17.2 C
Amsterdam

Waar de Dodenherdenking voor bedoeld is

Lody van de Kamp
Lody van de Kamp
Rabbijn en publicist.

Lees meer

Het staat me nog bij als de dag van gisteren. De Dodenherdenking op De Dam. Ik was uitgenodigd om mijn aandeel te leveren aan de plechtige bijeenkomst in de Nieuwe Kerk, voorafgaand aan de officiële kranslegging buiten. De instructies werden met ‘militaire precisie’ gegeven. Mij werd de tekst voorgehouden van de toespraak van de krijgsmacht-aalmoezenier die de preekstoel vóór mij moest betreden. ‘Rabbijn, wanneer de aalmoezenier aan deze voorlaatste alinea begint loopt u alvast tot de zevende trede van de preekstoel, zodat u onmiddellijk met het uitspreken van psalm 23 kunt beginnen zo gauw de aalmoezenier aan zijn afdaling begint.’

Gedurende de hele dienst dacht ik helemaal niet aan herdenken. Ik luisterde met gespannen oren of de geestelijke vóór mij al bij zijn alinea was aangekomen. Daarna, precies volgens het aangegeven ritme, betrad ik de zeven eerste treden van de kansel.

Nee, herdenken was er niet bij. Ik werd verwacht met andere dingen bezig te zijn. Met heel veel respect voor de organisatie, zeker overtuigd van de noodzaak van een Nationale Dodenherdenking op De Dam, nam ik mij die avond één ding voor. Zelf zal ik deze unieke jaarlijkse momenten in het vervolg toch liever op een andere plek doorbrengen.

Zoals mijn ouders, staande voor het raam, uitkijkend op het niets, twee minuten in stilzwijgen? Mijn gedachten geordend en gericht op hen voor wie de herdenking werkelijk is bedoeld?

Voor mijn twee broertjes? Zelf heb ik hen nooit gekend. De weg naar Auschwitz was al voor hen uitgestippeld.

Misschien ga ik naar dat kleine monumentje aan de kant van het bospad

Of voor een opa en een oma ergens in een klein dorpje in de Gelderse Achterhoek? Door de politieman werden zij van huis gehaald om daarna aan die lange treinreis te beginnen, die uiteindelijk eindigde in alweer een klein dorpje. Maar dan een dorpje aan de oostgrens van het verre Polen. Een klein dorpje met pal daarnaast een heel groot kamp, waar de schoorstenen dag en nacht zwarte rook uitbraakten.

Of misschien ga ik naar dat kleine monumentje aan de kant van het bospad, waar die drie helden uit het verzet door de bezetter werden doodgeschoten? Of naar nog een van die talloze andere herdenkingsplekken die ons land rijk is? In ieder geval naar een plek waar het er niet toe doet op welk moment je welke voet op de eerste trede van het spreekgestoelte zet. Omdat het herdenken van de doden daar zo strikt volgens de regels moet gaan.

Herdenken met militaire precisie, waar voor de eerste keer ook gefouilleerd moet gaan worden. En waar wij ons, door de omstandigheden gedwongen, voor moeten opgeven.

De Nationale Dodenherdenking op De Dam in Amsterdam moet blijven. En met veel respect kijk ik op naar die gezagsdragers en autoriteiten die de bijna onmogelijke taak op hun schouders hebben genomen om dit grootse landelijke gebeuren ondanks alles toch zo ongeschonden mogelijk door te kunnen laten gaan.

Maar, ik kan het niet helpen. Meer nog dan toen ik die preekstoel moest betreden, vraag ik mij nu af in hoeverre dit gebeuren met al die noodzakelijke beperkende maatregelen nog echt verbonden is met het herdenken van de gevallenen. Met die jonge gesneuvelde militairen helemaal aan het begin van de oorlog op de Grebbeberg. Met de doden in de Nederlandse straten na de bombardementen door nazi-Duitsland, of later door onze bevrijders.

Kan zo’n herdenking vanaf deze zwaar bewaakte Dam nog wel het verhaal vertellen van de meer dan tweehonderd zigeuners uit ons land die net als hun Joodse lotgenoten in de gaskamers hun einde vonden? Van de honderden mannen die tijdens de razzia werden weggesleept uit hun woonplaats Putten, om omgebracht te worden in Neuengamme en andere concentratiekampen? Denken we daar, op die zo veilig mogelijk gemaakte Dam, nog wel aan die arme vader die tijdens de hongerwinter van 1944 vanuit Amsterdam op zijn fiets helemaal naar het verre Friesland was getrokken, om eten voor zijn gezin te vinden? Die arme kerel, die op de terugweg, lang voordat hij thuiskwam, uitgeput aan de kant van de weg in elkaar zakte, om daar in de bittere kou zijn einde te vinden? En kunnen onze gedachten ook nog zijn bij die jonge Marokkaanse soldaten in het Franse leger die in 1940 sneuvelden en in Zeeland begraven liggen?

Staan wij dit jaar tussen 7 en 8 uur ’s avonds, daar op die plek, nog wel stil bij die rijen opgestapelde doden in het kamp Bergen-Belsen? En bij diegenen die door de brute hand van de Japanse bezetters de kampverschrikkingen niet mochten overleven, maar wiens verhalen ook eigenlijk nauwelijks verteld konden worden in dit deel van ons koninkrijk?

De Nationale Dodenherdenking in het hart van de Nederlandse hoofdstad moet blijven. Maar laten we wel met z’n allen nadenken hoe wij blijven bij datgene waar de Dodenherdenking voor bedoeld is: het levend in herinnering houden van hen die een Bevrijdingsdag nooit mochten meemaken.

We hebben nu een jaar de tijd om in dit huidige tijdsgewricht hier zorgvuldig over na te denken.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -