Home Blog Pagina 999

‘Leg het verleden niet vast in wetten’

0
‘Je haalt er een dingetje uit dat goed was, vergroot dat en opeens is heel het koloniale verleden goed.’

Het Europese koloniale verleden wordt over het algemeen gezien als een pikzwarte bladzijde in de geschiedenis. Toch klinken er zo nu en dan ook geluiden die een lans breken voor het koloniale bestuur van toen.

De Amerikaanse politicoloog Bruce Gilley (Portland State University) deed dat vrij letterlijk met zijn vorig jaar gepubliceerde essay The case for colonialism. Daarin stelt hij dat een terugkeer naar de tijd van ‘Ons Indië’ in sommige gevallen helemaal niet zo slecht zou zijn. In goed overleg met de lokale machthebbers zouden daarbij bepaalde overheidstaken weer onder het gezag moeten vallen van westerse landen. Als voorbeeld wijst hij onder andere naar de havens van Jakarta. Daar verving de overheid zo’n zesduizend autochtone inspecteurs met Zwitserse collega’s. Het corruptieprobleem in de zeehaven was in een klap opgelost. Tegenstanders noemen het essay een symbool van westers superioriteitsdenken en onderdeel van een postkoloniale witwascampagne. Gilley werd zelf na de publicatie een wetenschappelijke melaatse en is sindsdien op sabbatical.

De Kanttekening sprak drie historici gespecialiseerd in koloniale geschiedenis over Gilleys werk en de vraag of je alles zomaar moet kunnen zeggen in wetenschapsland.

Persona non grata
Karwan Fatah-Black (Universiteit Leiden), die gespecialiseerd is in de Nederlandse koloniale geschiedenis, vindt het essay van Gilley het papier waarop het is geschreven nog niet waard. Volgens hem schetst Gilley een simplistisch wereldbeeld waarbij de ‘wijze’ Europeaan opnieuw de domme ‘inboorling’ moet verheffen. ‘Ik ken deze argumenten wel. Het zijn dezelfde als die van negentiende-eeuwse koloniale bestuurders. ‘We komen recht brengen en een gecorrumpeerd bestuur vervangen’, is het idee. Maar aan het volkenrecht zelf gaat Gilley voorbij.’

Het idee dat de westerse wereld altijd progressiever en beter ontwikkeld was en is klopt volgens Fatah-Black sowieso niet. Hij wijst erop dat christelijke missionarissen op sommige plaatsen in Afrika juist homofobie en het patriarchaat introduceerden. Daarnaast overdrijft Gilley volgens hem de waarde van de instituties die de koloniale machten zouden hebben opgezet in den vreemde. ‘Rechtspraak moest daarbij vaak wijken voor verdeel en heers-politiek en moderne scholing was alleen toegankelijk voor een kleine groep elite. Een groep die bovendien alleen bestond om het koloniale gezag meer legitimiteit te geven. Noem mij één respectabele universiteit die Nederland in haar ‘wereldrijk’ heeft achtergelaten?’

Ook de hedendaagse inmenging van westerse landen in de Derde Wereld biedt volgens Fatah-Black weinig aanknopingspunten om het kolonialisme opnieuw in te voeren. ‘Ik heb in Irak gewoond, daar was geen cholera voor de Amerikanen binnenvielen en de zuiveringsinstallaties vernietigden.’

Een andere denkfout die Gilley volgens Fatah-Black maakt is dat technologische of culturele kennisoverdracht altijd gepaard moet gaan met een (gedeelde) machtsovername. ‘De grap is dat uitwisseling van technologische kennis beter gaat als het niet in verband wordt gebracht met kolonialisme.’ Als voorbeeld noemt hij het inentingsprogramma van de Amerikaanse overheid in het grensgebied tussen Afghanistan en Pakistan. Deze medische hulp werd gelijktijdig gebruikt als cover om Osama Bin Laden (1957-2011) te vangen. ‘Het gevolg was dat alle hulpverleners als mogelijke spionnen werden gezien.’

In Gilleys essay staat veel anekdotisch bewijs van arme mensen uit de Derde Wereld die graag weer gekoloniseerd zouden zijn. Hoewel Fatah-Black twijfelt aan de waarde van dit anekdotische bewijs maakt het voor hem weinig verschil. Zelfs wanneer de inheemse bevolking van een land zelf zou vragen om de terugkeer van de oude meesters is volgens hem scepsis op zijn plaats. Hij wijst erop dat Suriname met slechts een nipte meerderheid onafhankelijk werd. ‘Door de oude relatie vinden mensen vaak dat de status quo in stand moet blijven.’

Dat Gilley door zijn essay persona non grata is geworden binnen de wetenschappelijke wereld is volgens Fatah-Black logisch. ‘Zijn grootste denkfout is geweest dat hij dacht carrière te maken door een provocatief artikel te schrijven.’ Hij benadrukt dat hij sowieso problemen heeft met wetenschappers die het verleden indelen in goed en fout. ‘Ik snap dat het publiek het lekker vindt, hij zegt iets pikants. Alleen, het is niet wetenschappelijk.’

‘Leg het verleden niet vast in wetten’
Historicus Piet Emmer, emeritus hoogleraar Europese Expansie en Migratie (Universiteit Leiden), noemt Gilleys essay ‘gewaagd ‘. Net als veel van zijn eigen werk gaat het volgens de emeritus hoogleraar in tegen de hedendaagse attitude over kolonialisme.

Toch denkt ook Emmer niet dat een terugkeer naar het verleden verstandig is. ‘Kijk, kolonialisme is voorbij, net als de postkoets en het gaslicht. Het kolonialisme had veel nadelen, maar we moeten niet vergeten dat het ook voordelen had. Bovendien gaat een groot deel van de verwijten over zaken die kolonialisme juist niet voor elkaar kreeg.’ Volgens de historicus is het kolonialisme na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) langzaam maar zeker steeds negatiever weergegeven dan het werkelijk was. ‘Dictaturen verbloemden hun misdaden als anti-koloniaal-beleid.’

Emmer maakt een duidelijk onderscheid tussen het vroege en latere koloniale beleid. Zo stelt hij dat koloniale machthebbers na 1880 wel degelijk de inheemse bevolking hebben proberen te verheffen. Westerse geneeskunde heeft volgens hem bijvoorbeeld vele mensenlevens gered in koloniale gebieden. Net als Gilley vindt hij dat een onterecht onderbelicht punt. ‘Tenzij je zegt dat deze mensen niet geïnteresseerd waren in langer leven. Ik geloof daarentegen dat zij precies dezelfde behoeftes hadden en hebben als u en ik.’ Ook qua onderwijs waren gekoloniseerde volkeren in deze regio’s volgens de historicus beter af dan niet gekoloniseerde medemensen in andere gebieden. Al geeft hij toe dat dat moeilijker te meten is dan het aantal sterfgevallen in een land.

Wat Emmer nog het meest verbaast over de affaire Gilley is de wijze waarop zijn ideeën worden aangevallen. ‘Wat je voortdurend ziet is dat het benoemen van positieve kanten van het kolonialisme wordt gezien als verdediging van heel het systeem.’

Emmer zegt zichzelf nooit bezwaard te hebben om ideeën te onderzoeken en op te schrijven. Toch kent ook hij gevallen dichtbij huis van academici die te maken kregen met censuur. Zo werd de Franse historicus Olivier Pétré-Grenouilleau in 2006 aangeklaagd voor zijn werk Les traites négrières. Ironisch genoeg had Pétré-Grenouilleau net een jaar daarvoor een award gekregen van de Franse senaat voor zijn werk. In Les traites négrières vergelijkt hij de Atlantische slavenhandel met de Arabische en Afrikaanse slavenhandel. Hij stelt dat de Atlantische slavenhandel niet gezien kan worden als een genocide. Dankzij inspanningen van collega’s, onder wie Emmer, werd de zaak uiteindelijk geseponeerd. Emmer hoopt dat Nederland nu en in de toekomst gevrijwaard blijft van dergelijke regels. ‘Leg het verleden niet vast in wetten.’

Selectieve uitvergroting
Remco Raben, bijzonder hoogleraar Koloniale en Postkoloniale Literatuur- en Cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, zegt ‘rabiaat tegenstander’ te zijn van de manier waarop Gilley in zijn essay redeneert. De Amerikaanse politicoloog heeft volgens hem selectief bronnen uitgezocht en oorzaak en gevolg omgedraaid. ‘Het is een farce die als concreet doel heeft om het tanende westerse superioriteitsgevoel hoog te houden.’

Kolonialisme heeft volgens Raben gezorgd voor kwetsbare economieën die draaien op grondstoffenexport en landsgrenzen die etnische spanningen aanwakkeren. Raben vindt het feit dat Gilley de zwakke bestuursinrichting in bepaalde landen ziet als aanleiding tot rekolonisatie niet serieus te nemen. ‘Het koloniale bestuur heeft juist voor een verzwakking van staatsstructuren gezorgd, slecht ontwikkelde staatsinstellingen en zwakke banden tussen bestuur en bevolking.’

Ook werden inheemse volkeren volgens Raben slecht betrokken bij het bestuur en ontbrak democratie. ‘De invoering van westerse democratische modellen zorgde voor een verlies aan zeggenschap. In pre-koloniaal Indonesië hadden bewoners bijvoorbeeld een stem in de belangrijkste beslissingen van het dorp.’ Hij wijst erop dat ook in de moderne tijd westerse landen niet altijd voorop lopen qua democratie. Zo werd in Indonesië eerder het universeel stemrecht ingevoerd dan Zwitserland.

Ook op het gebied van onderwijs, zorg en welzijn hebben de kolonies volgens Raben weinig aan het Europese gezag gehad. ‘Zo was het budget voor gezondheidszorg minimaal in vergelijking met dat van Europees landen.’ Dat Gilley zich beroept op de medische zorg en het onderwijsbeleid van de koloniale machthebbers is volgens Raben vervorming van de realiteit. ‘Ik noem dat de redenatie van de selectieve uitvergroting. Je haalt er een dingetje uit dat goed was, vergroot dat en opeens is heel het koloniale verleden goed.’

Mochten landen zelf vragen om rekolonisatie dan is dat volgens Raben een ander verhaal. Al is dat volgens hem een ondenkbaar scenario. ‘Daarom is de vraag die Gilley oproept ook zo pervers. Neem een taxi in Lagos en vraag de chauffeur of de Nigerianen weer onderdeel willen zijn van het Verenigd Koninkrijk.’

Raben vindt dat het Westen ook het gebied van humanitaire interventie zich uiterst bescheiden moet opstellen. Ontwikkelingshulp zou landen afhankelijk hebben gemaakt. Politieke inmenging maakt volgens hem vaak meer kapot dan lief. ‘En qua economische inmenging denkt het internationale bedrijfsleven en het Westen toch vooral aan de eigen belangen.’

Raben gelooft niet dat er zaken onbespreekbaar zijn binnen de academische wereld. ‘Alleen moeten we wetenschappelijke analyses niet verwarren met politieke propaganda.’ Het pleidooi van Gilley is volgens hem aantoonbaar ‘belachelijk’. Volgens Raben is het bespreken van een artikel op een gegeven moment simpelweg oninteressant wanneer vaststaat dat het onwetenschappelijk is. ‘Dat is geen censuur, maar gezond verstand.’

Peter Burger bestrijdt nepnieuws

0
‘De trend is redelijk consistent. De inhoud kent meestal een historische continuïteit: het creëren van een gezamenlijke tegenstander om mensen te verenigen achter een doel’, zegt Peter Burger over nepnieuws.

Peter Burger (Rotterdam, 1961) doet sinds 1990 onderzoek naar nepnieuws en broodjeaapverhalen, in vakterm aangeduid als (moderne) sagen. Hij is docent en onderzoeker aan de Universiteit Leiden. Hij is supervisor van het fact-check-project Nieuwscheckers en doceert wetenschapsjournalistiek en brongebruik. In 2014 promoveerde hij op een onderzoek naar verhalen over misdaad in kranten en online discussies: Monsterlijke verhalen: misdaadsagen in het nieuws en op webforums als retorische constructies. De Kanttekening sprak hem over verschillende aspecten van nepnieuws en broodjeaapverhalen.

Als het om broodjeaapverhalen en nepnieuws gaat, leven we in spannende tijden. Gouden tijden voor u.
‘Zeker. Ik volg de ontwikkelingen rond nepnieuws met grote belangstelling. Waar ik voorheen vooral journalistieke verhalen natrok op echtheid, zie je nu de trend ontstaan dat politici óók nieuws gaan maken door verhalen te verspreiden. Vroeger had je de zendtijd voor politieke partijen, waar je je zegje mocht doen. Nu heb je die nog steeds, maar niemand kijkt meer naar die wat oubollige manier van presenteren. Je kunt, met de middelen van nu, een eigen gemeenschap opbouwen via Facebook of Twitter en dat gebeurt dan ook. De optimist in mij zegt dan ook dat we in de beste tijd ooit leven als het aankomt op het vinden van informatie. Iedereen met een internetaansluiting kan de meest geweldige wetenschappelijke publicaties downloaden of verhalen vertalen. Het is goedkoop, gemakkelijk en snel. En je kunt snel verhalen verspreiden, voor politici niet onbelangrijk. Onderzoeksgroepen zoals Bellingcat, die zulke middelen journalistiek gebruiken om zaken boven tafel te krijgen, profiteren ook van deze ontwikkeling.’

Wat zegt de pessimist in u over de beschikbaarheid van die berg informatie?
‘Facebook verzamelt natuurlijk heel veel persoonlijke informatie voor marketingdoeleinden. Zo kun je groepen met specifieke boodschappen bereiken. Dat wordt ook door politieke partijen gebruikt tijdens campagnes. Uit onderzoek blijkt overigens dat de bemoeienis van Rusland tijdens de presidentiële campagne in de Verenigde Staten amper invloed heeft gehad op de uitslag. Los daarvan is het natuurlijk zeer onwenselijk dat je als land bij een ander land dit soort dingen doet. In Nederland willen we ook niet dat Iran of Turkije invloed uitoefent op onze media, in welke vorm dan ook.’

Heeft nepnieuws een functie in de politiek?
‘Er moet een boodschap verkocht worden. Dit is één van de manieren om dat te doen. Als politicus stel je je op als een expert die veel weet over een bepaald onderwerp. Of je stelt ergens bij te zijn geweest om zo informatie die niet klopt te kunnen slijten als waarheid. Een ander voorbeeld is de toespraak na de MH17-ramp die Frans Timmermans hield over de roof van een trouwring door een lokale soldaat op de ramplocatie. Dat is een eeuwenoud verhaal! Het moet bewijzen dat de dader een barbaar is, om te rechtvaardigen dat je met een leger naar die plek gaat om orde op zaken te stellen. Dat wordt sinds mensenheugenis gebruikt. Misschien heeft hij ooit een soortgelijk verhaal gehoord, dat sluit ik niet uit. Zulke verhalen liggen op een plank in ons collectief geheugen en zijn niet persé onwaar. Het is een sjabloon, dat van tijd tot tijd wordt ingezet. Zoals bij het verhaal over de vrouwen die in Keulen niet werden lastiggevallen door Syrische asielzoekers, zoals eerst beweerd, maar door Noord-Afrikanen. Verkrachting van vrouwen uit de eigen gemeenschap is namelijk ook zo’n terugkerend schrikbeeld. In dit geval bleek het om andere migranten te gaan. CDA-politica Esther de Lange deed enkele jaren geleden een eigen onderzoek naar voedselveiligheid waarvan ze één detail niet had uitgezocht, dat juist door journalisten eruit werd gepikt: inktvisringen zouden van varkensanussen zijn gemaakt, dat bleek onzin.’

Zo blijken er vele varianten van angstbeelden in omloop te zijn, die eens in de zoveel tijd opduiken in een andere hoedanigheid.
‘Een goed voorbeeld daarvan is het verhaal van de vermeende sekskelder onder een pizzeria in Washington. De Clintons zouden er ontvoerde kinderen misbruiken, wat uiteraard volkomen onzin was. Toch werd het gretig ingezet tijdens de presidentiële campagne in de Verenigde Staten, omdat het appelleert aan oeroude angsten, namelijk dat je kinderen iets verschrikkelijks overkomt. Het ging zelfs zo ver dat iemand met een wapen verhaal ging halen ter plekke. Ook in Nederland kennen we zo’n verhaal. In het Drentse dorp Emmer-Compascuum deed twintig jaar geleden het gerucht dat kinderen in een kelder onder een school misbruikt werden. Het bleek allemaal niet waar te zijn. Leden van het Koninklijk Huis die bloed drinken van kinderen, gangenstelsels waar kinderen gevangen zitten – het zijn sjablonen om een verhaal te kunnen vertellen, om een punt te maken. Van tijd tot tijd komen ze weer boven water.’

Wanneer wordt een broodjeaapverhaal schadelijk?
‘Als mensen er naar gaan handelen. In Wijchen werd een ijscoman met een wit busje eens gered door de politie, toen een basisschool een brief liet uitgaan met een waarschuwing voor een man in een wit busje. Dat was gebaseerd op een verhaal van elders; witte busjes zouden door het land rijden om kinderen te ontvoeren. Onder het mom van hetzelfde verhaal werd een wit busje met Oost-Europese arbeiders aangehouden. Doorgaans loopt het met een sisser af, maar in het ergste geval ontstaan er lynchpartijen. Verhalen over toeristen die worden afgetuigd door een menigte, omdat ze ervan verdacht worden kinderen te roven zijn over heel de wereld bekend.’

Foto: Peter Burger

Hoe ontstaat zo’n lynchpartij? Is daar alleen een sterk verhaal voor nodig?
‘Nee. Het is er wel een onderdeel van, uiteraard. Het begint met een verschil in levensstandaard. Een toerist die in Nederland op vakantie gaat is ongeveer even rijk als wij. Een westerse toerist die in een arm land komt is daar natuurlijk veel rijker dan de lokale bevolking. Als dan ook de rechtsstaat niet zo sterk is ontwikkeld, kan er een cocktail ontstaan die ertoe leidt dat een toerist opeens een doelwit kan zijn. Dat is bijvoorbeeld gebeurd op Madagaskar en in Guatemala. In beide gevallen ging het om geruchten dat lokale kinderen door westerlingen werden ontvoerd. In Guatemala woedde daarvoor een burgeroorlog, in andere Zuid-Amerikaanse landen hadden inwoners te maken met doodseskaders. Dan is de stap naar zo’n conclusie minder groot – er gebeuren immers al extreme dingen om je heen. Zo zien we dat broodjeaapverhalen en nepnieuws op verschillende plekken ter wereld een verschillende uitwerking kunnen hebben.’

Wat is in algemene zin het effect van leugens of halve waarheden op een samenleving?
‘Dat mensen steeds minder geloven wat de media schrijven. Uit onderzoek van de Volkskrant blijkt dat de hype over nepnieuws daaraan bijdraagt. Met de polarisatie van de pers in Nederland valt het echter behoorlijk mee. Het vertrouwen in Nederland in de media is relatief groot en media zitten dichter tegen het politiek midden aan dan in de Verenigde Staten, om maar wat te noemen. De afgelopen jaren is me opgevallen dat in Nederland vooral populistisch-rechts veel valse video’s of gemanipuleerde foto’s inzet. Met name de PVV maakt zich daar schuldig aan. Op links zit het extreme meer in de ideeën, groepen als De Grauwe Eeuw en Antifa grossieren niet in nepnieuws.’

Lijkt het zo of is er nu écht meer nepnieuws? 
‘De hoeveelheid valt bijna onmogelijk te meten, maar uit een recent onderzoek blijkt dat sinds de opkomst van Trump het woord nepnieuws vaker is gebruikt in het nieuws. Wat ook toeneemt is de hoeveelheid gruwelijke berichten, ook in Nederland. Zo kwam ik onlangs op Twitter een foto tegen van een klein meisje met gruwelijke wonden in haar gezicht. Verschrikkelijk. De suggestie werd gewekt dat ze was aangevallen door zwarte Zuid-Afrikanen, maar in werkelijkheid ging het om hondenbeten. Vooral PVV-politici verspreiden al jaren nepfoto’s. Ik heb daar al ongeveer honderd voorbeelden van verzameld. Zelfs als je manieren vindt om nepnieuws snel van internet te verwijderen, zal propaganda gewoon blijven. Als je alleen maar berichten post over moslims die misdaden plegen, ontstaat er al snel een verkeerd beeld.’

Waarom is nepnieuws juist nu zo in opkomst?
‘Het is – ook –  een mediahype. Het begon met de verkoop van nepnieuws door een Macedoniër. Daarna begon Trump het woord zelf te gebruiken, om media te beschuldigen van valse aantijgingen aan zijn adres. Vervolgens kwam het verhaal over Russische hackers, dat het vuurtje nog eens extra opstookte. Nu houdt het de Europese Unie inmiddels ook bezig. In Duitsland is een wet aangenomen waardoor platforms die smaad of laster op hun website houden, hoge boetes kunnen krijgen.’

In welke richting ontwikkelt het fenomeen broodjeaapverhalen zich? 
‘De trend is redelijk consistent. De inhoud kent meestal een historische continuïteit: het creëren van een gezamenlijke tegenstander om mensen te verenigen achter een doel. Een beproefde methode is iemand als barbaar of juist als elitair af te schilderen. Het enige verschil met vroeger is dat er nu meer middelen voorhanden zijn om zo’n verhaal te verspreiden. De manier om groepen te bereiken wordt zelfs geavanceerder. Kijk bijvoorbeeld naar Facebook. Daar verscheen een VVD-advertentie met Klaas Dijkhoff op de pagina’s van mensen die als PVV-stemmer werden ingeschat door algoritmes van Facebook. Dat met de intentie om kiezers af te snoepen, natuurlijk.’

Is er een relatie tussen criminaliteit en broodjeaapverhalen?
‘Of het nu gaat om sociale media of gewone één-op-één-gesprekken, mensen praten over wat hen bezig houdt. Daar valt ook criminaliteit onder. Als er dan verhalen op tafel komen, wil het gebeuren dat die worden gemodelleerd naar oude sjablonen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan Holleeder. Hij is het archetype crimineel geworden. In zijn begintijd was hij een held voor veel journalisten en lezers. Het boek van Peter R. de Vries over de ontvoering van Heineken was niet voor niets zo’n succes. Holleeder werd toch een beetje gezien als Robin Hood, die van de rijken stal. Criminelen doen dingen die andere mensen misschien ook wel willen, maar niet durven. Wat ook bijdroeg aan zijn reputatie: na de ontvoering van Heineken wisten hij en een deel van zijn kompanen lang uit handen van justitie te blijven. Later, na de beschuldiging van afpersing en liquidaties, raakte hij dat positieve imago kwijt.’

Is het creëren van nepnieuws universeel?
‘Verhalen vertellen is menselijk en misschien wel het eerste medium ooit. Eén ding is zeker, misdaad en afkeer tegen vreemdelingen zie je overal.’

Hoe kijkt u naar godsdiensten? Die zou je ook als broodjeaapverhalen kunnen zien, als je er niet in gelooft.
‘Ten eerste, dat zijn niet mijn woorden. Sagen, de vakterm voor het soort verhalen waar ik me mee bezighoud, zijn kleine verhalen over nabije gebeurtenissen. Ze worden verteld alsof het echt waar is. Bij religies gaat het over mythen die de grote verhalen vertellen over de schepping van de aarde en over God en goden. In algemene zin kun je zeggen dat we simpelweg niet zonder verhalen kunnen. Het is de oudste technologie om wijsheid door te geven aan volgende generaties. Bovendien zijn onze herinneringen min of meer gestructureerd als verhalen, wat nodig is om ordening aan te brengen.’

Denkt u dat in de toekomst, als livebeelden kunnen worden gehackt en aangepast, mensen elkaar nog wel vertrouwen?
‘De soep wordt niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Met de opkomst van elke nieuwe technologie is er misbruik geweest. Denk aan Stalin (1878-1953, red.), die in ongenade gevallen partijgenoten van foto’s liet poetsen. Het heeft geenszins tot een ondergang van de fotografie geleid. Zo zal ook toekomstige technologie altijd weer nieuwe middelen opleveren om zaken te controleren. Het is vooral zaak zelf waakzaam te blijven.’

‘Ik mis mijn familie enorm, als ze doodgaan, dan ga ik met hen mee’

0
De naar Nederland gevluchte Syriër Ammar al-Hanafi heeft zijn familie achtergelaten in Oost-Ghouta. Hij kan zijn familie niet loslaten. ‘Mijn moeder zegt dat er twee opties zijn, namelijk ‘of we gaan jou weer zien of we gaan je broer weer zien’. Met de tweede optie bedoelt ze dat ze net als mijn broer doodgaan.’

Oost-Ghouta in Syrië wordt door de Verenigde Naties omschreven als de hel op aarde. Het gebied ging de afgelopen maanden gebukt onder bloedige aanvallen van het Syrische regime en bondgenoot Rusland. Volgens het Syrisch Observatorium voor de Mensenrechten zijn sinds het begin van het offensief al zeker zestienhonderd burgers omgekomen. Tienduizenden burgers zijn gevlucht uit Oost-Ghouta, vele anderen houden zich nog steeds schuil in het gebied, zoals de familie van Ammar al-Hanafi. De Kanttekening sprak hem en psychiater Aram Hasan. Hasan is oprichter van het CoTeam en verbonden aan Psychiaters Zonder Grenzen. Beide organisaties helpen vluchtelingen met het verwerken van oorlogstrauma’s.

Uitzichtloos
Het regime van president Bashar al-Assad heeft op dit moment ongeveer zeventig procent van Oost-Ghouta in handen. Het is een bloederig hoofdstuk in de langslepende oorlog in het land, die inmiddels al langer ruim zeven jaar duurt. Verschillende rebellengroepen zijn actief in het gebied, zoals het Vrije Syrische Leger, maar ook extremistische groepen, zoals het salafi-jihadistische Tahrir al-Sham, voorheen bekend als Jabhat al-Nusra Front en Jabhat Fateh al-Sham. Contra-terrorisme-experts beschouwen Tahrir al-Sham als de Syrische tak van de terroristische organisatie al-Qaeda. Tahrir al-Sham ontkent dat.

Hanafi ontvluchtte Syrië ruim vijf jaar geleden. Hij moest het leger in, maar wilde dat niet. Zich aansluiten bij een rebellengroep wilde hij ook niet. ‘De druk om dat wel te doen werd steeds groter, waardoor ik moest vluchten. Via Egypte kwam ik terecht in Nederland. Inmiddels volgt ik hier een hbo-studie, maar heel goed gaat dat niet, want mijn gedachten zijn voortdurend bij mijn familie in Oost-Ghouta. Wat daar gebeurt is verschrikkelijk. De waarde van de burgers in Oost-Ghouta daalt, ze zijn tweederangsburgers geworden, niemand helpt deze mensen’, vertelt Hanafi bedachtzaam. Hij benadrukt dat hij alle partijen die betrokken zijn bij de oorlog wantrouwt. ‘Zelfs hulporganisaties werken mee met de overheid. De mensen die er nog wonen verstoppen zich vooral op zolders. Hulporganisaties zeggen tegen de overheid om welke gebouwen het gaat en het leger valt ze dan aan. De burgers zijn omsingeld door het leger. Het zijn niet vooral de rebellen en de militairen die doodgaan, maar de burgers, want vooral zij worden getroffen door de luchtaanvallen. Assad is een dictator en doet wat hij wil. Er vallen dagelijks vele doden.’

Hanafi zegt dat hij wekelijks telefonisch contact heeft met zijn familie, maar dat dat soms moeizaam gaat vanwege de slechte verbinding. Hij roept de internationale gemeenschap op een eind te maken aan de oorlog. ‘Mijn droom is om bij te dragen aan de heropbouw van mijn land. Het bloedvergieten moet stoppen, maar de overheid en de Russen willen niet stoppen.’ Hij heeft kritiek op hoe sommige media berichten over Oost-Ghouta. ‘Wat ik hoor van mijn familie is afschuwelijk. Er is een groot tekort aan eten, drinken en medicijnen. Mensen slapen nauwelijks vanwege de luchtaanvallen. Als het even rustig is, dan gaan mensen naar buiten om eten te zoeken. Er is een organisatie die eten rondbrengt, maar dat is maar een klein beetje. De voedselprijzen zijn erg hoog en de meeste burgers hebben nauwelijks geld. Mensen verhongeren. Iedereen is depressief. Mensen worden onthoofd of op een andere manier doodgemaakt, zelfs vrouwen en kinderen, en vele vrouwen worden verkracht. Het is afschuwelijk. Er is geen uitzicht op een betere toekomst. Veel media maken daar geen of nauwelijks melding van.’ Hij zegt dat zijn familie weinig hoop heeft. ‘Mijn moeder zegt dat er twee opties zijn, namelijk ‘of we gaan jou weer zien of we gaan je broer weer zien’. Met de tweede optie bedoelt ze dat ze net als mijn broer doodgaan. Ze zijn moe van de oorlog, ze willen weer een normaal leven, met eten, drinkwater, een veilige omgeving en een thuis.’

Hanafi hoort van zijn familie sombere verhalen over het leven in Oost-Ghouta. ‘Mensen, zelfs jongeren, praten erover om zelfmoord te plegen, omdat de situatie écht uitzichtloos is. Anderen zeggen dat ze wachten op de dood, om rust te vinden. Ze zeggen dat ze nu geen rust hebben. Daardoor heb ik ook geen rust. Kinderen zeggen tegen hun ouders dat ze hopen dat ze sterven zodat ze eten krijgen in het hiernamaals, in het paradijs. Men viert zelfs geen verjaardagen meer, uit respect voor overleden familie of vrienden. Huwelijken worden ook niet meer voltrokken. Veel dingen die normaal zijn in het leven worden niet meer gedaan.’

Therapie
Hasan zegt dat hij zulke verhalen ook hoort, van zijn cliënten. Hasan werkt veel met vluchtelingen die een trauma hebben opgelopen. Ook mensen die Oost-Ghouta zijn ontvlucht zoeken zijn hulp. ‘Velen van hen zijn heel onrustig en overspannen en hebben veel behoefte aan ondersteuning. Velen hebben nog familie daar. Vooral de uitzichtloosheid treft deze mensen. Ze weten niet welke kant het opgaat in het gebied en wat er met hun familie gaat gebeuren. De berichtgeving klopt niet altijd en dat maakt het nog erger. Velen hebben last van de heftige beelden die ze gezien hebben, doordat ze de oorlog hebben meegemaakt, en het gevoel dat ze in de steek zijn gelaten door de wereld. De teleurstelling en boosheid is enorm.’ De boosheid richt zich volgens Hasan naast het regime en de rebellen, vaak ook op de ontvluchte familieleden. ‘Mensen hebben het gevoel dat alles is verloren en ze aan hun lot zijn overgelaten. Zorgen om de achtergebleven familie, de herinneringen en de rouw die steeds weer naar boven komen. Het gaat ook om identiteit, het verliezen van de geschiedenis. Ook dat houdt veel van mijn cliënten heel erg bezig, want Rusland, Iran en Assad zijn de boel aan het overnemen en daar wordt gezamenlijk om gerouwd.’ Het aantal aanmeldingen bij Psychiaters Zonder Grenzen is volgens Hasan zo groot dat de organisatie de werkdruk bijna niet meer aan kan.

Het zijn mensen als Hanafi die Hasan iedere dag tegenkomt en probeert te helpen. Hij legt uit dat al zijn cliënten een trauma hebben opgelopen, maar dat de ernst van de trauma’s varieert en niet iedereen post-traumatische stressstoornis ontwikkelt. ‘Vooral mensen die familie hebben in het gebied voelen zich machteloos, omdat ze hun familie niet kunnen helpen en ondersteunen. Omdat ze vanuit hier niets of weinig voor hun familie kunnen betekenen, is het schuldgevoel groot. Dat komt écht naar boven. Velen hebben moeite met loslaten en zijn dag en nacht bezig met de situatie in Syrië.’ Hoe helpt Hasan zijn cliënten? ‘Ik kijk samen met mijn cliënten realistisch naar de situatie. Wat kunnen ze doen, hebben ze alles gedaan, zulke zaken bespreken we. We kijken ook hoe deze mensen hier elkaar kunnen steunen. We proberen te doen wat we kunnen om deze mensen te helpen. Het schuldgevoel en de rouwverwerking zijn essentieel bij de behandeling.’ Hij legt uit dat het cruciaal is dat het verwerkingsproces van zijn cliënten geleidelijk gaat en zij zich op andere dingen dan de situatie in Syrië focussen. ‘Als alle emoties opeens naar boven komen kunnen mensen het zicht op hun situatie verliezen en last krijgen van concentratieproblemen of andere problemen die het dagelijks leven beïnvloeden. We stellen dagbestedingen op, bestaande uit bijvoorbeeld ontspanningsoefeningen, gesprekken en creatieve therapie, zodat onze cliënten hun gedachten kunnen verzetten. We proberen deze mensen te helpen het verleden te verwerken, te focussen op wat er hier gebeurt en hun plek te vinden. Dat werpt zijn vruchten af. We zien dat mensen echt steun voelen en weer op gang komen, maar dat geldt zeker niet voor iedereen.’

Richt Hanafi zich al wat meer op Nederland? Hij benadrukt dat hij zijn familie in Syrië niet los kan laten. ‘Ik wil weer samen zijn met mijn familie, ik wil mijn familieleden spreken, aanraken en geruststellen. Ik mis mijn familie enorm, als ze doodgaan, dan ga ik met hen mee.’

Effectieve klagers

0

ING die een salarisverhoging van haar algemene directeur terugdraait na een storm van maatschappelijke kritiek. Een PVV-verkiezingsspotje dat de islam als synoniem voor het absolute kwaad presenteert en daardoor een terechte lawine aan maatschappelijke verontwaardiging opwekt. Duizenden mensen die in Amsterdam tegen ‘racisme in de gemeenteraad’ demonstreren.

Deze losstaande gebeurtenissen kunnen allemaal op een deugdometer. Een handig meetinstrument voor maatschappelijke ontsteltenis. Want een samenleving zonder verontwaardiging is geen beschaafde samenleving. Maar niet iedere verontwaardiging is beschaafd. Wanneer politici, stukjesschrijvers, twitteraars en andere professionele en amateur schreeuwers weer ergens ontsteld over zijn, haal dan jouw deugdometer naar voren. Als je zorgvuldig meet zul je meestal deze drie soorten verontwaardiging treffen, bedreven door drie soorten moralisten.

Vluchtige verontwaardiging
De vluchtige verontwaardiging is een vrijblijvende hype en wordt door de morele hipster bedreven. De morele hipster is verslaafd een ontsteltenis. De morele hipster is er altijd als eerste bij om racistische fenomenen of andere maatschappelijke kwalen te signaleren. Het duurt niet lang voordat de morele hipster ‘de ander’ van deze kwalen beticht. Daarnaast is de morele hipster ervan overtuigd het licht te hebben gezien en zich aan de goede kant van de geschiedenis te bevinden.

De morele hipster voelt zich doorgaans verheven boven racisten en andere geestelijk gestoorden. Het vluchtige aan dit type verontwaardiging is dat het geen verplichtingen met zich meebrengt. Een ontsteltenis zonder concrete voorstellen om bijvoorbeeld het racistische systeem te doorbreken. Het is een verontwaardiging gericht op het identificeren van de daders zonder het systeem dat die daders (racisten, xenofoben, seksisten) mogelijk maken, aan te pakken.

Strategische verontwaardiging
Strategische verontwaardiging is een naar fenomeen dat bedreven wordt door morele opportunisten. Terwijl de morele hipster van mening is zich aan de goede kant van de geschiedenis te bevinden, is de morele opportunist vooral bang zich aan de slechte kant ervan te bevinden en kiest daarom op het juiste moment ervoor zich bij een verontwaardiging aan te sluiten. De morele opportunist wil de boot niet missen. Met andere woorden, de morele opportunist observeert eerst of verontwaardiging sexy genoeg is en of het in het eigen voordeel werkt om ergens verontwaardigd over te zijn.

Net als de morele hipster verbindt de morele opportunist geen concrete acties aan zijn of haar ontsteltenis. Maar anders dan de morele hipster kiest de morele opportunist voor verontwaardiging alleen als het loont. Een morele hipster geniet ervan om de vinger te wijzen en het monster te ontmaskeren, terwijl de morele opportunist verontwaardiging gebruikt om ergens bij te horen, aan de goede kant van de geschiedenis. Als deze verontwaardiging uit de mode is, keert de morele opportunist weer naar de schaamteloze stilte.

Effectieve verontwaardiging
Als je verontwaardigd wil zijn, kies dan voor effectieve verontwaardiging. Anders dan de vluchtige en de strategische verontwaardiging, heeft de effectieve verontwaardiging wel concrete plannen om het geobserveerde onrecht te bestrijden. Het is een verontwaardiging die door effectieve klagers wordt bedreven. Anders dan de morele hipster en de morele opportunist, kiest de effectieve klager voor actie. Hij of zij organiseert een petitie, schrijft brieven naar bedrijven, spoort anderen aan in actie te komen en komt met concrete handelingen om het geobserveerde monster in de samenleving te bestrijden.

Effectieve verontwaardiging komt zelden voor, omdat het echte inspanning vereist. Daarom ben ik trots op het feit dat wij een systeem hebben dat deze week duizenden effectieve klagers de gelegenheid heeft gegeven zich voor de komende vier jaar, in meer dan driehonderden gemeenteraden, dag in dag uit, op een effectieve manier te beklagen in hun lokale gemeenschap. Ze verdienen een mars der dankbaarheid.

‘Nora kan amper kritiek incasseren en doet niets opbouwends’

0
‘Het is jammer dat de kritiek zich vooral focust op de vorm en minder op de inhoud’, zegt Nienke Venema over Nora spreekt.

Eind vorige maand werd het project Nora spreekt gelanceerd: een fictief account op Twitter en Facebook dat ‘islamofobische’ uitspraken aan de kaak stelt. Het project is gefinancierd door Stichting Democratie en Media (SDM).

Op sociale media barstte een storm van kritiek los over het project. Onder anderen Shirin Musa, directeur van vrouwenorganisatie Femmes for Freedom, en journalist Nadia Ezzeroili van de Volkskrant voelden zich persoonlijk aangevallen door Nora. Dat roept de vraag op of het project slaagt in zijn opzet. Maakt Nora moslimdiscriminatie bespreekbaar of werkt het vooral polarisering in de hand?

De Kanttekening spreekt moslimbekeerling Claudia Ben Salah, post-doc-onderzoeker Donya Alinejad (Universiteit Utrecht), journalist Naz Taha, publicist Petra Kramer, SDM-directeur Nienke Venema en Enis Odaci, initiator en woordvoerder van het project en eindredacteur van NieuwWij.

Mansplaining
De eerste tweet van Nora op 23 februari adresseerde de fractievoorzitter van PvdA-Amsterdam Marjolein Moorman. Moormans uitspraak ‘moslimdiscriminatie wil ik aanpakken, maar gaat u dan ook meevaren op de Gay Pride’? werd door Nora betiteld als ‘homonationalisme’ en ‘pinktesting’. In de begeleidende tekst op de website van Nora werden wetenschappelijke bronnen aangevoerd en werd gesteld dat Moorman ‘LHBT-moslims wegzet’ en ‘moslims reduceert tot afkomst, ras en geloof’.

Daar kwamen op sociale media al snel negatieve reacties op. Ene Antonie G. schreef in een tweet: ‘Ik en vele gay en hetero vrienden hebben zeer weinig op met de zogenaamde goede bedoelingen van Nora.

Toen duidelijk werd dat Odaci één van de personen is achter het project kwam er ook veel kritiek vanuit feministische hoek. Odaci werd op Twitter onder meer ‘beroepsslachtoffer’ en ‘lafaard’ genoemd, hij zou zich als man ‘verschuilen’ achter een fictieve moslima en de term mansplaining viel veelvuldig.

De kritiek kwam tot een kookpunt toen Nora een uitspraak van Ezzeroili over een geweldsincident tegen een jonge moslima in Emmeloord, uitlichtte. Nora bekritiseerde Ezzeroili’s uitspraak: ‘Islamofoob is een ongepaste term in deze kwestie. Dit was een hatecrime, gericht op een kind.’ Nora verklaarde dat er wel degelijk sprake was van islamofobie en gaf daarbij ook een definitie waarbij islamkritiek op één hoop werd gegooid met moslimhaat: ‘Dit patroon dat uiteindelijk neerkomt op vijandigheid en afkeer van moslims, staat bekend onder verschillende namen: islamofobie, moslimfobie, anti-moslim-racisme, moslimhaat, islamkritiek, enzovoorts.’ Ezzeroili reageerde fel op Twitter en richtte zich daarbij specifiek op Odaci. ‘Vrouwen moeten immers tegen een stootje kunnen als ze gesubsidieerd worden aangevallen door fragiele mannen. Nee, Enis’ waardigheid is bezoedeld, hij kan niet meer slapen door de opmerking’, schreef Ezzeroili. ‘Veel plezier i.i.g. met je uitgedroogde racisme!racisme!-kluifje waar je eindeloos op kunt sabbelen om je honger naar verontwaardiging en bevestiging te stillen. Ondertussen dineren de gesubsidieerde mansplainers vanavond met malse lamskoteletjes.’

Enkele dagen later werd de volgende uitspraak van Musa bekritiseerd door Nora: ‘Ik vind moslimfeminist een stom woord. We baseren ons op mensenrechtenverdragen, niet op heilige geschriften.’ Nora reageerde: ‘Of je je nou op mensenrechtenverdragen baseert of op heilige geschriften, gelovige vrouwen uitsluiten noem ik in ieder geval géén feminisme!’ Dat Musa, voorvechter voor rechten van (moslim)vrouwen, verweten werd gelovige vrouwen uit te sluiten, schoot bij velen in het verkeerde keelgat.

Op welke gronden verschafte de SDM subsidie aan Nora? Venema verklaart: ‘De SDM staat voor het goed functioneren van de democratische rechtsstaat en een bijbehorend levendig publiek debat, dat een reflectie vormt van maatschappelijke kwesties die actueel zijn. Eén van de zaken waar we actief aan willen bijdragen, is het bevorderen en instandhouden van een gelijkwaardig speelveld binnen dat debat. Daarom faciliteren en/of ondersteunen we stemmen die eventueel moeilijker gehoord worden – zoals van minderheden. Daarbij vinden we het belangrijk dat initiatieven gedragen worden door de mensen waar ze over gaan.’

Wat betreft de mansplaining-kritiek brengt de SDM in het verweer dat er ook vrouwen in het Nora-team zitten. ‘Het project wordt gedragen en vormgegeven door een brede, diverse coalitie van moslims. Dat houdt in: mannen en vrouwen van verschillende religieuze stromingen, etnische achtergronden en expertise. Daarmee sluit het goed aan bij de criteria en uitgangspunten van de SDM.’ De stevige kritiek op sociale media is de SDM niet ontgaan. Venema zegt daarover: ‘Het is jammer dat de kritiek zich vooral focust op de vorm en minder op de inhoud.’

Fictief personage
Ben Salah is over het algemeen positief over het project, maar ze heeft ook punten van kritiek. ‘Het geval van Ezzerioli vind ik onterecht. Ezzerioli geeft mijns inziens terecht aan dat er verschil is tussen islamofobie en moslimhaat en dat we dat beter moeten duiden. Onder moslimhaat versta ik gerichte verbale of fysieke agressie richting moslims.’

De door Nora gekozen term islamofobie is niet onomstreden. Critici vinden de term te weinig specifiek en de letterlijke betekenis, namelijk ‘angst voor islam’, te suggestief. Venema geeft aan dat de gekozen term niet door de SDM gebezigd wordt. ‘We zijn op de hoogte van de maatschappelijke discussie over de term islamofobie. De keuze voor terminologie laten we aan de aanvragers zelf. De SDM heeft zelf gekozen voor de term moslimdiscriminatie, juist omdat wij geen partij willen zijn in strijd daarover.’

Ben Salah is ook kritisch over de representatie van Nora. Het gegeven dat Odaci de enige zichtbare persoon achter Nora is doet het project volgens haar geen goed. ‘Daardoor wordt Nora als moslima minder geloofwaardig en islambashers zullen het alleen daarom al helemaal niet serieus nemen.’

Venema onderstreept dat Nora bewust heeft gekozen voor een fictief personage, juist vanwege de reacties die het kan oproepen bij mensen. ‘Het was bij ons bekend dat er gebruikgemaakt zou worden van een fictief account. Eén van de redenen die de aanvrager daarvoor gaf was dat de persoonlijke reacties, als het gaat om moslimdiscriminatie, erg sterk kunnen zijn en met een fictief personage het project meer over de inhoud zou gaan dan over de personen erachter.’

Dat de vrouwen achter Nora onzichtbaar blijven heeft een reden volgens Venema. ‘Mensen die naast Odaci betrokken zijn bij Nora, blijven liever achter de schermen. Projecten die islamofobie adresseren, kunnen meestal rekenen op hoogoplopende persoonlijke aanvallen en ophef. Wij begrijpen en respecteren die keuze.’

Fascistische ondertoon
Alinejad stoort zich aan het feit dat Odaci door het project onderwerp is van hoon en spot. Volgens haar heeft Nora deze polarisatie niet uitgelokt. ‘Als je zegt dat Nora dit aan zichzelf te danken heeft, dan doe je wat mij betreft aan victim blaming. Ik vind de teksten die ik heb gezien van Nora doordacht en informatief. Het is niet alleen bestemd voor moslims, maar voor iedereen die meer bewust wil worden van frames van media en politici waar moslims vaak slachtoffer van zijn. Als iemand dat shockerend vindt, dan vraag ik me af waarom?’

Alinejad kan zich vinden in de wijze waarop Nora ‘islamofobische’ uitspraken heeft uitgelicht. Ook de kritiek op Musa vindt ze terecht. ‘Musa had het commentaar van Nora kunnen voorkomen als ze afstand had genomen van de rechtse islamofobische partijen met wie ze samenwerkt.’ Alinejad doelt onder meer op de samenwerking tussen Musa en Leefbaar Rotterdam en Forum voor Democratie in hun gezamenlijke strijd voor emancipatie van moslimvrouwen. ‘Natuurlijk ondersteun ik haar streven om de positie van moslima’s te verbeteren, maar waarom werkt ze dan samen met partijen met een fascistische ondertoon?’

Dat Musa de verbinding zoekt met onder andere Leefbaar keurt Alinejad dus af. Maar is een project als Nora niet juist bedoelt om verschillen te overbruggen in plaats van bij te dragen aan twee kampen – een ‘islamofobenkamp’ en een ‘islamitisch kamp’ – zodat uiteindelijk mensen over heel de linie anders gaan denken over moslimdiscriminatie? Volgens Alinejad poogt Nora dat ook juist te doen. ‘Nora informeert alleen. Zoals ik het begrijp sluit Nora niemand uit van het debat over de islam. Het verschaft informatie die mensen op geen enkele andere manier op dit moment tot zich krijgen.’

Smerige moslimhaters
Volgens Taha doet Nora veel meer dan alleen informeren, doordat de mensen wiens uitspraken uitgelicht worden niet de mogelijkheid krijgen om in debat te gaan, vindt ze dat Nora belangrijke kritiek negeert. ‘Nora zegt islamofobie te bestrijden, maar kan amper kritiek incasseren en doet niets opbouwends. Dat daar subsidie voor beschikbaar is gesteld, is absurd.’ Taha beschrijft zichzelf als agnost maar werd islamitisch opgevoed. Ze gelooft niet dat Nora de islamitische gemeenschap een dienst bewijst. ‘Ik ben geen moslim, maar ik weet zeker dat mijn moeder mijn tante, nicht en eigenlijk alle vrouwen in mijn familie tandenknarsen bij het idee dat deze man (Odaci, red.) met een paternalistische houding spreekt namens moslima’s.’

Kramer vindt Nora geen onverdeeld succes, maar ze is wel blij met de aandacht die het onderwerp moslimdiscriminatie nu krijgt. ‘Het project slaagt erin om discriminatie van moslims bespreekbaar te maken. Dat blijkt alleen al uit het feit dat de Kanttekening nu ook over het project schrijft.’ De vraag of Nora polariseert door uitspraken uit te lichten en als islamofobisch te betitelen wordt door Kramer met volmondig ‘ja’ beantwoordt. ‘Dat je niet tegen moslimhaters mag zeggen dat ze ‘smerige moslimhaters’ zijn, omdat je dan polariseert, is het domste ding ooit. Bovendien is polarisering juist goed. Er is immers nog nooit iets veranderd zonder dat het plebs eerst even flink kwaad werd.’

Odaci is ook benaderd voor dit artikel. Hij laat in een korte reactie per mail weten: ‘Project Nora is afgelopen woensdag formeel afgerond. Daarmee houdt ook mijn bijdrage in de media op. Nu gaan we als team analyseren hoe politici, journalisten, opiniemakers en volgers Nora hebben gelezen en becommentarieerd.’

Hokjes

0

Ik ben boos. Écht boos. En ik wil niet langer zwijgen over wat me frustreert, kwetst en angst aanjaagt; hoe impopulair me dat bij sommigen ook zal maken.

Het begon iets meer dan een maand geleden. De strijd om de gemeenteraadsverkiezingen was net op stoom aan het komen en de Rotterdamse afdelingen van de PvdA, GroenLinks en de SP maakten bekend dat ze een ‘links’ pact hadden gesloten met de lokale partij Nida van islamitische signatuur. Ik vond dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Hoewel het niet mijn persoonlijke voorkeur heeft, is het niet zo dat ik persé tegen politieke partijen ben die door religie zijn geïnspireerd, maar een aantal jaar geleden kwam ik Nida-voorman Nourdin el-Ouali tegen bij een televisiedebat over de Gaza-oorlog, die op dat moment gaande was. Ik schrok van zijn woede en agressie ten opzichte van Israël. Nu sta ik zelf ook nogal kritisch tegenover de regering van Israël, maar hij ging veel verder. Voor mijn gevoel maakte hij nauwelijks onderscheid tussen de regering en de bewoners van dat land. Iets wat mij totaal in het verkeerde keelgat schoot.

Onlangs klapte het ‘links’ verbond door een tweet die Nida in 2014 verstuurde: ‘Wij zeggen #Zionisme = #ISIS #vrijheidvanmeningsuiting.’ Met daaronder een opsomming van zes zogenaamde gelijkenissen tussen IS en Israël. Heel Nederland was in rep en roer. Hoe kon hij dat nou doen? Mij verbaasde het eerlijk gezegd niet.

Wel vond ik het vervelend dat meneer complottheorieën aan het verkondigen was en ook nog het lef had om in een uitzending van Pauw te zeggen dat het klappen van het ‘links’ verbond een typisch voorbeeld was van ‘meten met twee maten’. ‘Over Israël en Joden mag je niets zeggen, over moslims mag je alles zeggen.’ Ik noem dat leed vergelijken met leed, een gevaarlijk en polariserend spelletje. Toen ik iets in die trant publiceerde kreeg ik half progressief Nederland over me heen. Waarom nam ik opeens zo’n ‘rechts’ standpunt in? Ik kwam toch altijd op voor moslims? Waarom liet ik ze dan nu in de steek? Veel mensen die achter rechtse partijen staan waren juist weer blij verrast met mijn uitlating en behandelden me als een soort verloren dochter.

Dat het nooit saai is in verkiezingstijd bleek een door een nieuwe rel. De PVV kwam vorige week met een werkelijk afschuwelijk spotje op de proppen. Bijna drie minuten lang vulden teksten als ‘islam is discriminatie’, islam is terreur, islam is Jodenhaat’ en ‘islam is dodelijk’ mijn beeldscherm. Het feit dat er voor bloedrode typografie was gekozen maakte het nog erger. Geert Wilders was al vaak veel te ver gegaan, maar toch werd ik wederom misselijk. Ik schreef dat ik me als Jood niet liet misbruiken om moslims te bashen. En wat gebeurde er? Degenen die een dag eerder nog teleurgesteld in me waren bleken opeens blij te zijn met mijn steunbetuiging. En mijn ‘nieuwe rechtse vrienden’ concludeerden dat ze ten onrechte een bondgenoot in me dachten te hebben gevonden. Je bent klaarblijkelijk zo ‘goed’ of zo ‘slecht’ als je laatste tweet.

Ik vind het een onzinnige gedachte dat je in dit soort situaties automatisch voor de ene óf voor de andere partij moet zijn. In dit geval ben ik tegen allebei, want ik verzet me tegen iedere vorm van populisme. Ik wil niet in een land wonen waar Joden of Israëliërs gelijkgesteld worden aan een terroristische organisatie en ik wil ook niet in een land wonen waar een deel van de bevolking wordt gedemoniseerd. Beledig me, noem me naïef of kots me desnoods uit, maar ik laat me niet in een hokje plaatsen. Door niemand niet!

‘We moeten af van het idee dat religie ouderwets is’

1
‘Tolerantie is niet iets dat we hier voor eens en voor altijd bevochten hebben en dat we moeten beschermen tegen buitenstaanders. Het is iets dat iedere keer weer, desnoods op een pijnlijke manier, moet plaatsvinden. Nederland is multireligieus en dat gaat niet verdwijnen.’

Het aantal ongelovigen in Nederland groeit. Toch is de rol van religie niet uitgespeeld, zo blijkt uit onder andere uit de recente rapporten van het onderzoek God in Nederland, uitgevoerd in opdracht van de KRO. Religie en identiteit zijn voor politieke partijen belangrijke thema’s in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. Zo was er recent zelfs een speciaal islamdebat in Rotterdam. Hoe religieus is Nederland echt? Is er ruimte voor de islam? De Kanttekening vroeg dat en meer aan religie- en literatuurwetenschapper Ernst van den Hemel, filosoof en hoogleraar Herman Philipse, die beiden verbonden zijn aan de Universiteit Utrecht, en de hoofdredacteur van de Moslimkrant, Brahim Bourzik.

Tot de jaren vijftig was Nederland verzuild en was de samenleving ingericht volgens vier verschillende levensovertuigingen, katholicisme, protestantisme, socialisme en liberalisme. Tegenwoordig is die versplintering een stuk minder aanwezig, maar speelt religie wel degelijk nog een rol en is vrijheid van godsdienst stevig verankerd in de Grondwet. Dat is ook terug te zien in de politiek, waar religieuze partijen actief zijn en grote partijen zoals CDA, VVD en PVV zichzelf profileren als joods-christelijk.

Koningin Maxima zei in 2007 dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat. Daar sluit Philipse zich bij aan. ‘Het begrip Nederlandse identiteit is zeer vaag en ik ben daar zeer sceptisch over. Er zijn verschillende soorten Nederlanders, dus er is een veelvuldigheid van identiteiten in Nederland. Wat in ieder geval bij die identiteit hoort is dat je Nederlands spreekt en dat je hier woont. Verder is ieders identiteit verschillend. Je kunt niet doen alsof er één identiteit in ons land bestaat, dat is in geen enkel land zo. Om erachter te komen wat de identiteit van een land moet je naar de Grondwet kijken en voor de rol van religie in die identiteit is de godsdienstvrijheid, die verankerd is in de Grondwet, essentieel.’

Philipse, uitgesproken atheïst, ziet dat de samenleving steeds seculierder wordt. ‘Ik ben een wetenschapper, dus ik ga ervan uit dat je alleen overtuigingen moet hebben waarvan je de waarheid toch enigszins plausibel kan maken. De waarheid van godsdienstige overtuigingen is weinig plausibel en er zijn veel argumenten tegen en weinig voor. Dus als je een intellectueel eerlijk mens bent, dus zelf goed nadenkt, dan denk ik dat je niet godsdienstig moet zijn. Er zijn geen argumenten om religieus te zijn, behalve dat je bij een groep wilt horen die dezelfde dingen denkt als jij en dat is geen sterk argument.’

Bourzik vindt het begrip identiteit lastig te definiëren. ‘De Nederlandse identiteit is niet veranderd, de Nederlanders zijn veranderd. Nederlanders worden nu wereldburgers. Je moet met je tijd meegaan, anders blijf je stilstaan. Mensen die roepen dat de Nederlandse identiteit is veranderd, zeggen dat omdat ze de ontwikkeling niet bij kunnen houden.’

Van den Hemel beaamt dat. ‘Identiteit is een verhaal dat we onszelf vertellen. Mensen maken zich zorgen over maatschappelijke cohesie. Daarom wordt ‘de Nederlandse identiteit’ gebruikt om een meerderheidscultuur te bevoordelen boven degenen die als vreemd worden gezien. Daarbij komt niet zelden de grondwettelijke gelijkheid onder druk te staan. In plaats van onszelf een versimpeld verhaal voor te schotelen is het belangrijk om eerlijk te zijn over het feit dat grondwettelijke gelijkheid soms ook onprettig en pijnlijk kan zijn. Dat zie je ook in de geschiedenis. Tolerantie is niet iets dat we hier voor eens en voor altijd bevochten hebben en dat we moeten beschermen tegen buitenstaanders. Het is iets dat iedere keer weer, desnoods op een pijnlijke manier, moet plaatsvinden. Nederland is multureligieus en dat gaat niet verdwijnen. Hoe zeer een bepaalde groep zich in ons land profileert als seculier, we zijn in toenemende mate een religieus pluriform land. Als die religieuze pluriformiteit zichtbaarder wordt, dan haalt dat misschien ook de scherpe randjes van de polarisatie af. Religieuze pluriformiteit is niet iets dat we moeten toestaan of niet, het is een feit. Het zou goed zijn als we daar meer kennis over zouden hebben, zodat er minder verkrampt over gesproken kan worden.’

Bourzik ziet vooral dat de manier waarop ongelovigen en gelovigen omgaan met religie is veranderd. ‘Gelovige mensen zie je steeds geloviger worden en mensen die niet geloven keren zich steeds meer van het geloof af. Dat vind ik frappant. Religie speelt dus zeker een rol in onze samenleving, maar ook weer niet zo’n grote rol zoals de media en de politiek ons willen doen geloven, alsof we allemaal gelovig zijn. Politici zien dat religie onder druk van seculieren komt te staan, maar de politiek overschat dat. Ze onderschatten dat Nederland ontkerkelijkt en dat je dat niet tegenhoudt.’

Van den Hemel: ‘De drie grootste partijen, PVV, VVD en CDA, hebben op dit moment allemaal de joods-christelijke identiteit in het vaandel. Politici zijn bereid om beleid te ontwikkelen en op nieuwe manieren de Nederlandse identiteit te beschermen. Dat is populair. Ik vind het wel interessant dat die partijen zeggen in toenemende mate de joods-christelijke waarden in ons land te willen beschermen. De vraag is of dat religie is. Er is veel verwarring over wat er precies mee bedoeld wordt. We moeten goed nadenken over wat de verschillende verschijningsvormen van religie in de politiek zijn. Juist daar schuilt het probleem. De drie grote partijen lijken de culturele identiteit en de saamhorigheid die daarbij hoort belangrijker te vinden dan de Grondwet. Dat is een heel problematische benadering, die ook tot juridische problemen kan leiden.’

Maakt Van de Hemel zich zorgen? ‘Ik maak me bijvoorbeeld zorgen om mensen die vanuit een soort culturele ongerustheid vinden dat die juridische gelijkheid minder toegepast moet worden op de islam. Dat zie je als maatschappelijk fenomeen gebeuren op dit moment. Dat moskeeën gesloten moeten worden en de Koran verboden moet worden. Daarmee is de gelijke behandeling in het geding. Gelijkheid wordt daarmee grotendeels opgevat zoals de witte, autochtone Nederlanders dat invullen. Terwijl het gaat om gelijke behandeling, dus dat je als vrouw zelf mag bepalen of je iets op je hoofd wilt dragen of niet. Als je als regering zegt dat de joods-christelijke cultuur leidend moet zijn, dan loop je al snel tegen grondwettelijke problemen aan. Je kunt niet trots zijn op de gelijkheid in Nederland en zeggen dat die alleen maar geldt wanneer iemand joods-christelijk is. Religie is kortom een belangrijke toetssteen: wordt gelijkheid geassocieerd met de culturele praktijk van de meerderheid of met een juridisch principe dat ook anders denkenden een gelijke behandeling geeft?’

Er komt volgens Van den Hemel steeds meer diversiteit in de wijze waarop mensen geloven. ‘De rol van de kerk als grote maatschappelijke speler is bijvoorbeeld sterk afgenomen. Daardoor ontstaan nieuwe vormen van geloof. Veel mensen in Nederland zien zichzelf bijvoorbeeld wel als katholiek, maar geloven niet persé in God. De identificatie met religie is dus groter dan alleen maar in de kerk zitten of niet.’

Bourzik: ‘Je kunt perfect moslim zijn in dit land, als je je maar aan de wet houdt. Er is dus ruimte voor de islam in dit land. De vraag is hoe moslims er zelf mee omgaan. Het islamdebat wordt heftig gevoerd en dat mag, dat is goed. Een groot deel van het beeld dat Nederlanders van de islam hebben wordt geschetst door de politiek en de media, maar ik merk bij mij in Rotterdam echt niet dat de inwoners er nou veel moeite mee hebben. Ik voel vanuit de grote massa geen weerstand tegen de islam. Er wonen bijna een miljoen moslims in ons land, maar ruim de helft van hen is niet praktiserend gelovig. Ook binnen de moslimgemeenschap is een ontkerkelijking aan de gang. Het zijn nu vooral vrouwen die afscheid nemen van de islam en dat is ten dele te danken aan de dominante rol van de moslimman en niet van de islam. We moeten nu voor onszelf nagaan wat voor moslims we willen zijn in Nederland. Je kunt niet in Nederland wonen en zeggen dat je een vrouw geen hand geeft. Dan neem je geen deel aan de samenleving. Hetzelfde geldt voor mensen die niet geloven, met hen moeten we in debat gaan. Mijn uitgangspunt is het concept mens en we moeten als mens met elkaar kunnen praten. Mijn geloof, de islam, verbiedt mij niet om met iemand te praten of samen te werken of te leven. Als je daar te halsstarrig in bent, dan moet je je koffers pakken en naar een islamitisch land verhuizen. Gelovigen, zeker de moslims, moeten leren dat er ruimte is voor verschil. Een Arabisch spreekwoord luidt ‘verschil is een geschenk van God’.’

Philipse: ‘We hebben godsdienstvrijheid, dus natuurlijk is er plaats voor nieuwe religies, maar de voorwaarde is wel dat die religies tolerant zijn, dus andersdenkenden toelaten en mensen niet proberen te dwingen tot een religie te behoren. Er zijn veel juridische en morele voorwaarden waaronder godsdienstvrijheid werkt. Voorts is er niet één islam, maar er zijn meerdere versies van. Sommige versies zijn minder sympathiek dan andere, zoals de versies die in het nieuws komen door de terroristische aanslagen. Zoiets wil je niet. Je moet dus niet generaliseren over de islam of over godsdienst. Ook in Nederland komen er verschillende versies voor. De Rooms-Katholieke Kerk heeft één autoriteit, namelijk de paus, een centraal gezag dat bepaalt wat de kerk gelooft en wat moreel goed is, maar dat heeft de islam niet. We willen ook geen staatsgodsdienst in Nederland, want dat leidt tot enorme intolerantie. Religie heeft onder andere de functie om groepscohesie te versterken. Er zijn dus zeker goede aspecten aan godsdienst. Maar dat is tegenwoordig toch minder nodig. We zijn een individualistische samenleving geworden en als religie iets doet, voor ouderen of eenzame mensen, dan vind ik dat prima.’

Van den Hemel: ‘Het is ontegenzeglijk zo dat de islam steeds meer een zichtbare religie aan het worden is. Sommigen Nederlanders hebben daar in toenemende mate moeite mee. Maar dat moet geen reden te zijn om wetten of beleid aan te passen. Ik vind zelf ook bepaalde dingen, reclames of campagnemateriaal van politieke partijen waar ik het niet mee eens ben bijvoorbeeld, vervelend in het publieke domein. Maar dat betekent niet dat dat verboden moet worden.’ De wetenschapper maakt zich wel zorgen over het debat. ‘Het wordt steeds normaler om te zeggen ‘omdat er mensen zijn in Nederland die het ongemakkelijk vinden om de islam te zien of te horen, moeten we ons afvragen of er wel ruimte voor is’.’ Van den Hemel vindt dat er te simpel gekeken wordt naar de religie in ons land en de daarbij behorende identiteit. ‘Het beeld van ontkerkelijking als afname van religie is veel te simpel gesteld. We beginnen nu pas na te denken over wat voor invloed en impact dat zal hebben. Dat gaat beginnen door meer naar elkaar te luisteren. Bijvoorbeeld naar de mensen die op nieuwe manieren religieuze en seculiere identiteiten met elkaar combineren. We moeten af van het idee dat religie ouderwets is. Bepaalde vormen van het indelen van religie zijn aan het verdwijnen en nieuwe komen op. Dat zie je over heel de wereld. Of we het nou leuk vinden of niet. Vierentachtig procent van de wereldburgers is religieus en in 2050 zal dat zevenentachtig procent zijn. De grote wereldreligies groeien, wereldwijd. Het begint in toenemende mate provinciaal te klinken als we ons afvragen waarom mensen ‘nog’ geloven.’

‘Via Turkstalige media kan ik mijn achterban het best bereiken’

0
‘Mensen zijn kritisch. Als je alleen flyers gaat uitdelen tijdens de campagne en vervolgens nooit meer komt, dan heeft dat geen effect.’

Voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen staan veel Turkse Nederlanders op de kandidatenlijsten van partijen. Voor hen zijn er tal van mogelijkheden om campagne te voeren in de Turkse gemeenschap. Zo kunnen ze campagnevoeren in koffiehuizen, verenigingen, moskeeën en Turkstalige media. Wenden zij hun achtergrond aan om de Turkse gemeenschap voor zich te winnen? Op welk moment wordt de grens van cliëntelisme overschreden? De Kanttekening sprak met een politicoloog en twee Turks-Nederlandse kandidaten van D66.

Advocaat Nazmi Türkkol staat eenentwintigste op de kandidatenlijst van D66 in Amsterdam. ‘Met mijn kaliber verwacht ik wel dat ik met voorkeursstemmen wordt gekozen’, zegt hij. Hij heeft naar eigen zeggen bekendheid gekregen in de Turkse gemeenschap door rechtszaken te beginnen tegen de Nederlandse staat. Die gingen over onderwijs in eigen taal en het behoud van uitkeringen bij terugkeer naar het land van herkomst.

Türkkol voert actief campagne binnen de Turkse gemeenschap. ‘Ik ga het gesprek aan met kiezers in verschillende koffiehuizen en moskeeën. Daarnaast word ik uitgenodigd voor bijeenkomsten waar ik mijn verhaal kan doen. Ik richt me niet op een bepaalde etniciteit of religieuze stroming binnen de gemeenschap. Ik maak daar geen onderscheid in. Ik ben uitgenodigd door de linkse arbeidersvereniging HTIB, de Fatih-moskee die aan Diyanet is gelieerd en de Mescidi Aksa-moskee (waarvan de bezoekers bekendstaan als nationalistisch, red.). Ik kom dus écht overal.’

De rol van de moskee
De rol van moskeeën in verkiezingstijd is een gevoelig onderwerp waarbij het debat op scherpe toon wordt gevoerd. Dat is onder meer gebleken bij kwesties omtrent de buitenlandse financiering van of de politieke invloed op Turkse gebedshuizen.

Hoe voert Türkkol campagne in moskeeën? Deelt hij flyers uit? ‘Flyers uitdelen in moskeeën? Nee, daar doe ik niet aan, want ik geloof er niet in. Mensen zijn kritisch. Als je alleen flyers gaat uitdelen tijdens de campagne en vervolgens nooit meer komt, dan heeft dat geen effect. Wat ik wel doe, is dat ik in gesprek ga met mensen in de moskee, maar dat doe ik al vijfentwintig jaar.’ Op de vraag of een moskee ook een stemadvies mag geven, antwoordt hij bevestigend. ‘Als ik al jarenlang in moskeeën kom en als ik ze heb geholpen bij bijvoorbeeld het aanvragen van vergunningen, waarom zouden de bestuurders dan geen stemadvies mogen geven?’

Türkkol verschilt daarover van mening met zijn partijgenoot Nejat Sucu, die kandidaat is in de stad Almelo. Sucu is tien jaar bestuurder geweest van een Diyanet-moskee. ‘Moskeeën moeten neutraal zijn en boven de partijen staan’, vindt Sucu. ‘De moskeebestuurders geven geen officieel stemadvies, maar op persoonlijke titel kunnen zij wel hun voorkeur geven. Overigens zou ik dat niet netjes vinden, want er zijn meerdere kandidaten met een Turkse achtergrond.’

Turkstalige media
Sucu gebruikt Turkstalige media in Nederland om mensen te bereiken. Zo heeft hij diverse interviews gegeven aan verschillende bladen, waaronder de Turkstalige tijdschriften Platform en Ufuk. ‘Ik heb zelf ook voor Turkstalige media geschreven. Via Turkstalige media kan ik mijn achterban het best bereiken.’

Türkkol zegt geen campagne te voeren via Turkstalige media. Hij vindt dat zijn bekendheid, vanwege zijn werkzaamheden in verscheidene bestuursfuncties in de afgelopen vijfentwintig jaar, al groot genoeg is. Daarnaast is hij van mening dat sociale media een nuttigere tool is. ‘Het stemgedrag van onze gemeenschap is veranderd. Tot het jaar 2000 stemden veel Turkse Nederlanders op een onbekende kandidaat, alleen maar omdat hij een Turkse naam had. Daarna werd de keuze voor partijen in combinatie met de voorkeur voor een kandidaat met een Turkse achtergrond leidend. Tegenwoordig worden de kandidaten met een Turkse achtergrond kritisch gescand op wat ze voor de gemeenschap hebben gedaan. Daar moet je je campagne aan aanpassen.’

Partijstandpunten
Sinds de afsplitsing van Tunahan Kuzu en Selcuk Öztürk van de PvdA worden kandidaten met een Turkse afkomst volgens Türkkol extra gescreend op hun loyaliteit aan de partijstandpunten. ‘De partijen zijn sindsdien veel voorzichtiger geworden. Als de kandidaten worden voorgedragen door de organisatie waar ze zelf actief in zijn, dan overschrijdt je een grens.’ Dat Kuzu uit de religieuze stroming Süleymancilar komt is inmiddels bekend, maar of hij ook is voorgedragen door die beweging is niet bewezen.

Sucu is een bekend gezicht in de Almelose Turkse gemeenschap. Hij rekent dan ook op stemmen vanuit de gemeenschap. ‘Daarom heb ik mijn kandidaatschap besproken met stichtingen waar ik een bestuursfunctie heb bekleed.’ Hij benadrukt dat hij niet om toestemming heeft gevraagd, maar dat hij wilde toetsen ‘hoe groot de animo is voor zijn kandidaatschap’.

Almelo heeft naast een Turkse ook een Armeense gemeenschap. Sucu legt uit dat de twee groepen harmonieus met elkaar omgaan en dat hij de Armeense-apostolische Kerk ook bezocht heeft. ‘Wat betreft de recente ontwikkelingen rondom de Armeense genocide, klagen veel Turkse Nederlanders tegen mij dat mijn partij heeft erkend dat er een genocide heeft plaatsgevonden. Ik leg ze dan uit dat de Tweede Kamer de kwestie als genocide heeft bestempeld, maar het kabinet niet. Als het kabinet het niet heeft erkend, hoef ik dat ook niet te doen.’

Verder vindt Sucu dat hij als kandidaat van D66 niet in alle standpunten van de partijen mee hoeft te gaan. Volgens hem biedt de partij voldoende ruimte voor de eigen ideeën van kandidaten. ‘Mocht ik afwijken van het partijstandpunt, dan zal ik dat intern bespreken.’

Identiteitspolitiek
Of er bij de gemeenteraadsverkiezingen sprake is van cliëntelisme, zoals in de Rotterdamse deelgemeente Feyenoord werd vastgesteld door het integriteitsbureau BING in 2013, valt niet te bewijzen, volgens Jean Tillie, hoogleraar Politicologie van de Universiteit Amsterdam. ‘Ik kan daarover uitsluitend speculeren. Wat ik wel kan zeggen is dat het stemmen in toenemende mate langs etnische lijnen wordt bepaald. Dat zien we bijvoorbeeld bij Denk, Bij1 en het Forum voor Democratie. Dat ze ook populistische kenmerken hebben is bijzaak. Hoofdzaak is dat ze sterk identiteitspolitiek bedrijven.’

Over de mate van organisatie binnen de Turkse gemeenschap zegt Tillie: ‘Uit mijn eerdere onderzoeken bleek dat het hoge organisatiegehalte binnen de Turkse gemeenschap bevorderend werkte voor de politieke integratie.’ In een onderzoek van 2001 van onder anderen Tillie en

emeritus hoogleraar Politieke Theorie Meindert Fennema, bleek dat Turkse Nederlanders het meest naar de stembus gingen van de vier grootste etnische groepen: Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders. Waarom? Eén van de redenen is volgens het onderzoek dat de Turkse gemeenschap relatief veel organisaties heeft. ‘Een verschil met toen is echter dat er nu binnen de Turkse gemeenschap een grotere mate van fragmentatie heerst. Eveneens is de Nederlandse samenleving in toenemende mate aan het fragmenteren. Dat wordt vertaald naar politieke verandering waarbij nieuwe opkomende partijen vooral identiteitspolitiek bedrijven.’

‘De betrokkenheid van de burger staat op het spel’

0
‘Nederlanders zijn niet revolutionair, maar lokale of nieuwe partijen zorgen vaak voor een goede uitlaatklep voor onvrede. Enig revolutionair bewustzijn van wat er mis kan gaan zou dan ook niet slecht zijn’, zegt Geerten Waling. ‘Luister naar de burger. De interesse in politiek is zeker aanwezig.’

Geerten Waling is historicus en postdoc-onderzoeker aan de Universiteit Leiden op het gebied van politieke legitimiteit. De Kanttekening sprak hem onder meer over zijn nieuwe boek, Gemeente in de genen: tradities en toekomst van de lokale democratie in Nederland, dat hij schreef met rechtsgeleerde Wim Boevink. Waling maakt zich zorgen over de groeiende kloof tussen hoogopgeleide ambtenaren en burgers die zich niet meer herkennen in het beleid.

Kent Nederland nog altijd een decentrale cultuur waarbij ook het platteland meetelt en niet alleen de regeringszetel of de grote stad?
‘Ja en nee. Het is hier niet zoals in Frankrijk, waar Parijs de grote magneet is en alle macht naar zich toetrekt. In Nederland ligt dat anders. De decentrale democratische cultuur is er hier nog wel degelijk. Het was voor ons de aanleiding dit boek te gaan schrijven, want wij vinden het een mooie traditie die bovendien al eeuwenoud is.’

Hoe heeft de Nederlandse polderdemocratie zich door de jaren heen ontwikkeld?
‘Die is, vrees ik, wat centraler geworden. Er wordt toch veel gekeken naar Den Haag. Er zijn bovendien bestuurslagen bijgekomen, wat voor de effectiviteit wel goed is, er is geen willekeur binnen onze rechtsstaat. Nederland kent een zeer goed ontwikkeld ambtelijk apparaat. Wel kun je zeggen dat de uitvoering wat is doorgeslagen. De gemeente is een loket geworden dat nationaal beleid uitvoert.’

Wat doet dat met de gemeenschap?
‘Er ontstaat een kloof tussen bestuurders en burgers en die zie je overal om je heen. De onderliggende boodschap van ons boek is dan ook: de betrokkenheid van de burger staat op het spel. Dat mag de politiek zich aantrekken. Burgemeesters treden paternalistisch op, men gaat uit van consensuspolitiek. Dat is niet gezond voor het democratisch proces, waarbij het af en toe best mag schuren. In Nederland duurt oproer nooit lang. Na twee dagen gaan we toch weer bij elkaar zitten om er samen uit te komen.’

Is met de komst van Brussel de burger nog meer op afstand gezet?
‘Het eigenaarschap van lokale aangelegenheden verdwijnt als er te veel op afstand wordt beslist. Denk aan lokale aanbestedingen die door Europese regels worden gedicteerd. De politiek moet onvrede onder de bevolking dan ook serieus nemen. Een revolutie zie ik hier niet snel gebeuren, maar tekenen moeten niet verkeerd begrepen worden. Laat ik co-auteur Voermans citeren: ‘Probeer te begrijpen hoe mensen op lokaal niveau kijken naar burgerschap. Zo voorkom je dat democratische energie weglekt.’ Want die energie is er wel degelijk.’

Is de burger nog wel geïnteresseerd in de politiek?
‘Absoluut. Hoewel de ‘officiële’ interesse via lidmaatschappen van politieke partijen terugloopt, kent Nederland nog altijd een zeer uitgebreid en goed geworteld verenigingsleven, om maar wat te noemen. Daaruit blijkt dat Nederlanders betrokken zijn bij hun omgeving en wat daar speelt.’

Bestaat de zo veelbesproken kloof tussen burger en politiek echt?
‘Door schaalvergroting en fusiegemeenten komt de gemeente steeds verder van de burger af te staan, ja. Dat schuurt enorm met dat wat een gemeente in essentie is: een consortium van burgers die een gelijk aandeel hebben in hun gemeenschap. Omdat de gemeenteraad nooit helemaal professioneel kan zijn, omdat gemeenteraadsleden er doorgaans gewoon een baan naast hebben, bestaat de kans dat gemeenten proeftuintjes worden voor democratische experimentjes. Zo valt het op dat participatie altijd goed valt bij wethouders, omdat dat meestal gaat om aansluiting bij bestaand beleid. Terwijl referenda, waarbij je je politieke lot in handen van de burger legt, meestal een schrikbeeld is voor diezelfde colleges van burgemeesters en wethouders.’

Hoe zit het met het draagvlak voor beleid, als er een kloof is?
‘Dat is minder geworden, omdat het ambtelijk apparaat steeds hoger is opgeleid en in dienst van de overheid beleid voorkoken waar laagopgeleiden zich niet in herkennen. Als er dan partijen opstaan die opkomen voor de belangen van die laagopgeleiden, worden ze populistisch genoemd. Maar dat is natuurlijk onzin. Over gezag is ook nog wel wat te zeggen, want dat wordt minder. Nu is gezag voor een burgemeester zoals een eeuw geleden niet meer van deze tijd, maar gezag voor de positie wel. Wat pijnlijker is, is het afnemende gezag van gemeenteraadsleden. Bij de komst van azc’s kunnen die ook weinig doen, maar worden er vaak op afgerekend door de omgeving. Dat botst nog wel eens.’

Hoe ziet lokale democratie eruit? Wie zijn de gemeenteraadsleden?
‘Over het algemeen kun je zeggen dat lokale politiek een oude mannenhobby is. Los van de vraag of dat voor een diverse samenstelling van de raad zorgt en een representatieve afspiegeling van de samenleving, pleit ik voor meer laagopgeleiden in de gemeenteraad. Hoogopgeleiden zijn namelijk echt oververtegenwoordigd in het bestuur. Bij lokale partijen zie je ze wel meer. Wat betreft de inhoud van de politieke agenda: de fulltimers zwaaien de scepter. Dat zijn de mensen oudere mannen dus, die na hun pensioen veel tijd hebben en daardoor ook min of meer de agenda bepalen.’

Foto: Twitter. Geerten Waling (Rotterdam, 1986) is historicus, schrijver en publicist. Aan de Universiteit Leiden is hij postdoc-onderzoeker en coördinator van het interdisciplinaire profileringsgebied ‘politieke legitimiteit’. Met hoogleraar Staats- en Bestuursrecht Wim Voermans (Universiteit Leiden) schreef hij het onlangs verschenen boek ‘Gemeente in de genen: tradities en toekomst van de lokale democratie in Nederland’. Hij publiceerde meerdere andere boeken, waaronder ‘Zetelroof: fractiediscipline en afsplitsing in de Tweede Kamer 1917-2017’ (2017). In 2016 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op het proefschrift ‘1848: clubkoorts en revolutie, democratische experimenten in Parijs en Berlijn’. De boekvorm van zijn proefschrift werd genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs 2016 en veelvuldig besproken in de media.

Gemeenteraadsleden klagen wel eens over de enorme werkdruk.
‘Daarom zou ik graag zien dat aankomende gemeenteraadsleden meer ondersteuning krijgen. Voor het geld hoef je het niet te doen, dus meer geld zou al een eerste stap kunnen zijn. Daarnaast zou de griffie (gemeentelijke afdeling die de gemeenteraad ondersteunt, red.) verbreed moeten worden, zodat gemeenteraadsleden meer hulp uit die hoek kunnen verwachten. Ook een goede voorbereidende training voor het raadswerk is geen overbodige luxe. Lokale democratie verdient echt meer steun. In tegenstelling tot het stigma, besturen ze namelijk vaak mee en dat gaat prima. Ze trekken zich bovendien niets aan van klassieke ideologieën, blijkt uit onderzoek van de NRC, en er zijn ook niet meer interne crisissen dan bij landelijke partijen. Er heerst een bepaald beeld waar lokale en nieuwe partijen vaak last van hebben: dat ze worden weggezet als populistisch. Maar dat hoeft helemaal niet per definitie zo te zijn. Het blijkt sowieso niet uit de lokale praktijk.’

Wat zijn de belangrijkste zorgen rondom lokale partijen?
‘Landelijke partijen kunnen vaak terugvallen op hun moederpartij voor ondersteuning op allerlei vlakken. Dat hebben lokale partijen niet. Dus zorg voor een gelijke behandeling. Een democratie functioneert natuurlijk het best bij een gelijk speelveld. Wat ook aandacht vraagt: de vaak onnodig ingewikkelde stukken. Als een ambtenaar een half jaar met een wethouder op een stuk heeft gezeten, wordt vaak gevraagd van een raadslid dit maar even af te tikken. Terwijl de raad moet eisen dat er tijd en ruimte is om stukken goed door te nemen én dat het leesbaar is.’

Geworteld zijn in lokale politiek is belangrijk, blijkt uit uw boek. Schuurt dat met loyaliteit aan een ander land, bijvoorbeeld als het gaat om Turkse Nederlanders die loyaal zijn aan de Turkse regering?
‘Als symptoom van onze democratie is Denk erg belangrijk. Doordat partijen als Denk ontstaan, vormt zich een achterban die aanspreekbaar is. Je kunt je bedenkingen hebben over de verering van Erdogan door aanhangers van die partij, maar zolang zulke partijen functioneren binnen de democratische kaders, is er niets aan de hand. Wat zorgelijker is, is het importeren van conflicten uit het moederland naar hier. Die los je lokaal natuurlijk sowieso niet op, maar doordat partijen aanspreekbaar zijn, worden ze wel gedwongen democratische afwegingen te maken.’

U ziet een duidelijke rol voor de media binnen de lokale democratie. Zo spreekt u over ‘goed nieuws’ dat gebracht moet worden. Wat bedoelt u daarmee?
‘Je kunt als medium van relletje naar relletje rennen, maar je kunt je afvragen wat de burger daar aan heeft. Het is ontzettend belangrijk dat media uitgebreid en diepgaand verslag doen van wat zich zoal binnen een gemeente afspeelt. Dus breng niet de smeuïge sensatie, maar wat vaker het saaie, maar belangwekkende. Nu loopt de lokale verslaggeving natuurlijk hard terug. Het zou goed zijn subsidie te verstrekken aan journalisten die het lokale weer gaan volgen. Een onafhankelijke commissie zou daar over kunnen gaan. In Leiden gaat een proef van start die hier min of meer op aansluit. Wat betreft de aankomende verkiezingen: het is natuurlijk raar dat een debat in Amsterdam wordt gekaapt door landelijke politici. Het ging niet eens over Amsterdam! Ik vond het pijnlijk om te zien. Laat de lokale politiek vooral haar werk doen en zorg er als media of landelijke partij voor dat kiezers enthousiast worden om te stemmen.’

Wat heeft de lange traditie van polderen ons eigenlijk gebracht?
‘Om een flauw voorbeeld te geven. Als er een gat in de weg zit, komen Fransen samen om de overheid de schuld te geven. Nederlanders lossen zoiets het liefst zelf op. Nederlanders zijn niet revolutionair, maar lokale of nieuwe partijen zorgen vaak voor een goede uitlaatklep voor onvrede. Enig revolutionair bewustzijn van wat er mis kan gaan zou dan ook niet slecht zijn. Luister naar de burger. De interesse in politiek is zeker aanwezig.’

Ik ben altijd gelovig geweest zonder het te weten

0

Ik ben net vanuit China met een muisklik CDA-lid geworden. Ik zie Buma wel zitten, ik deel de visie van gespreide verantwoordelijkheid met het maatschappelijk middenveld en ik ben onder de indruk van de Amsterdamse lijsttrekker Diederik Boomsma. Boomsma leidt een eenmansfractie in de ultra-progressieve Amsterdamse gemeenteraad. Hij is er het enige gematigd conservatieve geluid. De door hem geagendeerde problemen, zoals vrouwenhandel en drugsgebruik door tieners, worden door de andere gemeenteraadsleden vaak gebagatelliseerd. Toen hij betoogde over de medische en sociale gevolgen van drugsgebruik voor tieners en een D66’er tegenwierp dat ‘een jointje’ niets uitmaakt, noemde hij D66 ‘een hedonistische puberpartij’. Hij was ook de enige die vraagtekens zette bij de Diyanet-financiering van de nieuwe Boven IJ-moskee in Amsterdam-Noord.

Toch voelt het gek om CDA-lid te worden, omdat ik niet christelijk ben. Natuurlijk staat het CDA niet alleen voor praktiserende gelovigen en zijn er meer atheïstische CDA’ers. Maar ik had het eerder nooit als optie beschouwd vanwege mijn achtergrond. De omgeving waarin ik ben opgegroeid was zo atheïstisch, dat pas tijdens mijn studietijd de eerste christenen en moslims in mijn kennissenkring opdoken. Ik dacht dat ik nóóit CDA zou stemmen. Mijn vrienden moeten er nog aan wennen. Toen ik mijn partijkeuze op Facebook verkondigde, leidde dat tot verbaasde reacties. Een Iraanse vriend schreef dat hij het ‘een interessante keuze’ vond gezien het feit dat ik net als hij atheïstisch ben. Later werd hij vijandiger: ‘Saaie partij.’ En: ‘Nietzsche toont de immoraliteit van de Christelijke moraal. In dat opzicht is hij blijvend van belang, met name om burgerlijke CDA’ers te ontmaskeren.’ Vroeger koesterde ik ook zo’n wantrouwen jegens christenen en CDA’ers.

Een belangrijk verschil is dat atheïsme nu geen belangrijk deel van mijn identiteit meer is. Dat komt door China. In China heb ik het algemeen westerse en christelijke aan mezelf ontdekt. Ik zie nu dat westerse christenen en atheïsten dezelfde fundamentele moreel-politieke verbeelding delen. Verschillen worden kleiner als je ze naast grotere verschillen legt. En er is zoiets als een westerse traditie, maar die is zo heterogeen en wijdverbreid, dat je haar alleen vanuit een heel vreemde cultuur, zoals de Chinese, waar kunt nemen als een object met samenhang.

Ik duid die samenhang trouwens nooit als een ‘joods-christelijke traditie’, want dat begrip legt te veel nadruk op het religieuze en plaatst de islamitische wereld te ver buiten het Westen. Als het met twee woordjes moet, prefereer ik ‘Grieks-christelijk’. Het ‘joodse’ zit dan in het ‘christelijke’ ingeschoven, omdat het jodendom vooral via het christendom Europa beïnvloed heeft. En met het ‘Griekse’ pak je de humanistische traditie en includeer je de islamitische filosofen, onder wie Kindi, Farabi, Avicenna en Averroes, die in de Griekse traditie stonden. De islam zelf staat met één voet in het Westen, met de andere erbuiten. Als religie hoort ze bij het westerse monotheïsme, maar als cultuur ontstond ze net buiten het door de Griekse cultuur gedomineerde (Oost-)Romeinse Rijk, waar de christelijke kerk ontsproten was.

Maar goed, ik geloofde eerst niet in het bestaan van een westerse traditie in het enkelvoud. Pas in China herkende ik in mezelf het Grieks-christelijke. Ik ben ‘gelovig’, waarheidsgelovig. In China valt dat op, omdat de Chinezen waarheid ondergeschikt maken aan sociale relaties, machtsbelangen en zelfbehoud. De ‘waarheid’ kan je aanpassen als dat beter uitkomt. Liegen is toegestaan. De etiquette is dat je je niet opwind over mensen die je proberen te bedriegen. Een Nederlandse zakenman met decennia ervaring in China prentte zijn Nederlands publiek tijdens een praatje in: ‘In China bent u een gelovige. U gelooft namelijk in goed en kwaad.’ En zijn advies voor zakendoen in China: ‘Je moet gewoon ook liegen.’ Een Chinees gezegde luidt: ‘Bedrieg waar je kan, als je ermee wegkomt.’ Natuurlijk kunnen westerlingen ook een potje liegen, maar we doen dat normaliter niet met de vrolijke schaamteloosheid van de Chinezen. Dat komt omdat we, in tegenstelling tot de Chinezen, een sterke traditie van natuurrecht hebben. De idee van natuurrecht is dat er boven de overheid en de regels van de machtigen, een hoger universeel recht bestaat: dat van God, de Goede Maatschappij, mensenrechten of de sharia, waar je het eerste aan kunt toetsen. Het Hogere kijkt mee.

Ik sprak de Nederlandse zakenman op zijn kantoor en hij gaf me een oefening mee om de ‘praktische’ Chinese geest te bevatten. Ik moest, zo zei hij, een stukje schrijven zonder me af te vragen of wat ik schrijf waar of onwaar is, of welke aspecten waar dan wel onwaar zijn. Ik moest niet bewust liegen, maar vanuit conflictvermijding, eigengewin en een onverschilligheid tegenover waarheid, me puur richten op het sociale effect van mijn schrijven. Een hele opgave. Westerse postmodernisten claimen niet meer in waarheid en rechtvaardigheid te geloven en alleen nog in macht, maar dat is zelfbedrog. Nee, Chinese partijfunctionarissen laten zien hoe een echte onverschilligheid tegenover ‘waarheid’ en ‘rechtvaardigheid’ eruitziet. Ach, hedendaagse westerse intellectuelen zijn hartstikke gelovig, maar dat weten ze vaak niet. Provincialisme.

Dit alles gooide ik de Facebook-discussie in. Wat likejes hier en daar, maar niet iedereen was onder de indruk van mijn hoogdravende praatjes. Ze brachten een Amsterdamse vriend, die net als ik dol is op journalist Christopher Hitchens, maar ook diens antitheïsme onderschrijft, tot steigeren. Hij appte dat ik als ‘gelovige’ even serieus te nemen ben als een ‘vegetariër die vlees eet’. Nu gaat hij trouwens zelf ook op Boomsma stemmen, zo schreef hij, vanwege een gebrek aan betere rechtse alternatieven: ‘Het moet maar.’ Maar hij wilde me toch nog even pesten: ‘De groeten aan Jezus.’