‘Ik ben ook maar import’

Foto: SARA-MAY LEEFLANG
De Kanttekening toog naar de Gooise plaats Huizen en sprak er met oudere bewoners over integreren, tradities, normen en waarden en het ‘truttigheidsimago’ in vroegere tijden. ‘Met de hippietijd veranderde het allemaal, langzamerhand werd het allemaal wat vrijer. Alles wat vroeger normaal was, autoriteit en zo, werd afgebroken. Heerlijk.’

Het woord ‘integreren’ heeft misschien een wat beladen betekenis. Wie moet wanneer integreren en hoeveel moeite moet daarvoor worden gedaan? Moet er iets van eigenheid worden opgegeven? Is integreren alleen een kwestie voor mensen buiten Nederland of ook voor Nederlanders die binnen het land verhuizen? Op deze vragen verschillen de antwoorden. Het ligt er ook aan wie ze beantwoordt.

Tradities, normen en waarden vervagen en veranderen. Zo was het ruim zestig jaar geleden nog heel gewoon voor vrouwen om hun haren te bedekken wanneer ze hun buitendeur uitstapten; in de nog volle kerken moesten vrouwen een hoed dragen; gingen mensen in de Nederlandse dorpen op zondag bijvoorbeeld niet met het openbaar vervoer en liepen sommige mensen zelfs nog in klederdracht.

Trieneke (75), gepensioneerd onderwijzeres, vindt dat integreren van beide kanten moet komen. Zo moest ze zelf ook integreren toen zij ruim vijftig jaar geleden van haar geboortestad Leeuwarden naar het Gooise dorp Huizen vertrok. Daar droeg de oude generatie nog klederdracht en heerste er een dorpscultuurtje van ‘ons kent ons’. Trieneke voelde de noodzaak om zich aan te passen aan de lokale gebruiken, omdat ze er anders niet bij zou horen. Trieneke: ‘Ik ben ook maar import. Het was wennen, want hier had je bepaalde manieren van doen. Toch kon je wel gewoon je gang gaan. Soms werd je wel ergens lelijk op aangekeken – nou, niet lelijk, er werd gewoon geaccepteerd dat je anders was. Daar had je dus geen last van.’ Toen ze met haar toekomstige man Jan, een Huizenaar, verkering kreeg, kwam ze midden in de hechte gemeenschap en dat was echt wel een tijd waarin ze zich moest aanpassen. ‘Niet omdat het moest, maar omdat ik het wilde. Ik vond het vervelend dat, wanneer je bij elkaar was en er werd gepraat over bepaalde dingen in het dorp – wat er allemaal gebeurde en met wie – je dan nergens van afwist en onwetend bleef. Ik denk dat het heel belangrijk is dat je interesse hebt voor je omgeving, dat is ook leuk.’

Vooral op de zondag waren er volgens Trieneke bepaalde dingen die je niet deed, zo werkte je bijvoorbeeld niet op die dag. Maar daar had Trieneke ook geen behoefte aan. ‘Ik kwam uit een niet-kerkelijk gezin, maar op zondag werd er bij ons thuis in Leeuwarden ook niet gewerkt. Dat was toch wel op een andere manier, meer vrijblijvend. Het viel me hier in Huizen op dat het allemaal wat strikter was en dat de kerk veel meer invloed had op de gemeenschap. Mijn schoonmoeder zou op zondag bijvoorbeeld niet gaan afwassen. Er werd je eigenlijk echt rust gegeven.’

In het dorp hadden mensen een hechte band met elkaar en was het voor iedereen die daar niet geboren was veel lastiger om mee te komen, vertelt Trieneke. ‘Je moest echt zorgen dat je erbij hoorde. Je moest je de Huizense levensstijl eigen maken, je bemoeien met iedereen en weten met wie je te maken had. Je moest niet aan de kant gaan staan kijken. Zo was ik jaren secretaresse bij het kinderkoor. Op die manier leerde je veel families in het dorp kennen. Ook had ik natuurlijk mijn man Jan die veel wist. En nu zit ik bijvoorbeeld bij de Ouderenbond.’

Daarom denkt Trieneke dat een groot deel van integreren toch echt aan jezelf ligt. ‘Als je het niet wilt, dan gebeurt het niet. Mij was de taal natuurlijk wel bekend, maar als je niet uit Nederland komt en je blijft aan de buitenkant staan, dan kom je er nooit. Daarvan ben ik overtuigd. Buitenlanders zitten natuurlijk in eerste instantie al met de taal en dan nog de vreemde gebruiken die wij hebben.’ Integreren wordt volgens Trieneke moeilijk als je in je eigen bubbel blijft zitten. ‘Ik denk dat zo’n gemeenschap van buitenlanders elkaar in de gaten houdt. Ik denk dat dit integreren ook lastiger maakt. Ga maar eens kijken wanneer de school uitkomt, dan zie je toch vaak dat mensen met Marokkaanse en Turkse ouders elkaar opzoeken. En de Nederlanders zoeken de andere Nederlanders op, omdat ‘het andere’ onbekend is. Het is heel eng om buiten je paadje te gaan.’

Tradities

Volgens Trieneke waren er veel oude tradities toen ze in het dorp aankwam. ‘Er waren bepaalde gebruiken die we ons vandaag de dag niet meer voor kunnen stellen. Wanneer je naar de kerk ging, had je als dame altijd een hoed op, dat heb je tegenwoordig ook niet meer. En mannen deden in de kerk juist de petten af, maar dat had ook meer met etiquette te maken. Men fietste bijvoorbeeld ook niet op zondag en je gebruikte al helemaal de auto niet. Je had mensen die naar de Nieuwe Kerk gingen op de Ceintuurbaan en die woonden in Blaricum, een dorp verderop. Zij moesten dan komen lopen, want zondag ging je niet met het openbaar vervoer. Dat hoorde niet. Als de dominee van buiten het dorp kwam, arriveerde hij op zaterdag en vertrok hij op maandag, want op zondag werd niet gereisd.’

Trieneke gaat verder: ‘Ik ging pas later met Jan mee naar de kerk. Toen was ik hier al een tijdje. Ik was altijd een beetje aan het twijfelen of er nu wel iets was of niet.’ Sindsdien gaat ze elke zondag naar dezelfde kerk. ‘Ik ga altijd naar de Oude Kerk, midden in het dorp. Twee keer op zondag is er dienst. De kerk zit allang niet meer vol, vroeger wel, maar dat is met alles zo. Bij sommige van die nieuwe stromingen zit het wel vol, maar over het algemeen wordt het denk ik toch allemaal wat minder. Vroeger kende iedereen in het dorp elkaar, dus je had ook wel weinig mogelijkheden om uit de band te springen en niet te gaan.’

Vroeger was het allemaal wat duidelijker, volgens Trieneke. ‘Er waren bepaalde kledingvoorschriften. Met die kleding kon je ook zien of mensen getrouwd waren of ongetrouwd en of je boer of visser was. En als je in de rouw zat, droeg je een zwart schort, anders had je een schort met een ruitje voor je werk.’ Maar volgens Trieneke gebeurde er vroeger ook wel het een en ander. ‘Wanneer ik in Leeuwarden langs de gevangenis naar school fietste, zat deze altijd vol. Dus ondanks die sociale controle gebeurden er nog zat lelijke dingen.’

In de jaren vijftig was Nederland nog steeds een conservatieve maatschappij. Zo gingen veel vrouwen niet zonder hoed de straat op, lag bijna het hele publieke leven in de dorpen op zondag stil, was de privésfeer van thuis het domein van de vrouw en het publieke deel dat van de man. Volgens veel historici worden de jaren vijftig bestempeld als truttige jaren. Er zou volgens het Gronings Historisch Tijdschrift een consensusperiode hebben geheerst. ‘Na 1945 leefden de mensen voort in de geest van de jaren dertig – harmonie, sociaal contract, ordening, organisatie en eenheid golden als hoogste gemeenschapsdoelen.’ Ten onrechte, volgens historicus Hermann von der Dunk. ‘Tegelijkertijd signaleert men onder het zichtbare niveau van restauratie en continuïteit een streven naar vernieuwing en verandering, dat voortkwam uit onbehagen en eerst in de jaren zestig met ongekende heftigheid aan de oppervlakte komt. Van diverse zijden wordt gesuggereerd dat het herstel van na de Tweede Wereldoorlog in Nederland toch niet echt het oude terugbracht, omdat onderhuids te veel was veranderd.’ Volgens wetenschapper Anneke Ribberink kan dit ook gelden voor de sekseverhoudingen. ‘Aangezien vrouwen tijdens de oorlog de werkplekken van mannen in hadden genomen en, zelfs toen de mannen terugkwamen, er toch veel meer vrouwen bleven werken.’

Huizen, Oude Kerk

Man-vrouwverhoudingen

Renate (69), gepensioneerd arts uit Winschoten, weet nog goed dat haar moeder nooit de deur uit ging zonder haar haren te bedekken. ‘In de jaren vijftig tot zestig had mijn moeder een sjaaltje over haar hoofd, want dan was je gekleed en bleef je haar netjes. In die tijd hadden ook veel vrouwen krulspelden in hun haar en dat was ook een manier om die krulspelden te verbergen.’

De man-vrouwverhoudingen waren erg ongelijk. Gerrit (72), gepensioneerd journalist, uit Wageningen: ‘De vrouw stond financieel gezien onder curatele van de man. Als ze een stofzuiger of auto wilde kopen, dan moest de man meekomen, hij moest dat goedkeuren. Renate: ‘En wanneer je in de tram stond, werd er altijd tegen je aan gereden in Amsterdam. Tegen alle vrouwen. Dat kun je je nu niet meer voorstellen, dat gesis en gefluit overal. Mijn moeder zei op een gegeven moment ‘nu fluiten ze niet meer naar mij, maar naar jou’. Het was vaak ook nog een compliment.’

Gerrit: ‘Mijn moeder was een gescheiden vrouw met twee kinderen. Als mijn moeder aan bekenden vroeg of hun man een schilderijtje kon komen ophangen, dan moesten de kinderen mee om te zorgen dat er niet iets ergs gebeurde, dat ze geen bedreiging vormde voor het gezin.’

Renate: ‘Met de hippietijd veranderde dat allemaal, toen ging iedereen bloot lopen. Langzamerhand werd het allemaal wat vrijer. In de jaren vijftig was het allemaal heel burgerlijk en benauwd.’ Gerrit: ‘Alles wat vroeger normaal was, autoriteit en zo, werd afgebroken. Heerlijk.’

Renate: ‘Ik was lid van de vakbond. Wij noemden onszelf klapstoelen. Wanneer we nodig zijn, worden we uitgeklapt. Zijn we niet meer nodig, dan worden we weer ingeklapt. Het was tot aan 1970 normaal dat een gescheiden vrouw niet werkte of dat weduwen of gescheiden vrouwen gingen werken. Ze moesten wel. Als er een huwelijk was, stopten de meeste vrouwen met werken.’ Gerrit: ‘Het huwelijk was een geborgenheid, maar die geborgenheid had een prijs.’ Maar in de dorpen was het tempo wat langzamer. Zo was er nog wel een zekere mate van verzuiling toen Trieneke vijftig jaar geleden in Huizen kwam wonen. ‘Iedereen had zijn eigen afdeling. Je kocht spullen bij kerkgenoten, maar dat had je ook met families. Als er in de familie een bepaalde leverancier zat, dan durfde je toch niet bij een ander iets te kopen. Heel lang is dat zo gebleven, maar dat is nu allemaal weg, denk ik.’

Als je elkaar kent, gaat alles makkelijker, volgens Trieneke. ‘Ik denk dat het wel een verschil maakt. Als je weet wat een bepaald gebruik is, dan kun je je weer aanpassen. Mensen die hier komen, hebben ook bepaalde gebruiken en sommigen vinden dat wij ons daarbij moeten aanpassen. En ik denk dat het van beide kanten moet komen. Ik denk dat het wel moeilijk is. Bijvoorbeeld de hoofddoekjes van moslimvrouwen, daar zit ik niet mee, dat interesseert me niet. Nou ja, dat moet iedereen voor zichzelf weten. Als een katholieke priester een boordje om heeft, dan doet hij dat, dat is helemaal geen probleem. Daar hoef je de mens niet op aan te kijken. Wat ik wel eng vind is dat je bij een boerka alleen maar die ogen ziet, want dan weet je nooit wat erachter verborgen ligt.’ Volgens Trieneke dragen media wel bij aan die angst. ‘Er is natuurlijk wel wat gebeurd de afgelopen tijd, dat heeft toch wel invloed. Vroeger was het zo dat je alleen de nieuwtjes van je eigen dorp hoorde. Je wist niet wat er in het volgende dorp, bijvoorbeeld in Hilversum, aan de hand was. Tegenwoordig is het nieuws van de andere kant van de wereld in twee minuten bij je, daar kun je angstig van worden.’

Trieneke: ‘Er zijn er zat die aan mij gevraagd hebben, nu ik ouder ben, ‘waarom ga je niet terug naar Friesland?’ Ik zeg altijd ‘wat heb ik er te zoeken?’ Je ziet soms dat ouderen teruggaan naar hun geboortegrond, maar ze vinden niet meer wat er was. Je hebt alles achtergelaten. Ik heb hier nu wat opgebouwd en daar wil ik van genieten.’

DELEN
Sara-May Leeflang
Journalist en verslaggever die Azië heeft rondgereisd en in verschillende landen artikelen heeft geschreven voor de Kanttekening, waaronder India, Sri Lanka, Thailand, Nepal en Birma. Momenteel in Italië.