7.3 C
Amsterdam

Geen geldig vervoersbewijs

Hizir Cengiz
Hizir Cengiz
Publicist.

Lees meer

Drie zwarte pubers komen in de eersteklascoupé zitten. Ik denk meteen: ze hebben vast geen geldig treinkaartje. Misschien denk ik dat vanwege hun leeftijd, de kleding die ze dragen of zelfs hun huidskleur. De jongens gaan voor me zitten. 

Ze spreken met elkaar. Ik weet niet of je stil hoort te zijn in de eerste klasse. (Na veel hoofdbreken besloot ik dit keer meer te betalen, zodat de kans groter zou zijn dat ik een zitplek had, juist nu ik meer pijn had aan mijn rug.) 

Al snel komt de conducteur de coupé binnen. Hij loopt direct, in grote stappen, naar de drie pubers en vraagt naar een geldig vervoersbewijs.

De conducteur hoeft zijn blik maar op het kaartje van een van hen te werpen, om te zien dat ze alle drie een ongeldig vervoerbewijs hebben. Ze hebben een kaartje gekocht dat geldig is voor kinderen tussen de 4 en 11 jaar.

Sterker nog: de conducteur wist al dat ze op Den Haag Centraal doelbewust een goedkoper vervoersbewijs hadden gekocht.

Identiteitsbewijs? Dat hebben ze niet bij zich. 

Een foto ervan? Ook niet. Een van hen, die met een pieptoon spreekt, heeft zelfs geen telefoon bij zich, meent hij.

Ze worden niet geloofd. Als ze geen identiteitsbewijs hebben dan wordt op Schiphol Airport de marechaussee erbij gehaald en zullen ze naar een politiebureau worden gebracht. Een waarschuwing. 

Ze hebben echt geen identiteitsbewijs. ‘Ik zweer het’, zegt een van de jongens. 

De conducteur belt voor assistentie van de marechaussee.

‘Heeft u de rest van het coupé gecontroleerd?’, vraag ik, na enige aarzeling. Alsof ik het niet weet. Mijn laatste woorden slik ik in. Een te hoge ademhaling.

De conducteur zou, zo zegt hij, wel reizigers in andere coupés hebben gecontroleerd. Maar iemand zou een melding gedaan hebben. Diegene zou zich onveilig voelen door drie jongens. 

Ze vertelt dat twee jongemannen – wit, eind twintig, misschien begin dertig – ook geen geldig vervoersbewijs bij zich hadden

Ik moet giechelen. Ook door de zenuwen.

Hoezo zegt niemand wat?

Een van de jongens belt ondertussen zijn oma, om te vragen of ze een foto van zijn identiteitskaart kan doorsturen. Ze wil de conducteur spreken. Hij houdt zijn telefoon trillend omhoog. De conducteur neemt de telefoon niet aan. Een oma verandert niets aan de situatie. ‘Hij wil u niet spreken, oma’, zegt hij. 

Even later laat diezelfde puber zijn telefoon zien. Zonder wat te zeggen. Misschien omdat hij het niet durft.

Ik tik een van hen aan en vraag of hij echt geen identiteitsbewijs heeft. Dat het hem gezeik bespaart als hij die laat zien. Ik weet niet waarom ik hem niet geloofde. Hij heeft die echt niet bij zich.

De conducteur pakt de treinkaartjes af.

De jongen die wel een foto kan laten zien, krijgt een voorstel van de conducteur. Als hij in een andere coupé gaat zitten zal hij gematst worden en zijn boete lager zijn.

De jongens lopen met de conducteur mee naar buiten. De marechaussee staat er niet. 

Als de conducteur terugkomt, wil hij de rest van de reizigers controleren. Een vrouw spreekt hem aan. Godzijdank, denk ik.

Ze vertelt dat twee jongemannen – wit, eind twintig, misschien begin dertig – ook geen geldig vervoersbewijs bij zich hadden. Dat zeiden die jongens zelf, toen de conducteur met de drie zwarte pubers naar buiten liep. Inmiddels waren ze verhuisd naar een ander coupé.

De vrouw zegt dat ze dat niet eerlijk vindt. Maar het deed haar goed toen de conducteur het over matsen had. Ze zou eens in zijn schoenen moeten staan, antwoordde hij. En, zo zegt hij, hardop, niet met een pieptoon, niet eens met een hoge ademhaling, dat hij vaker last heeft van ‘dit soort’ jongens. Onlangs in Purmerend zou een van hen een groot mes bij zich gehad hebben. 

‘U maakt wel veel fouten in een zeer kort tijdsbestek’, zeg ik, nog steeds met een hoge ademhaling, maar veel duidelijker. ‘Wat hebben deze jongens met die in Purmerend te maken? En zou u die vrouw meteen controleren als ik een melding doe dat ik me onveilig voel door haar?’

‘Ja’, zegt hij stellig.

Die vrouw wil niet dat het verder escaleert. 

De conducteur zegt dat ik hem zou hebben gehinderd in zijn werk, doordat ik me ermee bemoeide door vragen te stellen. ‘Vragen stellen zal vast strafbaar zijn. Wilt u nu mijn gegevens?’, vraag ik. Ik ben trots op mezelf. Als een grote jongen sprak ik die zinnen uit. Onbevreesd. 

Ik sta op, bedank de conducteur voor zijn werk, maar zeg dat het gevaarlijk is hoe hij zijn functie uitoefent. Want het gevaar van willekeur is dat uiteindelijk eenieder er slachtoffer van kan worden. 

‘Dit is geen willekeur’, zegt hij, alweer beheerst. Ik had moeten zeggen, zo besefte ik later, dat zijn handelen discriminerend was. Op dat moment kon ik geen goed weerwoord geven.

Angst raakt je stem; juist dan moet je spreken.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -