Ontwrichtende afdaling in de menselijke ziel

Foto: Epidemic
Een tocht naar de krochten van de menselijke ziel, die steeds meer geperforeerd geraakt door een teloorgaande westerse cultuur. Dat is Waste land, het nieuwe geesteskind van de Vlaamse regisseur Pieter van Hees.

Waste land is het sluitstuk van de trilogie Anatomie van liefde en pijn, en misschien wel de donkerste van de drie. Na etappes die leidden langs het horror-genre en komedie, treft regisseur Pieter van Hees het hart van zijn thematiek: op het snijpunt tussen psychologische uitdieping en de onbehaaglijkheid van de doorgeschoten verbeelding. De contouren van de film zijn geïnspireerd door het gedicht The waste land van de Amerikaans-Britse dichter, toneelschrijver, cultuurfilosoof en literatuurcriticus Thomas Stearns Eliot, die hij schreef in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. Het gedicht schetst een moderniteit in moreel en fysiek verval, die de menselijke psyché en relaties mee in de afgrond zuigt.

Ook Waste land toont hoe honderd jaar later de fundamenten nog steeds aan diggelen liggen. Met unheimliche openingsbeelden van vuilnisbelten, verlaten parkeerterreinen en mensen die te slapen liggen in parken en auto’s wordt de toon meteen gezet: in deze desolate, vernietigde wereld is de mens alleen en geïsoleerd. Ook het Brusselse hoofdpersonage, rechercheur Leo Woeste (de door de broeders Dardenne ontdekte Jérémie Renier) bevindt zich in een ruimte tussen zijn en niet-zijn. Hij zuigt, zoals zijn vrouw Kathleen (Natali Broods) opmerkt, alles op als een spons. Van zijn intussen dementerende vader kreeg hij van kindsbeen af te horen dat hij zijn schouders altijd moet rechten en niet mag verzwakken. Het afbrokkelende universum weegt op hem dan ook loodzwaar. Hij staat onder de constante druk te presteren in een wereld die steeds minder samenhang vertoont.

Persoonlijkheidscrisis
Wanneer zijn vrouw hem vertelt dat ze zwanger is, is Leo aanvankelijk gelukkig. Maar snel komt hij erachter dat zijn vrouw twijfelt aan zijn capaciteiten als vader en dreigt het kind te willen laten weghalen. Ook al zorgt hij voor Jack, Kathleens zoontje, als voor zijn eigen kind, zijn gemoedswisselingen en grillen, die ze toeschrijft aan zijn werk als inspecteur moordzaken, baren haar grote zorgen. Daarop stelt Leo voor om zijn job op te geven, al is het kwaad geschied: de twijfel en onzekerheid maken zich steeds meer meester en hij verliest alle grip op de werkelijkheid.

Niet toevallig valt de bekendmaking van de zwangerschap samen met een andere gebeurtenis, die eveneens de afwikkeling van Leo’s persoonlijkheidscrisis inluidt, meer bepaald de vondst van het levenloze lichaam van een jonge Congolees in een vuilzak in het water (verwijzing naar dode zeeman in Eliots gedicht, die ook in het water wordt gevonden). Leo raakt steeds meer geobsedeerd in de zoektocht naar de dader en in zijn behoefte om de zus van het slachtoffer, Ayscha (een zeer overtuigende Babetida Sadjo), te beschermen.

Hij dompelt zich onder in de wereld van Matongé, de Congolese Brusselse wijk, en raakt er steeds dieper door geïntegreerd. Die onderdompeling brengt hem eens te meer aan het wankelen: behorend tot een familie die grote bewondering koestert voor Leopold II, en zelfs beweert ervan af te stammen, komt hij tot de vaststelling dat de (spi)rituele, instinctieve en sensuele oerwereld van de eens onderdrukte Congolezen rijker en meer betekenisvol is. De Afrikaanse cultuur steekt pijnlijk af tegen het klimaat van zelfmoord plegende criminelen, platvloerse feestjes mèt polonaise en hedonistische drugsparty’s waar Woeste deel van uit maakt.

Eliots gedicht brengt eveneens het Engelse koloniale verleden in India naar voor. Ook schenkt het veel aandacht aan primitieve rituelen en stammen. En laat net dat ook hetgene zijn dat Leo’s interesse wekt. Zo geraakt hij geïntrigeerd door de Congolese transformatierituelen en de duiveluitdrijvingsbeeldjes, die het slachtoffer verhandelde. Hij krijgt een video te zien waarin de hoofdverdachte van de moord, Meneer Géant, een blanke die tijdens de kolonisatie in Congo heeft gewoond, deelneemt aan een ritueel om slang te worden. Als hij een van zijn medewerkers om uitleg vraagt, antwoordt die hem dat in Congo het onzichtbare zichtbaar kan worden. Vanaf dan beginnen ook voor Leo alle grenzen tussen zichtbaarheid en onzichtbaarheid, tussen aanwezigheid en afwezigheid, tussen realiteit en verbeelding te vervagen. Hij krijgt waanvoorstellingen en angstvlagen, net zoals Eliot, die terwijl hij The Waste land schreef aan een zenuwinzinking leed.

Iedereen Leo
Géant is dan ook de figuur waarin alle obsessies, angsten en frustraties van Leo in culmineren. Hij is het contactpunt tussen verbeelding en realiteit, tussen de Congolese cultuur en de Westerse, tussen duivel en verlosser. Hij verwoordt de teloorgang van de Westerse en Belgische beschaving: “Hier sluipt men zelfs crèches binnen om er kinderen te vermoorden”, verwijzend naar de moordpartij van psychopaat Kim de Gelder.

Zo staat Waste land weliswaar bol van de metaforiek en de literaire en historische verwijzingen, toch verslapt de aandacht van de kijker nauwelijks. Daar zorgen zowel de sterke acteerprestaties, als de zorgvuldige fotografie voor, die de duisternis op een knappe manier beteugelt. Peter van den Begin, die Leo’s collega Johnny Rimbaud speelt, bezorgt een komische ontlading op het moment dat de sfeer zwanger is van de onheilspellendheid.

Je merkt dat Van Hees geschoeid is op het horror-genre, maar dan wel de intelligente en uitgebalanceerde variant ervan. Dat de kijker zich dagen na het bekijken van de film nog steeds beklijfd voelt, is te wijten aan het feit dat er zo meesterlijk op de psychologie wordt gespeeld. De geest is resoluut protagonist in deze film: hij doet de grens tussen waan en werkelijkheid verdwijnen, en daarmee ook de grens tussen kijker en personage. We voelen ons allemaal een beetje Leo: niet het waste land is onze grootse angst, maar wel wij zelf, die zich er zoekend en schichtig in voortstrompelen.

DELEN
Inge Poelemans
Journalist gespecialiseerd in kunst & cultuur.