President Aleksandar Vucic van Servië treedt na anderhalf jaar van massale protesten terug. Of zijn vertrek definitief is, blijft vooralsnog onduidelijk. Wel heeft hij aangekondigd dat er nieuwe verkiezingen komen, waarmee hij tegemoetkomt aan een belangrijke eis van de demonstranten, meldt NRC.
Honderdduizenden Serven protesteerden anderhalf jaar lang om Vucic tot aftreden te dwingen. Afgelopen weekend gaf hij uiteindelijk toe. De onrust in Servië begon eind 2024, toen zestien mensen omkwamen bij een ongeluk op een treinstation in Novi Sad. Door corruptie zouden de veiligheidsmaatregelen onvoldoende op orde zijn. Met name studenten zagen het ongeluk als een symbool voor corruptie en gebrekkig overheidstoezicht.
Steeds meer mensen sloten zich aan bij de demonstraties, die uitgroeiden tot een aanhoudend volksprotest.
Critici beschouwen het aftreden van Vucic echter als een list van lange adem. Hij zou als premier willen terugkeren in het landsbestuur of, zoals Poetin in het bevriende Rusland deed, een vertrouweling naar voren schuiven die tijdelijk de leiding op zich neemt, alvorens hij zelf terugkeert naar het centrum van de macht.
Het is nog niet duidelijk wanneer de nieuwe verkiezingen worden gehouden.
Eerlijk is eerlijk: het WK herenvoetbal plaatste mij voor een lastig moreel dilemma. Ga ik kijken naar een WK waarvan het gastland schaamteloos discrimineert, waar een scheidsrechter de toegang zelfs werd geweigerd en waar een heel elftal moest uitwijken naar een ander gastland, omdat het in het ene gastland niet welkom was? En dan heb ik het nog niet eens over die belachelijke ‘drinkpauzes’ of de sponsoring door Aramco, het grootste broeikasbedrijf ter wereld. Of het feit dat damesvoetbal anno 2026 nog steeds niet kan rekenen op dezelfde financiering, aandacht en kansen als de heren, die toch echt hetzelfde spelletje spelen. Om over mijnheer Infantino en zijn zogenaamde vredesprijs nog maar te zwijgen.
Maar ja, ook mijn bloed kruipt waar het niet gaan kan. En dus won mijn voetballiefde het van mijn principes en zit ik toch telkens weer midden in de nacht aan de buis gekluisterd als we moeten spelen. Die ‘we’, dat zijn bij ons thuis overigens best een aantal landen. Nederland uiteraard, en natuurlijk Egypte, waar mijn man vandaan komt. Maar ook Tunesië volgen we op de voet, evenals Marokko, Frankrijk, Curaçao en Kaapverdië. Altijd prijs, zou je zeggen.
Toch worden mijn man en ik vaak gevraagd om kleur te bekennen. Alsof je er pas echt bij hoort als je in je juichjack naar links en rechts staat te springen met een biertje in je hand. ‘Voor wie ben je nou eigenlijk?’ vroeg een enkeling zelfs op de vrouw af. Ik zeg: waarom kiezen? Maakt het iemand minder Nederlands als je naast de mannen van Oranje ook de Atlasleeuwen, de Farao’s en de Adelaars van Carthago een warm hart toedraagt?
Waarom moet het toch altijd meteen gaan over loyaliteit?
Nederland is mijn geboorteland, Egypte is mijn ‘country-in-law’ en Tunesië is mijn tweede thuis, nadat ik er jaren geleden heb gewoond, gewerkt en gestudeerd. Dus niet zo gek toch, om voor al die landen te juichen? Net zo gewoon als wanneer Nederlandse Marokkanen voor Marokko zijn, Nederlandse Kaapverdianen voor Kaapverdië of Nederlandse Turken voor Turkije. Waarom moet het toch altijd meteen gaan over loyaliteit? Ik snap daar echt helemaal niks van. Wat is nou eigenlijk precies het probleem? Blijkbaar moet je je hier telkens weer opnieuw bewijzen als het gaat om identiteit. Ben je wel Nederlands genoeg? Juich je wel voor het juiste team?
Ik breek graag een lans voor meervoudige vaderlandsliefde. Niet of-of, maar en-en. Dat is namelijk geen zwakte, maar een verrijking. Superhandig tijdens een WK, want je spreidt je kansen. Maar ook buiten het voetbal is het een enorme luxe om je op verschillende plekken thuis te voelen, de taal te spreken en de weg te weten. In het doolhof van de medina van Tunis weet ik de lekkerste banketbakker met een blinddoek om te vinden en weet ik wat een taxi kost vanaf het vliegveld. Welkom terug, zeggen ze in Alexandrië als ik binnenloop bij mijn lievelingsrestaurant. En bij onze vrienden in Griekenland staat de koffie klaar wanneer we maar willen. Dat voelt fijn. Net zo fijn als wanneer de Haagse patatboer zonder woorden weet dat ik een patatje speciaal wil, met curry en uitjes. Of als mijn hart sneller gaat kloppen zodra ik de eerste akkoorden hoor van Hazes’ Bloed, zweet en tranen. Heerlijk toch?
En het leuke is: als je het eenmaal hebt, die meervoudige vaderlandsliefde, dan is het best besmettelijk. Mijn moeder volgt de vorderingen van Salah en zijn collega’s inmiddels ook op de voet, mijn Egyptische schoonfamilie juicht mee met Oranje en de Tunesische taxichauffeur herinnert zich nog de gouden dagen van Gullit, Rijkaard en Van Basten. Een paar minuten fietsen van ons huis hangen ondertussen Marokkaanse, Turkse en Nederlandse vlaggen vrolijk naast elkaar te wapperen in de wind. In Deventer zag ik van de week een hele straat vol oranje vlaggen, met één huis waar men duidelijk voor Duitsland was. Kijk, ook dat is voetbal. Ik wens u allen een mooie voetbalzomer. Moge het beste elftal winnen. De bal is en blijft tenslotte rond.
De trans-Atlantische slavernij is uitgebreid onderzocht, maar de slavenhandel in de islamitische wereld krijgt veel minder aandacht. In Abd schetst historicus Justin Marozzi die geschiedenis, waarvan de omvang lang werd verdonkeremaand.
Midden april nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met een grote meerderheid van 123 stemmen vóór, 3 stemmen tegen en 52 onthoudingen een resolutie aan waarmee de Trans-Atlantische slavenhandel betiteld werd als ‘de ergste misdaad tegen de menselijkheid’. Twee van de drie tegenstemmers waren – verklaarbaar – Israël en de Verenigde Staten. Tot de vele landen die zich van stemming onthielden, behoorden de meeste Europese landen, waaronder Nederland.
Waarover zij struikelden, was het woordje ‘ergste’. Niet: ‘één van de ergste’, maar uitdrukkelijk: ‘ergste’. Het inhoudelijke bezwaar daartegen was tweeledig. Ten eerste belandde de Shoah daarmee automatisch in de hiërarchie van verschrikkingen op de tweede plaats – en waar het westerse kolonialisme voor de niet-westerse landen de morele maat van alle dingen vormt, vormt de genocide door de nazi’s op de Joden dat voor de westerse.
Voor gekoloniseerde volkeren maakt het niet zoveel uit of de veroveraars per schip of per kameel hun land binnenvielen
En ten tweede werd met het uitsluitend noemen van de Trans-Atlantische slavenhandel de slavernij en slavenhandel in andere delen van de wereld – bijvoorbeeld door de Arabieren – ook stilzwijgend naar het tweede plan verwezen.
Het herinnert aan de wijze waarop ooit door diezelfde VN ‘kolonialisme’ werd gedefinieerd en veroordeeld: als imperialisme over zee. Daarmee werd dat tot een uitsluitend westers verschijnsel gemaakt en bleef onderdrukkend imperialisme over land – bijvoorbeeld van Moskou, Beijing, Djakarta (denk: Molukken) – doelbewust buiten schot. Maar voor gekoloniseerde volkeren maakt het niet zoveel uit of de veroveraars per schip of per kameel hun land binnenvielen.
Groot taboe
De meer dan duizendjarige slavernij in de islamitische wereld, waarbij Arabische slavenhandelaren al vele eeuwen vóór de Portugezen begonnen waren zwart Afrika leeg te roven: het vormde als onderwerp lang een groot taboe. Zowel in het Westen als in het Oosten zelf. In het eerste geval uit angst enerzijds extreemrechts met anti-Arabische vooroordelen in de kaart te spelen en anderzijds het verwijt te krijgen daarmee het westerse aandeel te willen relativeren.
En in het tweede geval in feite om dezelfde reden: het zou het mondiale aanzien van de Arabische wereld te zeer schaden en het uitspelen van de antiwesterse morele kaart moeilijker maken als men onder ogen moest zien dat men zelf inzake de slavenhandel eeuwenlang geen haar beter was geweest. De omvang werd lang verdonkeremaand, de aard ervan gebagatelliseerd. Uitvoerige aandacht voor de slachtoffers van Arabisch imperialisme paste niet in het dominante vertoog van slachtofferschap, omdat men dus zelf óók dader was geweest – zoals het niet in het dominante vertoog van slachtofferschap van Israël past dat men nu zelf dader geworden is.
Zijn boek bestrijkt de hele regio van Mauretanië (waar nog steeds slavernij bestaat) tot en met Perzië
Dat wegkijken is sinds de eeuwwisseling gelukkig wel afgenomen; ook in Turkije, Marokko en een aantal Arabische landen loopt een generatie jongere historici – zij het vaak tegen de zin van een oudere garde – niet langer om dit thema heen. Maar de omvang van de literatuur is maar een fractie vergeleken bij die over de Trans-Atlantische slavenhandel en haar gevolgen. Zo is niet alleen het aantal detailstudies gering, maar ook het aantal gedegen overzichtswerken.
Daaraan is vorig jaar een nieuw boeiend boek toegevoegd, Captives & Companions, nu net in het Nederlands vertaald onder de titel Abd. De geschiedenis van slavernij en slavenhandel in de islamitische wereld. De auteur, de in 1970 geboren Engelse historicus en journalist Justin Marozzi, was vele decennia in de Arabische wereld werkzaam, in een hele reeks van landen, en kent die zo door en door. Zijn boek bestrijkt de hele regio van Mauretanië (waar nog steeds slavernij bestaat) tot en met Perzië. ‘Abd’ is het Arabische woord voor ‘slaaf’ – dienovereenkomstig heeft ook de vertaler getracht het gebruik van gekunstelde anglicismen als ‘slaafgemaakten’ zoveel mogelijk te vermijden.
12 tot 17 miljoen
Aan de aantallen slachtoffers kan het, wat die langdurige en hardnekkige wetenschappelijke onderbestudering betreft, niet liggen: het aantal Afrikanen dat in nog geen vier eeuwen tijd in totaal in slavernij naar de beide Amerika’s werd weggevoerd, wordt op 11 tot 14 miljoen geschat, het aantal Afrikanen dat in elf eeuwen in Arabische slavernij belandde op 12 tot 17 miljoen. Precieze aantallen zijn in dat laatste geval veel moeilijker te achterhalen, omdat, anders dan bij Europese slavenschepen, de administratie veel gebrekkiger was.
Daarnaast kan, als bescheiden excuus voor die langdurige onderbestudering, aangevoerd worden dat de geroofde Afrikanen niet over zee, maar over land gedeporteerd werden, wat de geografische scheidslijn minder strikt maakt: waar ging slavernij binnen ‘zwart’ islamitisch Midden-Afrika zelf – want die bestond ook! – over in slavernij binnen ‘wit’ (Arabisch) islamitisch Noord-Afrika? En waar het in de Amerika’s vrijwel uitsluitend zwarte Afrikanen en zware fysieke dwangarbeid op plantages betrof, is het beeld voor de islamitische wereld veel diverser. Dat maakte het in het verleden makkelijker om een te rooskleurig beeld te schetsen.
Allereerst bestond een substantieel deel van de Arabische slaven niet uit Afrikanen, maar was afkomstig van de Balkan, de Kaukasus, Zuid-Rusland, Centraal-Azië of het Indische subcontinent. Die slaven konden het soms tot hoge militaire of bestuurlijke functies brengen – denk aan de (christelijke) Janitsaren in het Ottomaanse Rijk of de Mammelukken in Egypte – en zo een heel comfortabel leven leiden, al bleven zij in dat opzicht een minderheid en al bleven ook zij ten opzichte van hun meester tegelijk rechteloos.
Enorme variëteit in soorten slavernij
Het woord ‘Abd’ geeft dat eigenlijk ook aan: het kan behalve met het niet voor misverstand vatbare Nederlandse woord ‘slaaf’ in andere gevallen ook als ‘dienaar’ worden vertaald. Daarmee kon – op grond van diens maatschappelijke succes – de formeel en feitelijk nog steeds fundamenteel onvrije status van de persoon in kwestie op eufemistische wijze worden verhuld. De term ‘Abd’ is zo tekenend voor de mogelijkheid tot grotere dubbelzinnigheid die de enorme variëteit in soorten slavernij binnen de islamitische wereld aan een sympathisant bood.
Allereerst bestond een substantieel deel van de Arabische slaven niet uit Afrikanen
Een groot verschil met de Amerika’s vormde voorts uiteraard ook de massale haremslavernij voor (door eunuchen bewaakte) vrouwen, die in die legale vorm in het Westen absoluut niet bestond. Maar daarnaast trof een behoorlijk deel van vooral de zwarte Afrikanen hetzelfde wrede lot als hun soortgenoten aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan: tewerkstelling op plantages of in steengroeven, koper- en zoutmijnen. Met in de Arabische wereld dezelfde effecten op het tot op heden zeer hardnekkige voortbestaan van racistische opvattingen jegens zwarte mensen als in de beide Amerika’s – dezelfde soort raciale vooroordelen die voorheen de slavernij moesten helpen legitimeren.
Gebrek aan bronnen
Het is met een schokkend concreet actueel voorbeeld van dat laatste dat Marozzi zijn boek begint. Het daarmee helaas onvermijdelijk anekdotisch-individuele karakter daarvan vormt een prelude op de aanpak in de rest van het boek, wat bij alle informatierijkdom als het belangrijkste manco ervan aangemerkt moet worden. Het tweede manco vormt de wel erg onevenwichtige nadruk op de negentiende eeuw. Dat valt niet los te zien van een gebrek aan bronnen, ten minste aan ooggetuigenverslagen van (meest westerse) buitenstaanders en egodocumenten van de slachtoffers zelf: die zijn voor eerdere eeuwen nu eenmaal veel schaarser.
In het verlengde daarvan komt de nadruk dan onvermijdelijk ook zeer sterk op de sociale bovenlaag te liggen, wier ervaringen nu eenmaal in veel grotere frequentie zijn opgetekend. Voor het eerste millennium zorgt dat voor een te hoog 1001 Nacht-gehalte. Over het zware dagelijkse leven van de doorsneeslaven op de plantages en hun wrede behandeling komen we – vergelijk dat met wat over het Amerikaanse equivalent bekend is – maar zeer weinig te weten.
De nadruk ligt zo te weinig op de praktijk en te sterk op de theorie: te sterk op de wijze waarop de slavernij op basis van het islamitisch recht eeuwenlang werd gelegitimeerd, en met welke argumenten zij in de 19de eeuw werd bestreden – in de islamitische wereld zelf, maar toch vooral van Europese zijde. Eén parallel met Europa zelf valt overigens bij dat eerste op: ketters en heidenen tot slaaf maken gold als veel legitiemer dan datzelfde doen met geloofsgenoten. Dat was not done.
Justin Marozzi, Abd. De geschiedenis van de slavernij en slavenhandel in de islamitische wereld, Omniboek, 624 blz., € 39,99
Afgelopen woensdag stond NAVO-secretaris-generaal Mark Rutte in de Oval Office, druk bezig zich in de gunst te werken bij de president van de Verenigde Staten. Hij overlaadde Trump met lof en liet grafieken zien waaruit bleek dat de Europese defensie-uitgaven waren gestegen.
Hij zat ook glimlachend naast Trump toen die de Turkse president Recep Tayyip Erdogan ‘een groot leider, een zeer sterk persoon’ noemde en opschepte dat hij ‘alles wat ik hem ooit heb gevraagd’ heeft gedaan. Eén vraag kwam kennelijk niet aan de orde: wat de regering van Erdogan in de dagen voorafgaand aan dit optreden precies had gedaan met de stad Ankara — en met Turkije in het algemeen.
Rutte leek vastbesloten te negeren waar de NAVO in de kern voor staat.
Sinds half juni is Ankara veranderd in iets wat lijkt op een stad onder een staat van beleg. Zeventigduizend geüniformeerde en burgeragenten, evenals leden van de gendarmerie, worden ingezet voor de NAVO-top van 7 en 8 juli.
Een gebied met een straal van ongeveer vijf kilometer rond het presidentiële complex — waar de top plaatsvindt — is afgesloten voor verkeer. Gezichtsherkenningscamera’s zijn geplaatst op drukke plekken in de hoofdstad. Het gouverneurschap van Ankara heeft alle openbare bijeenkomsten, demonstraties, sit-ins, hongerstakingen, manifestaties, het uitdelen van flyers en zelfs concerten verboden van 28 juni tot en met 10 juli. Een verbod dat bijna twee weken duurt. Boomtakken zijn uit naam van de ‘veiligheid’ gesnoeid. Ambtenaren in de centrale districten hebben administratief verlof gekregen, alleen om het verkeer te verminderen. Bevriende regeringen zouden bovendien zijn gevraagd te voorkomen dat personen die in inlichtingenrapporten worden genoemd überhaupt naar Turkije afreizen.
Dit laat zien hoe een regering uit angst voor haar eigen burgers de controle steeds verder opvoert
Als journalist met meer dan veertig jaar ervaring heb ik vaak verslag gedaan van dit soort grote bijeenkomsten, waaronder de NAVO-top in Istanbul. Nooit heb ik zo’n huiveringwekkend tafereel meegemaakt. Dit gaat niet over veiligheid. Dit laat zien hoe een regering uit angst voor haar eigen burgers de controle steeds verder opvoert.
Op de ochtend van 23 juni werden in heel Ankara deuren ingetrapt. Politie en gendarmerie, gewapend met arrestatiebevelen van het Openbaar Ministerie in Ankara, hielden 209 mensen aan: vakbondsleden, academici, advocaten en journalisten. De reden? Om ‘de activiteiten en handelingen van terroristische organisaties te ontrafelen’.
Onder degenen die aan de rechter werden voorgeleid voor voorlopige hechtenis bevonden zich leden van TEMA, de grootste milieuorganisatie van Turkije, die zich inzet tegen bodemerosie en voor de bescherming van bossen. Vrijwilligers tussen de 60 en 79 jaar oud werden meegenomen naar de antiterreurafdeling en zonder enige ironie gevraagd of zij ‘schuilnamen’ hadden en of zij militaire training met wapens hadden gevolgd. Zes TEMA-leden werden officieel gearresteerd, onder wie de vertegenwoordiger van Ankara.
Ook aangehouden werd een docent economie aan de Faculteit Politieke Wetenschappen van de Universiteit van Ankara, de dochter van, ironisch genoeg, een voormalig militair generaal. Toen advocaten zich haastten naar de anti-terreurafdeling om hun cliënten bij te staan, werden één advocaat en één cliënt mishandeld door politieagenten. Een vertegenwoordiger van de Orde van Advocaten van Ankara, die het geweld wilde vastleggen, kreeg geen toegang. Vakbondskoepel KESK noemde de situatie ronduit een feitelijke noodtoestand.
Alsof de arrestaties nog niet schokkend genoeg waren, was wat daarna met de pers gebeurde bijna surrealistisch. Tientallen Turkse journalisten en verschillende onafhankelijke media — waaronder het aloude persbureau ANKA, de dagbladen Cumhuriyet, Sözcü en Nefes en verschillende online media, waaronder T24 — kregen geen accreditatie voor de NAVO-top. Toen om een verklaring werd gevraagd, gaf de NAVO-woordvoerder een van de opmerkelijkste verklaringen uit de recente geschiedenis van de organisatie: accreditatiebesluiten voor toppen buiten het NAVO-hoofdkwartier zijn gebaseerd op ‘de beoordelingen van het gastland’. Met andere woorden: de NAVO heeft de beslissing over wie verslag mag doen van de NAVO overgelaten aan de regering-Erdogan.
De Turkse Journalistenvereniging (TGC) liet er geen misverstand over bestaan: ‘Met dit besluit heeft de NAVO ook de beginselen van ‘democratie, individuele vrijheid en de rechtsstaat’, zoals benadrukt in haar oprichtingsverdrag, geschonden.’
Terecht. In de preambule van het NAVO-verdrag staat dat de verdragsluitende partijen vastbesloten zijn ‘de vrijheid te waarborgen, gegrondvest op de beginselen van democratie, individuele vrijheid en de rechtsstaat.’
Ik weet niet of Rutte zich deze belangrijke passage wel realiseert. Misschien zou iemand het Noord-Atlantisch Verdrag op het bureau van de secretaris-generaal moeten leggen. Elk woord van die zin wordt vandaag in Ankara geschonden, ter voorbereiding op een top die zegt ‘de eenheid en waarden van het bondgenootschap te vieren’.
Misschien moet Rutte te rade gaan bij de ervaren Turkse diplomaat Namik Tan, die tijdens zijn loopbaan 32 NAVO-toppen heeft meegemaakt. Tan was duidelijk: ‘Nooit eerder in de geschiedenis van het bondgenootschap hebben we veiligheidsmaatregelen gezien die zo verstikkend zijn als die nu in Ankara worden genomen. Anti-democratische verboden opleggen aan je eigen bevolking voor een NAVO-top is bovenal onverenigbaar met het lidmaatschap van het bondgenootschap.’
Een andere Turkse diplomaat, voormalig ambassadeur Hakan Okçal (die ik samen met Tan heb ontmoet tijdens de NAVO-top van 2004 in Istanbul), ging nog verder. Hij riep alle journalisten die geen accreditatie kregen op zich via hun nationale vakbonden en internationale organisaties zoals RSF, IFJ en IPA te organiseren, gezamenlijk te protesteren, verklaringen te publiceren, informatiekramen op te zetten in Brussel en juridische stappen tegen de NAVO te ondernemen bij internationale gerechtelijke instanties.
Ik weet niet of Rutte zich deze belangrijke passage wel realiseert
Aan die oproep moet gehoor worden gegeven, luid en duidelijk. Vooral Nederlandse journalisten zouden hun voormalige minister-president de vragen moeten stellen waarop hij echt antwoord moet geven.
Zoals de Deense oud-voorzitter van de Defensiecommissie en oud-parlementariër Rasmus Jarlov het verwoordde: ‘Het is voor mij volkomen onbegrijpelijk waarom iemand die premier is geweest van een van de beste landen ter wereld zijn waardigheid zou opofferen. Trump is over tweeënhalf jaar verdwenen, maar dit zal voor altijd jouw nalatenschap zijn. Het is het niet waard.’
Dat is het ook niet. Maar voor de academici, vakbondsbestuurders, oudere milieuactivisten, advocaten en onafhankelijke journalisten die deze week in Ankara in het sleepnet zijn beland, heeft Ruttes onverschilligheid een veel directere prijs. Staat de NAVO nog voor ook maar een beetje vrijheid, of is zij verworden tot een cynisch verkoopkantoor voor wapens? Dat is de vraag. Meneer Rutte, het woord is aan u.
De komst van de islamitische school Novum Saeculum Lyceum in Almere dreigt niet door te gaan. De scholengroep die een schoolgebouw moet delen met de nieuwe school, stapt naar de rechter.
Als de islamitische school er niet komt, is dat tegen de wens van islamitische sympathisanten die een eigen plek binnen het onderwijs willen. Maar niet iedereen steunt de komst van de school. Tegenstanders zijn een petitie gestart.
Initiatiefnemer Soner Atasoy laat zich niet uit het veld slaan. ‘Als er op basis van een petitie wordt gehandeld, dan gaan wij ook een burgerinitiatief opzetten met onze achterban. Vervolgens zullen wij het gebouw betreden en claimen. The easy way or the hard way: of met de sleutel of met de koevoet’, zegt hij.
Zijn moslimachterban demonstreerde eerder voor het schoolgebouw en eist de sleutel van de school op.
De gemeente heeft feitelijk al toestemming gegeven. Een eerste bezwaar van de scholengroep werd afgewezen. De kans is klein dat er bij een nieuw bezwaar een ander besluit uitrolt.
Intussen gaat de zogenoemde Renaissanceschool, gelieerd aan Forum voor Democratie, in augustus weer open. De basisschool moest twee jaar geleden de deuren sluiten vanwege een gebrek aan geld. De overheid neemt de financiering nu over. De school begint met een groep 1 voor kleuters van vier en vijf jaar.
‘De school heeft aan de juiste eisen voldaan om te mogen starten: het aantonen van voldoende belangstelling, een positief advies van de inspectie over de onderwijskwaliteit, VOG’s voor bestuurders en toezichthouders en een uitnodiging aan de onderwijspartijen in de regio voor een gesprek’, aldus een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs tegen Omroep Flevoland.
Uit een nieuw rapport van de VN over de voortdurende genocide in Gaza blijkt dat Israël sinds 7 oktober 2023 twintigduizend Palestijnse kinderen heeft vermoord. In het rapport wordt ook gedetailleerd verslag gedaan van martelingen, verkrachtingen en moordpartijen. Israël wordt bovendien beticht van het doelbewust aanvallen van Palestijnse kinderen als een centraal onderdeel van de genocide in Gaza.
‘Het bewijs toont aan dat Palestijnse kinderen opzettelijk tot doelwit gemaakt en vervolgens gedood door de Israëlische veiligheidsdiensten,’ zegt VN-onderzoeker Srinivasan Muralidhar tegen Middle East Eye. Hij is voorzitter van de Onafhankelijke Internationale Commissie van Onderzoek naar het Bezet Palestijnse Gebied, inclusief Oost-Jeruzalem en Israël.
Het opzettelijk vermoorden van Palestijnse kinderen gebeurt op twee manieren, zo staat in het rapport. Ten eerste via ‘precisiewapens’ zoals drones en snipers, en indirect door de systematische vernietiging van de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor hun overleving.
Op deze manier zijn ten minste 20.179 Palestijnse kinderen sinds 7 oktober vermoord. Ook zijn hierbij ruim 44.000 Palestijnse kinderen gewond geraakt.
De VN-commissie wijst erop dat deze aantallen een conservatieve schatting zijn. Het werkelijke aantal is vermoedelijk veel hoger, omdat er nog vele doden onder het puin liggen. Het staakt-het-vuren vertegenwoordigt derhalve een papieren werkelijkheid, de Israëlische genocide is sinds vorig jaar niet geëindigd.
Wie zijn beeld van Nederland vooral op de media baseert, kan gemakkelijk denken dat antisemitisme de meest voorkomende vorm van discriminatie is. Geen enkele andere discriminatiegrond krijgt in vijf landelijke kranten zoveel aandacht. De meldcijfers van de antidiscriminatievoorzieningen ondersteunen dat beeld echter niet, schrijft onderzoeker Ewoud Butter.
Hoeveel aandacht besteden Nederlandse kranten aan discriminatie en racisme? Welke vormen van discriminatie halen het vaakst het nieuws? Om een antwoord op die vraag te geven, heb ik gezocht in het archief van LexisNexis en gekeken naar het aantal artikelen waarin woorden die verwijzen naar discriminatie in het algemeen of een specifieke vorm van discriminatie. Ik heb gekeken naar vijf landelijke kranten: AD, NRC, De Telegraaf, Trouw en de Volkskrant. Omdat voor bijna iedere vorm van discriminatie verschillende woorden bestaan, heb ik ook naar varianten gekeken. Zo kan de uitsluiting van moslims worden beschreven met woorden als moslimdiscriminatie, discriminatie van moslims, moslimhaat, of anti-moslimracisme.
De cijfers geven onvoldoende informatie voor een inhoudelijke media-analyse. Door woorden te tellen, wordt niet duidelijk in welke context woorden zijn gebruikt. De cijfers vertellen niet of deze context positief of negatief was, of een woord gebruikt werd in berichtgeving over ontwikkelingen in binnen- of buitenland, of dat het om een nieuwsbericht, achtergrondartikel, recensie, opinieartikel of column ging. De cijfers doen niet veel meer dan een indruk geven van de aandacht in vijf grote kranten voor bepaalde vormen van discriminatie.
Discriminatie blijft redelijk stabiel
Het aantal artikelen waarin het algemene woord discriminatie voorkomt, is over een langere periode redelijk stabiel. Sinds 2000 verschenen in de vijf kranten samen meestal tussen de 800 en 1.400 artikelen per jaar waarin over discriminatie geschreven werd.
Vanaf 2018 kwam het woord racisme vaker voor dan discriminatie
Bij racisme is een andere ontwikkeling zichtbaar. Tot ongeveer 2012 verschenen jaarlijks meestal tussen de 400 en 600 artikelen waarin dat woord voorkwam. Vanaf 2013 nam het aantal sterk toe, waarschijnlijk in verband met de groeiende discussie over Zwarte Piet. In de jaren daarna kregen ook het slavernijverleden en institutioneel racisme meer aandacht. Vanaf 2018 kwam het woord racisme vaker voor dan discriminatie.
Black Lives Matter-protest op de Dam op 1 juni 2020. Beeld: Luciano de Boterman
Het absolute hoogtepunt lag in 2020. In dat jaar verschenen bijna 2.700 artikelen waarin racisme werd genoemd. De wereldwijde Black Lives Matter-protesten na de dood van George Floyd speelden hierbij waarschijnlijk een belangrijke rol. Na 2020 nam de aandacht weer af. In 2021 verschenen nog bijna 1.700 artikelen over racisme. In 2025 waren het er ongeveer 1.020. Dat was net iets minder dan de 1030 keer dat het woord discriminatie viel.
Antisemitisme ver voor andere discriminatievormen
Een vergelijking tussen vier specifieke vormen van discriminatie laat zien dat er relatief veel aandacht voor antisemitisme is.
In 2025 verschenen in de vijf landelijke kranten 923 artikelen over antisemitisme, 430 artikelen over seksisme, 178 artikelen over moslimdiscriminatie en 63 artikelen over homofobie of homohaat. Antisemitisme kreeg dus meer dan twee keer zoveel aandacht als seksisme, ruim vijf keer zoveel als moslimdiscriminatie en bijna vijftien keer zoveel als homofobie.
Die uitzonderlijke positie is niet nieuw. Antisemitisme kreeg de hele onderzochte periode vanaf 2000 meer aandacht dan de andere specifieke discriminatievormen. Het aantal artikelen nam de laatste jaren zeer sterk toe na de aanslag van Hamas op 7 oktober 2023 en de daaropvolgende genocide in Gaza. Dat gebeurde vaker bij Israëlisch geweld, zoals eerder in 2006 en in 2014.
De berichtgeving over homofobie bleef veel beperkter
Seksisme krijgt sinds 2016 duidelijk meer aandacht. Die groei viel samen met #MeToo en de bredere discussie over seksueel grensoverschrijdend gedrag, vrouwenhaat en ongelijke machtsverhoudingen. De piek lag in 2022, met 489 artikelen. In 2025 waren dat er 430.
De berichtgeving over homofobie bleef veel beperkter. Na een piek van 171 artikelen in 2022 daalde het aantal tot 63 in 2025. Deze telling betreft artikelen waarin woorden als homofobie en homohaat voorkomen. Zij brengt dus niet alle berichtgeving over discriminatie wegens seksuele gerichtheid in beeld.
Het aantal berichten waarin werd gesproken over moslimdiscriminatie kende een eerste piek van 176 artikelen rond 2015 toen er veel vluchtelingen uit Syrië naar Nederland kwamen en er aanslagen in onder andere Parijs plaatsvonden. Sinds eind 2023 is er weer meer aandacht voor moslimdiscriminatie. In 2024 en 2025 telde ik in beide jaren 178 artikelen. Artikelen over islamofobie gaan geregeld niet over het uitsluiten van moslims, maar over het gebruik van de term islamofobie.
Aantal meldingen van discriminatie
In hoeverre weerspiegelen deze cijfers het aantal meldingen van discriminatie die gedaan worden? Belangrijk is eerst te melden dat volgens het SCP slechts drie procent van de mensen die discriminatie ervaren, hiervan melding doen bij instellingen die discriminatie registreren. Na het buiten beschouwing laten van 14.402 meldingen over één bericht van de PVV-leider Wilders, ontvingen de antidiscriminatievoorzieinngen in 2025 10.954 meldingen die naar discriminatiegrond zijn uitgesplitst. Van deze bijna 11.000 meldingen ging bijna de helft (4.737) over discriminatie op grond van herkomst. Daarna volgden discriminatie op grond van geslacht met 1.682 meldingen, seksuele gerichtheid met 1.352 meldingen en handicap of chronische ziekte met 1.048 meldingen. Over godsdienstdiscriminatie kwamen 1.014 meldingen binnen, waarvan 731 betrekking hadden op moslimdiscriminatie. Antisemitisme werd 271 keer gemeld en vormde daarmee ongeveer 2,5 procent van het totaal.
Alleen bij antisemitisme verschenen veel meer krantenartikelen dan er meldingen waren
De verhouding tussen het aantal meldingen over discriminatie en het aantal berichten hierover verschilt sterk per discriminatievorm. Alleen bij antisemitisme verschenen veel meer krantenartikelen dan er meldingen waren: 3,4 berichten per melding. Bij seksisme en moslimdiscriminatie kwamen juist ongeveer vier keer zoveel meldingen binnen als er artikelen verschenen. Ook bij geslacht en zeker bij seksuele gerichtheid lag het aantal meldingen veel hoger. Die vergelijkingen zijn wel indicatief: de ADV-categorieën geslacht en seksuele gerichtheid zijn breder dan de zoektermen seksisme en homofobie.
Het aantal geregistreerde incidenten bij de politie geeft een iets anders beeld: van de 10.748 incidenten had 46 procent betrekking op herkomst en 29 procent op seksuele gerichtheid. Antisemitisme volgde, net als voorgaande jaren, met 8 procent van het totaal en moslimdiscriminatie met 4 procent. Bij een deel van de registraties bij de politie gaat om scheldwoorden tegen agenten: bij antisemitisme ‘kankerjood’ en bij seksuele gerichtheid ‘kankerhomo’. Erg creatief zijn we in Nederland niet als het om schelden gaat. Verder gaat het bij de politie in geval van antisemitisme ook vaker om voetbalgerelateerde incidenten.
Woke als wapen tegen emancipatie
De aandacht voor woke in de kranten is in dit verband ook interessant, omdat het woord nauw verbonden is geraakt met het debat over discriminatie en emancipatie. Oorspronkelijk verwees woke naar alertheid op racisme en sociale ongelijkheid. Vooral radicaal-rechtse politici en opiniemakers in de Verenigde Staten gebruikten het vervolgens als een negatief bedoeld verzamelbegrip voor antiracisme, feminisme, lhbtiqa+-emancipatie en dekolonisatie. Het label ‘woke’ wordt gebruikt om deze bewegingen neer te zetten als overdreven, dwingend of zelfs bedreigend. Donald Trump lanceerde een ‘war on woke’ met als gevolg dat de academische vrijheid in de VS onder druk is komen te staan. Die politieke strategie is de afgelopen jaren ook in Nederland ingeburgerd. Niet alleen radicaalrechts waarschuwt voor ‘woke’, maar ook VVD-leider Yesilgöz deed het.
Door zo vaak over woke te schrijven, bevestigen kranten dat dit een belangrijk maatschappelijk conflict is
In de vijf kranten maakte het woord woke een stormachtige opmars. In 2016 verscheen het in de vijf kranten samen drie keer. Gelijktijdig met de opkomst van The Black Lives Matterbeweging en zeer waarschijnlijk als reactie daarop, nam het vanaf 2020 snel toe tot 953 artikelen in 2023. In 2024 daalde het aantal naar 588, maar in 2025 steeg het opnieuw naar 743.
In 2025 verschenen ruim vier keer zoveel artikelen over woke als over moslimdiscriminatie. Ook kreeg woke meer aandacht dan seksisme en homofobie samen. De toon van de berichtgeving verschilt: vooral NRC, de Volkskrant en Trouw schrijven regelmatig kritisch over het begrip en de politieke strijd eromheen. Maar ook kritische berichtgeving draagt bij aan de zichtbaarheid en het gewicht van een onderwerp. Door zo vaak over woke te schrijven, bevestigen kranten dat dit een belangrijk maatschappelijk conflict is. Zo krijgt de politieke strijd tégen emancipatie meer journalistieke ruimte dan de discriminatie waar die emancipatiebewegingen zich tegen verzetten.
Verschillen tussen de kranten
NRC, de Volkskrant en Trouw schrijven over het algemeen het meest over discriminatie, racisme en de afzonderlijke discriminatievormen. In 2025 publiceerden deze kranten bijvoorbeeld ieder meer dan 260 artikelen over racisme, tegenover ongeveer 80 in het AD en De Telegraaf. Deze aantallen alleen kunnen niet zonder meer worden gezien als een maatstaf voor redactionele prioriteit. De cijfers zijn niet gecorrigeerd op het totaal aantal artikelen in de kranten.
De toren van de Westerkerk in Amsterdam, versierd met een regenboogvlag tijdens Gay Pride in 2013. Beeld: Stadsarchief Amsterdam
Trouw besteedde in 2025 net wat meer aandacht aan moslimdiscriminatie, NRC en de Volkskrant schreven iets vaker over seksisme en de Volkskrant besteedde net wat vaker aandacht aan homo- en transfobie. Bij De Telegraaf valt juist de sterk gegroeide aandacht voor antisemitisme op. De krant publiceerde daarover in 2024 en 2025 meer artikelen dan de andere vier kranten. Dat wordt waarschijnlijk deels bepaald door enkele columnisten van De Telegraaf die uitgesproken zijn in hun steun voor Israël en kritiek op dat land sneller koppelen aan antisemitisme. In 2025 schreef De Telegraaf ruim drie keer zo vaak over antisemitisme als over racisme en bijna acht keer zo vaak als over moslimdiscriminatie.
Bij De Telegraaf valt juist de sterk gegroeide aandacht voor antisemitisme op
Kranten verschillen dus niet alleen in hoeveel zij over discriminatie schrijven, maar ook in welke vormen zij benadrukken. Daarmee bepaalt de keuze voor een krant mede welke discriminatieproblemen de lezer vaak ziet en welke gemakkelijker buiten beeld blijven.
Niet minder over antisemitisme, wel meer over de rest
Berichtgeving hoeft uiteraard niet precies de meldcijfers te volgen. Nieuwswaarde, internationale gebeurtenissen, publieke en politieke discussies spelen een rol. Toch blijft de verhouding scheef: antisemitisme vormde in 2025 ongeveer 2,5 procent van de ADV-meldingen en acht procent van de geregistreerde politie-incidenten, maar domineerde de berichtgeving over specifieke discriminatievormen. Andere vormen werden veel vaker gemeld, maar kregen veel minder aandacht.
Antisemitisme is een serieus probleem. De conclusie moet dan ook niet zijn dat kranten minder over antisemitisme moeten schrijven, maar wel dat zij structureel meer aandacht mogen besteden aan andere vormen van discriminatie.
Journalistieke keuzes bepalen mede welke vormen van discriminatie burgers, politici en beleidsmakers als urgent zien. Wanneer rechtsradicale ophef over woke in kranten meer ruimte krijgt dan concrete vormen van discriminatie, dreigt de bescherming van grondrechten, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet, ondergeschikt te raken aan politieke agenda’s die emancipatie en antidiscriminatiebeleid juist verdacht maken.
Het kabinet-Jetten zet de koers van het beleid van het kabinet-Schoof voort. Dat geldt voor de asielwetten van voormalig PVV-minister Marjolein Faber, maar ook voor het wetsvoorstel dat het ‘verheerlijken van terrorisme’ strafbaar stelt. Op het eerste gezicht lijkt er weinig mis met een wet tegen terreurverheerlijking. Niemand wil dat geweld tegen burgers wordt verheerlijkt of aangemoedigd. Daarover bestaat nauwelijks verschil van mening.
De belangrijkste vragen zijn echter: wat is het verheerlijken van terrorisme en wie bepaalt dat?
Op dit moment is het al strafbaar om terrorisme te verheerlijken, maar alleen als daarbij wordt opgeroepen tot het plegen van een terroristisch misdrijf. De nieuwe wet schrapt die voorwaarde. Dat lijkt een kleine wijziging, maar juridisch is het een fundamentele verschuiving. De ruimte voor interpretatie wordt groter, en daarmee ook de macht van de overheid.
De geschiedenis leert dat we daar voorzichtig mee moeten zijn. Nelson Mandela stond jarenlang op internationale terroristenlijsten. Ook het Nederlandse verzet werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s als terroristisch bestempeld. Het begrip terrorisme wordt niet alleen bepaald door geweld, maar ook door degene die de macht heeft om te bepalen wat terrorisme is en wat geldt als het verheerlijken of ondersteunen ervan. Dat laat zien dat terrorisme niet alleen juridisch interpretatiegevoelig is, maar ook politiek en historisch voortdurend van betekenis kan veranderen.
Wetten worden bovendien niet alleen gemaakt voor de regeringen van vandaag, maar ook voor de regeringen die we nog niet kennen. Wat gebeurt er als Nederland over tien of twintig jaar veel radicalere of extremere kabinetten krijgt? Kijk naar wat er nu in de Verenigde Staten gaande is. Ik vergeet nooit dat een van mijn redacteuren ruim vijf jaar geleden zei dat Wilders nooit de grootste partij van Nederland zou worden. Het gebeurde toch. Niemand weet hoe Nederland er over tien of twintig jaar uitziet. Daarom moeten we vandaag goed nadenken welke instrumenten we toekomstige machthebbers in handen geven.
Niemand weet hoe Nederland er over tien of twintig jaar uitziet
Als iemand die de toenemende polarisatie in zowel Nederland als Turkije van dichtbij heeft meegemaakt, zie ik een ontwikkeling die mij zorgen baart. Turkije nam in 1991 een antiterreurwet aan die door opeenvolgende regeringen steeds ruimer is uitgelegd en toegepast. Waar in de jaren negentig vooral Koerden en religieuze groepen doelwit waren van seculiere Kemalisten, wordt dezelfde wetgeving tegenwoordig door Erdogan ook ingezet tegen journalisten, academici, gekozen burgemeesters en oppositiepolitici.
Ik zeg nadrukkelijk niet dat Nederland Turkije wordt. Onze rechtsstaat functioneert gelukkig nog goed. Maar Turkije laat wel zien hoe een wet die bedoeld was om terrorisme te bestrijden, uiteindelijk ook kan worden gebruikt tegen vreedzame politieke oppositie.
De bekendste Koerdische oppositieleider, Selahattin Demirtas, zit sinds 2016 gevangen wegens vermeende terrorismedelicten die verband houden met geweldloze politieke activiteiten en toespraken. Ook meer dan honderd gekozen Koerdische burgemeesters, journalisten, publicisten en tienduizenden Gülen-sympathisanten zijn vervolgd of gevangengezet op beschuldiging van het steunen of verheerlijken van terrorisme. Ik heb zelf journalistenvrienden die al jaren vastzitten vanwege hun kritische stukken over het Turkse regime.
Ook in Nederland klinken juridische waarschuwingen. De Commissie Meijers stelt dat het wetsvoorstel verder gaat dan noodzakelijk is en waarschuwt voor de gevolgen voor de vrijheid van meningsuiting. Juristen wijzen bovendien op het zogenoemde chilling effect: niet omdat morgen duizenden mensen worden opgepakt, maar omdat journalisten, wetenschappers, kunstenaars en activisten zich gaan afvragen of bepaalde woorden, symbolen of uitspraken nog wel veilig zijn. Ook de Raad van State plaatste kritische kanttekeningen bij de afbakening van het wetsvoorstel.
Dat risico lijkt zich nu al voorzichtig af te tekenen. Wanneer sommige politici zelfs een watermeloenbroche in verband brengen met terrorisme, laat dat zien hoe rekbaar begrippen kunnen worden zodra zij onderdeel worden van het politieke debat.
Als samenleving moeten we de oplossing niet zoeken in repressie en onderdrukking, maar in mensen. Nederland is groot geworden door vrijheid van meningsuiting, het demonstratierecht en politieke pluriformiteit. Zelfs de kleinste partijen krijgen een stem in het parlement. Daardoor voelen mensen zich gehoord. Zodra mensen het gevoel krijgen dat woorden, symbolen of vreedzame uitingen steeds sneller strafbaar kunnen worden, zullen sommigen zich terugtrekken, anderen zich verharden en weer anderen radicaliseren. Die ontwikkeling zie ik helaas vandaag in Turkije, met alle gevolgen van dien. Dat is het laatste wat we in Nederland moeten willen.
De vraag is daarom niet óf terrorisme hard moet worden bestreden. Dat moet. De echte vraag is hoe we dat doen zonder de vrijheid op te offeren die we juist zeggen te willen beschermen. Want een democratische rechtsstaat wordt uiteindelijk niet alleen gemeten aan de manier waarop zij haar vrienden beschermt, maar vooral aan de manier waarop zij omgaat met afwijkende meningen en minderheden. Juist daar wordt de kracht van een democratie zichtbaar.
Geen beter tijdstip voor de aanstaande zestiende finale tussen Marokko en Nederland dan drie uur ’s nachts. Het tijdstip dat nergens bij hoort. Niet bij de nacht. Het heeft de dag achter zich gelaten, maar heeft zich de volgende dag nog niet toegeëigend. Het is het tijdstip waarop de biologische klok zelf eventjes stilstaat om daarna langzaam weer in beweging te komen.
Drie uur ’s nachts hoort nergens bij. Alleen de slapeloze is om drie uur ’s nachts wakker. Maar ook de buitenstaander. De vreemdeling. De schoonmaker. De muzikant die thuiskomt van een concert. Het is ook het tijdstip van schrijvers. De Joods-Tsjechische schrijver Franz Kafka schreef zijn onheilspellende verhalen in de nacht, rond dit tijdstip: verhalen vol eenzaamheid, verwarring en ontregeling.
Om drie uur ’s nachts voelt de mensheid ver weg. Om drie uur ’s nachts opstaan doe je alleen als het moet. De migrant, de vluchteling, de outsider: drie uur ’s nachts is hun uur. Het is het tijdstip waarop het rustig is op de weg. Die ene wagen die toch rijdt, moet wel heel veel haast hebben, een dringende reden, een onwaarschijnlijk motief. Om drie uur ’s nachts breken de weeën door, het is het tijdstip van een nakende geboorte. Om drie uur ’s nachts liggen de slapozen wakker, het is hun uur.
Ik kan erover meepraten. Jarenlang lag ik met de ogen wijd open te kijken naar het plafond. En als schaapjes tellen niet helpt, dan ga je denken aan geliefden, gedichten en voetbalwedstrijden.
In 1986 speelde Marokko vier wedstrijden in de Mexicaanse stad Monterrey. Het waren historische wedstrijden; Marokko bereikte als eerste Afrikaanse land de tweede ronde. In de poulfase speelde het gelijk tegen Polen en Engeland en het won met 3-1 van Portugal. Vooral die laatste wedstrijd maakte veel indruk. Op YouTube kun je de samenvatting met commentaar van Kees Jansma terugkijken. Prachtige dribbels, heerlijke doelpunten, geweldige ontlading. Marokko schreef geschiedenis.
De migrant, de vluchteling, de outsider: drie uur ’s nachts is hun uur
In de achtste finale nam Marokko het op tegen West-Duitsland. Ook dat was toen een nachtwedstrijd. Aan de Berkelselaan 102b stonden we daarom vroeg op, de televisie ging aan. Marokko weerde zich kranig. In de 86e minuut kreeg Duitsland een vrije trap. Lothar Matthäus schoot hem binnen. Het sprookje spatte uit elkaar, mijn vader zette de televisie uit en we trokken ons terug in de nacht, waar slaap en troost op ons lagen te wachten.
Het zijn andere tijden. Marokko is een voetbalgrootmacht geworden, Nederland wordt steeds beter en in de nacht van maandag op dinsdag staat er een afspraak gepland.
Ik denk aan Nederland-Marokko in 1999, een vriendschappelijke wedstrijd in Arnhem. Die avond trad ik op in Nijmegen. Op de weg terug vulde de trein zich met Marokkaanse supporters. De sfeer was niet goed. Later zag ik hoe de Marokkaans-Nederlandse supporters het veld bestormden. Ze floten Driss Boussatta, die voor Nederland uitkwam – de eerste Marokkaan die dat deed – uit. Het was onaangenaam, het lelijke gezicht van voetbal: geen verbroedering maar verwijdering. De Marokkaanse jongens gaven een statement af, politici en stemmingmakers spraken er schande van. De multiculturele samenleving was kapot.
Jaren later sprak ik met een Marokkaanse Amsterdammer die bij die wedstrijd was geweest. Hij vertelde dat hij zomaar voor de lol was meegegaan. De ongeregeldheden waren aan hem voorbijgegaan; een storm in een glas water.
Nu is het anders. Het Marokkaanse elftal kent veel Nederlanders, Oranje heeft spelers die met een Marokkaans accent spreken; de straat is wat hen samenbindt. Ze hebben zin in de wedstrijd. Ik eigenlijk ook wel. Wel wakker zien te blijven. Ik groet de nacht.
Duizenden gülenisten, in gele hesjes, met gele borden en gele ballonnen, demonstreerden woensdag in Straatsburg bij de Raad van Europa. Ze willen dat de Raad meer druk uitoefent op Turkije om alle politieke gevangenen, niet alleen de gülenisten, vrij te laten.
Het is een bloedhete dag, maar op woensdag 24 juni zijn duizenden Gülen-sympathisanten opnieuw samengekomen in de Franse stad Straatsburg. Ze protesteren daar voor het gebouw van de Raad van Europa. Deze internationale organisatie heeft als doelstelling de vrede en de mensenrechten in Europa te handhaven, maar voegt volgens de demonstranten geen daad bij het woord. De Kanttekening is erbij en spreekt met Gülen-sympathisanten, maar ook met politici en intellectuelen die solidair zijn met de slachtoffers van het Turkse regime.
Het jaarlijkse protest is inmiddels uitgegroeid tot een ritueel van de gülenistische gemeenschap in ballingschap, die zich steeds zelfbewuster toont. De groep is divers. Ze komen uit Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Nederland, Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk en andere landen. Er zijn opvallend veel vrouwen en kinderen aanwezig. Bijna elke demonstrant heeft een geel hesje aan. Mensen lopen met gele borden, zwaaien met gele spandoeken, luisteren naar toespraken en muziek en roepen om de zoveel tijd Turkse en Engelse leuzen.
Maar hoewel de gülenisten de demonstratie domineren, mikken ze toch op een bredere coalitie tegen het regime van president Recep Tayyip Erdogan. Ze presenteerden zich nadrukkelijk als bondgenoten van álle groepen die in Turkije onder druk staan: Koerden, seculieren, linkse activisten, journalisten en vrouwenrechtenorganisaties.
Beeld: Ewout Klei
Het protest is niet alleen gericht tegen de vervolging van de gülenisten in Turkije, maar tegen alle vervolgden. ‘Set them free’, scanderen de betogers. En behalve de namen van gülenistische gewetensgevangenen zie je op de gele borden ook de namen van de Turkse filantroop Osman Kavala en de Turks-Koerdische politicus Selahattin Demirtas, die al jaren achter slot en grendel zitten.
Na de coup
De Kanttekening spreekt met verschillende Turkse vluchtelingen die vanuit heel Europa naar Straatsburg zijn gekomen. Hun verhalen zijn variaties op hetzelfde patroon. Na de mislukte coup van 15 juli 2016 kwamen ze in het vizier van het Turkse staatsapparaat, dat niet alleen gülenisten in Turkije zelf vervolgde, maar ook in het buitenland, in islamitische landen, maar ook in Afrika en Zuid-Amerika.
De Duitse Demet Oguz, die nu drie jaar in Duitsland woont, vertelt hoe ze zeven jaar in Turkije bleef na de coup. ‘We hebben niks gedaan, waarom zouden ze ons arresteren? Maar die gedachte bleek naïef.’ Ze werd opgepakt en zat tweeënhalve maand vast. Haar man zat elf maanden in de cel en kreeg in 2021 kanker. Hij overleed in het ziekenhuis, waar hij ook corona opliep.
‘Ik had geen toekomst meer in Turkije’
Daarna werd Demet opnieuw bedreigd met arrestatie. Haar zoon werd gebeld door de politie. ‘Je vader was een terrorist. Misschien ben jij het ook.’ Demet vluchtte eind 2022 naar Griekenland en kwam begin 2023 in Duitsland aan. Nu voelt ze zich voor het eerst weer veilig. ‘Duitsland is een safe place’, zegt ze. ‘Maar in Turkije zitten nog steeds onschuldige mensen vast. Zij hebben geen stem. Wij moeten die stem zijn.’ Demet gelooft dat Europa druk kan uitoefenen. ‘Turkije heeft internationale verdragen ondertekend. De EU moet eisen dat Ankara zich eraan houdt.’
André Hazes in Oostenrijk
De Oostenrijkse taxichauffeur Ahmet Öztürk, ooit leraar op een gülenschool in Turkije, zat vijftien maanden in de gevangenis. Zijn vrouw werd bedreigd, raakte ziek, kreeg kanker en overleed kort nadat hij vrijkwam.
Toen hij online zag, op de Turkse DigiD-website, dat hij opnieuw vier jaar celstraf moest uitzitten, vluchtte hij via Griekenland naar Wenen. ‘Ik had geen toekomst meer in Turkije’, zegt hij. ‘In Oostenrijk kreeg ik binnen zeven maanden asiel. Mijn zonen kwamen later naar Tirol.’
Waarom Oostenrijk? ‘Een vriend zei dat Tirol mooi was, met al die hoge bergen’, lacht hij. ‘Maar ik draag nog geen Lederhosen, haha.’ Als ik vertel dat ik uit Nederland kom, zegt hij: ‘André Hazes’. Als taxichauffeur vervoert Ahmet veel Nederlandse skitoeristen, die zweren bij de smartlappen van Hazes.
Zijn boodschap aan Europa is minder luchtig: ‘Erdogan moet publiekelijk worden veroordeeld door Europa, zoals ook de Russische president Vladimir Poetin is veroordeeld. Er zijn 25.000 zaken tegen Turkije bij het Europees Hof. Erdogan wuift het allemaal maar weg.’
Wereldwijd opgejaagd
Maar de vervolging van gülenisten beperkt zich niet tot Turkije. Onder meer Pakistan, Maleisië en Venezuela werken gewillig mee aan de repressie. Ze hebben goede banden met de regering-Erdogan.
Een demonstrant houdt een portret omhoog van Hidayet Karaca, een Turkse journalist die een levenslange gevangenisstraf uitzit. Beeld: Isa Yilmaz
De jonge Asiye Betul is geboren in Turkije, maar heeft jarenlang in Venezuela gewoond, waar haar vader doceerde aan een school. Zij vertelt hoe alle gülenscholen daar in 2016 werden gesloten en overgenomen door de Turkse staat. ‘Mijn vader werd ineens een terrorist genoemd’, zegt ze. ‘Mijn oom in Turkije overleed in de gevangenis. Iedereen hier heeft zulke verhalen. Hoe kan ik dan thuisblijven? Daarom kom ik elk jaar naar Straatsburg.’
Het Verenigd Koninkrijk telt weinig gülenisten, zegt ze over haar nieuwe vaderland. ‘Het is moeilijker om daar asiel te krijgen. Maar ik moest weg. Mijn familie lijdt nog steeds.’
Verraden door een familielid
De Rotterdamse Hatice Aksoy verloor haar man en twee neven in de gevangenis. Haar broer verloor zijn vrouw en zoon toen zij op de vlucht voor Erdogan verdronken voor de Griekse kust.
Hatice woonde jarenlang in Oost-Afrika, maar was in 2016 toevallig op vakantie in Turkije toen de coup plaatsvond. In de eerste maanden kon ze nog vrij reizen, omdat ze niet bekendstond als gülenist, maar in 2019 werd ze verraden door een familielid. ‘Dit heeft denk ik te maken met jaloezie’, zegt ze, ‘omdat mijn man en ik hebben gestudeerd en zij niet.’ De meeste familieleden van Aksoy zijn diehard AKP-aanhangers. ‘Ze zien ons als terroristen.’ Volgens haar zullen de gülenisten vijand nummer één blijven. ‘De indoctrinatie is diep. Mensen geloven dat wij het kwaad zijn.’
‘Ik ben hier voor mijn neefje dat verdronk in de Egeïsche Zee’
Hatice Aksoy vluchtte in 2024 naar Griekenland en kwam in 2025 naar Nederland. Ze woont nu in een kleine studio, werkt als schoonmaakster en leert Nederlands. ‘Ik heb drie universitaire diploma’s’, zegt ze. ‘Maar ik moet opnieuw beginnen. Ik ben hier in Straatsburg voor mijn neefje dat verdronk in de Egeïsche Zee. Het is mijn morele plicht om er te zijn, voor hem en al die anderen.’
Voormalig politiechef en criminoloog
De meest analytische stem komt van Fikret Demirci, voormalig politiechef, criminoloog en recent gepromoveerd in Gent op een proefschrift over de slachtoffers van de Turkse repressie. Hij is geen gülenist, maar zat zes maanden vast omdat hij weigerde willekeurig burgers te arresteren.
Voor zijn onderzoek interviewde Demircivi 97 slachtoffers van staatsgeweld, onder wie Koerden, gülenisten, seculieren en advocaten. Zijn conclusies zijn scherp. Turkije kende tussen 2003 en 2013 een relatief mild regime, toen Erdogan zich als democraat presenteerde en zich steeds meer richting Europa bewoog. Er werd nauwelijks nog gemarteld door de politie, zo bleek ook uit mensenrechtenrapporten. Maar na 2013 werd Turkije steeds autoritairder, als reactie op de Geziparkprotesten. Op politiebureaus en in gevangenissen werd weer gemarteld en werden de regels van de rechtsstaat steeds vaker genegeerd. Na de coup van juli 2016 volgden massa-arrestaties, maar de zwarte lijsten lagen al vóór de coup klaar. Gülenisten en andere politieke gevangenen zijn vaak gemarteld, sommigen ook seksueel. Maar die slachtoffers wilden niet meewerken aan het onderzoek, omdat ze dan hun trauma moesten herbeleven.
‘Mensen werden geestelijk en lichamelijk gebroken’
Een interessante observatie die Demircivi maakt, is dat de verschillende onderdrukte groepen in Turkije lange tijd volledig langs elkaar heen leefden, zonder onderling contact of solidariteit. Maar dit is nu langzaam aan het veranderen, zegt hij. ‘Steeds meer gülenisten erkennen nu de Armeense Genocide. Ze tonen empathie voor Koerden. Ze zeggen dat ze spijt hebben dat ze hun rechten niet eerder verdedigden. Onderdrukking kan moreel inzicht brengen.’
Zijn eigen ervaring in de cel was absurd. ‘Ik dacht dat ik snel vrij zou komen. Maar ik zag hoe willekeurig het systeem was. Mensen werden geestelijk en lichamelijk gebroken.’
Beeld: Isa Yilmaz
Isa Yilmaz, woonachtig nabij Brussel, ziet hoe Erdogan nu ook de seculier-nationalistische oppositiepartij CHP aanvalt. ‘Hij maakt lijstjes, net als bij de gülenisten. Iedereen kan worden weggezet als handlanger van de beweging. Het lijkt op hoe sommige Arabische regimes hun vijanden “zionistische agenten” noemen.’
Boomlange NBA-speler
De demonstratie had ook een cultureel gezicht. De Turks-Nederlandse zanger Suvari Öztürk – zelf geen gülenist, maar solidair met de slachtoffers van het repressieve regime van Erdogan – trad voor de vijfde keer op. Hij schreef een protestsong over mensen in de gevangenis en over kinderen die verdronken in de Egeïsche Zee. ‘Ik ben niet anti-Turks’, benadrukt hij. ‘Ik ben anti-corruptie, anti-onrecht, anti-Erdogan. Er zijn weinig artiesten die zich uitspreken. Daarom moet ik het doen.’
De seculiere toneelschrijfster Hilal Nesin, ook geen gülenist, sprak over vrouwen die na 2016 werden gemarteld. Ze interviewde 1300 slachtoffers van staatsgeweld, vooral vrouwen met een hoofddoek. ‘Ik ben niet Koerdisch, maar ik help hen ook’, zegt ze. ‘Mijn huis in Turkije werd aangevallen door de politie. Daarom ben ik hier. Om solidair te zijn met alle slachtoffers.’
En dan is er Enes Kanter. De boomlange voormalige NBA-speler is de posterboy van het protest. Kinderen, maar ook volwassenen, verdringen zich voor selfies met hem. Hilal Nesin scoort een handtekening, die de topsporter op haar gele shirt zet, waarna hij het aan haar geeft. Kanter won eerder een mensenrechtenprijs voor zijn inzet voor Oeigoeren. Zijn aanwezigheid geeft het protest een bijna popculturele glans.
Aan de Kanttekening vertelt hij: ‘Europa moet concrete stappen nemen tegen Turkije. De Turkse mensenrechtenschendingen worden nu wel veroordeeld, maar Europa onderneemt vervolgens geen actie. Het martelen van onschuldige gevangenen moet stoppen.’
De democratie verdedigen
Ook progressieve Britse en Franse politici zijn solidair. James MacCleary, van de Liberal Democrats (de Britse zusterpartij van D66, red.), noemt Erdogans beleid ‘een aanval op de democratie’. ‘Turkije is lid van de Raad van Europa. Wat het Europees Hof zegt, is geen suggestie. Rechters, journalisten en vrouwen die opstaan voor hun rechten verdienen onze steun.’
Beeld: Isa Yilmaz
Het Britse Lagerhuislid waarschuwt Europese regeringen. ‘Ruil mensenrechten niet in voor geopolitieke deals. Europese landen moeten begrijpen dat de Turkse democratie ook onze zaak is. Turkije hoort bij onze Europese familie.’ Democratie is niet vanzelfsprekend, vervolgt hij. Daarvoor moeten we strijden. ‘We moeten de mensenrechten altijd verdedigen, ook in situaties waarin het niet makkelijk is.’
‘Rechters, journalisten en vrouwen die opstaan voor hun rechten verdienen onze steun’
De Franse politica Sandra Regol van de Groenen beaamt dit. ‘Frankrijk zelf kan niet veel doen’, zegt ze tegen de Kanttekening. ‘Maar de Raad van Europa kan dat wel en moet veel meer druk op Turkije uitoefenen om de mensenrechten te respecteren. Daarom ben ik hier ook, in de hoop dat de Raad van Europa eens luistert.’
Bredere strijd
De gülenisten presenteren zich niet langer als een geïsoleerde groep slachtoffers, maar als onderdeel van een bredere strijd voor democratie in Turkije. Hoewel de beweging door veel Turken – ook in de oppositie – nog steeds wordt gewantrouwd, is een kleine kentering zichtbaar. De slogan ‘Set Them Free’ klinkt voor iedereen. En een handjevol niet-gülenisten demonstreert mee.
De voormalige politiechef Demircivi vat het treffend samen. ‘Onderdrukking verdeelt, maar het kan ook verbinden. Misschien is dat de enige hoop die we nog hebben.’
Onze site gebruikt cookies en vergelijkbare technologieën onder andere om u een optimale gebruikerservaring te bieden. Ook kunnen we hierdoor het gedrag van bezoekers vastleggen en analyseren en daardoor onze website verbeteren.
Deze website gebruikt cookies om uw gebruikservaring op deze website te verbeteren. Van deze cookies worden cookies aangemerkt als "Noodzakelijk" in uw browser bewaard, deze cookies zijn essentieel voor het functioneren van de website. Bijvoorbeeld het opslaan van uw keuze of u wel of geen cookies wilt hebben. Wij maken ook gebruik van cookies van derde partijen die ons helpen met het analyseren en begrijpen van de gebruik van deze website door u. Deze cookies worden alleen gebruikt als u daar toestemming toe geeft. U heeft ook de mogelijkheid om uzelf uit te sluiten voor deze cookies. Dit zal echter effect hebben op uw gebruikerservaring.
Noodzakelijke cookies zijn absoluut nodig voor het functioneren van de website. De cookies in deze categorie zorgen alleen voor de veiligheid en het functioneren van deze website . Deze cookies bewaren geen persoonlijke gegevens
Deze cookies zijn niet strict noodzakelijk, maar ze helpen de Kanttekening een beter beeld te krijgen van de gebruikers die langskomen en ons aan te passen aan de behoeftes van onze lezers. Hiervoor gebruiken wij tracking cookies. Bij het embedden van elementen vanuit andere websites zullen er door deze sites ook cookies worden gebruikt.