Alle schoolkinderen kwamen op de ochtend van Koninginnedag naar het grote marktplein en brachten daar de jaarlijkse aubade aan onze jarige vorstin. ‘Aubade’ was geloof ik het eerste moeilijke woord dat ons als vijf- of zesjarigen werd bijgebracht.
Het moeten voor onze ouders en grootouders best nog moeilijke jaren zijn geweest, zo kort na die Tweede Wereldoorlog. Maar de koningin en de prins waren na hun ballingschap tijdens die bezettingsjaren weer terug in het land en luidkeels klonk het uit onze kindermondjes:
Waar de blanke top der duinen
Schittert in de zonnegloed
En de Noordzee vriend’lijk bruisend
Neerlands smalle kust begroet
Juich ik aan het vlakke strand
Juich ik aan het vlakke strand
‘k Heb u lief mijn Nederland
‘k Heb u lief mijn Nederland
Zo werd onze onschuldige kinderzieltjes de zuivere liefde voor het vaderland ingeprent. ‘Ik heb u lief mijn Nederland.’ O, wat hadden wij ons Nederland toch lief!
Met het klimmen der jaren lijkt het steeds moeilijker die liefde te blijven koesteren voor het land waar ooit onze wieg en de wieg van onze ouders, groot- en overgrootouders hebben gestaan.
Is dit echt nog wel het land waar ‘het lachend groen der heuvels, ’t kleed der stille heide omzoomd’? Is het echt ‘het land der vaad’ren, make u eendracht sterk en groot’?
De getallen doen ons duizelen. Genoeg om niet alleen weerzin te krijgen tegen het land waar op de jaarlijkse nationale feestdag ooit deze lovende woorden uit die kindermondjes schalden. Maar ook genoeg om een vrees te ontwikkelen, met een blik op de toekomst.
Twintigduizend van onze jonge Nederlandse jongeren die het hun hele leven al zo moeilijk hadden, kregen daar nog eens de traumatische ervaringen van de Gesloten Jeugdzorg overheen. Genoeg om hun levens voorgoed te beschadigen. Twintigduizend kinderen in ons eigen Nederland. Deze week kregen zij excuses aangeboden. Maar de schade blijft.
Drieënveertigduizend bedraagt het aantal erkende slachtoffers van de toeslagenaffaire. Drieënveertigduizend van onze medemensen in ons land die te maken kregen met onterechte beschuldigingen van fraude, die werden opgezadeld met enorme schulden, het kwijtraken van uit huis geplaatste kinderen en zwaar psychisch leed.
Stel je voor dat we dit allemaal hoorden over een land elders in de wereld
Meer dan twaalfduizend Nederlanders, waaronder meer dan drieduizend militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), werden in het inmiddels onafhankelijke Indonesië veelal tegen hun wil ingescheept. Om bij aankomst in Rotterdam van regeringswege te worden afgescheept met valse voorwendselen. Zij waren in de haven van Rotterdam nog niet van de boot gestapt of ze kregen te horen dat zij per onmiddellijk uit overheidsdienst waren ontslagen. Zij kregen geen salaris, hoogstens een zakcentje, en de gezinnen werden ondergebracht in voormalige concentratie- en werkkampen uit de Tweede Wereldoorlog.
Twintigduizend, drieënveertigduizend, twaalfduizend. En dit zijn nog maar drie voorbeelden van heel veel meer misstanden.
Kunnen we nog wel van zo’n Nederland houden? Stel je voor dat we dit allemaal hoorden over een land elders in de wereld. Een land dat dit zijn burgers allemaal aandoet. Hoe zouden we daar dan naar kijken? Allemaal de straat op met spandoeken tegen Holland? Wegen blokkeren? Eisen dat Nederland geboycot zou moeten worden?
Deze getallen, met alles wat daarachter schuilgaat, zouden ons alle hoop op een mooie samenleving kunnen laten verliezen.
In zijn boek Tijd is een Leeuwerik, reizen langs de rafelranden van Nederland stimuleert de schrijver en journalist Hilbrand Rozema ons tot een andere blik op de harde samenleving. ‘Elk dorp heeft zijn eigen oorlogsverhaal.’ Over meelopers en over verzet. Deze twee uitersten plaatst hij naast elkaar. ‘Joodse landgenoten raakten huis en haard kwijt.’ Maar pastoor Vullinghs in het Limburgse Grubbenhorst roept al op 12 mei 1940: ‘Onze soldaten kunnen niets meer doen. Nu is het aan ons.’
Nederlanders waren niet alleen meelopers. Velen hadden net zo’n moreel kompas als die pastoor.
Hilbrand Rozema schrijft ook over getallen. In die oorlogsjaren ‘versleet’ een onderduiker vijf tot zeven adressen. Maar twintig of dertig kwam ook voor. Dat betekent dat in totaal zo’n driehonderd- tot vierhonderdduizend Nederlanders ooit onderduikers in huis moeten hebben gehad. Naast die helpers onderweg, die ook meetellen. De mooie keerzijde van doffe volksellende.
De schrijver vat zijn hoofdstuk samen. ‘In menig dorp ging het leven gewoon door, pal naast een werkkamp waarin Joden waren opgesloten. Zo bestaan er in Nederland uiteenlopende oorlogsverhalen naast elkaar. Het ene is leerzaam. Het andere inspireert.’
Gesloten Jeugdzorgkinderen. Slachtoffers van de toeslagenaffaire. Aan hun bittere lot overgelaten Molukkers. Te pijnlijk om allemaal te benoemen.
Maar nog steeds kent ons Nederland toch echt wel die andere burgers. Die medemens die zich nog steeds op allerlei manieren inzet om die naaste een bloeiend Nederlands leven te gunnen. De medemens die onze ‘blanke top der duinen, schitterend in de zonnegloed’ nooit verloren zal laten gaan. Zo blijven wij kijken naar ons eigen landje. En hopelijk ook naar de wereld om ons heen, waar het echt niet allemaal pais en vree is. Maar waar diezelfde inspanningen worden geleverd om de wereld wel leefbaar en bloeiend te houden. Ook tegen de overheid in.
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

