Was vroeger echt alles beter?

Foto: Nationaal Archief
Zo nu en dan refereren politici aan een nostalgisch Nederland. De jaren vijftig, toen was alles nog pais en vree. De Kanttekening sprak CDA’er Job van Meijeren en dook de statistieken en archieven in op zoek naar dit oude Nederland.

De onlangs door CDA-leider Sybrand Buma uitgesproken H.J. Schoo-lezing deed nogal wat stof opwaaien. ‘Verscheidenheid is nooit een doel op zich geweest’, zei hij onder andere over het multiculturele Nederland anno 2017. En passant brak hij een lans voor tradities. ‘Onze tradities en cultuur mogen we niet laten verwateren.’

Verschillende CDA’ers hebben zich verzet tegen de lezing. In een partijblad leverde oud-minister Ernst Hirsch Ballin onlangs stevige kritiek. ‘Scheidslijnen zijn er op allerlei manieren, maar ze mogen geen breuklijnen tussen bevolkingsgroepen worden.’ Buma is vooral bezig met de ‘boze Nederlander’.’ Dat verklaarde Hirsch Ballin, die samen met Paul van Geest, hoogleraar Kerkgeschiedenis en Geschiedenis van de Theologie (Universiteit van Tilburg), van leer trekt in het stuk.

Rabbijn Lody van de Kamp zegde zelfs zijn CDA-lidmaatschap op als reactie op de lezing. In Trouw beschuldigde hij Buma ervan de ‘joods-christelijke traditie’ te misbruiken om anderen buiten te sluiten. ‘Daarachter gaat de gedachte schuil: de moslims, die moeten we hier niet hebben. Daar voel ik me heel ongemakkelijk bij.’ Het sluit naadloos aan op de discriminatie en uitsluiting van joden en Nederland, vindt de rabbijn. ‘Tot het eind van de negentiende eeuw mochten we hier als joden helemaal niets.’ In 1938 nog besloot minister van Justitie Carel Goseling (1891-1941) joden tot ongewenste vreemdelingen te bestempelen. Door de gebeurtenissen in Duitsland was men in Nederland bang een toevluchtsoord voor ontheemden te worden. Goseling nam die beslissing namens de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP), één van de voorlopers van het CDA.

In De Groene Amsterdammer schreven hoogleraar Sociologie Jan Willem Duyvendak (Universiteit van Amsterdam) en politiek filosoof en jurist Tamar de Waal (Erasmus Universiteit Rotterdam) dat na het regeren met de PVV het CDA in ieder geval geen afscheid heeft genomen van rechts-populisme: ‘De lezing verdient dus niet alleen aandacht omdat het gedachtegoed van Buma nauwelijks meer te onderscheiden is van dat van Wilders. Het probleem is breder. Radicalisering zoals we bij Buma zien, vindt ook plaats bij politici van VVD, PVV, SGP en Forum voor Democratie – partijen die samen een dikke meerderheid vormen in ons parlement.’

Christen-democratische hegemonie
De boze burger dus, is dat eigenlijk de ‘gewone’ Nederlander volgens Buma? Hoe ging het eigenlijk toen die burger nog blij was? Vrouwen die na hun trouwen moeten stoppen met werken, de na de oorlog weer opgetuigde verzuiling, het censureren van al te progressieve films, zomaar maar wat zaken waar de meeste Nederlanders anno 2017 met afgrijzen naar kijken. Toch is dit de dagelijkse praktijk binnen de ooit oppermachtige tradities waar Buma aan refereert. Het zijn de hoogtijdagen van zijn partij en haar voorlopers, de Katholieke Volks Partij (KVP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk Historische Unie (CHU).

Het Woerdense CDA-raadslid Job van Meijeren ziet de uitspraken van Buma vooral als aanzet tot een discussie. ‘Zijn stelling gaat vooral om het verlies aan gemeenschappelijkheid, wat voor verwarring zorgt bij de burger. Er is een kloof ontstaan tussen het gelijkheids-denken dat momenteel in Nederland gemeengoed is, en aan de andere kant het vrijheids-denken; het individu dat alle vrijheid moet hebben om zich te ontplooien. Dat schuurt en dat zie je op allerlei manieren terug in de samenleving.’ Hij noemt als voorbeeld de opvang van vluchtelingen in Woerden. ‘Aan de ene kant heb je linkse, vaak elitaire mensen die vinden dat we vluchtelingen moeten opvangen. Aan de andere kant staan laagopgeleiden die het direct merken als we die vluchtelingen daadwerkelijk huisvesting gaan geven en ze de arbeidsmarkt op laten komen. Daar concurreren ze namelijk direct met die laagopgeleiden, die hoogopgeleide met een goede baan merkt daar niets van. Vroeger werd dat in gemeenschappelijkheid opgelost en liepen verschillende klassen meer door elkaar. Dat is weggevallen.’ Hij wijst op het verenigingsleven. ‘Dat speelt hierbij een grote rol. Dat is niet eens persé christelijk, maar het vormen van gemeenschappen is essentieel voor een samenleving.’

Van Meijerens stelling sluit naadloos aan op de woorden van Buma, die het begrip vrijheid formuleert als ‘een opdracht tot dienstbaarheid aan de gemeenschap’. Van die dienstbaarheid aan de ‘joods-christelijke cultuur’ had was niets te merken tijdens de Tweede Wereldoorlog. ‘Mijn grap luidt: had die traditie soms een time-out tussen 1940 en 1945?’, zo schreef schrijver Robert Vuijsje onlangs in Trouw.

Handelingsbekwaamheid
Wat heeft het CDA en zijn voorlopers nog meer achtergelaten wat nu door Buma zo node gemist wordt? Pas in 1956 werd de vrouw ‘handelingsbekwaam’ voor de Nederlandse wet, wat zoveel betekende als dat zij voortaan zelf een huis kon kopen. In 1971 werd ook de bepaling geschrapt die de man tot ‘het hoofd van de echtvereniging’ maakte. Europa, toen nog de Europese Gemeenschap, moest er ten slotte aan te pas komen om de Wet Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen tot stand te brengen in 1980. Al die tijd zaten KVP, ARP of CHU in een kabinet. ‘Mooie prestatie’, kunnen CDA-mensen zeggen. ‘Dat duurde wel érg lang’, kan een criticaster antwoorden.

De mythe van ‘het linkse thee drinken’
Immigratie dan. Een veel gehoord verwijt naar linkse partijen is dat ze problemen met moslims over Nederland hebben afgeroepen. Dat is vooral gebaseerd op de gedachte dat ‘links’ de migranten hierheen heeft gehaald en dat volgens Buma de tradities en eigen cultuur heeft laten verwateren ten koste van te veel toegeeflijkheid aan andere culturen dan de christelijke. Maar het waren werkgevers die in de jaren zestig door een aanwakkerende economische voorspoed op zoek gingen naar goedkope arbeidskrachten en uitkwamen in het Rif-gebied en de Anatolische hoogvlaktes. Buma’s voorgangers stonden op dat moment aan de knoppen.

Jan de Quay (1901-1985) vormde de eerste naoorlogse coalitie zonder linkse partij en maakte massa-immigratie mogelijk. Van 1959 tot en met 1963 bestond zijn regering uit KVP, VVD, ARP en CHU, kortom de VVD en de voorlopers van het CDA. Het volgende kabinet bestond uit exact dezelfde partijen. Pas midden jaren zestig kwam de PvdA weer in het centrum van de macht, samen met de KVP en ARP, onder Jo Cals (1914-1971). Dat duurde maar een jaar. De roerige jaren zestig werden uiteindelijk uitgeleide gedaan door het kabinet van Piet de Jong (1915-2016), om het stokje pas in 1971 weer door te geven. Pas in 1973 kwam Joop den Uyl (1919-1987) aan de macht met zijn PvdA. In veertien jaar tijd mocht links dus slechts één jaartje aanschuiven, de periode waarin opeenvolgende kabinetten zo’n vijfenzestigduizend Turken verwelkomden en wervingscontracten sloten met de Marokkaanse overheid.

Rechtse politiek en sociaal beleid
Anderzijds mag links rechts graag verwijten hardvochtig beleid te voeren en weinig sociaal te zijn. Maar veel sociaal beleid kwam tot stand onder rechts-conservatieve kabinetten. Het kabinet van Victor Marijnen (1917-1975) verhoogde de uitkeringen én de kinderbijslag. Er werd een minimumloon ingesteld en de werkeloosheidsuitkering werd verlengd. Op de valreep ging ook nog de bijstandsuitkering van start. De eerste vrouwelijke minister van Nederland, Marga Klompé (1912-1986) van de KVP zorgde zo mede voor een sociaal vangnet. De verzorgingsstaat werd daarmee verder opgetuigd, dus zonder bijdrage van linkse partijen. Al was de aanzet in de jaren vijftig al gegeven door de PvdA’er Willem Drees (1886-1988).

Banenkampioen
Rechtse partijen zijn niet per definitie de ‘banenkampioenen’. In 1967 tikte de werkeloosheid voor de eerste keer de honderdduizend aan, onder een centrum-rechtse coalitie. ‘De puinhopen van Paars’, de term die door Pim Fortuyn (1948-2002) de wereld in is geholpen, geldt zeker niet voor de werkeloosheid onder de voormalig vakbondsman Wim Kok. Hij zag in zijn twee kabinetten een halvering van de werkloosheid tussen 1994 en 2002, zelfs tot onder het niveau van 1980.

Historisch ontwikkeling van het CDA-electoraat
Weinig politici hebben hun potentiële electoraat zo zien uithollen als Buma en zijn voorgangers. In 1860, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), is Nederland een nagenoeg christelijk land. Bij een volkstelling in 1899 geeft slechts twee procent van de ondervraagden aan niet tot een kerkgemeenschap te behoren. Dertig jaar later is dit percentage opgelopen tot veertien procent, in 1960 tot achttien procent. Na de roerige jaren zestig en zeventig, waarin de échte, grote ontzuiling wordt ingezet, tikt het aantal niet-kerkelijken de 38 procent aan. Daarna vlakt de stijging af. Momenteel is zo’n 43 procent van alle Nederlanders niet verbonden aan een christelijke kerk.

Cultuur
‘Doorgeschoten individualisering is een al langer voortdurende trend in onze cultuur’, zegt Van Meijeren. ‘Het leidt tot klantgedrag. Als je ziet wat scholen niet voor vragen, klachten of verwijten krijgen van ouders, dat is een symptoom van die ontwikkeling.’ Van Meijeren haalt in dit licht Abraham Kuyper (1837-1920) aan. ‘Soevereiniteit in eigen kring. Vroeger was een school van ons allemaal.’ Een terugkeer van gemeenschapszin leidt volgens hem tot barmhartigheid. ‘Je kijkt meer naar elkaar om. Eenzaamheid onder ouderen is een groot probleem, dat kun je met gemeenschapszin beter te lijf gaan.’

Economische achteruitgang
De cultuur is één ding, hoe zit het met de economie? In de jaren zeventig koste een hypotheek op een gemiddeld rijtjeshuis rond de achtentwintigduizend gulden. Inmiddels is de waarde van zo’n woning zo’n acht of negen keer over de kop gegaan, iets wat de huidige generatie nieuwe huizenbezitters wel kan vergeten. De hypotheek was vaak op basis van één salaris, iets wat nu ondenkbaar is.

Uit cijfers van het CBS blijkt dat consumentenprijzen sinds de jaren zeventig twintig maal zo hoog zijn geworden. De gemiddelde salarissen stegen slechts tot vier keer zo hoog, wat betekent dat het dagelijks leven veel duurder is geworden. Een simpel rekensommetje leert dat onder het CDA én de andere grote partijen de burger in de afgelopen decennia gemiddeld steeds minder overhoudt.

DELEN
Dennis l'Ami
Journalist gespecialiseerd in politiek en maatschappij.