Xenofobie is niet selectief

Foto: Reuters

In zijn NRC-column van 1 mei kaartte Paul Scheffer het opkomend ‘hedendaags antisemitisme’ aan. Daarmee doelde hij op uitingen van antisemitisme onder moslimmigranten en hun nakomelingen in Europese landen en verwees daarbij onder meer naar de schokkende moord op de vijfentachtigjarige Mireille Knol in haar Parijse flat. Knol, die de Holocaust overleefde, werd afgelopen maart op gruwelijke wijze vermoord door twee jonge mannen met een crimineel verleden, onder wie haar buurman, die haar woning vervolgens in brand staken. Omdat beide mannen nakomelingen zijn van migranten uit islamitische landen, verklaarde Justitie al snel dat het motief voortkwam uit antisemitisme. Hoewel het laatste woord daarover nog niet is gezegd, lijkt antisemitisme zeker een rol te hebben gespeeld. Mogelijk zijn de daders geïnspireerd door andere moorden op Joden voortkomend uit extremistisch islamitisch terrorisme.

Scheffer verbindt de moord vervolgens met de bevindingen van een bekend Amerikaans onderzoeksbureau, Pew Research Center, waaruit blijkt dat in islamitische landen – wanneer gevraagd naar hun opinie over Joden – velen een ongunstig beeld blijken te koesteren. In Turkije geldt dat voor vierenveertig procent van de ondervraagden en in Marokko is dat zelfs achtenzeventig procent. Daaruit leidt Scheffer af dat het nieuwe antisemitisme (onder moslims) door migratie naar West-Europa wordt geïmporteerd en dat het dus niets te maken heeft met de gemarginaliseerde positie van veel van hun kinderen alhier. Die conclusie zou worden ondersteund door een onderzoek van Ruud Koopmans uit 2008, waaruit blijkt dat veertig procent van de moslims in Nederland Joden wantrouwen. En daar komt nog bij dat antisemitisch gedachtegoed via salafistische stromingen in Nederland wordt geïmporteerd.

Tot zover Scheffer. Hoewel de relatie tussen salafisme minder eenduidig is dan hij laat voorkomen en er op het onderzoek van Koopmans door collega’s stevige kritiek is geuit, blijft het een feit dat antisemitisme onder een deel van de migranten uit islamitische landen, vooral onder hun nakomelingen, een zorgelijk fenomeen is. Zoals Annemarike Stremmelaar en ik onlangs in onze studie over de relatie migratie en antisemitisme, onderdeel van een Europees onderzoek gecoördineerd door het Pears Institute for the Study of Antisemitism, ook vaststelden.

Het probleem met Scheffers analyse is echter zijn eenzijdigheid, gebrek aan een bredere context en de onuitgesproken suggestie dat antisemitisme tegenwoordig een importfenomeen is, verbonden aan migratie, en het inheemse klassieke antisemitisme er nauwelijks meer toe doet.

Als hij zich in de recente rapporten van het Pears Institute had verdiept, dan zou hij wellicht tot een andere conclusie zijn gekomen. Zo blijkt om te beginnen dat in alle landen in de afgelopen twintig jaar het aantal antisemitische incidenten juist sterk is gedaald en waar het gaat om de betrokkenheid van tweede generatie jongeren met een Marokkaanse, Turkse of Algerijnse achtergrond hun antisemitisme nauw is verbonden met het Israëlisch-Palestijns conflict en niet zozeer met moslimfundamentalisme. Vooral tijdens de Tweede Intifada (2000-2005) werden Joden in West-Europa op straat regelmatig uitgescholden en aangevallen, ook in Amsterdam, waarbij zij over één kam werden geschoren met de politiek van de Israëlische staat.

In Nederland maakten voornamelijk zonen van Marokkaanse gastarbeiders zich aan dit antisemitisme schuldig en nauwelijks de generatie van de ‘gastarbeiders’ uit Turkije en Marokko zelf. Niet zo vreemd wanneer we bedenken dat antisemitisme in Marokko in de jaren zestig een marginaal fenomeen was. Maar ook de vluchtelingen uit het Midden-Oosten en de Hoorn van Afrika (Irak, Iran, Afghanistan, Somalië) die gedurende de jaren negentig in groten getale naar Nederland kwamen, waren niet of nauwelijks betrokken bij antisemitische incidenten. Hetzelfde geldt voor de recente vluchtelingen uit dezelfde herkomstgebieden. Op enkele uitzonderingen na – zoals de Syrisch-Palestijnse asielzoeker die de ruiten stuksloeg van het Joodse restaurant Hacarmel aan de Amstelveense weg, mogelijk omdat de Israëlische vlag zijn woede wekte – zijn zij nauwelijks betrokken bij antisemitische incidenten. Er mag in die landen van herkomst dan negatief over Joden worden gedacht, dat vertaalt zich blijkbaar niet automatisch in antisemitisch gedrag in de Europese landen waar zij zich vestigen. Scheffers suggestie van import via immigratie berust dan ook op een zeer wankele basis.

Daar komt bij dat het inheemse, klassieke antisemitisme nog steeds springlevend is, vooral in extreemrechtse kringen, maar ook bij links, waar de grens tussen de Joden en de Israëlische politiek niet altijd even duidelijk wordt getrokken. Zeker in Oost-Europa is er sprake van een oplevend antisemitisme waarbij antisemitische complottheorieën – zoals dat de Joden (met George Soros als kwade genius achter de schermen) stiekem miljoenen moslims Europa zouden binnensluizen om ‘onze’ beschaving te vernietigen – gretig aftrek vinden. Inmiddels is dat klassiek antisemitisme ook gemeengoed geworden binnen extreemrechts in West-Europa, waar het een onzalige verbintenis is aangegaan met ideeën over ‘omvolking’ waar politici als Thierry Baudet het idee dat massa-immigratie een existentieel probleem vormt met graagte uitventen. Vooral binnen extreemrechtse stromingen in Duitsland, dat verantwoordelijk is voor een aanzienlijk deel van de incidenten, en aanhangers van het Front National in Frankrijk, is de grens tussen antisemitisme en islamofobie erg dun.

Willen we het hedendaagse antisemitisme echt begrijpen, dan zullen we de fixatie op moslims dan ook moeten laten varen en ons realiseren dat het onderdeel is van een algemene golf van xenofobie, waarbij zowel Joden, moslims, maar ook homoseksuelen, Roma en immigranten in het algemeen, zich zien geconfronteerd. Of, zoals de directeur van het Museum voor de Geschiedenis van Poolse Joden, Dariusz Stola, het onlangs zo kernachtig uitdrukte in The Economist: ‘Xenofobie is niet selectief.’

DELEN
Leo Lucassen
Directeur Onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Hoogleraar Sociale Geschiedenis aan de Universiteit Leiden.