Djinns: niet iedereen die geesten ziet is gestoord

Foto: BSNCSB
Volgens Mohammed G. gaf een djinn hem de opdracht naar IS-gebied af te reizen. Hij kreeg tbs. Waar ligt de grens tussen een religieuze ervaring en een psychose? De Kanttekening sprak daarover het OM, de advocaat van G., psychologen en andere experts.

De Iraaks-Koerdische Maastrichtenaar Mohammed G. was in 2013 de eerste persoon in Nederland die veroordeeld werd voor het plannen van deelname aan de gewelddadige jihad in Syrië. Hij kreeg geen straf, omdat hij volgens de rechtbank volledig ontoerekeningsvatbaar was in de periode dat hij zijn plannen maakte. Hij gaf als verklaring dat een djinn (een bovennatuurlijk onzichtbaar wezen in de islamitische traditie) als een oud-Koerdisch strijder aan hem verscheen en hem de opdracht gaf om uit te reizen naar IS-gebied. Volgens de psychiater die hem onderzocht leed hij aan paranoïde schizofrenie. Vervolgens werd hij een jaar lang opgenomen in een psychiatrische kliniek. Daarna heeft hij volgens het OM opnieuw geprobeerd om uit te reizen naar IS-gebied. G. ontkent dat. Op 29 augustus vorig jaar werd hij voor de tweede keer veroordeeld voor een poging tot uitreizen, ditmaal kreeg hij drie jaar celstraf en tbs met voorwaarden. Tegen die uitspraak ging hij in hoger beroep.

De advocaat van G., Jan Jesse Lieftink, vindt het onterecht dat er tbs is opgelegd, omdat er twijfel is gerezen over de mentale gesteldheid van G. ‘In de tweede rechtszaak kon niet worden vastgesteld dat mijn cliënt lijdt aan paranoïde schizofrenie. Het kan niet zo zijn dat iemand in 2013 nog schizofreen was en in 2016 niet meer. De inzet van het hoger beroep is dan ook mede om de tbs-oplegging aan te vechten.’

Tuscha Essed, persvoorlichter van het OM, laat desgevraagd weten dat op 11 juli aanstaande de eerst volgende pro-forma-zitting zal plaatsvinden. G. verblijft op dit moment voor een hernieuwd onderzoek in het Pieter Baan Centrum.

Johan van de Beek, journalist van de krant de Limburger, heeft de rechtsgang van G. op de voet gevolgd. ‘Het zien van djinns speelde in de eerdere rechtszaken tegen Mohammed een belangrijke rol. Er is overduidelijk iets mis met Mohammed. Als hij daadwerkelijk in Syrië in het kalifaat terechtgekomen was, dan denk ik niet dat IS hem daar met open armen had ontvangen. Hij is niet stabiel en erg onvoorspelbaar in zijn gedrag. Je weet niet wat je aan hem hebt en dat is voor terroristen altijd een gevaar. Waarschijnlijk hadden ze hem dan gelijk naar het front gestuurd, zodat hij een snelle ‘heldendood’ kon sterven.’

Wat de zaak van G. bijzonder maakt is dat hij zegt in opdracht van een djinn te handelen en dat psychiaters dat als een psychotische ervaring hebben gekenmerkt. Transcultureel psychiater Hans Rohlof omschrijft desgevraagd een psychose als volgt: ‘Een psychose is het verlies of het gedeeltelijke verlies van de realiteit. Je hebt dan ideeën die op wanen berusten, je ziet dingen die er in het echt niet zijn, zoals geesten, of je hoort stemmen.’ Deze omschrijving, die ook te lezen is in het DSM (Diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen) van de psychiatrie, gaat ervanuit dat het zien van geesten iets is wat niet reëel kan zijn. De cruciale vraag bij het ontoerekeningsvatbaar verklaren van G. is dus of contact hebben met een djinn een realistische ervaring is. Moslims geloven immers in het bestaan van djinns.
Op de vraag of een religieuze ervaring hetzelfde is als een psychose antwoordt Rohlof: ‘Een religieuze ervaring is een ervaring die aan het psychotische grenst, omdat men iets ziet of hoort dat wetenschappelijk niet is waar te nemen.’ Toch is louter iets zien wat wetenschappelijk niet te verklaren is niet voldoende om als psychotisch gediagnosticeerd te worden. ‘In de praktijk is het lastig om psychoses van religieuze ervaringen te scheiden. Als een geloofsgroep gezamenlijk iets als echt beschouwd dan moet dat worden meegewogen. Of iemand een psychose heeft hangt af van de manier waarop zijn ervaring te refereren is naar zijn omgeving. Als zijn ervaring geaccepteerd wordt door de omgeving, bijvoorbeeld als zijn geloofsgenoten aannemen dat God bestaat en dat je contact met God kan hebben, dan zal een psychiater dat niet als psychotisch betitelen.’ Hetzelfde kan worden gezegd over djinns. Rohlof: ‘Voor veel Arabieren geldt dat de wereld van de djinns echt is. Djinns worden in de Koran beschreven, dat is een duidelijk teken dat er sprake is van een parallelle wereld waarin een grote groep mensen in gelooft.’

Of iets een reële ervaring is hangt dus af van de culturele of religieuze werkelijkheid van de groep waar iemand deel vanuit maakt. Psychologen en psychiaters met een islamitische achtergrond kunnen de traditionele en de wetenschappelijke visie op de werkelijkheid combineren. Dat is ook wat psycholoog Najat Rabbae poogt te doen: ‘Ik heb een Marokkaanse vader een Nederlandse moeder. Ik merk dat mijn Marokkaans-Nederlandse cliënten het fijn vinden dat ik snap waar ze vandaan komen. Ik zie redelijk veel Marokkaans-Nederlandse cliënten en verhalen over djinns en zwarte magie komen vaak voor, al merk ik dat cliënten zelf ook kunnen twijfelen in hoeverre hun klachten daar aan geweten kunnen worden. Het is sowieso een onderwerp dat speelt in de Marokkaanse cultuur.’

Het spanningsveld tussen een psychotische aandoening enerzijds en een religieuze ervaring anderzijds is voor haar herkenbaar. ‘De vraag in hoeverre het hebben van contact met djinns een reële ervaring is, is een vraag waar ik zelf ook mee worstel. Mijn vader is gelovig, mijn moeder niet. Beide invloeden neem ik ook mee in mijn eigen ervaringen, ideeën en behandelingen. Ik ben zelf niet overtuigd van djinns, maar zal ook zeker niet kunnen zeggen dat zoiets niet bestaat. Moslims beschouwen het als een reële ervaring. Daarom is het vanuit behandelperspectief zeker niet handig om gelijk te spreken over psychoses. Je kan zo iemand dan meteen kwijtraken, hij of zij zal zich niet begrepen voelen. Een open benadering is heel belangrijk. Soms is een harde diagnose in het psychotische spectrum niet meteen mogelijk of zelfs wenselijk en is het belangrijker om het in het achterhoofd te houden en in de gaten te houden hoe de klachten zich ontwikkelen. Om een diagnose zo veel mogelijk te benaderen vraag ik vaak of er andere mensen bij waren die de bizarre verschijnselen ook hebben kunnen zien. Mensen komen vaak met dezelfde soort dingen, zoals het overgeven van vreemde substanties. Verder vraag ik hoe mensen in de omgeving over de klachten denken, om te kunnen bepalen in hoeverre zij dit nog als normaal verschijnsel zien dan wel dat zij zich juist zorgen maken over de mentale gezondheid van hun vriend of familielid. Hoewel dat onderscheid natuurlijk ook weer cultureel bepaald kan zijn. Het blijft dus lastige materie.’

Rabbae ziet niet meteen reden om te twijfelen aan de ontoerekeningsvatbaarheidsverklaring van G. ‘Ik neem aan dat zijn diagnose niet alleen gesteld is op basis van zijn contacten met djinns. Voor de diagnose schizofrenie heb je meer kenmerken nodig. Periodes van wanen en hallucinaties worden afgewisseld met periodes van affectieve vervlakking, empathieverlies en sociaal isoleren. De diagnose bestaat uit het nalopen van al die klachten.’ Het door G. geschetste beeld van een djinn die hem de opdracht geeft om naar Syrië af te reizen past volgens Rabbae beter bij de omschrijving van een psychose dan bij de omschrijving van djinns. ‘Wat ik meestal hoor als het gaat om contact met djinns, is dat mensen ineens merken dat ze weerstand voelen tegen alles wat met de islam te maken heeft. Bijvoorbeeld dat ze niet meer kunnen bidden of niet meer bij een Koran in de buurt willen zijn. De djinn waardoor ze bezeten zijn zorgt er dan voor dat ze zich af willen keren van het geloof. Ik ben minder vaak tegengekomen dat djinns tegen mensen spraken en opdrachten gaven. Meestal gaat het om bezetenheid en zit een djinn in iemand. Spreken met iemand buiten jezelf past naar mijn idee eerder bij de omschrijving van een psychose.’

Volgens Van de Beek schaamt G. zich mogelijk voor de diagnose schizofrenie en hoopt hij dat zijn omgeving meegaat in de gedachte dat hij contact heeft met djinns. ‘Ik weet dat hij in de rechtszaal heeft gezegd dat één van de allerergste dingen die hem zouden kunnen overkomen is dat zijn familie, die nu grotendeels in Iraaks-Koerdistan woont, zou oordelen dat hij zich schuldig maakt aan sjirk, dus dat hij afgoden aanbidt. Dat hij volgens deskundigen een psychiatrisch probleem heeft, is in zijn cultuur een groot taboe. Ik denk dat hij het als een uitkomst ziet om te kunnen verwijzen naar bovennatuurlijke wezens, dan ben je eerder slachtoffer dan dat je als gek wordt gezien.’

Psycholoog Esma Kammite is moslima. Anders dan Rabbae is zij wel overtuigd van het bestaan van djinns. Tegelijkertijd is ze kritisch als cliënten daarover spreken. ‘Als moslima beschouw ik het contact met djinns als een reële, maar zeer zeldzame ervaring. Als islamitische psycholoog met een Marokkaanse achtergrond ben ik bekend met de voorwaarden en richtlijnen in de islam rond bezetenheid en contact met djinns. Dat is een grote meerwaarde in het mee kunnen gaan in de belevingswereld van de cliënt, maar vooral in het hebben van een draagvlak voor mijn tegenargumenten wanneer er, zoals veelal het geval, gesproken kan worden van een psychiatrische aandoening. Ik gebruik de door de cliënt zelf aangedragen argumentatie, namelijk ‘volgens de islam bestaat dit, ik ben moslim en daarom kan ik het ook hebben’, om zijn of haar zelfdiagnose te ontkrachten. Mijn ervaring is dat ik in tachtig procent van de gevallen de cliënten kan overtuigen dat er sprake is van een psychiatrische aandoening en zij hiervoor reguliere zorg nodig hebben in plaats van alternatieve geneeswijzen.’

Om tot dat punt te komen is het volgens Kammite van belang dat de behandelaars nauw samenwerken met islamitische genezers. ‘Het betrekken van een imam of raki (islamitische genezer, red.) is onmisbaar in de behandeling van cliënten die beweren dat ze contact hebben met djinns. Deze islamdeskundigen komen in de meeste gevallen tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn van djinns. Vervolgens ga ik in gesprek met de cliënt en leg ik uit wat er aan de hand is: ‘U stelt dat u bezeten bent of contact hebt met djinns. De imam of raki heeft u onderzocht en geneeswijzen toegepast. Daaruit blijkt dat er bij u geen djinns zijn. Dus kunnen wij volgens de islam waarin u gelooft concluderen dat er waarschijnlijker sprake is van een mentale ziekte’.’

Volgens Kammite volgen lang niet alle behandelaren deze route. ‘Psychologen en psychiaters verschillen hierover van mening. Ik heb meegemaakt dat collega’s het contact met djinns afdeden als ‘lariekoek’ of ‘hocuspocus’. Ik merk dat de westerse psychologie geneigd is om alles wat niet in een westerse context past pathologisch te benaderen.’

De behandelaar moet nagaan of de gedragingen en de ervaringen van de cliënt door zijn of haar omgeving beoordeeld worden als reële ervaringen en geaccepteerd gedrag. Als dat het geval is, is een psychose minder waarschijnlijk. Dat deze benadering niet altijd een sluitende definitie biedt blijkt onder andere uit de lotsbestemming van de christelijke sekte People’s Temple. De leider van deze sekte, Jim Jones, riep zijn volgelingen in 1978 op om zelfmoord te plegen. Daar werd massaal gehoor aan gegeven. Binnen de groep van volgelingen was het plegen van zelfmoord op dat moment de norm. Het objectief vaststellen van een psychose is dus niet eenvoudig, erkent ook Rohlof. ‘Ik geef toe definitiegewijs kom je niet helemaal goed uit. Het voorval van de People’s Temple wordt ook wel omschreven als een collectieve psychose. In dat geval wordt niet de sekte als de norm beschouwd, maar de grotere groep van christenen waar zij deel van uit maken. Maar wat beschouwd moet worden als een religieuze ervaring en wat een psychose is, blijft een dunne lijn.’

Wat zegt de wetenschap van de psychiatrie over djinns?
Bijzonder hoogleraar Klinische Psychopathologie Jan Dirk Blom van de Universiteit Leiden onderzocht samen met twee collega’s hoe vaak patiënten die contact zeggen te hebben met djinns als psychotisch worden gediagnosticeerd in de psychiatrie. Uit zijn onderzoek blijkt dat in 66 van de onderzochte gevallen er een medische diagnose gesteld kon worden en in 45,2 procent van de gevallen was dat schizofrenie (uit: The attribution of psychotic symptoms to jinn in Islamic patients, 2004). Op de vraag of de psychiatrische wetenschap het bestaan van djinns uitsluit laat Blom weten: ‘Wat wij in onze publicatie hebben geprobeerd duidelijk te maken, is dat religie en wetenschap twee uiteenlopende perspectieven bieden op onze werkelijkheid. De vraag bij iemand die meent in contact te staan met een djinn is dus niet ‘is dit een hallucinatie of een djinn’, maar ‘helpt het om naar dit verschijnsel te kijken vanuit een medisch perspectief of vanuit een religieus perspectief?’ Uit onderzoek weten we dat het horen van stemmen, ook als die worden toegeschreven aan een djinn of God, gepaard gaan met hersenactiviteit in onder andere de taalgebieden van het brein. Op vergelijkbare wijze gaat het ervaren van visioenen gepaard met activiteit in de occipitale cortex. Dat zou, kort door de bocht, een argument kunnen zijn om te stellen dat het zien en horen van djinns dus allemaal een kwestie is van hersenactiviteit. Vanuit een religieus perspectief kan daar evenwel tegenin worden gebracht dat djinns of God nu eenmaal met ons mensen communiceren door ons brein te activeren. Naar mijn mening bestaat er geen antwoord op de vraag of dit waar is of niet. Er zijn alleen verschillende perspectieven van waaruit de vraag kan worden beantwoord. De psychiatrie doet dan ook geen uitspraak over de waarheidsclaims van religies. Wel kunnen psychiaters een uitspraak doen of het hen zinvol lijkt om wel of geen medische behandeling te starten en kan, het liefst in samenwerking met een islamitisch geestelijk verzorgende, worden onderzocht welke aspecten een medische en welke een religieuze benadering behoeven.’

DELEN
Gemme Burger
Journalist gespecialiseerd in religie en filosofie. Redacteur van de Kanttekening.