirteen years old! In weer een ander zaaltje gaf een groepje meisjes een dans- en zangvoorstelling. Op het einde werden we gesynchroniseerd, ‘spontaan’ uitgezwaaid door de geforceerd glimlachende menspoppetjes. Ik associeer zulke objectiveringen met mijn ervaringen in China, waar mensen elkaar ook geregeld tot gebruiksobjecten reduceren en weinig begrip hebben van autonome individualiteit. Hoewel ik me al jaren met dit onderwerp bezighou, is mij nog steeds niet duidelijk in hoeverre dit stalinistisch is, in tegenstelling tot de erfenis van een oudere Oost-Aziatische cultuur. Westerlingen worden er sowieso te makkelijk in meegezogen. Wij gaan opeens ongevraagd foto’s maken van Noord-Koreanen, alsof ze slechts objecten zijn. Thuis hoeft niemand ons uit te leggen dat dat niet netjes is. Wel was het geruststellend dat ik kinderen druk zag kletsen toen ik door een raam een onvoorbereid klasje binnen gluurde. Toch is het een vloek om daar op te groeien.

Nog griezeliger was het gigantische, raamloze oorlogsmuseum – een spookhuis vol wassen beelden van dode Amerikaanse soldaten en orwelliaanse leugens. We liepen over een donker bospad en door een schuilkelder. Een windmachine liet de kleding van een Amerikaans lijk wapperen. Er was plaats voor allerlei gesimuleerde oorlogsscènes, maar niet voor waarheid. Een video en bordjes stellen dat de Amerikanen de Koreaanse Oorlog (1950-1953) waren begonnen. In werkelijkheid was het Kim Il-sung met de ondersteuning van Jozef Stalin (1878-1953). Maar het meest frappante is dat de Chinese bondgenoten niet meer in het verhaal voorkomen. De meerderheid van de Noordelijke Strijdkrachten en doden waren Chinees, maar het solipsistische Noord-Koreaanse verhaal doet alsof Kim Il-sung in zijn eentje eerst de Japanners en toen de Amerikanen verslagen heeft. Er komen eigenlijk sowieso geen echte mensen voor in het Verhaal. Je hebt alleen de ‘Mythologische Leider’, een abstracte Koreaanse heldennatie en vijand-collectieven – nergens een realistische biografie of motief, van wie dan ook. Het is nog erger dan wat ik heb gezien in China en in het oorlogsmuseum van Yasukuni in Tokio, waar je tussen al het infantiliserende collectieve zelfbedrog her en der nog wat feitjes ontdekt. Het Pyongyangse oorlogsmuseum is de perfecte negatie van waarheidsvinding. De gekte druipt van de muren. Zou al die onwaarheid de zon voor eeuwig hebben uitgedoofd? Ik was opgelucht toen we na een klein uur het gebouw weer verlieten en er buiten nog steeds licht bleek te schijnen.

Juche
Helaas liet de volgende perversie niet lang op zich wachten. We bezochten Noord-Korea’s Bethlehem, het huisje waar de ‘Grote Leider’ zou zijn geboren in 1912 oftewel Juche-jaar één, het begin van de Noord-Koreaanse jaartelling. De gidsen noemden het een ‘heilige plek’, maar in deze kribbe heeft nooit een ware messias gelegen. Wel schonk deze valse profeet ons zijn Juche-‘filosofie’. Iets over de mens, de kosmos en nationale soevereiniteit. Juche is een zak woorden op het niveau van een mislukt opstel in havo drie, maar in Noord-Korea geldt het als de hoogste intellectuele prestatie van de mensheid.

We bezochten ook de Juche Toren ter ere van Kims ‘filosofie’ – honderdzeventig meter hoog, in de vorm van een faraonische obelisk. Ik ben niet bekend met andere filosofieën die een eigen toren nodig hadden om indruk te maken. De Aristoteliaanse Deugdenleer-Toren? De Spinozaanse Verlichtingstoren? In de lift omhoog werden we begeleid door een knappe, Engels-sprekende Koreaanse in een elegant jurkje. Het uitzicht boven was indrukwekkend, maar mijn Zweedse vriend had vooral oog voor de begerende ogen van de liftdame, die nog even een praatje kwam maken. Ondertussen broeide er ook in mijn gesprek met een Singaporese toeriste iets niet geheel Platoons. Misschien was het omdat we ons op de top van een groot fallisch object bevonden.

In de boekwinkel kocht ik een dozijn naar het Engels vertaalde boeken over Juche en de drie Kims, omdat je er heerlijke citaten uit kunt vissen. Zo lezen we in Exposition of the principles of Juche idea, deel vijf, uit Juche-jaar honderddrie: the single-hearted unity, the cream of the combination of the leader and the masses was well set up in the DPRK (Noord-Korea). De crème van de combinatie? De relatie tussen de ‘Leider’ en de massa is wel erg smeuïg. Ondertussen noemt de Koreaanse Arbeiderspartij zich ‘de partij van de liefde’. Wacht eens even, zo noemt Thierry Baudet Forum voor Democratie! Flauw dat de Koreanen niet toegeven dat ze die frase van Baudet hebben. (Hij heeft het trouwens weer van de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit.)

Ik begon op de laatste avond aan de Kim-lectuur. Terwijl de anderen in ons reisgezelschap zich in de hotelbar bezopen en gefascineerd converseerden over de ontdekking dat de dames in de kelder van het hotel niet alleen gewone massages gaven, lazen mijn Zweeds vriend en ik braaf Kim-boekjes in het tafeltje ernaast. Op een gegeven moment kwam onze Koreaanse gids langs. Hij had gedronken en greep naar het boek dat ik vasthield. We wisten dat hij een geintje wilde uithalen. Ik ken dat van Zuid-Korea, waar ik ruim zes maanden woonde met mijn Koreaanse verloofde. Hij stond op het punt om iets plagerigs over het boek zeggen, maar toen hij de kaft bekeek, bleek het over de wijze inzichten van de ‘Leiders’ te gaan. Oeps. In Noord-Korea vindt men grapjes over de ‘Leiders’ hé-lé-máál niet grappig. Hij legde het snel weg en pakte het boek dat mijn vriend vasthield – oei, dat ging ook over de ‘Leiders’. Hij wendde zich tot de stapel op tafel. Het bleken boeken over Juche. We keken hem aan. Zo van ‘ja, wat ga je nu zeggen?’ Hij stamelde those are great books en liep rechtstreeks richting de uitgang. We hadden hem verslagen, met Kimmie-kracht.

De tragedie van de Totale Mens
Ach, de Kimmies… Noord-Korea is in de ban van de ‘Totale Mens’ (niet te verwarren met Louis van Gaals ‘totale mens-principe’). Dit is het waanidee dat de partijelite en met name de ‘Leiders’ overal goed in zijn, alles weten en alle deugden in zich verenigen. Het dient ter legitimatie van de totalitaire gelijkschakeling. Als de ‘Leiders’ alwetend en zondeloos zijn, dan kunnen en moeten ze zich overal mee bemoeien, is de leiderschapscultus overal op zijn plaats en kan er buiten de officiële ideologie geen onafhankelijk gezag bestaan. Kim Jong-il schrijft bijvoorbeeld in On the Juche philosophy op pagina één: ‘Onze academische kringen missen nog steeds een correct begrip van de Juche-filosofie.’ Ze denken namelijk dat Juche slechts ‘zoiets is als een menselijke filosofie’. Gelukkig kan ‘Hij’ ze corrigeren, omdat ‘Hij’ een direct lijntje met de absolute waarheid heeft. The force is strong in zijn familie.

De tragedie van de ‘Totale Mens’ is dat ze illusionair is. Mensen zijn goed in verschillende dingen. Sommigen zijn nergens goed in; niemand is overal goed in. De machtigste politicus is normaliter niet – en zeker niet van nature – de beste wetenschapper, docent, atleet of huwelijkspartner. Daarom neigen moderne maatschappijen tot wat sociologen ‘statusincongruentie’ noemen. Mensen hebben verschillende posities in naast elkaar staande rangordes. ‘Grote Leiders’ en hun volgers ervaren dat echter als storend en verlangen naar de duidelijkheid van een ‘Totale Rangorde’. Dat is de totalitaire geest. De totalitaire geest tracht tegen het rommelige pluralisme van de menselijke conditie in, een ‘Totale Rangorde’ op te zetten. Ze doet alsof de verschillen tussen mensen absoluut zijn; alsof de ‘Hogeren’ in alles hoger zijn. Zodoende moet Kim Il-sung doorgaan voor een groot filosoof en zou Kim Jong-il een topgolfer zijn. Maar was Kim Il-sung écht goed in filosofie? Nee. Was Kim Jong-il écht een topgolfer? Ik denk dat hij even goed kon golven als ik kan hardlopen.

De totalitaire geest is infantiel en vernauwend, ja, en slecht, uiterst slecht, maar juist daarom zijn de Noord-Koreanen best te begrijpen. Want hoewel totalitarisme een onmenselijke regimevorm is, is het verlangen naar totalisering maar al te menselijk. Immers, als we iemand voor specifieke kwaliteiten bewonderen, wil dan niet iets in ons die persoon ’totaal’ aanbidden? En willen we in het diepste van onze ziel, zelf niet ook gewoon ’totaal goed’ zijn, in plaats van goed-als iets of goed-in iets, wat altijd relatief en relativeerbaar is? Ergens verlangen we allemaal naar een onmogelijke ‘Totaliteit’.

Leed in Gaza genocide noemen gaat te ver

0

De staat Israël bestaat zeventig jaar en dat is niet onopgemerkt gebleven. Dagelijks vonden er demonstraties plaats aan de grens tussen Gaza en Israël waarbij Israël met scherp schoot en er doden en gewonden vielen. De situatie in Gaza is onhoudbaar. Bijna twee miljoen mensen zitten er opgesloten in de grootste gevangenis ter wereld. Dat Israël de grenzen gesloten houdt is vanuit veiligheidsoverwegingen begrijpelijk, maar Gaza grenst aan nog een land, dat geen enkele reden zou moeten hebben de grenzen gesloten te houden en dat is Egypte. Egypte beschouwt het Hamas-bestuur van Gaza als potentieel staatsgevaarlijk en zo vinden de voormalig gezworen vijanden elkaar dus in het afsluiten van de strook met de noodlottige gevolgen voor de bewoners ervan.

In de overige bezette gebieden volgt Israël een harde administratieve politiek waarbij het de levensruimte van de Palestijnen letterlijk, maar ook figuurlijk probeert zo klein mogelijk te houden of te maken. Steeds meer Palestijnen wordt de toegang tot Jeruzalem ontzegd en dat terwijl zij deze stad ook als hoofdstad beschouwen. De ‘erkenning’ van de Amerikaanse president Trump van Jeruzalem als hoofdstad van Israël heeft de situatie van de Palestijnen er niet beter op gemaakt. Zij lijden.

En datzelfde lijden is wat de Joden gedreven heeft tot het stichten van hun staat in 1948. Gezegd wordt dat de Holocaust de trigger was tot het opzetten van deze staat, maar de gedachte aan een Joods thuisland dateert al van voor de opkomst van de nazi’s toen Theodor Herzl in 1895 zijn Der Juden-staat: Versuch einer modernen Lösung der Juden-frage schreef. Naast de Holocaust zijn er meer periodes geweest waarin de Joden in Europa vervolgd en gedood werden. Voor de Tweede Wereldoorlog waren er eerder meer dan minder Europese landen waar de Joden uitgezet waren, met Spanje en Portugal als meest in het oog springend, maar ook Engeland en Frankrijk waren ze ooit uitgejaagd.

De Joden hebben een geschiedenis van fysiek en administratief lijden van eeuwen lang achter zich en het is daarom zo dramatisch vast te stellen dat zij nu de oorzaak zijn van vergelijkbaar lijden van de Palestijnen in de bezette gebieden. In Gaza wordt al gesproken van een genocide, een vergelijking die uiteraard volkomen mank gaat. De Palestijnen lijden, maar vergeleken met het lijden van het Joodse volk door de eeuwen heen hebben zij nog wel een weg te gaan.

Dat laatste klinkt cynisch en dat is het ook en waar ik voor pleit is dat aan dat lijden een eind komt. Maar waar ligt dan de oplossing? Ik heb niet vaak over Israël en de Palestijnen geschreven, omdat het een onderwerp is dat mensen ertoe brengt je een antisemiet of een islamofoob te noemen, al naar gelang je stellingname. Maar ik neem dit voor lief en presenteer hier een aantal van mijn gedachten.

Bij Wakker Nederland op zondagmorgen 22 april was journalist Hans Knoop te gast naar aanleiding van diezelfde zeventigjarige verjaardag van Israël. Hij was het die een bekend mantra herhaalde: Israël kan het zich niet permitteren de tweede slag te slaan. Israël moet altijd als eerste slaan. Doet het dan niet, dan loopt het, het risico van de kaart geveegd te worden. Knoop zei dat onder andere naar aanleiding van de Iraanse dreiging vanuit Syrië die steeds groter wordt. Mijn positie in dit debat ondersteunt deze visie. Zullen Arabieren en Iraniërs, soennieten of sjiieten, echt het bestaansrecht van Israël accepteren, ook als het land zich in een kwetsbare (lees: vernietigbare) positie bevindt? Ik denk van niet. Ik denk dat de Arabieren en Iraniërs, mocht de kans daar zijn, alsnog hun kans zullen grijpen ‘de Joden de zee in te jagen’. Wie twijfelt of dat zo is, kijkt naar wat er in Syrië gebeurt, waar Arabieren elkaar in soorten en maten over de klink jagen. Als het onder elkaar zo gaat, hoe zal het dan met een gemeenschappelijke tegenstander gaan? De vraag stellen is de vraag beantwoorden.

Ik vrees dat als Israël straks vijfenzeventig jaar bestaat en daarna tachtig en dan honderd, we nog steeds met hetzelfde probleem te maken hebben. Het valt te hopen dat de oplossing van het Palestijnse probleem niet zo lang op zich laat wachten als dat van de Joden indertijd in Europa en ook dat het lijden van de Palestijnen niet nog erger wordt. Maar ik heb er een hard hoofd in, ook al omdat de vermeende (Arabische) vrienden van de Palestijnen het op alle fronten laten afweten, net als indertijd de Europanen dat deden met de Joden. Het is op een andere manier, maar helaas, de geschiedenis herhaalt zich telkens weer.

Wilhelmina en de Joden-vervolging

0
‘Dat Wilhelmina en Nederland zo weinig aandacht hadden voor de Joden-vervolging kwam door de geallieerde strategie die het winnen van de oorlog exclusieve prioriteit gaf.’

Wilhelmina (1880-1962) werd door historici Lou de Jong en Cees Fasseur geprezen om haar rol in oorlogstijd, maar de koningin ligt nu onder vuur. In zijn pas verschenen boek Wilhelmina: werkelijkheid en fictie schrijft historicus Gerard Aalders onder andere dat de vorstin nauwelijks geprotesteerd heeft tegen de Holocaust in Nederland. De Kanttekening sprak Aalders en twee andere historici, Bart van der Boom en Katja Happe, over Wilhelmina en de Joden-vervolging.

Sla de mof op zijn kop
Aalders is uiterst kritisch over Wilhelmina: ‘Lou de Jong, Cees Fasseur en anderen hebben van haar een heldin gemaakt. Nederland zou dankzij haar een prominente plek hebben gekregen in het geallieerde bondgenootschap en ze zou het verzet tegen de Duitse bezetter hebben gestimuleerd. Hier klopt echter niets van. De geallieerden namen Wilhelmina totaal niet serieus. De Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt oordeelde vernietigend over haar. Ze had volgens hem geen enkel inzicht in internationale betrekkingen en het verloop van de oorlog. Het onderbrengen van de verschillende verzetsorganisaties in Nederland in de Binnenlandse Strijdkrachten in september 1944 pakte rampzalig uit. De Gestapo en de Sicherheitsdienst konden hierdoor gemakkelijk in het Nederlandse verzet infiltreren, met vele doden als gevolg.’

Ook over Wilhelmina’s houding ten opzichte van de Joden kraakt Aalders harde noten. ‘In haar praatjes voor Radio Oranje heeft ze het slechts drie keer over de Joden-vervolging gehad. De koningin was in haar uitspraken bovendien onbegrijpelijk en vaag. Lou de Jong beweerde dat de toespraken van Wilhelmina kunnen worden vergeleken met die van Winston Churchill (1874-1965), maar ze kwam niet verder dan ‘sla de mof op zijn kop’. Ik viel, eerlijk gezegd, bijna in slaap.’

Waarom deed Wilhelmina dan zo weinig? ‘Desinteresse en onwetendheid. De kennis van Wilhelmina en het kabinet over bezet Nederland was verbijsterend slecht. Wilhemina kreeg ook steeds verkeerde inlichtingen, ze hoorde alleen verhalen die ze graag wilde hoorde. De Engeland-vaarders werden van te voren goed geïnstrueerd. ‘Maak haar niet van streek, spreek haar niet tegen.’ Een Engeland-vaardster die wel over de Joden-vervolging begon mocht haar verhaal niet verder vertellen, want dat vond de koningin niet leuk.’

Aalders benadrukt dat hij de bronnen goed heeft onderzocht. ‘De Jong en Fasseur beweren dat Wilhelmina in de jaren dertig al anti-nazi was, maar dat onderbouwen ze nergens. Ik heb nog contact opgenomen met het Koninklijk Huisarchief in Den Haag, dat niet vrij toegankelijk is, met het verzoek om brieven te lezen waaruit Wilhelmina’s zogenaamde anti-nazi-houding blijkt. Ze wilden mij niet helpen en wezen mij op de Wilhelmina-biografie van Fasseur. Die zijn stelling niet met voetnoten onderbouwt. Mijn conclusie luidt daarom: Wilhelmina’s afkeer van Hitler dateert van 10 mei 1940 en geen dag eerder.’

De oorlog winnen
Van der Boom, verbonden aan de Universiteit Leiden, is een stuk milder over Wilhelmina. ‘We moeten het verleden niet bekijken met de normen van nu. Veel interessanter is waarom de mensen toen deden wat ze deden. Wilhelmina had inderdaad weinig aandacht voor de Joden, maar daarin verschilde ze niet van de andere geallieerde leiders. Franklin Delano Roosevelt (1882-1945, red.) sprak in 1944 voor het eerst over de Joden-vervolging, heel laat. En de Belgische regering in ballingschap besloot tegen de Joden-vervolging te protesteren, omdat de Nederlanders dat ook hadden gedaan.’

Dat er zo weinig aandacht was voor de Joden-vervolging had volgens Van der Boom drie redenen. ‘Ten eerste was men erop gebrand om de oorlog te winnen. Er waren plannen om Joden vrij te kopen, maar behalve onhaalbaar waren zulke plannen ook in strijd met het geallieerde beleid. Het losgeld zou door de Duitsers kunnen worden gebruikt om de oorlog te verlengen. Ten tweede was het tot midden 1944 onduidelijk wat er precies met de Joden gebeurde. Er waren wel veel gruwelverhalen, maar men wist niet hoe betrouwbaar die waren. Ten slotte waren de geallieerde regeringen bang de nazipropaganda in de kaart te spelen. Als men extra aandacht besteedde aan de Joden zouden de nazi’s zeggen ‘zie je wel, de geallieerde regeringen staan onder controle van de Joden’. Zeker in Amerika was het publiek niet ongevoelig voor deze propaganda.’

Veel te laat
Happe heeft net ook een boek over de Holocaust afgerond: Veel valse hoop: de Joden-vervolging in Nederland 1940-1945. Happe vindt de vraag of Wilhelmina meer had kunnen of moeten doen een beetje gek. ‘Wat gebeurd is is gebeurd, we kunnen de gebeurtenissen niet terugdraaien. Maar je kunt desalniettemin wel concluderen dat Nederland heel weinig gedaan heeft. Pas in 1944 werd er adviescommissie voor Joden ingesteld. Dat was veel te laat, want in 1942 en 1943 waren de meeste Nederlandse Joden al naar het oosten gedeporteerd.’

Dat de Nederlandse regering in ballingschap tot midden 1944 weinig wist over de Holocaust wordt door Happe in twijfel getrokken. ‘Lou de Jong, die toen voor Radio Oranje werkte, was Joods en wist vrij goed wat er met de Joden gebeurde. In december 1942 hadden de geallieerde naties een gezamenlijke verklaring doen uitgaan. Daarin schreven ze dat ze wisten wat het lot was van de gedeporteerde Joden was. Wanneer de oorlog voorbij was zouden de daders daarvoor verantwoordelijk worden gehouden en gestraft.’

Wat vindt Happe ten slotte van Van der Booms bewering dat de andere geallieerde regeringen ook heel weinig deden en dat de Belgen dankzij Nederland ook aandacht begonnen te besteden aan de Joden-vervolging? ‘De regeringen in ballingschap in Londen hadden goede contacten met elkaar. Dat kan een rol hebben gespeeld. Maar dat Wilhelmina en Nederland zo weinig aandacht hadden voor de Joden-vervolging kwam door de geallieerde strategie die het winnen van de oorlog exclusieve prioriteit gaf.’

Wie betaalt bepaalt?

0

Het actualiteitenprogramma Nieuwsuur pakte onlangs flink uit met een drieluik over de financiering van moskeeën in Nederland. Uit geheime overheidsstukken waarop de journalisten de hand hebben weten te leggen zou blijken dat ongeveer tien procent van de vierhonderdvijftig moskeeën in Nederland gefinancierd zou worden vanuit landen in de Golf-regio, met name Saoedi-Arabië en Koeweit. Sinds 2010 zouden die landen het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken regelmatig op de hoogte stellen van financieringsverzoeken door Nederlandse moskeeën. Daarvan zijn lijsten gemaakt. Dat die lijsten niet openbaar zijn gemaakt heeft te maken met diplomatieke mores. Bovendien is Saoedi-Arabië zoals bekend een goede bondgenoot van het Westen, dus liever geen gedoe. Want gedoe kun je verwachten bij zoiets.

Wat is hier aan de hand? Vanwaar die commotie? De reportage geeft geen inzicht in de besteding van het geld, maar gaat over wat wordt beschouwd als de directe gevolgen van de financiële transacties. Zo zouden predikers vanuit de regio naar Europa komen om hier lezingen en preken te houden in de moskeeën. Een aantal van deze predikers verkondigt de wahabitische leer, een conservatieve stroming binnen de islam die in Saoedi-Arabië wijdverbreid is. Het zou een variant zijn van ‘het salafisme’, dat oh zo handige containerbegrip. In de reportage worden beelden getoond van conservatieve predikers gekleed in witte keffiyeh die in het Arabisch hun gehoor in moskeeën toespreken. Zonder meer ferme intolerante, vrouwonvriendelijke en anti-democratische uitspraken. Laat daar geen twijfel over bestaan.

Ook komen de onvermijdelijke deskundigen aan het woord. Zij spreken over de met oliedollars gefinancierde zendingsdrang van Saoedi-Arabië, de export van conservatieve en intolerante opvattingen naar Europa, de ‘groeiende invloed’ van het ‘onverdraagzame’ salafisme en het veronderstelde verband tussen salafisme en jihadistisch geweld. NCTV-baas Dick Schoof (kan niet missen) heeft al eerder in een geheime memo ervoor gewaarschuwd dat het aantal salafistische instellingen in Nederland de afgelopen jaren flink is gegroeid. Ook imams en moskeebestuurders spreken hun zorg uit over deze ontwikkelingen. En dat allemaal op basis van een lijst van subsidieverzoeken die de overheid onder de pet wilde houden.

Ik wil de zorg over onverdraagzame predikers niet afdoen als overdreven paniekvoetbal, hoewel er wel een hoop meer over te zeggen valt dan in de reportage naar voren komt. Ze komen hier, dat is duidelijk. Maar dat wisten we allang en ook dat er geld stroomt. Donaties uit binnen of buitenland aan religieuze instellingen zijn grondwettelijk niet verboden. Ze vallen onder godsdienstvrijheid en zijn van alle tijden. Ook onder moslims. Lang maakte niemand zich daar druk om. Maar die tijd is voorbij. Nu wordt er een rechte lijn getrokken tussen financiering, inmenging, botsing van waarden, radicalisering en integratieproblemen. Ongetwijfeld zijn veel van die financieringsverzoeken puur en alleen gedaan om een moskeeproject te betalen. Overigens is dat niet alleen geld uit de Golf-regio. Lokale moslims zijn over het algemeen niet erg kapitaalkrachtig en dus zijn aanvullende middelen nodig. Daar zullen in veel van de gevallen geen verdere voorwaarden aan verbonden zijn.

Maar zelfs dan lijkt het me niet echt opzienbarend dat met die financiering de geldschieters in sommige gevallen ook invloed verwerven. Je kunt het naïef noemen dat een moskeebestuur zich dat niet voldoende realiseert. Wie betaalt, wil ook meepraten en meebeslissen. Al eerder is naar buiten gekomen dat er achteraf conflicten zijn uitgebroken, omdat geldschieters meer invloed eisten op de agenda van het lokale bestuur, waar bestuursleden op hun beurt niet van gediend waren. Het ligt nogal voor de hand dat die inmenging niet alleen gaat over de kleur van de bakstenen.

Vrijwel direct reageert het kabinet met de aankondiging dat het gaat proberen die geldstromen uit het buitenland te stoppen. Repressie en stoere taal. Meer controle, betere indamming, ruimer verbod, ook al is dat grondwettelijk zeer problematisch. Maar het is vooral ook enorm paternalistisch. Kennelijk komt het bij niemand op eens te kijken hoe door gewone moskeebezoekers over die predikers wordt gedacht. Ze prediken hier, maar hoe wordt hun boodschap ontvangen? Alleen terrorismedeskundige Bart Schuurman uit Leiden zegt daar iets over in de reportage. Op de vraag hoe uitspraken van een prediker moeten worden beoordeeld stelt hij dat het uitspraken zijn ‘van een gezagsfiguur, van iemand met extra invloed op zijn toehoorders, mag je aannemen’.

Precies, dat nemen we maar aan. Dat is nu precies waar dit soort reportages, hoe spectaculair ze ook mogen lijken, de plank misslaan. Iemand uit Saoedi-Arabië hier parachuteren zegt helemaal niets over diens gezag, legitimiteit en uitstraling. Hoeveel invloed deze figuren hebben is allerminst vanzelfsprekend. Uit onderzoek blijkt al veel langer dat de invloed vanuit het buitenland door gewone moslims steeds meer als problematisch wordt gezien. Moslims hier kunnen inmiddels heel goed zelf bepalen wat ze willen. Daar hebben ze geen woordvoerders, journalisten of deskundigen voor nodig die over hun hoofd vertellen hoe het zit.

De uitzondering die je koestert

0

Voor het examengala van onze school, een soort symbolische afsluiting van het jaar, hadden we een gelegenheid in Amsterdam-Oost afgehuurd, een centrum voor ‘cultuur en maatschappelijke betrokkenheid’ waar normaal gesproken gezonde buurtmoeders samenkomen en dat verder is gespecialiseerd in evolution dance en ekofood. Zo las ik in de folder. Geen idee wat dat precies is, maar het leek me een perfecte plek voor ons examengala, al zag ons programma er wel wat anders uit.

Angele uit mijn mentorklas zou het deejayen voor haar rekening nemen. Angele werkt al regelmatig als dj in clubs in Amsterdam en omstreken. Daarnaast hadden we nog twee optredens geregeld. Het eerste optreden werd verzorgd door twee leerlingen uit klas E42. Twee Surinaamse jongens, nonchalant rappend in de microfoon, waarbij er af en toe iets misging in de coördinatie. En dan was er nog een hoofdact: Soeraya. Op jonge leeftijd ontdekt in de Voice Kids.

Vorig jaar zat ze nog bij ons op school en bij mij in de klas voor Nederlands. Ze wilde een muziekopleiding doen, maar om daarop te komen moet je minstens kaderniveau vmbo hebben, anders mag je niet beginnen. Dat was nog wel even een probleem, want ze was meer niet dan wel op school. Om over de examens nog maar te zwijgen. Soeraya is een draak, maar ik was erg dol op haar. Voor een aardig woord deed ze alles. Natuurlijk, ik stond volledig in mijn recht om dingen van haar te eisen, om te zeggen ‘als jij je huiswerk niet doet, mag je geen examen doen’. Maar het punt is, dat werkte dus niet bij haar. ‘Douw dat examen maar in je reet’, zei ze tegen een collega. Maar als ik zei ‘ach, Soeraya, wanneer ga je dat inleveren? Ik weet dat je het kan, je moet het alleen even doen’. Dan was het een ander verhaal.

Toen ik een keer uitgenodigd was voor een radioprogramma, vroeg ik of ze meeging. Dat wilde ze wel. Met nog drie andere leerlingen hadden we bij mij thuis afgesproken. We moesten in Hilversum zijn en ik had niet verwacht dat ze zou komen, maar ze kwam wel. Het was een programma van Tijs van den Brink en het ging over een rapport dat net verschenen was, waarin stond dat kinderen van nu totaal geen discipline hebben. Dus Tijs vroeg haar ‘in het rapport staat dat jullie geen discipline hebben, wat vind je daarvan?’ Nou, daar had Soeraya wel een mening over. ‘Sorry hoor’, zei ze. ‘Maar dat rapport, daar klopt echt níéts van. Als er íémand gemotiveerd is om het diploma te halen, dan ben ik het wel.’ Als je haar hoorde praten dacht je echt: wat een topleerling is dit! En dat zei Tijs na afloop ook tegen mij. ‘Nou, als dit staat voor het vmbo, dan ben ik zeer hoopvol gestemd’, zei Tijs. ‘Dat mag ook best’, zei ik.

Uiteindelijk heeft Soeraya haar diploma niet gehaald. Te veel verzuim, examens niet afgerond, dan lukt het niet. Maar met haar carrière in de muziek gaat het prima, ondertussen staat ze onder contract bij een platenlabel.

Om halfelf was het dan zover. Vijf minuten voor het optreden kwam ze aan. Achter in de auto, een aankomst als een echte diva, met chauffeur en al, goed gemake-upt, optreedkleding aan, hippe trainingsbroek, glimmend bomberjasje en een Louis Vuitton-tasje dat waarschijnlijk vele malen duurder was dan wat erin zat. Geen steek veranderd. ‘Juffie!’ Of ik haar tasje tijdens het optreden wilde bewaken, want zo’n tasje geef je niet af bij wat voor garderobe dan ook.

Vier nummers ging ze doen, met een eigen dj. ‘Dit nummer staat op mijn nieuwe cd, die komt 27 april uit’. Het leek het publiek maar matig te interesseren, maar dat deerde Soeraya niet. En toen was het al tijd voor het laatste nummer. ‘27 april komt dus de cd uit, he!’ Voor haar diploma was ze gezakt, maar over andere dingen hoeven we Soeraya niks te leren. ‘Dank u juffie.’ Ze pakte haar tasje aan en weg was ze. Angele boog zich weer over haar draaitafel en het feest ging door alsof er niets gebeurd was. En als Soeraya eenmaal beroemd is, zullen we allemaal tegen elkaar zeggen ‘weet je nog wel, die avond, dat ze optrad op dat feestje van het MCO, ik was erbij!’

De namen in deze column zijn gefingeerd.

‘Ruzie met Griekenland is voor Turkije afleiding van interne problemen’

0
De spanningen tussen Turkije en Griekenland lopen de laatste maanden op. ‘Het is niet meer van deze tijd om te vechten om grondgebied. De Turken moeten kalmeren en wij ook.’

Griekse militairen vuurden onlangs waarschuwingsschoten af op een Turkse helikopter boven het eiland Rho. Een nieuw dieptepunt in de toch al ijzige Grieks-Turkse relatie. Is het wachten op een gewapend conflict? Onze correspondent Jochem van Staalduine is in Athene en sprak Grieken over de dreiging tussen Griekenland en Turkije.

Het alledaagse leven gaat doodgewoon zijn gang op het Syntagma-plein in Athene. Een verkoper verkoopt pretzels, uit een speaker klinkt traditionele Griekse muziek. Het is één van de eerste warme lentedagen op het plein aan de voet van het Griekse parlementspaleis. De Grieken hebben hun ritme op de hoge temperatuur aangepast. Hun bewegingen zijn loom, de bankjes zitten vol. De enige activiteit komt van de toeristen aan de overkant van de straat, die foto’s van zichzelf en elkaar maken.

Aan niets is te merken dat Griekenland in een hoogoplopende burenruzie is verwikkeld, die in het allerergste geval kan uitlopen op een gewelddadig conflict. Achter de muren van het parlementsgebouw op het Syntagma-plein zal dat anders zijn. Daar discussiëren de parlementariërs over het te voeren beleid van Griekenland ten opzichte van buurland Turkije.

De verhoudingen tussen de twee landen waren nooit goed, maar zijn recent onder extra hoogspanning komen te staan. Acht Turkse militairen vroegen in 2016 asiel aan in Griekenland. Volgens de Turkse president Recep Tayyip Erdogan zijn de acht medeverantwoordelijk voor de mislukte militaire coup tegen zijn regering (15-16 juli 2016). Hij wil ze graag in eigen land berechten, maar tot zijn woede negeert Athene ieder Turks uitleveringsverzoek. Het Griekse hooggerechtshof heeft bepaald dat Griekenland de acht militairen niet mag uitleveren.

Sindsdien hollen Griekse en Turkse diplomaten van brandje naar brandje, in een poging de vijandelijkheden te sussen dan wel aan te wakkeren. Zo heeft Turkije een Griekse sergeant en een luitenant gearresteerd die per ongeluk de grens naar Turkije waren overgestoken. Ondanks druk van de Europese Unie verblijven de twee grenswachten in de gevangenis.

Daarnaast morrelt Turkije aan de in 1923 vastgestelde grenzen tussen Griekenland en Turkije. Eilanden die Turkse kustbewoners vanaf het vasteland kunnen zien horen volgens dat verdrag bij Griekenland, tot onvrede van Erdogan. Bij het eerste staatsbezoek van een Turkse president aan Griekenland in vijfenzestig jaar stelde Erdogan in december het grensverdrag tussen Griekenland en Turkije ter discussie.

Op 9 april verhoogde Griekenland de spanning zo mogelijk nog verder. Griekse militairen vuurden twintig waarschuwingsschoten af op een Turkse helikopter die een militaire basis op het eiland Rho te dicht genaderd was. Het is geen incident, het aantal schendingen van het Griekse luchtruim steeg volgens statistieken van het Griekse leger van 1.269 in 2014 naar 3.317 in 2017.

Ook verhardt de toon van Griekse politici. Met name minister van Defensie Panos Kammenos is fel. Hij spreekt over ‘de vijand Turkije’ die opdracht heeft gegeven zevenduizend extra militairen naar de Griekse eilanden te sturen en een overeenkomst met Frankrijk probeert te bereiken over het leasen van oorlogsschepen.

De verre van volledige opsomming doet voorkomen alsof een nieuwe Grieks-Turkse oorlog op het punt van uitbreken staat. Op het Syntagma-plein zijn de Grieken echter niet onder de indruk. ‘Turkije en Griekenland vechten een ruzie uit voor de bühne. Ze willen ons laten geloven dat het oorlog is’, zegt Chris Spirou (30), werkzaam bij een telecommunicatiebedrijf. Volgens Spirou is het conflict tussen Turkije en Griekenland een politiek spel dat niet leeft onder de Griekse bevolking. ‘Ik heb veel vrienden van Leros en Lesbos, eilanden vlakbij Turkije, en ik heb veel Turkse vrienden. De zogenaamde spanning tussen Griekenland en Turkije doet zelfs hen weinig.’ Wat Griekenland aanmoet met de acht Turkse militairen weet Spirou niet. Hij wuift in de richting van het parlement. ‘Vraag het hen.’

Met zijn onverschilligheid staat Spirou symbool voor de meeste Grieken op het Syntagma-plein. De onderlinge beschimpingen van de Turkse en Griekse ministers kunnen de meeste Grieken geen jota schelen. ‘We zijn het gewend. De Grieks-Turkse relatie loopt parallel met de interne strubbelingen van Turkije. Ruzie met Griekenland is voor Turkije een afleiding van interne problemen’, zegt een Armeens-Griekse vrouw in een pastelroze jasje met zonnebril. Met twee andere vrouwen informeert ze vanuit een container midden op het plein het Atheense publiek over de Armeense Genocide. Haar naam wil ze niet noemen. ‘Ik vertegenwoordig de Armeense Jeugd Federatie in Griekenland.’

Wat voor beleid zou Griekenland volgens de Armeens-Griekse moeten volgen ten opzichte van de eilanden die Turkije opeist? ‘De eilanden zijn helemaal niet in dispuut. Het zijn Griekse eilanden. Dat staat op iedere landkaart. Griekenland moet zich richten op het behouden van de grenzen en geen Turkse invloed op die eilanden accepteren.’

Achter de Armeense-Griekse kraam luistert Evelina Mentsiu (21) naar muziek. De student Klinische Nutritie is het gedoe tussen Griekenland en Turkije moe. Het geruzie leidt volgens haar toch nergens toe. ‘Het is niet meer van deze tijd om te vechten om grondgebied. De Turken moeten kalmeren en wij ook.’

Dat de inwoners van Griekenland niet meer schrikken van een conflict met Turkije is niet zo verbazend. Vanaf het verdrag dat de grenzen in 1923 vastlegde zijn de relaties slecht. Christenen op het Turkse vasteland moesten huis en haard verlaten, hetzelfde gold voor moslims op de eilanden en het Griekse vasteland. Geen van beide landen was echt tevreden met de overeenkomst. De spanningen hebben in 1987 en 1996 bijna tot oorlog geleid. De spanning van 1996 doet denken aan het huidige conflict tussen de twee landen. Ook in 1996 waren kleine eilanden in de Egeïsche Zee de inzet van het conflict.

Hoe moet Griekenland voorkomen dat het dit keer wel tot een gewapend conflict komt? Het tonen van Griekse spierballen is volgens ingenieur Konstantinos Grivakis (30) geen goed idee. ‘Agressief optreden heeft voor ons niet echt zin. We hebben geen sterk leger en de Europese Unie staat dat toch niet toe. Bovendien zijn we van Turkije afhankelijk zijn voor het vluchtelingenverdrag. Diplomatie is de enige oplossing.’

Vindt Grivakis – zijn redenatie doorvoerend – dat Griekenland de acht gevluchte Turkse militairen uit diplomatieke overwegingen aan Turkije uit moet leveren? ‘Dat is een juridische beslissing. Misschien zullen we de militairen uiteindelijk aan Turkije moeten uitleveren, maar persoonlijk vind ik het een betere beslissing om ze hier te laten blijven. Ze wilden per slot van rekening slechts zichzelf redden.’

De snelheid van de waarheid

0

De leugen komt met de lift, de waarheid neemt de trap, maar komt er alsnog. Het zijn beroemde woorden van de Congolese muzikant Koffi Olomide op zijn album Loi (het recht).

In een prachtig journalistiek relaas onthulde de Volkskrant afgelopen zaterdag de honderdveertig trollen van zanger Dotan. Uit het stuk blijkt dat sinds 2011 door de zanger nepaccounts op verschillende sociale media worden ingezet om het imago van Dotan op te krikken. De honderdveertig nepfans liketen alles wat Dotan postte en prezen hem de hemel in. De zanger ontkende het inzetten van een trollenleger, maar na de grote commotie die na de publicatie ontstond, voelde hij zich toch genoodzaakt zijn fout toe te geven. Dat deed hij in een video op Facebook waarin hij berouw toonde. ‘Ik was heel naïef, veel te ambitieus en onzeker’, verklaarde hij. En zo kwam de waarheid, zeven jaar na de creatie van de trollen, uiteindelijk aan het licht.

In het weekend waarin de Volkskrant over het trollenleger van Dotan publiceerde werd een ander soort leger ingezet om het wapenarsenaal van Bashar al-Assad geweld aan te doen. ‘We hebben bewijs dat vorige week chemische wapens, minstens chloorgas, zijn in ingezet door het regime van Bashar al-Assad’, verklaarde de Franse president Emmanuel Macron een paar dagen daarvoor. Eerder deze maand vond een chemische aanval plaats in de belegerde Syrische stad Douma, met tientallen doden en honderden gewonden tot gevolg.

RT, hier in het Westen vaak aangemerkt als het propagandamachine van het Kremlin, berichtte op haar beurt over de schaamteloze censuur van Sky News. De Britse omroep had een oud-generaal van het Britse leger, Jonathan Shaw, te gast om commentaar te leveren op de toedracht van de chemische aanval in Douma. In het commentaar had Shaw, die sinds 2012 als veiligheidsexpert werkt, zijn bedenkingen bij de officiële lezing, die zowel Sky News als de Franse president en andere grote nieuwsorganisaties bezigden. ‘Waarom zou Syrië nu een chemische aanval lanceren?’, vroeg de oud-generaal, op de vraag of Rusland en Syrië verantwoordelijk voor de aanslag konden worden gehouden en of dat betekende dat het Britse Lagerhuis een aanval op Syrië buiten het mandaat van de Verenigde Naties moest steunen. Voordat Shaw met bedenkingen over de motieven van Syrië en Rusland voor de chemische aanval kon doorgaan, werd hij midden in een zin plots onderbroken. ‘Het spijt mij, je bent geduldig met ons geweest, maar wij moeten het daarbij laten’, verklaarde de presentator waarna Shaw onmiddellijk van de buis verdween. Een paar dagen later na dit gênante moment, in het weekend van Dotan-gate, vond een gezamenlijke aanval van Amerika, Frankrijk en Engeland op Syrië plaats.

In een conflict als Syrië zijn niet alleen burgers en gebouwen het slachtoffer. Er vindt ook een slag om de waarheid plaats, waarbij de waarheid zelf de grootste verliezer is. Vooral online kruisen verschillende versies van de waarheid de degens. Getuigen uit belegerde gebieden die trollen blijken te zijn. Hulporganisaties die politiek gemotiveerd zijn. Foto’s uit eerdere oorlogen die gebruikt worden om als bewijs voor een recente aanslag te dienen.

Zonder medemenselijkheid uit het oog te verliezen, moeten wij de slag om de waarheid niet aan trollen overlaten. Je kunt Assad verschrikkelijk vinden en vanuit internationale solidariteit opkomen voor slachtoffers van het conflict in Syrië zonder de waarheid in de uitverkoop te doen. Het grote nepnieuws van de Amerikaanse en Britse overheid uit 2003, over dat Saddam Hoessein massavernietigingswapens zou hebben, moet ons daaraan herinneren. Je kunt als artiest vanuit onzekerheid juist perfectionistisch worden en geweldige muziek maken zonder de waarheid aan trollen over te laten. Want in alle verwarring, censuur en naïviteit is de waarheid sneller dan wij denken. Dat heeft de geschiedenis telkens weer bewezen.

Was het verstandig Nouri te reanimeren?

0
Was het verstandig Nouri te reanimeren? Een pijnlijke, maar belangrijke vraag.

Ajax-voetballer Abdelhak Nouri ligt al bijna een jaar in coma sinds hij op 8 juli 2017 ter aarde stortte tijdens de oefenwedstrijd tegen Werder Bremen. Sinds deze catastrofe is er veel geschreven over de gezondheid van Nouri en over het ingrijpen van de medisch specialisten ter plekke op het veld. Op 2 december vorig jaar oordeelde een anonieme reanimatiespecialist in de Volkskrant dat er te laat was begonnen met reanimeren.

Ook werd bekend dat Ajax op de hoogte was van een anatomische afwijking bij Nouri die hartritmestoornissen kán veroorzaken. Advocaat en letselschadespecialist John Beer zei daarover op 6 januari in de Telegraaf dat Ajax te weinig had gedaan om de hartaanval te voorkomen. Er rijzen nog andere vragen nu de kans op ontwaken uit coma voor Nouri steeds kleiner wordt. Controversiële vragen. Had Nouri gereanimeerd moeten worden? Mag een arts stoppen met reanimeren als hij of zij twijfelt over de uitkomst ervan? Is het volgens de theologie van de drie grote monotheïstische religies een verplichting om te reanimeren ook als het vrijwel uitgesloten is dat iemand ooit nog een normaal leven zal leiden?

De Kanttekening spreekt daarover Martijn Maas (ambtelijk secretaris van de Nederlandse Reanimatieraad), Rienk Rienks (cardioloog aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht), Lody van de Kamp (rabbijn, zakenman en schrijver), Wim Eijk (kardinaal en portefeuillehouder medische ethiek voor de Nederlandse Bisschoppenconferentie) en Marzouk Aulad Abdellah (imam en religiewetenschapper gespecialiseerd in islamitische jurisprudentie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam).

‘In principe gaat men door tot dat het idee ontstaat dat het niet werkt. Als er binnen tien minuten geen enkele reactie is op reanimeren, dan neemt de kans op volledig herstel met elke volgende minuut heel snel af. Een arts moet dan de overweging maken of wat hij of zij doet wel zin heeft’, zegt Rienks. Volgens hem is er een verschil tussen de theorie en de praktijk. ‘De meeste artsen zijn huiverig om de reanimatie niet op te starten of af te breken. In ziekenhuizen wordt er altijd gevraagd of iemand gereanimeerd wil worden of niet, maar als de alarmbellen afgaan worden de mensen die niet gereanimeerd wilden worden vaak alsnog gereanimeerd. Het is als arts ook heel onnatuurlijk om niet de drang te hebben om iemand te redden, ook richting de familie.’

Het richtlijndocument Starten, niet starten en stoppen van de reanimatie van de Reanimatieraad geeft een aantal criteria waarop er gestopt mag worden met reanimatie en wanneer er helemaal niet gereanimeerd mag worden. Daarin is te lezen dat er niet gereanimeerd mag worden na een circulatiestilstand van meer dan vijftien minuten en als binnen die tijd nog niet is gereanimeerd door omstanders of professionele hulp. Ook dient de reanimatie gestopt te worden na twintig minuten als die niet effectief is gebleken.

‘De richtlijnen geven duidelijke indicatoren welke ritmes er in de afgelopen twintig minuten wel of niet opgetreden moeten zijn’, zegt Maas. ‘Het is dus van essentieel belang dat er snel gehandeld wordt. Er moet constant zuurstof naar de hersenen. De tijd tikt.’ Toch nuanceert Maas de duur van de reanimatie, ook als die lang duurt, betekent dat niet dat volledig herstel onmogelijk is. ‘Als er geen circulatie is en er wordt meteen gedefibrilleerd, dat betekent dat we met een schrok het hart weer in het goede ritme brengen, dan is de kans op overleving heel groot, maar we weten ook dat elke minuut dat daarmee gewacht wordt die kans met zo’n tien procent afneemt. De kans op overleving wordt dan steeds kleiner, maar dat zegt niet zoveel over de uitkomst, dus de kwaliteit van het leven. Ik ken een geval van een jongetje van zestien dat drie en een half uur gereanimeerd is en die is geestelijk toch volledig hersteld.’

Het is dus lastig te bepalen waar de ethische grens ligt, vindt ook Rienks. ‘Artsen zijn met name bij jonge mensen geneigd langer door te reanimeren. Te meer omdat er uitzonderlijke gevallen bekend zijn van lange reanimatie waarbij de patiënt toch volledig is hersteld. Daarnaast zijn er ook vaak twijfelgevallen, patiënten die een beetje reageren op reanimatie en dan weer wegvallen. Het is daarom niet eenvoudig daar een vaste code over af te spreken.’ Hoewel de reanimatiespecialist uit de Volkskrant meende dat er te laat was begonnen met het reanimeren van Nouri, twijfelt Rienks niet over de vraag of de voetballer gereanimeerd had moeten worden. ‘Daar is mijns inziens geen enkele discussie over. Het betreft een collaps bij een ogenschijnlijk gezonde jonge man. De kans op een goede afloop lijkt me bij hem a priori groot.’

Hoewel zowel Maas als Rienks voorzichtig zijn in het trekken van een ethische grens, laat de richtlijn van de Reanimatieraad ruimte voor een discussie waarin de ethiek van reanimatie verder besproken kan worden. Zo staat er geschreven: ‘Reanimatie is per definitie ‘kleine kans geneeskunde’. Het niet starten van een reanimatiepoging vanwege de overweging dat de poging slechts een kleine kans van slagen heeft is zeker niet terecht. Op basis van een medische en maatschappelijke discussie zou beoordeeld kunnen worden met welke kans een reanimatiepoging niet meer gestart wordt. Een dergelijke discussie omvat een groot aantal maatschappelijke en ethische overwegingen en gaat deze richtlijn te boven.’

Rienks juicht een dergelijke discussie toe, maar verwacht niet gelijk een andere uitkomst. ‘Het lijkt me dat deze discussie door de Reanimatieraad zou moeten worden aangezwengeld. Het lastige in de praktijk is natuurlijk dat je maar heel kort de tijd hebt om te beslissen over wel of niet reanimeren bij een onbekende patiënt. Het zal er dus wel op neerkomen dat je toch maar begint. Zolang we de uitkomst van de reanimatie niet goed kunnen voorspellen, zal de discussie over wel of niet reanimeren afhangen van het standpunt van betrokkene, als dat bekend is, en de kennis over betrokkene over bestaande problematiek zoals hartafwijkingen, kanker of dementie. Wat ook voorkomt is dat hartpatiënten met een verhoogde kans op fatale hartritmestoornissen in het ziekenhuis met hun behandelaars afspreken dat ze ‘beperkt’ willen worden gereanimeerd, dat wil zeggen alleen een elektroshock om het abnormale ritme te herstellen en als dat dan niet helpt wordt er geen verdere actie ondernomen.’

Theologische visies
Aulad Abdellah wil die medische discussie niet in de weg zitten. ‘Het is de taak van de artsen om te bepalen wanneer iemand wel en wanneer niet gereanimeerd mag worden. Als de artsen zeggen dat het beter is om niet te reanimeren, dan moeten wij als geestelijken de artsen daarin volgen. Het gaat hier om een specialisatie, als moslimgeleerde moet je niet op de stoel gaan zitten van een arts.’ Toch zijn er binnen de islamitische, joodse en christelijke theologie wel richtlijnen als het gaat om de invloed van de mens op leven en dood. Cruciaal is volgens Aulad Abdellah de vraag wat ‘dood’ is. Is iemand dood bij hartstilstand of bij hersendood? ‘Moslimgeleerden zeggen dat bij hersendood de persoon als overleden moet worden beschouwd, maar als alleen het hart niet klopt en met reanimatie kan je het hart weer laten kloppen, dan leeft de persoon nog. Hij of zij kan dan immers nog herstellen. Het is volgens de islamitische principes geen verplichting om te reanimeren bij hartstilstand, maar het is uiteraard goed dat de artsen hun best doen iemands leven te redden. Het redden van het leven van mensen zie ik zelf wel als een verplichting, dus als je iemand kan redden, dan moet je dat doen. Doe je dat niet, dan wordt je volgens de islam gezien als medeplichtig aan wat de ander is overkomen.’

Volgens Van de Kamp is het vanuit de joodse wet een absolute verplichting om een mens te redden als dat mogelijk is. ‘Daar zijn wel grenzen aan verbonden. Als na de reanimatie de persoon kunstmatig in leven wordt gehouden, dan is dat niet toegestaan. Als er sprake is van ernstige hersenbeschadiging door zuurstofgebrek of als tijdens de reanimatie blijkt dat het hart zijn functie niet meer zelfstandig kan vervullen, dan dient men te stoppen met reanimeren.’

Het na reanimatie kunstmatig in leven houden van een lichaam is onder islamitische theologen een groot discussiepunt volgens Aulad Abdellah. ‘Sommige moslimgeleerden zeggen over hersendood dat we zo’n persoon niet kunstmatig in leven mogen houden, omdat hij of zij volgens de islam al dood is. Zijn functies komen niet terug, dus waarom moeten we dan in deze persoon investeren? Ze stellen dat zo’n persoon dan van de machines af moet. Anderen zijn strenger en zeggen dat we alles moeten doen om het leven te redden.’

Eijk stelt net als Van de Kamp dat iemands leven redden verplicht is. ‘Volgens de katholieke leer is de toepassing van medische behandeling met als doel het leven instandhouden verplicht, als er een geproportioneerde evenredige verhouding bestaat tussen enerzijds de kans op levensbehoud en anderzijds de kans op bijwerkingen en complicaties en ook de kosten van de behandeling en de inzet van personeel. Wanneer een geproportioneerde behandeling achterwege gelaten of onderbroken wordt en de patiënt als gevolg daarvan sterft, is er sprake van een situatie die ethisch gezien gelijkwaardig is met levensbeëindigend handelen.’

Wat als iemand van tevoren heeft aangegeven niet gereanimeerd te willen worden? Eijk: ‘Als iemand bij voorbaat weigert een reanimatie te ondergaan, terwijl dat een geproportioneerde behandeling is, dat wil zeggen een behandeling waarmee op relatief eenvoudige wijze zonder een grote kans op bijwerkingen en complicaties het leven had kunnen worden gered en de persoon als gevolg daarvan sterft, dan is sprake van een situatie die ethisch gezien gelijkwaardig is met suïcide. Immers de kosten en inzet van personeel spelen, zeker in een instelling voor gezondheidszorg in de westerse wereld, bij reanimatie nauwelijks een rol. Aangezien suïcide volgens de katholieke leer niet aanvaardbaar is, is het achterwege laten van reanimatie dat ook niet, wanneer een geproportioneerde behandeling wel mogelijk was.’ Toch biedt volgens Eijk ook de Katholieke Kerk ruimte voor de mogelijkheid niet te reanimeren bij ernstige gevallen. ‘In het geval dat de verhouding tussen de kans op levensbehoud en de kans op ernstige bijwerkingen en complicaties bij reanimatie ongeproportioneerd is, dan ligt de zaak anders. In dit geval kan de patiënt, nadat hij of zij zich daarover heeft laten voorlichten door de arts of het behandelend team, legitiem besluiten om van reanimatie af te zien. Als reanimatie dan achterwege wordt gelaten en de patiënt als gevolg daarvan sterft, is er geen sprake van een situatie die ethisch gezien gelijkwaardig is aan suïcide. De patiënt is dan niet verplicht om zich te laten reanimeren. Dit is een situatie waarin men de eindigheid van het leven onder ogen moet zien en proberen te aanvaarden. Als er tussen de kans op levensbehoud en de kans op bijwerkingen en complicaties een wanverhouding bestaat, dan dient van reanimatie überhaupt te worden afgezien.’

Wat is de wil van God?
Waarom kreeg Nouri een hartaanval? Is dat zijn lot? Als het zijn lot is, mag de mens dan wel ingrijpen? Aulad Abdellah gelooft niet dat de wil van God indruist tegen de wil van de mens. ‘Stel dat je ziek bent, dan zou je kunnen stellen dat dat je lot is, dat het de wil is van God, dus waarom zouden wij hem helpen? Aan de andere kant wil de Koranische traditie dat je je medemens helpt. De wil van God bestaat wel, maar is ook van de mens zelf. Medicijngebruik is ook daarom een discussiepunt. Moslims zien ziekte als een beproeving, dus waarom met medicijnen die beproeving verzachten? Er zijn geleerden die zo denken, maar zo zie ik dat niet, want juist het redden van de mens is islamitisch.’

Toch zullen veel mensen zich afvragen waarom juist hun geliefde getroffen is door een hartaanval. Aulad Abdellah worstelt ook met die vraag. ‘Dat is hetzelfde als bijvoorbeeld waarom iemand ziek is of vermoord wordt of bijvoorbeeld waarom de ene helft van de wereld arm en de andere rijk is. Dat zijn natuurlijk heel lastige vragen. We moeten daarvoor niet de schuld aan God geven. Moslims geloven dat God in het paradijs alles in perfecte staat heeft geschapen, het leven daarentegen kan heel zwaar zijn. Het is aan ons, aan de artsen en iedereen van goede wil, om zij die lijden te beschermen.’

Eijk benadrukt dat God de mens een vrije wil heeft gegeven. ‘De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis en is daardoor uitgerust met verstand en vrije wil. De mens heeft daardoor een, zij het beperkte, vorm van voorzienigheid en draagt daarom verantwoordelijkheid, ook voor het behoud van zijn of haar leven en gezondheid. Hij of zij dient dat in stand te houden met geproportioneerde middelen, maar is niet verplicht dat te doen met ongeproportioneerde middelen.’

Een zware beproeving
Op de vraag wat hij zou willen meegeven aan de vrienden en familie van Nouri, antwoordt Aulad Abdellah: ‘Ik zou willen zeggen dat het leven toebehoort aan Allah. Het is aan niemand anders dan Allah om het leven te nemen of te beproeven. We moeten het zien als een beproeving. Het beschermen van het mensenleven is één van de zes fundamentele verplichtingen in de islam die nagestreefd moeten worden. De artsen moeten hun best doen om Nouri uit zijn coma te halen. Als het kan, dan moeten ze daarvoor zorgen. We moeten vertrouwen houden in Allah. Het opgeven van hoop, dus dat Nouri nooit meer wakker wordt, is niet islamitisch, je moet altijd hoop houden. In de Koran staat ‘hoe meer iemand beproefd wordt, hoe meer iemand wordt beloond’. Hoe meer de familie geduldig is over wat Nouri is overkomen, hoe meer de familie daarin beloond zal worden. Natuurlijk ben ik me terdege bewust van hoe enorm zwaar de beproeving is die de familie ondergaat. Hoop houden dat het goed komt met Nouri is het enige wat we kunnen doen.’

Komt Nederland ooit af van Afghanistan?

0

Het is acht jaar geleden dat het laatste kabinet-Balkenende over voortzetting van de militaire missie in Uruzgan viel. Nu overweegt Den Haag een nieuwe op te tuigen om de Taliban uit te schakelen. Kennelijk blijken eerdere officiële beweringen dat het doel de Taliban eronder te krijgen allang grotendeels bereikt is, niet helemaal te kloppen. Een blik op het kaartje dat de Volkskrant er 12 april bijleverde, maakt duidelijk dat dat zelfs een understatement mag heten. De gebieden ‘onder controle van de regering’ vormen slechts een paar blauwe vlekjes op een kaart die verder in vier tinten rood kleurt, naarmate een district meer door aanvallen van de Taliban wordt bedreigd. Daarbij is de kaartenmaker zeer secuur te werk gegaan, alsof het de sterren van een Michelin-reisgids betrof, met onderscheid tussen ‘onder volledige controle van de Taliban’, ‘minstens twee aanvallen per week’, ‘minstens drie per maand’ en ‘eens in de drie maanden’.

Nederlandse troepen die de Taliban gaan uitschakelen. Het is dat het woordje ‘definitief’ ontbreekt, maar wanneer hebben we dat eerder gehoord? Sinds het roekeloze militaire antwoord van George W. Bush op 9/11 zitten niet alleen de Amerikanen in het moeras van het Midden-Oosten vast. Als überloyale bondgenoot blaast ook Den Haag een partijtje mee. Een nuchtere analyse van de slagingskansen legt het daarbij steeds weer af tegen het politieke prestige dat Nederland aan meedoen meent te ontlenen. Een politiek prestige, waarvan men stilzwijgend hoopt dat het zich in economische voordelen vertaalt. Ofschoon die link nooit openlijk gelegd mag worden, is het verband evident: voor het vanouds met een financieel waterhoofd gezegende handelsland Nederland is aanzitten aan internationale conferentietafels essentieel en toen het in 2010 Amerika in Afghanistan in de steek liet, was het ook binnen de kortste keren zijn plaatsje aan de G20-tafel kwijt.

Net als toen zou ook nu de hamvraag niet moeten zijn wat men in Afghanistan voor Nederland, maar voor de Afghanen denkt te kunnen bereiken. Die vraag dringt zich des temeer op, omdat Den Haag indertijd vertrok met de verzekering dat het zijn doelen al had bereikt en de twee redenen die toentertijd gegeven werden om de publieke opinie van nut en noodzaak van de militaire missie te overtuigen, ongetwijfeld ook nu weer zullen worden opgevoerd. De twee redenen: duurzame veiligheid en ontwikkeling. Met het eerste moest de rechtse en met het tweede de linkse kiezer van de wenselijkheid van deelname aan de Afghaanse burgeroorlog worden overtuigd. Want oorlogvoeren, daar houden we in Nederland niet zo van. Daarom noemen we dat ook bij voorkeur een wederopbouwmissie.

Die twee pretenties gaan uit van twee misverstanden die met elkaar samenhangen. De eerste is dat de Taliban buitenstaanders zijn van wier terreur het land alleen dient te worden bevrijd teneinde het pad naar ongekende vooruitgang te effenen. De Taliban zijn echter diep in de tribale Afghaanse samenleving geworteld, waarin zij ook steeds weer ongezien op kunnen lossen, want een baard en een geweer draagt ginds iedereen. Dat ze dat kunnen valt met het tweede misverstand samen, namelijk dat de Afghanen massaal op ons concept van vooruitgang zitten te wachten en diep in hun hart de westerse waarden inzake democratie, inclusief vrouwen- en homorechten, delen. Wij kunnen dat heel jammer vinden, maar dat is niet zo. Eerder worden door de meeste Afghanen de religieus gemotiveerde morele opvattingen van de Taliban gedeeld. Dat valt niet eventjes van buitenaf te veranderen, zoals door de humanitaire missieverkopers wordt gepropageerd. Het dichten van zo’n immense culturele kloof vergt minstens generaties.

Het woord ‘eventjes’ is daarbij cruciaal. Het geeft het fundamentele dilemma aan. De door een vierjaarlijks verkiezingscarrousel bepaalde tijdshorizon van westerse politici is een andere dan die van de mensen ginds. ‘Jullie hebben de horloges, maar wij hebben de tijd.’ Geduld is een schone zaak, maar dat kan Den Haag niet opbrengen. De kiezer wil snel resultaat, dus spreekt ons leger bij zijn komst meteen ook een einddatum af. Maar wie in een oorlog van tevoren het einde van de oorlog aankondigt, heeft die oorlog al bij voorbaat verloren, want de tegenstander weet dan dat tijdrekken voor een overwinning volstaat. Vandaar dat steeds opnieuw na afloop van onze oorlogsdeelname wordt verkondigd dat we de Taliban eronder hebben gekregen en dan even later weer een nieuwe missie nodig blijkt om ze alsnog eronder te krijgen. Dat betekent, gezien de taaiheid van de Taliban én hun opvattingen, dat Nederland niet voor een paar jaar, maar tenminste voor een paar decennia zou moeten blijven om de boel te stabiliseren en moderniseren. We hebben daarmee in het verleden ook best wat ervaring opgedaan, zij het zeer gemengde. Er kleeft namelijk één groot nadeel aan. Zo’n systeem waarbij een ander land langdurig de scepter zwaait noemen we koloniaal en koloniale machthebbers zijn zelden populair.

‘Letten we op, Nederlandse ‘linkse’ partijen?’

0
‘Nu de gevolgen van te veel immigratie zonder integratie zich op allerlei, vooral negatieve manieren laten zien, is het politieke zelfmoord om nog langer niets te doen. Letten we op, Nederlandse ‘linkse’ partijen?’

De Deense regering introduceerde onlangs een nieuw integratiemodel om segregatie te bestrijden en integratie te bevorderen. De maatregelen zijn gericht op Denen met een niet-westerse migratieachtergrond. De nadruk ligt op het ontmantelen van bestaande en het voorkomen van de vorming van nieuwe probleemwijken. De regering spreekt van ‘kwetsbare gettogebieden’ en ‘parallelle gemeenschappen’. Het adagium is ‘geen getto’s meer in 2030’.

Het integratieplan bestaat uit tweeëntwintig maatregelen, waaronder sterkere politie-inspanningen leveren in probleemwijken, zwaardere straffen opleggen in deze wijken voor misdaden zoals vandalisme en diefstal, criminelen uit deze wijken zetten, mensen met een uitkering ontmoedigen in deze wijken te wonen door onder meer te korten op hun uitkering als ze dat toch doen, gemeenten die extra integratie-inspanningen leveren, zoals mensen aan een baan of opleiding helpen, financieel belonen, gerichte taaltesten afnemen in het eerste leerjaar, sancties opleggen aan slecht presterende basisscholen en vroegtijdige detectie van kwetsbare kinderen.

‘Te veel mensen met een niet-westerse achtergrond dragen niet bij aan de Deense samenleving en de regering is niet langer bereid om dat te accepteren’, verklaarde de premier van Denemarken, Lars Løkke Rasmussen, onlangs in de Kopenhaagse probleemwijk Mjølnerparken.

De Deense PvdA, de Socialdemokratiet, die met zesenveertig zetels de grootste oppositiepartij is, is akkoord gegaan met de verplichtende integratiemaatregelen. De sociaaldemocraten breken daarmee radicaal met hun beleid van ‘vrijblijvende integratie’.

De minderheidsregering van het Scandinavische land wordt gevormd door de conservatief-liberale partij Venstre (vierendertig zetels), de liberale Liberal Alliance (dertien zetels) en de conservatieve Det Konservative Folkeparti (zes zetels), met gedoogsteun van de extreemrechtse Dansk Folkeparti (zevenendertig zetels).

In tegenstelling tot Denemarken is er in Nederland geen coherent nationaal beleid tegen segregatie. Er zijn wel lokale initiatieven, zoals de Tien voorstellen tegen segregatie en gettovorming, die de SP in Den Haag in 2008 presenteerde, en de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek, beter bekend als de Rotterdam-wet, uit de koker van Leefbaar Rotterdam, die na goedkeuring door de Eerste en de Tweede Kamer in juli 2006 werd ingevoerd in de havenstad en later ook in onder meer Schiedam, Vlaardingen en Tilburg.

Is het bestrijden van segregatie ook belangrijk voor Nederland? Is het Nederlandse integratiebeleid mislukt? Is de integratie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders mislukt?Moet Nederland à la Denemarken verplichtende integratiemaatregelen toepassen? Wat betekent het feit dat de Deense sociaaldemocraten een scherpe koerswijziging hebben gemaakt? Hoe moet het Nederlandse immigratiebeleid eruitzien? De Kanttekening vroeg dat en meer aan vijf waarnemers, uit de politiek, de wetenschap en het maatschappelijk middenveld.

‘Langs-elkaar-heen-leving’
Annabel Nanninga kan zich goed vinden in het Deense integratiemodel. ‘Ik zou haast zeggen: beter laat dan nooit. Van mij mogen we die maatregelen hier morgen invoeren. West-Europese overheden hadden meteen moeten inzien dat hoge, harde eisen stellen aan immigranten in het voordeel is van zowel de nieuwkomers als de autochtonen’, laat de fractievoorzitter van FvD Amsterdam weten. ‘Zo’n model, aangepast naar de Nederlandse situatie, zou hier zeer bruikbaar zijn. FvD is sowieso voor meer handhaving, zwaarder straffen, bij dubbel paspoort het Nederlands paspoort innemen als er een misdrijf wordt gepleegd en inzet op remigratie als verregaande integratie niet kan of lukt.’

Nanninga vindt dat het bestrijden van segregatie hoog op de agenda moet staan. ‘Gettovorming is onwenselijk, het is de doodsteek voor participatie en integratie. Mensen kunnen naar school gaan, winkelen, wonen en werken zonder ooit uit hun etnische bubbel te komen. Trots zijn op je afkomst, daar is niets mis mee, maar als je toekomst hier is, dan moet je hier wortelen en integreren’, aldus Nanninga. ‘Het is van levensbelang voor ons als samenleving; een vrije, westerse maatschappij is de samenlevingsvorm waarin mensen het beste tot hun recht komen. Mensen wagen hun leven om ons land te bereiken, het laatste wat we moeten willen is onze vrijheden, normen, waarden en cultuur laten omvormen en mensen veroordelen tot een bestaan in parallelle samenlevingen. Sowieso is ‘parallelle samenleving’ een oxymoron, we zitten met een ‘langs-elkaar-heen-leving’.’

De FvD’er pleit voor actieve sturing door de overheid. ‘Ook in Nederland zou de overheid, uiteraard binnen de mogelijkheden van de wet, actief moeten sturen in wijken die vergettoïseren of dreigen te vergettoïseren. Er zijn nu al hele straten in de grote steden waar je bij wijze van spreken alleen nog aan de straatnaambordjes kunt zien dat je in een Nederlandse stad bent en niet in Ankara of Tanger. Kwalijk, omdat zo ook de volgende generaties meer een band met het land van herkomst kunnen onderhouden dan met Nederland.’

‘Je vangt meer vliegen met stroop dan met azijn’
Han Entzinger ziet weinig in het Deense integratiemodel. Hij is positief over sommige maatregelen, zoals het afnemen van gerichte taaltesten en het financieel belonen van gemeenten die mensen aan een baan of opleiding helpen. Zulke maatregelen kunnen volgens hem gunstig uitpakken. Maar maatregelen zoals zwaardere straffen opleggen in de probleemwijken en mensen met een uitkering ervan weerhouden in deze wijken te wonen, noemt hij ’te dwingend en agressief’.

Entzinger is emeritus hoogleraar Migratie- en Integratiestudies (Erasmus Universiteit Rotterdam) en voorzitter van het wetenschappelijk comité van het Bureau voor de Grondrechten van de Europese Unie in Wenen. Hij is lid van de redactieraad van Idee, het tijdschrift van de Mr. Hans van Mierlo Stichting, de denktank van D66. Van 1993 tot 1997 was hij bestuursvoorzitter van de Stichting Wetenschappelijk Bureau D66, de voorloper van de Mr. Hans van Mierlo Stichting.

‘Bepaalde groepen mensen zwaarder straffen zal niet alleen geen positief effect hebben op het bevorderen van integratie en het bestrijden van segregatie, het zal zelfs averechts werken, want als je niet constructief te werk gaat duw je de groep mensen die je vooruit wil helpen juist alleen maar nog meer in de marge van de samenleving. Daarnaast is deze maatregel discriminerend en juridisch onmogelijk. Het is onacceptabel, dit heeft zelfs de PVV nooit geroepen. Je vangt meer vliegen met stroop dan met azijn’, poneert Entzinger. ‘Het ontmoedigen van mensen met een uitkering om niet in bepaalde wijken te wonen is ook geen oplossing is. Waar moeten deze mensen wonen dan?’ Hij geeft als voorbeeld de Rotterdam-wet. Veiliger of leefbaarder zijn wijken door de wet niet geworden, volgens een onderzoek (2015) van drie wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

De hoogleraar is ook kritisch over het gebruik van de term ‘getto’ door de Deense regering. ‘Ik schrik ervan dat ze in Denemarken zonder enige terughoudendheid dit woord gebruiken. Het is overdreven een wijk met problemen in Denemarken of Nederland aan te duiden als een ‘getto’. Deze term moet voorzichtig gebruikt worden, bijvoorbeeld om te verwijzen naar de wijken met verkrotte huizen waarin vooral Joden leefden in zeer barre omstandigheden in Oost-Europese landen tijdens de Tweede Wereldoorlog of de verwaarloosde en vervallen wijken in Amerikaanse steden zoals Chicago. Dat is toch echt andere koek dan de ‘achterstandswijken’ in Denemarken of Nederland.’

‘Ondoenlijk’
Zeki Arslan is het eens met Entzingers bezwaren. ‘Terechte kritiek op een model dat gebaseerd is op angst en wantrouwen. Daarmee bouw je geen leefbare samenleving op. Het lijkt erop dat dit model mensen met een migratieachtergrond alleen maar ziet als een veiligheidsrisico’, verklaart Arslan. ‘De kern van het probleem is dat de armoede en de werkloosheid aangepakt moeten worden. Goede scholen, meer ambachtelijke beroepen in de buurten en de jongeren betere begeleiding bieden om met succes een opleiding af te ronden, zorgen ervoor dat mensen hun brood kunnen verdienen. Meer maatschappelijk werk, beter betaalde professionals. Zo stimuleer je de leefbaarheid in wijken.’

Arslan is onderwijskundige, zelfstandig integratie-expert en lid van GroenLinks. Hij was programmamanager bij het opgeheven integratie-instituut Forum en voorzitter van de eveneens opgeheven Samenwerkende Turkse Organisaties.

‘Het toepassen van het Deense of een soortgelijk integratiemodel in Nederland is sowieso irreëel’, meent Arslan. ‘In Nederland is deze aanpak van de migrantenwijken ondoenlijk en onhaalbaar. Dat heeft te maken met hun inkomsten en economische vitaliteit en het toewijzingsbeleid van woningen door onder andere de gemeenten en de woningcorporaties. Mensen hebben een eigen sociaal netwerk. Ze hebben de vrijheid om zich elders te vestigen. En stel dat het zover komt dat de migrantenwijken aangepakt worden, wie gaat dat betalen? Conclusie: niet haalbaar.’

‘Erdogan is mijn president’
Nanninga reageert scherp op de kritiek van Entzinger en Arslan. ‘Als we nu niet doen wat we bij de massa-immigratie van de jaren zeventig hebben nagelaten, dan zijn we hele stadswijken en generaties kinderen voorgoed kwijt’, waarschuwt de politica. ‘Mensen die piepen dat deze broodnodige, maar zeer verlate maatregelen ‘te dwingend’ zijn, moeten zich afvragen waarom derde, vierde generatie kinderen die hier geboren zijn, teksten uitkramen zoals ‘Marokko is mijn land’ en ‘Erdogan is mijn president’. Waarom hier geboren tieners naar hun ‘broeders’ van IS afreizen. Waarom allochtonen steeds conservatief-religieuzer worden met alle gevolgen voor homo- en vrouwenrechten van dien. Alleen zeer dwingende maatregelen kunnen het tij van de segregatie nog keren en dat is in het belang van zowel autochtone als allochtone Europeanen.’

De FvD’er is ook kritisch over de invloed van de islam op Turkse en Marokkaanse Nederlanders en constateert dat de politieke partij Denk bewust segregatie bevordert. ‘Onder Turken en Marokkanen in Nederland is islam de grootste godsdienst en die ideologie staat op gespannen voet met het vrije woord en de rechten van vrouwen, homoseksuelen, Joden en andersdenkenden. In Amsterdam zijn er spanningen tussen groepen allochtonen die te maken hebben met conflicten in het ‘thuisland’. Er is hier in Amsterdam, en in meer gemeenten, zelfs politieke segregatie in de vorm van de Turks-nationalistische partij Denk in de gemeenteraad, die allochtone Amsterdammers bewust segregeert. Vooralsnog is er weinig reden tot optimisme.’

‘De nieuwe verzuiling dient zich aan’
Entzinger neemt het op voor moslims. ‘Moslims worden veel te vaak en veel te gemakkelijk geassocieerd met terrorisme. Ik heb uiteraard ook een afkeer van terrorisme, maar gewelddadige moslims vormen een kleine minderheid. Mensen angsten aanpraten die voor een groot deel ongegrond zijn, daar moet de politiek niet in meegaan.’

Entzinger is overwegend positief over de sociaalculturele integratie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders. ‘Grosso modo is de sociaalculturele integratie van deze groepen in mijn ogen aardig gelukt. Ik begrijp dat het feit dat sommige Turkse Nederlanders bijvoorbeeld de straat opgaan om steun te betuigen aan Turkse leiders mensen afschrikt. Maar feit is dat maar een deel van de Turkse Nederlanders zich sterk blijft identificeren met Turkije en dan vooral de Turkse regering. Op de lange termijn zal dat teruglopen, maar dan moeten ze zich wel voldoende geaccepteerd voelen als medeburgers in Nederland.’

De hoogleraar gelooft niet in het verplicht stellen van integratie. ‘Als overheid kun je integratie niet opleggen. Je kunt de voorwaarden aangeven en verbeteren waaronder mensen kunnen integreren, zoals beter onderwijs en goede huisvesting bieden en bijdragen aan het realiseren van een stevige rechtspositie, maar écht verplichten en afdwingen, dat kan niet.’

Over de sociaalculturele integratie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders zegt Arslan: ‘Mensen zijn nog steeds onderweg naar een volwaardig burgerschap in een nieuw land. De ervaren ongemakken zullen op korte termijn niet helemaal voorbij zijn. De toekomstige discussie zal gaan over diversiteit en identiteit. De nieuwe verzuiling dient zich aan.’

Wat vindt Arslan ervan dat bepaalde partijen erop hameren dat Turkse en Marokkaanse Nederlanders beter moeten integreren in samenleving? ‘Politici moeten met een realistisch en haalbaar verhaal komen. Als ze bedoelen dat mensen bijvoorbeeld de Nederlandse taal moeten leren om hier te kunnen werken en een opleiding te volgen en bijvoorbeeld de grondslagen van de rechtsstaat onderschrijven, dan is daar niets op tegen.’

‘Conflicterende waardensystemen’
Jan van de Beek is net als Nanninga sceptisch over de sociaalculturele integratie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders. Van de Beek is cultureel antropoloog en wiskundige. Hij promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam met zijn onderzoek Kennis, macht en moraal: de productie van wetenschappelijke kennis over de economische effecten van migratie naar Nederland, 1960-2005.

‘Als je afgaat op de onderzoeksresultaten van Ruud Koopmans (hoogleraar Sociologie aan de Humboldt Universiteit in Berlijn en directeur van de afdeling Migratie, Integratie en Transnationalisering van het Duitse sociaalwetenschappelijke instituut WZB, red.) onder moslims in Nederland, dan is de sociaalculturele integratie van Turken en Marokkanen volgens het waardensysteem dat nu in Nederland als mainstream geldt, eerder mislukt dan geslaagd’, constateert Van de Beek. ‘Ga maar na, 70 procent van de Nederlandse moslims vindt dat religieuze regels belangrijker zijn dan seculiere wetten. Verder wil 74,4 procent geen homo’s als vrienden, vindt 40,4 procent dat de Joden niet te vertrouwen zijn en meent 52,4 procent dat het Westen erop uit is de islam te vernietigen. Ook vindt 54,5 procent dat de moslims terug zouden moeten keren naar de wortels van de islam en meent 74,3 procent dat er maar één interpretatie van de Koran is waar alle moslims zich aan moeten houden. Dat zijn opvattingen en zienswijzen die erg ver afstaan van het waardensysteem van de doorsnee Nederlander. Maar ook de identificatie met Nederland is laag. Bij de tweede generatie Turken en Marokkanen is er maar 10 respectievelijk 11 procent dat zich meer met Nederland identificeert dan met het herkomstland. Bij de Surinamers en Antillianen ligt dat veel hoger, 51 respectievelijk 67 procent. Bij gemengd huwen zie je tussen deze vier groepen dezelfde grote verschillen. De Turken en Marokkanen zijn duidelijk meer gericht op de eigen groep en segregatie dan bijvoorbeeld de Surinamers en Antillianen.’

Van de Beek onderstreept het belang van het bestrijden van segregatie. ‘Segregatie in Nederland is een groot probleem, vooral als het gaat om groepen die er conflicterende waardensystemen op na houden of gemiddeld genomen de liberale democratie niet steunen. Als dergelijke groepen grote minderheden worden, dan is de stabiliteit van de liberale democratie in gevaar.’

Ook Arslan ziet het belang in van het aanpakken van segregatie. ‘Nederland is nog steeds verzuild. Dat de segregatie aangepakt moet worden spreekt voor zich. Als we kijken naar het onderwijs, dan zijn we in de afgelopen dertig jaar er niet in geslaagd om gemengde scholen te realiseren. Het systeem dat de segregatie veroorzaakt, wil men niet veranderen.’ Anti-segregatie-beleid als onderdeel van een coherent langetermijn integratiebeleid is de oplossing volgens Arslan. Hij pleit net als Entzinger voor ‘constructieve’ in plaats van ‘dwingende’ maatregelen. ‘Nederland heeft nooit een duurzaam, constructief en goed doordacht integratiebeleid gevoerd, maar er is steeds alleen sprake geweest van losse projecten. Het overnemen van het Deense integratiemodel is onder de huidige omstandigheden daarom überhaupt niet mogelijk. Daarnaast hebben we te maken met een derde en vierde generatie van kinderen met een migratieachtergrond voor wie de term integratie niets zegt. Waar wij op zoek naar moeten gaan is de sociale binding met het land, de stad en de buurt en met elkaar. Verschillen moet je aanvaarden. Het verleden draag je altijd met je mee.’

‘Je moet grenzen trekken’
Arslan vindt het merkwaardig dat de Deense sociaaldemocraten akkoord zijn gegaan met dwingende integratiemaatregelen. ‘Dat laat zien in welke mate het gebrek aan inspiratie en historisch besef bij de sociaaldemocraten in Denemarken is zoekgeraakt.’

Nanninga vindt de U-turn van de Socialdemokratiet too little, too late. ‘Het is opmerkelijk dat de sociaaldemocraten, één van de hoofdverantwoordelijken voor de demografische ramp van de massa-immigratie, nu ook hun eigen kapitale fout beginnen in te zien. Deze draai zal vermoedelijk deels strategie zijn om de kiezersgunst terug te winnen.’

Jacques Monasch reageert enthousiast op de koerswijziging van de Socialdemokratiet. ‘Dat de Deense sociaaldemocraten nu besluiten andere standpunten in te nemen op het gebied van immigratie en integratie is in lijn met wat ik de afgelopen jaren geschreven en gezegd heb. Ik juich het besluit van de Denen zeer toe. Een open samenleving kan niet open zijn voor iedereen. Je moet grenzen trekken, in je verzorgingsstaat, dus in je economische arrangementen, maar ook in je normen en waarden. Als je niet bereid bent grenzen te trekken, dan sta je toe dat de samenleving en de solidariteit uitgehold worden. Dan gaan mensen zich niet meer vertrouwd voelen in de samenleving waarin ze zijn opgegroeid, dat is desastreus voor samenlevingen.’

Monasch was van 2010 tot 2017 lid van de Tweede Kamer namens de PvdA. Hij verliet de PvdA vanwege onder meer de in zijn ogen ‘onrealistische’ immigratie- en integratiekoers van de partij. Hij is consultant bij GKSV, de Nederlandse affiliate van Interel, een internationaal bureaunetwerk gespecialiseerd in strategische communicatie en public affairs.

Monasch is niet de enige sociaaldemocraat die de koerswijziging van de Socialdemokratiet toejuicht. Prominente PvdA’er René Cuperus bijvoorbeeld reageerde ook positief in een interview met journalist Wierd Duk (de Telegraaf). Cuperus pleit voor een ‘herstart van de integratie’ en een ‘deltaplan voor integratie om onze Europese middenklassesamenlevingen te redden en de voortschrijdende islamisering tegen te gaan’.

Cuperus was kandidaat namens de PvdA bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009 en was van 1996 tot 2017 als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Wiardi Beckman Stichting, de denktank van de PvdA.

Cuperus: ‘De prijs die wij betalen voor het feit dat Nederland een immigratiesamenleving is geworden, is veel te hoog. Immigratie zet druk op de verzorgingsstaat van de PvdA, want te veel nieuwkomers eindigen in de bijstand. Immigratie zet druk op het bijzonder onderwijs van de christelijke partijen, want islamitische scholen zijn een garantie voor een parallelle samenleving. En immigranten verdringen de blanke onderklasse op de flexibele arbeidsmarkt van de VVD. Dat is totaal onderschat.’

Monasch denkt niet dat de PvdA in staat is een koerswijziging te maken. ‘Er gaan ook intern gelukkig steeds meer geluiden op voor een koerswijziging, maar om dat te verwezenlijken moet Lodewijk Asscher (partijleider van de PvdA, red.) de achterban echt forceren. Ik weet niet of hij daartoe bereid is. Ik hoop het ten zeerste, maar ik denk niet dat de huidige PvdA de stap durft te maken die de Deense sociaaldemocraten hebben gemaakt’, verklaart Monasch. ‘De PvdA heeft gekozen voor een enge benadering van integratie en immigratie, zonder de mogelijk gevolgen te overzien. Met een immigratiebeleid gekarakteriseerd door het motto wir schaffen das zet je de samenleving hevig onder druk. Daarmee beschadig je de samenleving, want je kunt niet op zo’n roekeloze manier immigranten opnemen. Dat zei ik ook in de Tweede Kamer-fractie van de PvdA, men was het er totaal niet mee eens.’

‘Het Deense model is een aardig voorzetje’
Monasch is voorstander van selectieve immigratie. Daarvoor diende hij meerdere moties in, in de Tweede Kamer. Het vormde één van de speerpunten van zijn partij De Nieuwe Wegen waarmee hij meedeed aan de Tweede Kamer-verkiezingen van 15 maart 2017, maar geen zetel wist te behalen. ‘Natuurlijk hoor je als samenleving solidair te zijn met mensen die op de vlucht zijn. Maar de meeste vluchtelingen moeten opgevangen worden in kampen van de UNHCR (de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, red.). Je kunt immers niet iedereen opnemen. Selecteer dan mensen in UNHCR-kampen van wie je weet dat ze zich goed, snel kunnen aanpassen in onze samenleving. Als je zegt dat je niets moet hebben van homo’s, dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn, enzovoorts, dan is er gewoon geen plek voor jou in onze samenleving. Maar ik ben en blijf overtuigd sociaaldemocraat en mijn visie is: als je hier eenmaal bent als immigrant, dan gaan we wel om je heen staan, dan gaan we ervoor zorgen dat je meedraait in onze samenleving. Door paal en perk te stellen aan immigratie kunnen we meer doen voor de integratie van de immigranten die we wel hebben opgenomen.’

Ook Van de Beek ageert tegen niet-selectieve immigratie. ‘In hoeverre het integratiebeleid lukt of niet lukt vind ik van ondergeschikt belang. Natuurlijk moet de overheid geld en energie investeren in de geslaagde integratie van immigranten. Echter, integratiebeleid zoals wij dat in Nederland kennen is feitelijk het paard achter de wagen spannen. Het is veel beter immigranten te selecteren op hun kansen op sociaaleconomische en sociaalculturele integratie. Als je dat goed doet heb je dat integratiebeleid veel minder nodig. Want integratiebeleid is maar heel beperkt mogelijk. Sociaalculturele integratie is natuurlijk helemaal niet van bovenaf op te leggen. Als een orthodoxe moslim de Nederlandse cultuur geperverteerd, seksueel losbandig en inferieur vindt, los je dat echt niet op met een cursusje ‘Nederlandse waarden en normen’. Dat is gewoon ontzettend naïef gedacht. Het is daarom veel beter om alleen immigranten toe te laten van wie je verwacht dat ze vanzelf sociaalcultureel integreren.’

Hetzelfde geldt volgens Van de Beek voor sociaaleconomische integratie. ‘Neem bijvoorbeeld de zogenaamde gastarbeid. Laaggeschoolde arbeiders werden naar Nederland gehaald om werk te doen dat voor een belangrijk deel vanaf de jaren zeventig uit Nederland verdween. De gastarbeiders raakten massaal werkloos, wat vele miljarden euro’s heeft gekost. Bovendien blijken ook de kinderen van de gastarbeiders zelf gemiddeld laaggeschoold. Omdat in het algemeen het opleidingsniveau van ouders heel bepalend is voor het opleidingsniveau van kinderen, bestaat de kans dat die achterstanden ook bij de volgende generaties nooit helemaal weggewerkt zullen worden. En het opleidingsniveau is allesbepalend voor de sociaaleconomische positie. Ook dat laat al zien dat je veel beter kunt selecteren op een goed gemiddeld opleidingsniveau in plaats van te proberen achteraf met integratiebeleid hardnekkige achterstanden te repareren. Vanwege voorgaande overwegingen ben ik dan ook erg tegen niet-selectieve immigratie. Het recht op asiel bijvoorbeeld moet beperkt worden tot geografisch Europa, zodat de potentiële aantallen kleiner zijn en de kansen op sociaalculturele en sociaaleconomische integratie groter. Ook de immigratie voor arbeid, studie en gezin moet veel restrictiever en selectiever.’

Volgens Nanninga is het Nederlandse integratiebeleid faliekant mislukt. ‘De derde generatie na de ‘gastarbeiders’ is nog steeds niet geïntegreerd, oververtegenwoordigd in uitkeringen, misdaad en radicalisme en ziet vaak Marokko of Turkije nog steeds als vaderland, met alle gevolgen van dien. Het Deense model is een aardig voorzetje. Daarnaast moet beslist een halt worden toegeroepen aan de immigratie. Nu de gevolgen van te veel immigratie zonder integratie zich op allerlei, vooral negatieve manieren laten zien, is het politieke zelfmoord om nog langer niets te doen. Letten we op, Nederlandse ‘linkse’ partijen?’