Meer dan tien jaar na het Nederlandse bombardement op de Iraakse stad Hawija heeft Defensie nog steeds geen individuele slachtoffers erkend of gecompenseerd. Dat blijkt uit onderzoek van Investico, BOOS en De Groene Amsterdammer, die in Irak met betrokkenen spraken en documenten bekeken.
Bij de aanval op 3 juni 2015 werd een gebouw geraakt dat door Islamitische Staat (IS) werd gebruikt voor de productie van autobommen. De daaropvolgende explosies richtten grote schade aan in de omgeving en leidden tot zeker 85 burgerdoden. In maart vorig jaar heeft het kabinet excuses aangeboden aan de nabestaanden en slachtoffers van het bombardement.
Het ministerie van Defensie stelt echter al jaren dat niet vast te stellen is welke personen precies door de aanval zijn getroffen. Daarom is er geen individuele compensatie uitgekeerd. In plaats daarvan ontving de gemeenschap in Hawija steun in de vorm van onder meer infrastructuurprojecten.
Volgens toenmalig minister Ruben Brekelmans ontbreekt het aan betrouwbare gegevens om schade per individu vast te stellen. Ook zou er geen lokale instantie zijn die over de benodigde informatie beschikt.
Uit het nieuwe onderzoek komt echter een ander beeld naar voren. In de stad Kirkuk blijkt een compensatiekantoor actief waar slachtoffers bewijsstukken kunnen indienen. Een commissie beoordeelt daar claims en controleert of aanvragers geen banden hebben met IS. Volgens medewerkers is er uitgebreide documentatie beschikbaar, maar Nederland heeft nooit contact gezocht.
Ook de Iraakse organisatie Ashor heeft in de afgelopen jaren gegevens verzameld van honderden getroffenen. Het gaat om mensen die familieleden verloren, gewond raakten of materiële schade leden. Directeur Mohammed Al-Bayati zegt dat hij de Nederlandse overheid herhaaldelijk heeft aangeboden toegang te geven tot deze informatie, maar dat daar niets mee is gedaan, aldus Investico.


