15.5 C
Amsterdam

Noodmaatregelen na staatsgreep in Turkije hebben ‘hele levens verwoest’

Tayfun Balcik
Tayfun Balcik
Historicus en journalist.

Lees meer

Na de mislukte staatsgreep van 2016 verloren duizenden mensen in Turkije hun baan en werden ze buitengesloten. Een nieuw rapport laat zien hoe de decreten van de regering-Erdogan levens kapot hebben gemaakt.

De pro-Koerdische parlementariër Ömer Faruk Gergerlioglu presenteerde onlangs een rapport van het Platform voor Gerechtigheid voor Slachtoffers, dat opkomt voor mensen die zijn getroffen door de noodmaatregelen na de mislukte staatsgreep van 2016. Gergerlioglu was zelf ook bij het onderzoek betrokken. Het rapport kwam tot stand onder leiding van onder anderen socioloog Bayram Erzurumluoglu, die zelf door een nooddecreet zijn baan verloor.

In totaal hebben sinds 2017 meer dan 33.000 mensen aan het onderzoek deelgenomen, voornamelijk slachtoffers van de noodmaatregelen en hun familieleden. Bij de mislukte staatsgreep vielen meer dan 250 doden. Daarna trad de regering van Erdogan hard op tegen de Gülenbeweging, die verantwoordelijk werd gehouden voor de couppoging. Veel aanhangers werden als terroristen bestempeld, vaak zonder dat hun individuele betrokkenheid was aangetoond. De gevolgen van die repressie zijn tien jaar later nog altijd voelbaar. Gergerlioglu vertelt over de bevindingen van het onderzoek.

Tijdens de presentatie van het rapport sprak u van ‘genocide’ op de Gülenbeweging. Waarom gebruikt u die term?

‘Omdat we 216 afzonderlijke misdrijven tegen de menselijkheid hebben vastgesteld. Het gaat om praktijken die doen denken aan de nazitijd, zoals het aanbrengen van kruisen op deuren van mensen die als terreurverdachten worden beschouwd. Tijdens de noodtoestand in Turkije ging het nog verder. Niet alleen onschuldige mensen werden getroffen, maar ook hun partners, kinderen, kleinkinderen en andere familieleden.’

Ömer Faruk Gergerlioglu

Maar die werden toch niet uitgemoord?

‘Bij genocide moeten we niet alleen denken aan het doden van mensen in gaskamers. Ook het uitsluiten van een groep uit het sociale en politieke leven, hen tot armoede en wanhoop drijven en ervoor zorgen dat ook familieleden en kinderen worden getroffen, zijn zeer ernstige misdrijven tegen de menselijkheid. Zo wordt een hele generatie haar toekomst ontnomen.’

Op de omslag van het rapport lijken mensen levend begraven te worden. Tijdens de presentatie zei u dat vrouwen en kinderen in een kuil worden begraven, terwijl anderen aarde over hen heen scheppen. Wat bedoelt u daarmee?

‘Volgens ons is bewust gekozen voor collectieve bestraffing. We hebben 216 categorieën van misdrijven tegen de menselijkheid vastgesteld, waarbij fundamentele rechten zijn geschonden, zoals de vrijheid van meningsuiting en godsdienst. Maar de gevolgen gaan veel verder. We zien meer sterfgevallen, hartaanvallen, kanker, depressies en echtscheidingen. Niet alleen de rechten van mensen zijn aangetast, maar ook hun gezondheid, gezinnen en sociale relaties. Hele levens zijn verwoest.’

Maar dat is iets anders dan levend begraven worden.

‘Ja, niet letterlijk. Maar geestelijk en sociaal zijn deze mensen wel uit het leven verdreven. Dat gaat veel verder dan gewone bestuurlijke maatregelen of afzonderlijke schendingen van rechten.’

‘Zelfs nu, jaren later, verbergen mensen nog voor de buitenwereld dat ze zijn ontslagen’

Heeft Turkije zijn culturele elite en middenklasse verloren?

‘De noodtoestand heeft Turkije veel intellectueel talent gekost. Hoogopgeleide mensen, zoals onderzoekers en schrijvers, werden ontslagen, buitengesloten, gevangengezet of gedwongen het land te verlaten. Je kunt spreken van een intellectuele zuivering. Het gaat niet alleen om braindrain, maar ook om de verzwakking van de wetenschap en het intellectuele leven in Turkije.’

Volgens het rapport ligt het aantal zelfdodingen onder gülenisten veel hoger dan gemiddeld in Turkije: ruim 2 procent. Bijna 10 procent heeft aan zelfdoding gedacht of een poging gedaan.

‘Als arts wil ik benadrukken dat zelfdoding nooit één oorzaak heeft. Maar een combinatie van ernstige depressie, plotselinge financiële problemen, sociaal isolement en wanhoop kan het risico vergroten. Tijdens de noodtoestand zagen we daar schrijnende voorbeelden van. Mensen die na hun ontslag in een ernstige psychische crisis belandden en een einde aan hun leven maakten. Zo waren er ziekenhuismedewerkers die naar de bovenste verdieping van hun ziekenhuis gingen en daar zelfmoord pleegden. Ook waren er politieagenten die na hun ontslag een einde aan hun leven maakten in het toilet van het politiebureau.’

Zulke berichten hebben de Turkse mainstreammedia nooit gehaald.

‘Zelfs nu, jaren later, verbergen mensen nog voor de buitenwereld dat ze zijn ontslagen. Ik ken professoren die werkloos raakten en vervolgens op de markt tomaten en komkommers verkochten. Ook ontmoette ik hoogleraren geneeskunde die als pompbediende bij een tankstation wilden werken, maar zelfs daar niet werden aangenomen.

U gebruikt ook de term ‘sociale dood’. Wat bedoelt u daarmee?

‘Een slachtoffer van de noodmaatregelen zei ooit tegen mij: ‘Eigenlijk zijn we al dood, maar we beseffen het niet.’ Een ander vertelde me dat hij na zijn ontslag niet eens meer langs het raam durfde te lopen, uit angst dat zijn buren zouden zien dat hij thuis was en dus zijn baan had verloren. Kunt u zich dat voorstellen? Zelfs in zijn eigen huis durfde hij zich niet meer vrij te bewegen. Hij probeerde onzichtbaar te blijven. Dat is wat we sociale dood noemen.’

‘Eigenlijk zijn we al dood, maar we beseffen het niet’

‘Stel dat een echtpaar ruzie krijgt. De ene partner kan de ander bedreigen bij de politie aangeven door te zeggen: ‘Mijn echtgenoot is een FETÖ-aanhanger’ [afkorting van Fethullahistische terreurorganisatie]. Ook in zakelijke relaties gebeurt dat. In de politiek worden ongewenste handelingen soms afgedaan als ‘FETÖ-tactieken’.

Deze mensen zijn hun rechten en vrijheden kwijtgeraakt, worden buitengesloten en zijn financieel en geestelijk gevangen komen te zitten. Ze verloren niet alleen hun baan, maar kregen ook een stigma opgeplakt. In de ogen van de samenleving worden ze bijna verantwoordelijk gehouden voor al het kwaad.’

Daar hadden ook niet-gülenisten last van, toch?

‘Zeker. Niet iedereen die via een nooddecreet werd ontslagen, was gülenist. Er waren ook linkse mensen en anderen die vanwege hun overtuigingen of om andere redenen slachtoffer werden. Zij kregen allemaal te maken met uitsluiting en stigmatisering.’

Er worden ook codes gebruikt om mensen als ‘staatsgevaarlijk’ aan te merken?

‘Ja, in online systemen werden bij sollicitaties codes als 36 en 37 gebruikt. Wie eerder via een nooddecreet was ontslagen, kon daardoor ook in de particuliere sector moeilijk aan werk komen. Dat heb ik zelf meegemaakt. Na mijn ontslag als arts solliciteerde ik bij particuliere ziekenhuizen. Daar kreeg ik openlijk te horen dat ze wisten van mijn ontslag en bang waren zelf problemen met de staat te krijgen als ze mij aannamen. Het ziekenhuis kijkt niet naar zijn deskundigheid, maar is bang zelf onder druk te komen staan.’

Onderdrukking door de staat kan tot radicalisering leiden. Waarom is dat bij de slachtoffers van de nooddecreten niet gebeurd?

‘De onderdrukking zorgde vooral voor angst, wanhoop en maatschappelijke uitsluiting. In plaats van te radicaliseren, probeerden mensen zich gedeisd te houden en zo min mogelijk op te vallen. Voor wie zijn baan verliest, zich zorgen maakt over zijn gezin en zelfs bang is voor zijn buren en familieleden, is overleven belangrijker dan verzet. Mensen trokken zich terug en probeerden te voorkomen dat hen nog meer ellende zou overkomen. Er was geen radicalisering, maar vooral angst en onderwerping.’

Er was ook weinig tot geen solidariteit 

‘Inderdaad, ze misten een maatschappelijke basis die hen kon steunen, hen in staat stelde samen op te treden en hun vertrouwen kon geven. Ik denk bovendien dat deze groep geen sterke, gedeelde intellectuele traditie had en ook niet over georganiseerde vormen van solidariteit beschikte die onder zulke omstandigheden tot radicalisering hadden kunnen leiden.’

Wat bedoelt u daarmee?

‘Als we deze groep vergelijken met andere maatschappelijke groepen, wordt het verschil duidelijker. Zo hebben we tijdens perioden van onderdrukking en conflict onder Koerden gezien dat familiebanden, contacten met buren en onderlinge solidariteit vaak een belangrijke rol speelden. Natuurlijk was die solidariteit niet overal en altijd even sterk. Maar zulke sociale banden konden voorkomen dat mensen geïsoleerd raakten en hadden invloed op hoe ze met onderdrukking omgingen.

‘Ze kregen niet alleen te maken met maatregelen van de staat, maar ook met uitsluiting door de samenleving’

Bij veel slachtoffers van de nooddecreten gebeurde juist het tegenovergestelde: zelfs mensen uit hun directe omgeving namen afstand. Ze kregen niet alleen te maken met maatregelen van de staat, maar ook met uitsluiting door de samenleving. Toen de mensen van wie ze steun verwachtten zich van hen afkeerden, werden hun angst en wanhoop nog groter.’

Hebben deze ervaringen de houding tegenover andere groepen blijvend veranderd?

‘Onder slachtoffers ontstond geleidelijk ook meer begrip voor het leed van anderen. Dat gebeurde niet op grote schaal, maar het was wel een belangrijke ontwikkeling. Veel mensen die door de nooddecreten werden getroffen, leidden daarvoor een conservatief leven en hadden weinig oog voor het leed van groepen buiten hun eigen omgeving. Maar toen ze zelf te maken kregen met ernstige schendingen van hun rechten, uitsluiting en onrecht, begonnen ze beter te begrijpen wat Koerden, alevieten, linkse mensen en niet-moslimminderheden eerder hadden meegemaakt.’

Tegelijkertijd klinkt er vanuit de groepen met wie de slachtoffers meer empathie zeggen te voelen ook kritiek: ‘Moesten jullie eerst zelf slachtoffer worden voordat jullie ons konden zien?’

‘Koerden, alevieten, linkse mensen en niet-moslimminderheden zien het leed van de slachtoffers van de nooddecreten en leven met hen mee. Maar tegelijkertijd wantrouwen ze hen. Ze vrezen dat deze mensen, zodra hun eigen problemen voorbij zijn, weer de bestaande orde zullen omarmen en onverschillig worden voor het onrecht dat anderen wordt aangedaan.

Ik begrijp dat wantrouwen, gezien wat deze groepen zelf hebben meegemaakt. Toch vind ik het een eenzijdige houding. Je moet mensen niet bij voorbaat afschrijven omdat ze conservatief zijn. Ook zij verdienen empathie. Maar ik moet eerlijk zijn: de kritiek is niet helemaal ongegrond. Ik zie zelf ook dat de solidariteit met andere onderdrukte groepen kan verdwijnen zodra het eigen leed naar de achtergrond verdwijnt. Oude, conservatieve denkbeelden en gewoonten kunnen dan weer de kop opsteken. Ik zou daar graag optimistischer over zijn.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -