Zuid-Afrikaanse literatuur: net zo verdeeld als het land zelf

Merel Aalders
Merel Aalders
Journalist gespecialiseerd in kunst en cultuur.

Lees meer

Deze week vindt de vierde editie van de Week van de Afrikaanse Roman plaats. Vijf Zuid-Afrikaanse dichters en schrijvers trekken door Nederland en Vlaanderen om aandacht te vragen voor hun werk. ‘In Zuid-Afrika ben ik altijd een bruinskrywer geweest.’

In de Centrale Bibliotheek in Den Haag wordt het begin van de week feestelijk ingeluid door Writers Unlimited. Dit jaarlijkse literatuurfestival brengt schrijvers, denkers en publiek samen om buiten de grenzen van talen en culturen te treden. De schrijvers, die één voor één het podium op komen om door Abdelkader Benali geïnterviewd te worden, spreken dan ook Afrikaans. Volgens initiatiefneemster Ingrid Glorie, coördinator van de Week van de Afrikaanse Roman, is het belangrijk dat deze taal gesproken wordt.

‘Als Nederlanders Afrikaans horen denken ze vaak: ‘Hé, hier zit iets in dat ik begrijp.’ Ze komen erachter dat ze het eigenlijk best goed kunnen verstaan.’ Voor Ingrid is het zaak om de zichtbaarheid van de Afrikaanse literatuur te vergroten, zodat verhalen en ideeën met een breder publiek worden gedeeld. Maar van alle elf officiële talen die Zuid-Afrika kent, wordt het Afrikaans door sommigen ook beschouwd als ‘de taal van de onderdrukker’.

Zuid-Afrika kent een turbulente politieke geschiedenis en het lijkt dan ook bijna onmogelijk een roman te schrijven die niet van deze geschiedenis doordrongen is. Desondanks is de invloed die het koloniale verleden en de rassensegregatie op de schrijvers gehad heeft voor ieder totaal verschillend. Eben Venter, die in de bibliotheek als eerst op het podium verschijnt om te vertellen over zijn nieuwe roman Wolf, wolf, is opgegroeid in de Oostkaap. Hij studeerde filosofie, kwam ‘uit die kassie’ en emigreerde naar Sydney. De vrijheid die hij daar vond had hij nodig, vertelt hij, als een ‘laagje bovenop de Zuid-Afrikaanse identiteit’.

Eben Venter (links) in gesprek met Abdelkader Benali (rechts) (Foto: Merel Aalders)

Door zijn ervaring met migratie merkte Venter dat hij de Zuid-Afrikaanse taal meer van buitenaf is gaan beschouwen. Hij leerde de taal als construct te zien en het op zijn eigen manier in te zetten. Ook schonk Zuid-Afrika hem een verhoogd bewustzijn van ‘indirecte discriminatie’, iets dat hem in Australië bleef achtervolgen. Van alle schrijvers lijkt hij het meest geëngageerd. Toch ziet hij zijn eigen taak vooral als het laten zien van de verschillende brokstukken, de ‘tonelen’, zoals hij ze noemt, van een mensenleven.

De tweede spreker, Valda Jansen, debuteerde in 2016 met haar roman Hy kom met die Skoenlappers. Voor haar is de Zuid-Afrikaanse geschiedenis vooral ‘voelbaar’. In haar werk is ze niet bewust bezig een geschiedenis te vertellen, maar het racistische apartheidssysteem, dat tussen 1948 en 1990 het politieke en sociale leven in Zuid-Afrika reguleerde, heeft een onontkoombaar grote impact op haar leven en werk gehad.

‘De apartheid is mijn Anglo-Boerenoorlog,’ zegt Jansen. Deze oorlog werd in 1899-1902 gevoerd door de Britten en de Nederlandstalige Boeren. Het verdriet dat achterbleef is voor haar vergelijkbaar met de pijn die de apartheid voortbracht. Schrijven is voor haar pijnlijk geweest, omdat men vaak heeft geprobeerd haar de mond te snoeren. In haar omgeving wilde niemand het verleden nog voelen. ‘‘Je moet het vergeten’, werd er tegen mij gezegd. Zo heb ik lang gedacht dat mijn woorden niet belangrijk waren.’

Valda Jansen (Foto: Merel Aalders)

Feministische schrijvers

Ook op het podium verschijnen Pieter Odendaal, die zinnelijke poëzie voordraagt, en Karin Brynard, schrijver van thrillers. ‘Een misdaadroman in Zuid-Afrika is eigenlijk een gewone roman,’ grapt zij. Door haar werk als journalist heeft ze een sterke interesse in maatschappelijke vraagstukken. In haar romans verwerkt ze dan ook rauwe thema’s als de ‘plaasmoorde’ op Zuid-Afrikaanse boeren, de corruptie van de politie en de armoede van de San, ook wel Boesmans – ‘Bosjesmannen’ – genoemd. Net als Riana Scheepers, die voordraagt uit haar meest recente roman Stormkind, behoort Brynard tot de nieuwe generatie feministen uit de post-apartheidsjaren.

Na 1994, toen de apartheid definitief werd afgeschaft en Nelson Mandela president werd, heeft er een bevrijding van de taal plaatsgevonden, vertellen zij. Voor 1994 had de literaire elite een claim op het Afrikaans. Door een verbreding in de letterkunde kon de taal worden gedemocratiseerd en ontstond er ontspanningslectuur.

Hoe komt het dat er allerlei feministische schrijvers opstonden? ‘Door de politieke emancipatie in die tijd ontstond er een broeierige energie,’ vertelt Scheepers. ‘Steeds meer vrouwen werden universitair opgeleid en raakten ontevreden over de patriarchale onderdrukking. Ik geloof dat als de tijd rijp is er altijd stemmen zullen zijn die naar buiten stromen.’

Ook Scheepers heeft een bijzonder levensverhaal. Ze groeide op in Vryheid in de oostelijke provincie Kwazoeloe-Natal, en haar jeugd vond voornamelijk plaats op een boerderij met Zoeloe-arbeiders, de grootste bevolkingsgroep van Zuid-Afrika. Daar leerde ze Zoeloe spreken en werd ze grootgebracht met de verhalen die er ’s avonds bij het vuur werden verteld. Haar fascinatie voor de orale vertelcultuur heeft haar sterk beïnvloed, evenals haar respect voor bevolkingsgroepen als de San, die eeuwenlang in barre ecologische omstandigheden hebben weten te overleven. De geschiedenis die zij meeneemt in haar romans begint dus eigenlijk nog vóór de twintigste eeuw en gaat vooraf aan het tijdperk van apartheid.

Karin Brynard (links) en Riana Scheepers (rechts) (Foto: Merel Aalders)

Scheepers’ werk bevat een door sjamanen geïnspireerde lyriek, iets dat ze zelf als ‘een gesprek met het hartkloppen van het eeuwige’ beschouwt. Je zou het magisch realisme kunnen noemen, maar, zegt ze: ‘Voor ons is dat nie magisch nie. Het is realiteit.’ Abdelkader Benali vraagt of ze er ook weleens van beschuldigd wordt zich een inheemse cultuur toe te eigenen. ‘Geen last van cultural appropriation?’ Een vervelende term vindt Scheepers dat. ‘Een schrijver is altijd een rebel, die zoekt zulke spanning op. Ik zou juist nooit iets veiligs willen schrijven.’

Vrijheid en inkadering

De vraag rijst hoe de schrijvers zich tot de literaire wereld verhouden. Voor Jansen is er niet echt sprake van een verhouding. ‘Ik schrijf voor mezelf,’ zegt zij de ochtend na de aftrap van het evenement in de lobby van het hotel waar ze verblijven. ‘In Zuid-Afrika ben ik altijd een bruinskrywer geweest. Een witte schrijver, dat is geen witskrywer, dat is gewoon een schrijver. Toen ik als journalist werkte was dat niet anders, ik ben altijd een journalist aan wie een bepaalde rol, een bepaalde identiteit werd toegeschreven. Maar ik kan mensen niet veranderen. Ik heb geen bepaald publiek voor ogen, ik schrijf omdat mijn woorden eruit moeten.’

Venter is het daar niet mee eens. Hij voelt een sterkere verantwoordelijkheid om problemen aan de kaak te stellen, hoe complex deze ook zijn. Ook hij gaat gebukt onder het juk van categorisatie. Omdat hij over homoseksualiteit schrijft, valt zijn werk soms ineens onder ‘gay-literatuur’. De schrijvers begeven zich constant in een spanningsveld: ze overschrijden grenzen om de canon te verbreden maar worden daardoor tegelijkertijd ook weer ingekaderd. Ook als dat gebeurt met de beste bedoelingen.

Zo’n goede bedoeling is bijvoorbeeld het BEE-beleid dat in Zuid-Afrika gevoerd wordt: Black Economic Empowerment, waarbij positieve discriminatie wordt ingezet om de economische verdeeldheid die de rassenscheiding veroorzaakte glad te strijken. Een sympathiek initiatief, maar het veroorzaakt ook nieuwe problemen, vertelt Venter: ‘Ik hoorde laatst weer van een literair evenement voor bruine en zwarte mensen, waar iemands echtgenote uit werd gezet omdat ze wit was.’ Het naar voren duwen van een achtergestelde groep zorgt zo in eerste instantie alleen maar voor een nieuw soort uitsluiting, in plaats van gelijkheid, stelt hij.

Kwaliteit in plaats van kleur

Een geforceerde herverdeling van de sociale structuur komt de vraag naar literaire kwaliteit niet ten goede. Toch beginnen er ook verbeteringen zichtbaar te worden in de wat stroeve ontwikkeling van een inclusieve, maar ook kwalitatieve canon. Zo zijn Jansen, Venter en Scheepers het er unaniem over eens dat de invloedrijke dichter Adam Small na lange tijd niet meer onvolprezen is en zich qua bekendheid zelfs kan meten met Zuid-Afrika’s bekendste dichter, Antjie Krog.

Adam Small en Antjie Krog (Foto’s: YouTube)

Small behandelde in zijn werk belangrijke maatschappelijke thema’s als armoede en onderdrukking, en had volgens de schrijvers voor zijn toneelstuk Kanna hy kô hystoe uit 1965 de prestigieuze Hertzogprys van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns moeten krijgen. In 2012 is Small uiteindelijk toch erkend, en kreeg hij de prijs toegekend voor zijn gehele oeuvre. ‘Een beetje een troostprijs,’ volgens Scheepers, maar aan de andere kant vindt zij dit een teken dat de literaire canon steeds meer op kwaliteit in plaats van kleur gebaseerd wordt.

‘Ik ben eigenlijk heel erg bevoorrecht,’ zegt Scheepers. Ze bracht haar jeugd door op een beschermde plek. Zij heeft veel minder meegemaakt van de apartheid die bijvoorbeeld op Jansens leven zo’n grote invloed had. Jansen groeide op in een prachtige omgeving die voor haar gevoel nooit helemaal van haar was. Er waren delen van het kustplaatsje Strand waar zij niet mocht komen; er was schoonheid om haar heen die ze niet mocht aanraken. Maar voor beide schrijvers zijn persoonlijke verhalen belangrijke counternarratives.

‘De geschiedenis van de één is niet de geschiedenis van de ander’

Scheepers: ‘Iedereen kan de feiten van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis leren kennen. Maar wat pas echt een indruk achterlaat is een menselijk verhaal. Je kunt je pas voorstellen wat er in dit land is gebeurd als iemand jou die ervaring laat zien, als je je kunt inleven in zo’n karakter.’ Venter beaamt dat, en voegt toe: ‘Veel mensen hebben geen idee wat er allemaal nog in Zuid-Afrika is gebeurd ná de bevrijding, na Nelson Mandela. De realiteit is ontzettend veelzijdig en complex. De geschiedenis van de één is niet de geschiedenis van de ander. De literatuur is even gefragmenteerd als het land zelf.’

Wat vooral niet bestaat, is dé Afrikaanse roman. De Week van de Afrikaanse Roman geeft een klein kijkje in wat enorm veelzijdig is: een land dat overstroomt van politieke en culturele verledens. De schrijvers laten zien dat er nog veel mogelijk is voor de Zuid-Afrikaanse literatuur, ook in Nederland. Oftewel, zoals ze zelf zeggen: ‘er is meer dan Antjie Krog.’

Ook dit weekend nog zijn de schrijvers op verschillende plaatsen in Nederland en Vlaanderen om te spreken over hun werk. Voorlopig is dit wel de laatste editie van de ‘Week van de Afrikaanse Roman’, omdat het evenement ondanks al zijn vrijwilligers te duur wordt.

- Advertentie -

1 REACTIE

  1. Ik weet weinig van Nederlandse ‘literatuur’ , alles is gestopt met mijn eindexamen VWO. Ik was helemaal klaar met de meuk van Reve en andere ranzige beren. Mijn lerares Nederlands keek op mij neer als ‘barbaar’ , maar voor mij is porno geen kunst. Dat er nog andere aan Nederlands verwante talen zijn, daar heb ik nooit meer over nagedacht. Wat het – verplichte – lezen van de 60-er jaren porno voor mij heeft gedaan is dat alle literatuur vuilnis is. Ik lees alleen maar wetenschappelijke boeken of historische verhalen. Niet alleen slavernij is traumatiserend, ook ‘verplicht leesvoer’ .

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here