Niet alleen Turken hebben eer

Foto: Reuters
‘Eergerelateerd geweld komt niet alleen voor in islamitische kringen.’

Turkoloog en arabist Rob Ermers schrijft in zijn onlangs verschenen boek Honor related violence: a new social psychological perspective over de laatste stand van zaken met betrekking tot eergerelateerd geweld. Hij geeft een antwoord op vragen als: Wat is eer? Waarom maken sommigen onderscheid tussen eer van westerlingen en niet-westerlingen?Hoe kunnen eer- en bloedwraak verklaard worden? De Kanttekening sprak Ermers over zijn onderzoek.

In uw boek biedt u een nieuw perspectief op eergerelateerd geweld. Wat was vooral het perspectief dat u in eerdere publicaties en discussies miste en dus de aanleiding vormde voor het schrijven van uw boek?
‘Als je boeken over eergerelateerd geweld kritisch leest, zal het opvallen dat de term ‘eer’ in geen van die boeken goed gedefinieerd wordt. Dat is zeer problematisch, omdat je zonder definitie ook geen onderscheid kunt maken in de verschillende casussen of misdrijven en moeilijk kunt zeggen ‘hier ging het om de eer’, of juist niet. Je hebt immers geen criteria. Deze manier van werken is trouwens wel de praktijk in Nederland. De afwezigheid van een definitie en bijbehorende criteria werd in 2012 al in een rapport geconstateerd. Het is heel simpel: als je niet weet wat het zikavirus precies is kun je onmogelijk een medicijn uitvinden om de ziekte uit te roeien. En zonder definitie kun je geen goed beleid ontwikkelen. Waar wel een poging wordt gedaan om eer te definiëren, wordt er jammergenoeg gesteld dat eer te maken heeft met een gevoel dat slechts onder bepaalde bevolkingsgroepen voorkomt. Eer zou een gevoel zijn dat mannen uit niet-westerse volkeren zoals bijvoorbeeld Turken, Marokkanen en Arabieren hebben, en autochtone Nederlanders, Duitsers en Zweden niet. Eer blijft daardoor iets mysterieus wat zijn oorsprong vindt in exotische, ondoorgrondelijke volkeren. En kunnen westerlingen acties van de niet-westerling niet begrijpen.’

Wat is uw definitie van eer?
‘Ik vind om te beginnen dat je een onderscheid moet maken tussen eergevoel en eer, want deze twee termen worden vaak door elkaar gehaald. Een gekrenkt eergevoel kan ontstaan in een situatie waarin je het idee hebt dat je onrecht wordt aangedaan, waarin je teleurgesteld bent of afgaat. Dat idee kan terecht zijn of onterecht, het is slechts je persoonlijke perceptie, en daardoor voor anderen niet altijd goed te begrijpen. Hoewel sommigen de situatie herkennen, weten ze nog niet wat je voelt. Dat eergevoel wordt in het Turks met gurur aangeduid. In de psychologie noemen ze geweld in die context affectief geweld. Eer daarentegen is niet een gevoel, maar in mijn visie hetzelfde als morele reputatie. Uit onderzoek blijkt dat je morele reputatie goed moet zijn om bijvoorbeeld vrienden te kunnen maken. Als je Harvey Weinstein heet en op Facebook vrienden zoekt, zal dat je waarschijnlijk niet echt meer lukken en dat komt omdat de morele reputatie van Weinstein helemaal naar de maan is. Dat is niet slechts de persoonlijke indruk van Weinstein zelf, maar iets wat ook buitenstaanders kunnen waarnemen en vaststellen. Om een Nederlands voorbeeld te geven: datzelfde geldt ook voor Joran van der Sloot;  zijn morele reputatie is ook kapot. Je kunt dus je morele reputatie bederven met moreel wangedrag, maar ook wanneer andere mensen veronderstellen dat je dat hebt gedaan.’

Is morele reputatie persoonsgebonden of heeft die ook een weerslag op de mensen in je omgeving?
‘Het punt is juist dat je andere mensen kunt meeslepen door de ondergang van jouw morele reputatie. De moeder van Joran bijvoorbeeld heeft een groot sociaal en moreel probleem gekregen door de misdaden van haar zoon. Dat wordt een associatief stigma genoemd. Zij heeft een sociaal issue in haar gemeenschap, vrienden en vriendinnen hebben zich waarschijnlijk van haar afgekeerd. Het was in dat opzicht interessant hoe ze toentertijd reageerde op de daden van haar zoon. Ze deed haar verhaal in verschillende tv-programma’s in een poging haar eigen morele reputatie te redden, zodat mensen in ieder geval niet slecht over haar en haar andere kinderen zouden denken. De vrouw van Weinstein heeft mogelijk om dezelfde redenen onmiddellijk echtscheiding aangevraagd. Dus of je het nou eer noemt of morele reputatie, dit mechanisme werkt hetzelfde, of je nou een Turk, Fin, Nederlander of Rus bent. Het gebeurt overal op dezelfde manier.’

U zegt dat eer of morele reputatie binnen alle bevolkingsgroepen bestaat. Wanneer het echter gaat om eer en eergerelateerd geweld denken we snel aan Turkse of Marokkaanse Nederlanders. Zorgt dat beeld ook in de praktijk voor problemen?
‘Stel dat een Turkse Nederlander ruzie heeft met zijn tienerdochter die niet wil luisteren en hij in een moment van zwakte haar een klap geeft. Dan komt hij bij  hulpverleningsinstanties of de politie terecht waar nog te vaak wordt gezegd ‘zie je wel, daar heb je weer zo’n Turk, die voelt dit en dat, omdat zijn dochter niet luistert, in de Turkse cultuur is een meisje immers het bezit van haar vader en Turkse mannen hebben vanwege hun cultuur vrouwonvriendelijke ideeën’. Dan mag hij urenlang uitleggen dat het in zijn geval niet om eergevoel of om die ideeën ging, maar om het feit dat de dochter in kwestie niet naar hem als liefhebbende en goedwillende vader luisterde en hij daar simpelweg boos om werd. Dat verweer heeft te vaak weinig zin.  Er wordt, overigens met de beste bedoelingen, op deze wijze een diagnose gesteld over deze burger heen, niet omdat de informatie dit of dat aantoont, maar omdat Turken ‘nou eenmaal zo zijn’. Zonder het te vragen weten wij, en daarmee bedoel ik ook medewerkers van officiële instanties, dat deze Turkse man die of die ideeën en gevoelens heeft. Dat is erg onrechtvaardig, temeer daar deze medewerkers op allerlei andere gebieden wel erg deskundig zijn. Zo komt men er niet of te laat achter dat het verhaal misschien is verzonnen of aangedikt door de tienerdochter die haar vader een hak wilde zetten, wat weleens gebeurt; de conclusie is nog te vaak gebaseerd op stereotypen.’

Foto: In-Mind. Rob Ermers is turkoloog en arabist. Hij is als gastonderzoeker verbonden aan de Radboud Universiteit. Hij heeft een eigen consultancybureau (Midden-Oosten Perspectief) dat adviezen en trainingen verzorgt over eer, eergerelateerde zaken en de culturen van het Midden-Oosten, hoofdzakelijk voor politie, justitie, maatschappelijk werk en Veilig Thuis, het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. Hij is de auteur van ‘Eer en eerwraak: definitie en analyse’ (2007) en ‘Werkboek eergerelateerd geweld’ (2010). Begin dit jaar verscheen een Engelstalig boek van zijn hand over het onderwerp, getiteld ‘Honor related violence: a new social psychological perspective’.

Is het dan niet zo dat eerwraak en eergerelateerd geweld meer voorkomen binnen islamitische kringen?
‘Het klopt dat eerwraak voorkomt in een gebied dat loopt van Turkije tot Jemen, Egypte, delen van Centraal-Azië, Pakistan, India en de Kaukasus. Maar we zien in die regio eerwraakzaken bij aanhangers van alle godsdiensten. Eergerelateerd geweld komt niet alleen voor in islamitische kringen. Overigens is eerwraak altijd moord met als enige motief de morele reputatie van een familie te herstellen. Ook is belangrijk op te merken dat mannen én vrouwen met dat motief worden vermoord. Laten we eens aannemen dat de moeder van Joran hem in elkaar slaat. Vervolgens legt ze aan de rechter uit dat haar leven door hem is verpest en ze daardoor de confrontatie met hem niet aankon. Dat zou zonder meer een eergerelateerd verweer zijn. Er zullen in Nederland in zo’n geval volgens mij veel mensen erkennen dat zij een punt heeft. Hoe kunnen we, als dat zo is, nog claimen dat eer een niet-westers of zelfs een islamitisch fenomeen is?’

Er is natuurlijk wel verschil in wat Turkse Nederlanders en autochtone Nederlanders als een aanval op hun eer zien, toch? Bijvoorbeeld als we kijken naar wat als moreel wangedrag wordt gezien door westerse en niet-westerse bevolkingsgroepen?
‘Niet culturen of religies, maar gemeenschappen verschillen wel op het vlak van wat zij moreel wangedrag vinden. Je kunt daarom niet aannemen dat alle Turken enkel vanwege hun cultuur één en dezelfde opvatting hebben van wat moreel wangedrag is. Een jetsetfiguur uit Istanbul vindt het misschien minder erg dat zijn dochter een vriendje heeft dan een Turkse moeder in een Centraal-Anatolisch dorp bij Konya. En niet eens omdat die Turkse moeder dat persé zelf erg vindt, maar meer omdat de mensen in haar omgeving dat vinden en zij de sociale gevolgen vreest. Bij beoordeling van moraliteit gaat het immers altijd om de mening van mensen in de sociale omgeving. In Turkse jetset-gemeenschap is dergelijk gedrag geen probleem, en in Konya wel. Je kunt dus nooit zeggen ‘in de Turkse cultuur is het zo dat vrouwen …’, dat is onzin.’

Denkt u dan niet dat de islam gewelddadiger is of meer ruimte biedt aan eergerelateerd geweld dan andere religies?
‘In mijn boek heb ik godsdiensten grotendeels buiten beschouwing gelaten. Religies zijn op zichzelf niet gewelddadig. Het is daarentegen wel zo dat je op basis van bepaalde religieuze uitgangspunten een moreel kader kunt vormen voor een gemeenschap. De aanhangers van een godsdienst vormen dus morele normen. Een belangrijke rol ligt bij de religieuze leiders. Een imam of priester kan bijvoorbeeld aanvoeren dat je geen seks voor het huwelijk mag hebben, omdat hij zegt te weten dat God dat niet goed vindt. Gelukkig zijn er altijd ook heel verstandige imams en priesters geweest die bijvoorbeeld zeggen ‘hij die zonder zonde is werpe de eerste steen’. En ook in de islam heb je het belangrijke begrip rahma, ofwel barmhartigheid. Op grond van barmhartigheid kun je als individu en als gemeenschap mensen hun morele misstappen vergeven, en dat gebeurt ook. Dat daar in sommige gevallen niet de nadruk op wordt gelegd heeft meer te maken met de gelovigen – en wat buitenstaanders ervan vinden – dan met de mogelijkheden binnen het geloof zelf. Echter, als je slecht over een religie en in dit geval de islam wilt denken, kun je altijd wel iets vinden. Ik probeer in ieder geval in concrete zaken juist de positieve punten te vinden want daar kunnen de mensen iets mee.’

Hoe komt het dat migrantengroepen met een niet-westerse achtergrond gevoeliger lijken voor seksueel wangedrag door een familielid en dat als meer eer krenkend ervaren dan andere bevolkingsgroepen?
‘In alle gemeenschappen zijn er bepaalde seksuele en morele normen. Veel migranten in Nederland komen uit gebieden waar bijvoorbeeld seks voor het huwelijk een grote morele smet werpt op de familie, net zoals in Nederland tot in de jaren zeventig. De morele reputatie van de familie wordt daardoor beschadigd, met als gevolg sociale uitsluiting voor alle familieleden. Tegen hun zonen zeggen ouders daarom dat ze geen meisjes moeten verleiden, en tegen hun dochters dat ze zich niet mogen laten verleiden. Als de buitenwereld erachter komt hebben de familieleden immers, net als de moeder van Joran, ook een probleem. Zij weten dat moreel wangedrag de hele familie in gevaar kan brengen, inclusief weerloze minderjarige neefjes en nichtjes en opa en oma. Vanwege het associatieve stigma waar we het eerder over hadden. In dergelijke situaties wordt uit angst in sommige gevallen naar geweld gegrepen. Maar in wezen zijn dit algemene sociale mechanismen die overal ter wereld voorkomen. Het verschil zit in wat volgens al die verschillende gemeenschappen als moreel wangedrag wordt gezien. In veel Nederlandse gemeenschappen vormt het aangaan van een seksuele relatie zonder dat je met elkaar trouwt geen enkel moreel probleem meer. Je wordt er moreel gezien niet meer op afgerekend. Maar als je wordt beschuldigd van seks met minderjarigen is je sociale leven wel afgelopen. Het lijkt mij dus niet verstandig om wat eer betreft met de vinger te wijzen naar ‘de ander’, terwijl vergelijkbare mechanismen ook voorkomen binnen de diverse autochtone gemeenschappen.’

U vraagt in uw boek of wij in het westen niet ‘onze’ idealen aan het afzetten zijn tegen ‘hun’ geweldsdelicten en misstanden? Denkt u dat we in Nederland een bepaalde morele standaard op te dringen aan migrantengroepen en vervolgens daaraan afmeten of ze nou wel of niet deugen?
‘Dat is precies wat we doen. In Nederland en West-Europa heerst het idee dat veel moslims ‘slecht’ zijn. Zij plegen immers eerwraak, behandelen hun vrouwen als voetvegen en doen aan gedwongen uithuwelijken van hun kinderen. Ja, dergelijke misstanden zijn er, dat ontkent niemand. Maar doen ze dat echt allemaal? Ook mijn collega of buurman? En zijn Nederlanders dan allemaal even goed? Hebben wij niet een zekere Willem Holleeder, die verdacht wordt van afpersing en liquidaties? Is hij een typische Nederlander die we als maatstaf kunnen nemen? Nee, natuurlijk niet. Je mag van mij best claimen dat de doorsnee Nederlander goed is, maar niet dat de doorsnee Turk of Arabier potentieel slecht is. Het is net als wel de splinter in het oog van de ander zien, maar niet de balk in het eigen. Wanneer een Turkse of Arabische Nederlander met een autochtone Nederlander in gesprek gaat over geweldsdelicten komt men te vaak op het onderwerp eerwraak of gedwongen huwelijken. Die zijn immers in onze visie inherent aan ‘de cultuur’. Maar waarom zou een willekeurige Turkse Nederlander zich constant moeten verdedigen voor misdaden die hij niet zelf pleegt?’

In veel publicaties, bijvoorbeeld in de media, zouden misdaden gepleegd door niet-westerse personen vaak worden toegeschreven aan hun culturele achtergrond in plaats van specifieke contexten of omstandigheden, in tegenstelling tot westerse gevallen.
‘Het is natuurlijk prettig als je kunt afgeven op bepaalde groepen in een land. Het komt sommigen soms ook goed uit dat zulke misstanden blijven bestaan, want deze dingen kun je koppelen aan de integratie van groepen en individuen. Zolang ze zich voordoen en deze koppeling aan hun cultuur in stand blijft, en er beleid gevoerd wordt zonder definitie, kunnen leden van de meerderheid, en ook bijvoorbeeld de overheid, bepalen wie er wel en wie er kennelijk niet is geïntegreerd. Integratie is als een stok die een meerderheidsgroep steeds achter de hand kan houden en steeds weer kan inzetten om te zeggen dat bepaalde minderheidsgroepen, ook op individueel niveau, niet deugen. Dan zeggen we bijvoorbeeld ‘u heeft zestig jaar uw best gedaan maar helaas is uw integratie niet gelukt, want u heeft uw vrouw geslagen’. Maar als een autochtoon-Nederlandse verdachte X bij wijze van spreken acht man doodschiet en er zeven afperst wordt die vraag over zijn integratie niet gesteld. Hij komt immers uit onze eigen cultuur, hij is ‘één van ons’. We erkennen dat hij een uitzondering is. Als Holleeder niet Willem maar Ali zou heten, zouden wij de lompe manier waarop hij zijn zus bejegent vermoedelijk toeschrijven aan ‘het feit’ dat hij uit een ‘vrouwonvriendelijke cultuur’ komt. ‘Zo gaan Turken en Arabieren nu eenmaal met vrouwen om’, zou dan de aanname zijn. Hebt u iemand horen zeggen dat de houding van Holleeder zou kunnen worden veroorzaakt door de Nederlandse of Amsterdamse cultuur? Ze wordt toegeschreven aan zijn karakter, zijn opvoeding, niet aan zijn etnische achtergrond of cultuur. En zo hoort het ook. Hij is tenslotte een uitzondering.’

Wat zijn de gevolgen van dit soort stigma’s en onterechte toeschrijvingen voor de samenleving?
‘De autochtone Nederlander blijft hierdoor toch met enige argwaan en twijfel kijken naar mensen uit migrantengroepen, met een idee van de zogenoemde vijfde colonne, ‘de klap kan onverwachts komen’. Bij de migrantengroepen leeft, denk ik, door die argwaan, die zij voelen, sterk het idee van ‘ze willen ons niet begrijpen, ze moeten ons niet hebben, wat we ook doen’. En zo lang nieuwe Nederlanders telkens weer naar allerlei vage maatstaven worden beoordeeld op hun mate van integratie in Nederland en er allerlei mythen over hun cultuur rondgaan, blijft de tweedeling, zo vrees ik, nog lang in stand. Dat vind ik enorm spijtig en schadelijk voor ons allemaal.’

DELEN
Hüseyin Atasever
Journalist gespecialiseerd in islam, Turkije en het Midden-Oosten.