14.3 C
Amsterdam

Voormalige IS’ers deradicaliseren met méér islam? Dit zeggen experts erover

Fitria Jelyta
Journalist.

Lees meer

Wil Nederland terrorisme effectief bestrijden en radicalisering voorkomen, dan moet het probleem bij de wortels worden aangepakt. Daar zijn experts het wel over eens. Maar hoe? Wij spraken twee experts, die pleiten voor meer maatwerk – en meer aandacht voor de islam.


Het terughalen van IS-vrouw Ilham B. en drie kinderen uit een Syrisch gevangenenkamp doet het debat over de repatriëring van voormalige IS-strijders, hun vrouwen en kinderen weer oplaaien. Eenmaal in Nederland zouden de vrouwen hun terroristische ideologie verder kunnen verspreiden onder de moslimgemeenschap. Maar de voortdurende discussie over het wel of niet terughalen loopt op een dood spoor, merkt Annebregt Dijkman. Zij is organisatieantropoloog en onderzoeker naar extremisme en inclusie. Onlangs schreef ze het boek De radicaliseringsinsindustrie: Van pionieren naar professionaliseren.

‘We kunnen als samenleving doen alsof we niet willen dat deze vrouwen naar Nederland terugkeren, maar we hebben ook een rechtssysteem vanuit het idee dat er ook voor deze mensen rechtvaardigheid moet zijn’, zegt zij. ‘Het strafrecht in Nederland heeft als uitgangspunt dat mensen die aantoonbaar strafbare feiten plegen daadwerkelijk gestraft zullen worden. Maar er is daarnaast ook de rehabilitatie en re-integratie van deze mensen in de maatschappij. Wat betekent dat voor Nederlanders die naar Syrië zijn gegaan? Dat ze dus ook weer terugkomen, hun straf uitzitten en daarna ook weer een leven moeten opbouwen.’

Binnen de aanpak voor re-integratie van uitreizigers maakt Dijkman onderscheid tussen deradicalisering en disengagement. Bij disengagement gaat het vooral om gedragsverandering. Deze aanpak richt zich op het aanmeten van positief gedrag en het veranderen van de sociale omgeving. Bij deradicalisering gaat het om de herinterpretatie van de ideologie.

‘Je zou kunnen zeggen dat disengagement een zuiverdere manier is om iemand weer in veiligheid te brengen nadat er sprake was van radicalisering. Dit komt omdat deradicalisering gericht is op het veranderen van iemands wereldvisie. Dat kan, maar alleen als diegene daarvoor openstaat’, legt zij uit. ‘Als deze persoon er niet voor openstaat, dan heb je geen mogelijkheden om herinterpretatie van de ideologie in gang te zetten of om ‘aan iemands gedachten te sleutelen’.’

‘Vaak gaat de beslissing om je aan te sluiten bij een extremistisch netwerk niet eens over de ideologie’

Is het dan mogelijk om aan gedragsverandering te werken zonder dat de gedachten worden aangepakt? Dijkman denkt van wel. ‘Er zijn voorbeelden van ex-geradicaliseerden die geweld hebben gepleegd, en daar vervolgens op terug zijn gekomen. Na rehabilitatie hadden ze het geweld afgezworen, maar bleven ze nog wel vasthouden aan de ideologie. Het gaat erom dat ideologische ijzervreters die niet openstaan voor een herinterpretatie van het geloof tóch nog in staat zijn om hun gedrag te veranderen.’

Het is het volgens de onderzoeker belangrijk om na te gaan wat er bij elk persoon voorafging aan het radicaliseringsproces. Dijkman stelt hierbij drie vragen. ‘Wat waren de triggers en sleutelmomenten die hebben geleid tot radicalisering? Heeft de persoon een nare jeugd gehad of gaat het om een diepgewortelde overtuiging? En als het om de ideologie gaat, wat voor rol heeft die dan gespeeld in het proces tot radicalisering?’

Dijkman benadrukt dat radicalisering niet een fenomeen is waar alleen de islam mee te maken heeft. Het komt bij alle religies en ideologieën voor. ‘Vaak gaat de beslissing om je aan te sluiten bij een extremistisch netwerk niet eens over de ideologie. Mensen radicaliseren om verschillende redenen. Bijvoorbeeld omdat ze zich niet geaccepteerd voelen in hun sociale omgeving. Of omdat ze ingewikkelde problemen het hoofd moeten bieden en daarvoor een copingmechanisme moeten ontwikkelen’, aldus Dijkman.

De onderzoekster pleit daarom voor een persoonsgerichte aanpak die maatwerk-gericht is. ‘De narratieve manier van naar iemand kijken, wat zijn levensgeschiedenis is en hoe die naar zichzelf kijkt, is effectiever om iemand weer mee te laten doen in de samenleving. Dat biedt veel meer aanknopingspunten dan er enkel vanuit gaan dat er aan de interpretatie van de ideologie gesleuteld moet worden’, zegt ze.

Het is simplistisch om te stellen dat enkel de ideologie de reden is waarom mensen radicaliseren, aldus Dijkman. ‘Wat we ook uit onderzoek weten is dat sommige moslimjongeren, maar ook volwassenen met een heel beperkt beeld over de islam en praktisch niets daarover weten, besluiten om zich aan te sluiten bij een terroristisch netwerk. Ze waren niet ideologisch onderlegd, ook niet goed thuis in de Koran.’

Vervolgens komen deze jongeren in aanraking met iemand binnen een terroristische organisatie, die manipulatie inzet om ze over te halen om zich aan te sluiten. ‘Daarbij wordt hen allerlei beloftes gedaan, dat ze dan in het Paradijs zullen belanden en iets zinnigs zullen doen’, vertelt Dijkman. ‘Het is een vorm van religieuze armoede dat ze zich niet hebben kunnen verweren tegen deze overtuigingstactieken.’

Samen met de gemeenschap

Juist daarom moet er beter worden ingezet op het verrijken van de basiskennis over de islam. Dat stelt Tom Zwart, hoogleraar Crosscultureel Recht aan de Universiteit Utrecht en directeur van het Cross Cultural Human Rights Centre van de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij gaat uit van de inherente motivatie van ex-Syriëgangers om weer volwaardig onderdeel te zijn van de samenleving en de geloofsgemeenschap. Mede hierdoor ziet de wetenschapper kansen voor bestrijding van terrorisme door middel van méér islam.

Samen met moslimorganisaties, imams en theologen ontwikkelde hij een projectvoorstel dat terrorisme bestrijdt met behulp van de islam en de moslimgemeenschap. Hierbij hanteert de wetenschapper community engaged research. ‘Het is een nieuwe vorm van onderzoek, waarbij we de gemeenschap betrekken bij het bedenken van mogelijke oplossingen van maatschappelijke vraagstukken. Moslims zijn daarom niet het object, maar het subject van ons onderzoek’, legt hij uit.


Na gesprekken te hebben gevoerd met verschillende moslimgemeenschappen, ontdekte de hoogleraar een grote bereidwilligheid bij moslims om terrorisme tegen te gaan. ‘Waarom gaan we dan geen nieuwe aanpak ontwikkelen, als er al zoveel ingrediënten zijn vanuit de islam en de gemeenschappen om terrorisme tegen te gaan?’

Het projectvoorstel van Zwart richt zich met name op moslimjongeren. Zo wordt er een cursus ontwikkeld waarin jongeren worden geleerd de mogelijkheden in te zien die de democratische rechtsstaat biedt, en hoe die te benutten om hun ambities na te jagen.

‘We leren moslimjongeren om op te komen voor hun rechten en belangen. Ook leren we ze hoe ze hun frustraties kunnen uiten om effectief verandering te teweeg te brengen in een democratische rechtsstaat, waardoor ze geen toevlucht zoeken in jihadisme’, vertelt Zwart.

‘In Nederland zijn er veel mogelijkheden voor moslims om hun geloof in te richten zoals zij dat willen, mits ze hun rechten kennen en weten hoe hier gebruik van moeten maken. Hoe kun je bijvoorbeeld bij ambtenaren lobbyen en juridische processen starten om zaken te agenderen die je belangrijk vindt? Hoe moet je met politici omgaan? We laten zien hoe ze een plek aan de onderhandelingstafel kunnen bemachtigen en hoe ze die vervolgens kunnen inzetten voor de gemeenschap en de islam.’

Ook zet het projectvoorstel in op sollicitatietrainingen en het tegengaan van moslimdiscriminatie. ‘Moslimjongeren die voor het eerst aan het werk gaan bij een bedrijf willen soms niet vertellen dat ze islamitisch zijn, omdat ze bang zijn anders te worden behandeld. Hoe ga je dan ruimte scheppen om je geloof te belijden?’, zegt Zwart. ‘Wij willen laten zien dat je als moslim ook je geloof kunt bevorderen zonder dat je alleen maar je religie claimt.’

Als voorbeeld noemt Zwart een moslimvrouw die in een appartementencomplex woont, met een zwembad waar zowel mannen als vrouwen gezamenlijk kunnen zwemmen. In plaats van dat ze benoemt dat ze vanuit haar religie niet samen met mannen mag zwemmen, vertelt de vrouw de gebouwbeheerder dat zij door haar drukke baan geen gebruik kan maken van het zwembad tijdens de openingstijden. Zodoende kreeg zij toegang tot het zwembad na sluitingstijd.

‘In een verdraagzame samenleving zou je volledig geaccepteerd moeten worden op basis van je principes, en je religie kunnen claimen zonder mensen voor het hoofd te stoten. Maar in een seculiere omgeving als Nederland kan dat sommige mensen afschrikken. Daar hoef je geen concessies aan te doen, maar het kan wel handig zijn om slimme manieren te vinden om je geloof te belijden zonder dat je steeds met mensen in discussie gaat.’

‘Hoe meer moslimjongeren goed gegrond zijn in de islam, hoe groter de kans dat ze door dat verhaal van terroristische organisaties kunnen prikken’

Daarnaast zet Zwarts projectvoorstel in op het vergroten van de basiskennis over de islam. ‘Moslimjongeren die afdwalen hebben vaak weinig benul van de islam. Ze zijn opgegroeid in een islamitisch gezin waar er weinig kennis over de islam werd gedeeld. Daarom moet je moslimjongeren een ferme basis geven in de islam, als ze dat niet hebben’, zegt hij.

Hiervoor kunnen ouders aan schoolbesturen vragen om hun kinderen op openbare basisscholen twee uur per week godsdienstig vormingsonderwijs te geven volgens de islam. ‘Dat dit nu al mogelijk is weten veel scholen en ouders niet. De godsdienstlessen worden georganiseerd door de islamitische koepelorganisatie SPIOR. In het projectvoorstel willen wij daarom een voorlichtingscampagne starten om scholen en ouders hiervan op de hoogte te stellen. Zo weten ouders hoe ze een aanvraag kunnen indienen, en zijn de scholen meer bereid om te helpen. Het moet in goede harmonie gebeuren.’

In de voorlichtingscampagne wordt dan uitgelegd dat islamitisch godsdienstonderwijs niet alleen goed is voor de moslimleerlingen en hun ouders, maar ook voor de samenleving. Zwart: ‘Want hoe meer moslimjongeren goed gegrond zijn in de islam, hoe groter de kans dat ze door dat verhaal van de terroristische organisaties heen kunnen prikken.’

Ook de moskee heeft een centrale rol bij het versterken van de islamitische basiskennis onder moslimjongeren. ‘De moskee moet meer concurrerend worden ten opzichte van terroristische organisaties. Ze zijn vaak niet goed genoeg aangehaakt bij de belevingswereld van jongeren’, vertelt Zwart. Hij spreekt over ‘unmosquing’: het fenomeen dat veel jongeren zich niet meer thuis voelen in hun moskee. Jongeren voelen zich meer vertrouwd met de islam in het algemeen dan met de specifieke cultuur van hun ouders, vertelt Zwart. Dat, terwijl een moskee nog steeds op etnische grondslag is georganiseerd. ‘Daarom valt er nog veel te winnen bij gesprekken tussen moslimjongeren en moskeebesturen over hoe de moskee zou moeten functioneren.’

Politieke setting

Volgens Zwart heeft de aanpak van terrorismebestrijding met méér islam in Singapore geleid tot een slagingspercentage van ruim  90 procent en voorkomt deze aanpak recidieven. Toch heeft de Nederlandse overheid nog geen steun uitgesproken voor het projectvoorstel. ‘We hebben het projectvoorstel met verschillende overheidsorganisaties besproken. We zijn warm ontvangen, hebben goede gesprekken gevoerd, maar er is geen commitment uitgesproken’.

Het uitblijven van steun voor deze aanpak binnen de overheid heeft volgens hem onder meer te maken met de politiek. ‘Als je als Tweede Kamerlid tegen je achterban moet zeggen dat we terrorisme gaan oplossen met meer islam, dan worden de wenkbrauwen gefronst. We zijn inmiddels in een politieke setting terechtgekomen waarin wordt geframed, gepolariseerd en populisme steeds meer terrein wint. Hierdoor wordt het onmogelijk gemaakt om vernieuwing aan te brengen in de aanpak tegen terrorisme, terwijl meer islam wat mij betreft de juiste oplossing is.’

Zwart laat het er echter niet bij zitten. ‘We kunnen het project zelf organiseren met de moslimgemeenschappen door bijvoorbeeld een crowdfunding op te zetten. Er is bij moslims veel bereidheid en belangstelling om dit waar te maken’, zegt hij. ‘Nu draaien we rondjes en blijft de discussie hangen bij de repatriëring van Syriëgangers, terwijl er vrouwen en kinderen onder verschrikkelijke omstandigheden in die kampen leven. Dat kan bij sommige moslims kwaad bloed zetten, wat mogelijk ook weer een voedingsbodem kan zijn voor radicalisering.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -