8.2 C
Amsterdam
Home Blog Pagina 2

Merz en president Sharaa willen 80 procent Syriërs in Duitsland terugsturen

0

De Duitse bondskanselier Friedrich Merz organiseerde gisteren in Berlijn een persconferentie, samen met de Syrische president Ahmed al‑Sharaa. Daar maakten ze bekend dat ze tachtig procent van de Syriërs in Duitsland willen terugsturen naar Syrië.

Duitsland huisvest met ruim een miljoen mensen de grootste Syrische diaspora binnen de Europese Unie, vooral sinds de vluchtelingencrisis van 2015‑2016. Op dit moment is de situatie in Syrië echter veranderd. Eind 2024 verdreven Syrische rebellen de Syrische dictator Bashar al-Assad, die naar Rusland vluchtte. Ahmed al‑Sharaa is de nieuwe president van het land.

Na een ontmoeting met Sharaa verklaarde Merz dat beide regeringen gezamenlijk werken aan omstandigheden die terugkeer mogelijk maken. Volgens de bondskanselier moet het merendeel van de Syriërs binnen drie jaar kunnen terugkeren. Sharaa sprak in Berlijn over een circulair migratiemodel, waarbij Syriërs kunnen bijdragen aan de wederopbouw zonder hun opgebouwde leven in Duitsland volledig op te geven.

De Syrische president benadrukte dat zijn land grote investeringskansen biedt in onder meer energie, transport en toerisme. Merz kondigde aan dat een Duitse delegatie binnenkort naar Syrië reist om wederopbouwprojecten te bespreken. Wel merkte Merz op dat Syrië een rechtsstaat moet blijven en dat dat een noodzakelijke voorwaarde is voor samenwerking met Duitsland.

Mensenrechtenorganisaties hebben felle kritiek geleverd op Sharaa’s bezoek vanwege zijn verleden als jihadistische strijder en de aanhoudende instabiliteit in Syrië. Ook linkse partijen uitten kritiek, schrijft Die Welt. Zo zei SPD-vicevoorzitter Anke Rehlinger dat het niet verstandig was van Merz om concrete cijfers te noemen voor specifieke tijdsperioden, omdat dit verwachtingen schept hij wellicht niet waar kan maken. Ook benadrukte dat veel Syriërs inmiddels zijn geïntegreerd in de Duitse samenleving en niet zomaar teruggestuurd mogen worden.

Luise Amtsberg, parlementslid voor de Groene Partij en rapporteur voor Syrië en het Midden-Oosten in de commissie Buitenlandse Zaken, was feller in haar kritiek. Ze noemde het optreden van Merz ‘beschamend’: ‘Hij jaagt honderdduizenden Duits-Syriërs de stuipen op het lijf, die de indruk krijgen dat ze Duitsland de komende jaren opnieuw zullen moeten verlaten.’

Schuldenexpert Jamal Oulel: ‘De overheid denkt dat jongeren spaargeld hebben’

Jamal Oulel schreef het boek De schuldenfabriek voor ieder die met schuldenaren en schuldeisers te maken heeft. Met zijn stichting Socialdebt helpt hij jongeren met schulden tot 2.500 euro. 

Hoe amusant hij het ook vond om te doen, het schrijven van het boek De schuldenfabriek was niet zijn idee. Oulel publiceerde regelmatig teksten over Socialdebt op LinkedIn, wat met aandacht werd gelezen door Eva van Drie, redacteur bij uitgeverij Atlas. Zij heeft Jamal Oulel benaderd met de vraag of hij een boek wil schrijven over zijn ervaringen. Dat heeft hij gedaan, maar heeft daarin ook zijn eigen problemen met schulden beschreven. De (negatieve) dingen die hij heeft meegemaakt, hebben deels tot de oprichting van Socialdebt geleid. Zo heeft hij ooit hulp gevraagd bij de gemeente Rotterdam tijdens zijn schuldenperiode, maar hij moest het zelf uitzoeken omdat zijn problemen niet groot genoeg waren. Terwijl uit het boek blijkt dat ingrijpen als de schulden nog te overzien zijn, zo belangrijk is. Socialdebt helpt jongeren wel, maar er zijn een paar voorwaarden aan verbonden. De schuld mag niet hoger zijn dan 2.500 euro én je moet het terugbetalen, maar zonder rente of bijkomende kosten. Met dat geld kan weer iemand anders worden geholpen. En je moet bereid zijn om iets aan je situatie te doen. Je wordt begeleid en indien nodig leer je ook hoe je met geld moet omgaan. Dat heeft niet iedereen thuis geleerd.

Geen lesgeld, geen diploma

‘Veel jongeren komen in problemen omdat ze hun zorgverzekering niet betalen. Daar begint het vaak mee, vooral als ze kerngezond zijn. Als je wat mankeert, is het wat anders. Studerende jongeren hebben meestal zorgtoeslag, maar op het moment dat die gestort wordt, moeten er regelmatig andere dingen worden betaald. De zorgtoeslag wordt in de praktijk ergens anders voor gebruikt, met als gevolg dat er een betalingsachterstand ontstaat.’

Onwetendheid over wat incassobureaus wel en niet mogen doen, speelt ook een belangrijke rol. ‘Sommige incassobureaus doen alsof iets een dagvaarding is. Alleen deurwaarders mogen dagvaardingen betekenen. Boven een dwangbevel staat altijd ‘In naam van de Koning’.’

Iets anders wat veel jongeren niet weten, is dat je er beter aan doet om te verschijnen als je wordt opgeroepen bij de rechtbank omdat je iets niet hebt betaald. Ben je niet aanwezig, dan wordt de vordering vrijwel altijd toegewezen. ‘Naar de rechtbank moeten betekent in de praktijk vaak dat je bijvoorbeeld vrij moet nemen van je stage of niet naar verplichte lessen kunt gaan. Bovendien komt er ook bij dat een rechtbank in de beleving van jongeren iets is voor criminelen. Het woord ‘schulden’ impliceert op de een of andere manier dat je schuldig bent, wat lang niet altijd zo is.’

In het boek geeft Oulel verschillende malen voorbeelden van de ongelijkheid onder studenten aan de hand van twee fictieve personages, Bas en Elisa. Bas’ ouders hebben een goede baan. Hij hoeft geen cent te lenen en kan tijdens zijn studie al beginnen met het leggen van de basis voor een netwerk voor later. Elisa heeft geen hulp van thuis omdat die er niet is. Ze woont zelfstandig, moet zo veel mogelijk werken naast haar studie en belandt desondanks in de schulden. Hebben onderwijsinstellingen voldoende begrip voor het feit dat er steeds meer ouders zijn die hun kinderen niet financieel kunnen helpen en er wel naast de opleiding gewerkt móét worden?

‘Nee, helaas niet. Wat wij bij Socialdebt regelmatig meemaken, is dat studenten die geslaagd zijn voor hun opleiding hun diploma niet krijgen omdat er éérst nog openstaand lesgeld betaald moet worden. In de praktijk gaat het vaak om een paar honderd euro, die de studenten wél hebben als ze dankzij dat diploma een baan vinden. Of er wordt tegen studenten gezegd dat ze niet verder kunnen met hun studie voordat ze het achterstallige lesgeld hebben betaald. Dit zien we vooral bij hbo-instellingen en een enkele keer bij het wo. Tot nu toe niet bij het mbo. Er zijn zelfs rechters die oordelen dat jongeren met hun opleiding moeten stoppen om te gaan werken om hun schulden te betalen. Volgens mij zou het heel goed zijn als mensen in verband met schulden ergens anders zouden moeten verschijnen dan bij de rechtbank.’

Wat Oulel ook verbazingwekkend vindt, is dat de overheid altijd denkt dat mensen spaargeld hebben. Om te sparen moet je geld óver hebben, wat lang niet iedereen heeft. Studerende jongeren zeker niet.

Moeite met lezen

Steeds meer jongeren hebben moeite met lezen. Op de vraag of er een relatie is tussen leesproblemen en schulden reageert Oulel verrassend. ‘Ik zou het vaak eerder een concentratieprobleem willen noemen. Veel jongeren zitten op sociale media en lezen relatief korte teksten. Daar zijn ze aan gewend geraakt en ze hebben moeite om zich te concentreren bij het lezen van langere teksten. Een brief van een incassobureau is iets waarvoor je even rustig moet gaan zitten. Dat lukt niet altijd.’

Oulel benadrukt, ook in zijn boek, dat het hebben van schulden niet alleen een financieel probleem is. Schulden hebben is net zo goed een mentaal probleem. Het vreet aan je. ‘Als je niet zo stressbestendig bent, kan een brief van een incassobureau je uit balans brengen. Laat staan als je tien brieven ontvangt van tien verschillende deurwaarders in verband met tien openstaande facturen. Huur, energie, zorg. Bij Socialdebt zien we veel tunnelvisie onder deurwaarders. Ze kijken uitsluitend naar hun eigen vordering, terwijl als je die vorderingen naast elkaar legt, er een zekere rangorde ontstaat. De huur is belangrijker dan sommige andere facturen.’

Zinloze beslaglegging 

De schuldenproblematiek kost Nederland 8,5 miljard euro per jaar, maar dat is een voorzichtige schatting. Waarschijnlijk ligt het twee tot drie keer zo hoog, want de schade van schulden is niet altijd direct aanwijsbaar. Oulel benadrukt dat beslaglegging vaak zinloos is. ‘Het heeft een enorme impact op de betrokkenen, maar het levert amper tot niets op. Vooral bij jongeren. Meestal brengt het alleen kosten en ellende met zich mee.’

Een van de gevaren voor financieel kwetsbare mensen is het flitskrediet. Daar zitten vaak heel veel haken en ogen aan, die over het hoofd worden gezien op het moment van nood waarop het wordt afgesloten. Ook creditcards kunnen een valkuil vormen. ‘Je kunt er in veel winkels niet mee betalen. Als je er geld mee opneemt, moet je een kleine boete betalen van rond de vijf euro. Toch is het vaak dé redding om het ene gat met het andere te dichten of om even geld te hebben om te eten.’

Digitaal contact

Socialdebt is er voor jongeren tot 27 jaar met een schuld tot maximaal 2.500 euro. Mochten er bijkomende problemen zijn zoals verslaving, dan helpt Socialdebt je door je door te verwijzen naar andere instanties. Als jongeren schulden hebben boven onze norm, dan spelen er vaak ook andere complexe uitdagingen. In een enkel geval is kwijtschelding van de schulden de enige manier om uit de vicieuze cirkel te komen, maar dat doen we liever niet.

Het contact tussen de jongeren die Socialdebt helpt verloopt hoofdzakelijk digitaal. Ze hoeven niet naar een loket of iets dergelijks te komen, maar ze kunnen wel aangeven hoe laat ze gebeld willen worden door hun toekomstige begeleider. Of videobellen.

‘Het is heel belangrijk dat jongeren de controle weer terugkrijgen. Het gevoel van hulpeloosheid moet doorbroken worden. Dat gaat met kleine stapjes. Vaak durf je, als je schulden hebt, een brief of een e-mail niet te openen. Of je durft je telefoon niet op te nemen als je een onbekend nummer ziet. Ze moeten hun zelfvertrouwen terugkrijgen.’

In sommige gevallen leren de jongeren ook (beter) met geld omgaan. Wat moet je wel doen en wat niet? Oulel zegt in zijn boek niet voor niets dat het veel beter zou zijn als bedragen als huur- en zorgtoeslag niet gestort werden op de rekening van de begunstigde, maar rechtstreeks aan de verhuurder of de zorgverzekeraar werden betaald. Dan kom je ook niet in de verleiding om het voor iets anders te gebruiken. De huur en je zorgverzekering moet je immers altijd betalen.

Bedrijven ontdekken Socialdebt

Socialdebt is een stichting, geen winstgevend bedrijf met een heleboel geld. Ze zijn dus afhankelijk van giften. Steeds meer bedrijven ontdekken Socialdebt en zijn bereid de stichting te steunen. Dat doen ze ook vanwege de vier basisprincipes: schaamte doorbreken door jongeren te bereiken, empoweren en motiveren, menselijkheid centraal stellen en vroegtijdig ingrijpen om te voorkomen dat een sneeuwbal een lawine wordt. Vooral door de bijkomende kosten die incassobureaus rekenen, is deze business zeer winstgevend over de rug van mensen met schulden. Er is sprake van een verdienmodel en daarom spreekt Jamal Oulel van ‘de schuldenfabriek’. Het is niet voor niets dat dit de titel van zijn zeer leerzame boek is geworden. Een must voor iedereen die veel met jongeren werkt.

De schuldenfabriek, Jamal Oulel, Business Contact, 160 blz., € 22,99

Israëlische archeoloog Greenberg: ‘Je kunt archeologie niet los zien van politiek’

0

De Israëlische archeoloog Raphael Greenberg zet regelmatig de zaken op scherp met zijn onconventionele visie op archeologie in het Bijbelse land. ‘Kolonisten gebruiken archeologische vondsten om nederzettingen te rechtvaardigen.’

Professor Raphael Greenberg is onlangs met pensioen gegaan als docent aan de Tel Aviv Universiteit, maar dat betekent niet dat zijn kritische stem verloren is gegaan. Greenberg laat regelmatig van zich horen, in academische kringen maar ook daarbuiten. Hij noemt de archeologie ‘inherent politiek’ en ziet dat die momenteel als politiek instrument wordt ingezet, bijvoorbeeld om Palestijnen van hun land te verjagen.

Vorig jaar kreeg hij het aan de stok met Israëls minister van Erfgoed, Amichai Eliyahu, die zijn uitspraken niet in dank afnam. Inmiddels heeft hij veel tijd gehad om na te denken, vertelt hij via een videoverbinding. ‘Ik wil niet zeggen dat dit inherent is aan archeologie in Israël. Ik denk dat archeologie in het algemeen niet los gezien kan worden van politiek.’

Waarom niet?

‘Archeologie heeft vaak te maken met macht. Dit was vroeger al zo. Koloniale heersers uit Frankrijk of Engeland konden vergunningen uitgeven voor opgravingen waar ze maar wilden. Dit was een vorm van machtsvertoon, kenmerkend voor het imperialisme van de westerse wereld.

Raphael Greenberg

Archeologen liften mee op die golf, zonder na te denken over hun privileges. Het is voor hen vanzelfsprekend om oudheden te verzamelen waar ze maar willen, ze op te graven en mee naar huis te nemen naar hun musea of privécollecties. Dat is nog steeds zo, ik denk dat dit inherent is aan de archeologie. Als archeoloog ben je afhankelijk van een hogere macht die beslist dat het interessant is om in een bepaald gebied te gaan graven. Wanneer je je opgravingsvergunning krijgt, wanneer je eropuit trekt, wanneer je ervan uitgaat dat je kunt doen wat je wilt, dan maak je gebruik van een privilege dat is opgebouwd onder het kolonialisme.

‘Koloniale heersers uit Frankrijk of Engeland konden vergunningen uitgeven voor opgravingen waar ze maar wilden’

Als mijn academische ambities me naar een archief, een bibliotheek of een laboratorium zouden leiden, dan was dat misschien geen probleem. Maar in het geval van archeologie leiden mijn bezigheden me naar de publieke ruimte, naar land dat eigendom is van mensen, bewerkt wordt door mensen, of dat waarde heeft voor andere mensen, verschillende soorten mensen. Dan is alles wat een archeoloog doet een interventie in iemands leven op een bepaald niveau.

Als iemand uit Londen iets gaat opgraven in Sussex, zal dat niet worden gezien als een interventie. Maar als dit gebeurt binnen de context van een conflict, of binnen gemeenschappen met verschillende machtsverhoudingen, dan zie je opeens duidelijk dat archeologie gepolitiseerd is.’

Welke privileges hebben westerse archeologen in Israël en de Palestijnse gebieden?

‘Er is een aanname dat alles in de Bijbelse landen van vitaal belang is voor de westerse beschaving. Dat deze westerse beschaving de erfgenaam is van alle voorgaande beschavingen, omdat die allemaal tot de westerse beschaving hebben geleid.

‘Als je de Bijbel niet noemt, dan komt er geen geld vrij’

Daarom willen we natuurlijk opgravingen doen in de Bijbelse landen en dat is ook interessant, maar de archeologen die dit doen komen voornamelijk uit het Westen. Je zal niet zo snel een Soedanees of een Egyptenaar aantreffen. Bovendien is het allemaal gericht op de Bijbelse geschiedenis. Als we iets anders zouden willen bestuderen, zoals bijvoorbeeld het dagelijks leven, de relatie tussen de omgeving en de mens, of de manier waarop het landschap boeren of stadsbewoners beïnvloedt, dan zou niemand komen. Als je de Bijbel niet noemt, dan komt er geen geld vrij.

Er zijn wel pogingen gedaan om aan deze westerse canon te ontsnappen. Dit deed bijvoorbeeld de wetenschapper William Dever aan de Universiteit van Arizona in de jaren tachtig. Dever wilde zich afzetten van de Bijbelse archeologie en zich concentreren op objectieve, op bewijs gebaseerde interpretaties van archeologisch materiaal. Hij noemde het Syro-Palestijnse archeologie, volgens hem een neutrale, apolitieke term. Niemand kwam erop af. Na een paar jaar werd zijn eigen afdeling aan de universiteit ontmanteld. Zijn studenten waren vertrokken en hij kon nergens financiering voor krijgen.’

Ligt archeologie op de Westbank extra gevoelig, denkt u?

‘Het internationaal recht beschouwt de oudheden van de Westelijke Jordaanoever en de bijbehorende universiteit als bezet gebied. Het behoort toe aan de mensen die in de bezette gebieden wonen, dat wil zeggen de Palestijnen. Noch Israëliërs, noch anderen hebben het recht om die oudheden te onttrekken, ze mee te nemen en ermee te doen wat ze maar willen. Dat is dus heel duidelijk en dit wordt erkend door Israëlische rechtbanken.

Er bestaat wel discussie over Oost-Jeruzalem, dat Israël heeft geannexeerd. Dit heeft niemand behalve Israël zelf erkend.’

Maar er ligt wel een wetsvoorstel om de Israëlische wetgeving inzake oudheden uit te breiden naar de Westelijke Jordaanoever.

‘Dat klopt. Er zijn pogingen om de bevoegdheden van de Israëlische oudheidkundige dienst uit te breiden naar de Westelijke Jordaanoever, om een parallelle oudheidkundige dienst op te zetten, of om Israëlische onderzoekers toe te staan opgravingen te verrichten en deze oudheden mee te nemen naar hun universiteiten om ze te bestuderen. Maar dat is dus in strijd met het internationaal recht en dat biedt weinig ruimte voor nuance.’

Op welke manier beïnvloeden politieke ambities zoals deze de Palestijnen die er wonen?

‘Wat er de afgelopen paar jaar is gebeurd onder invloed van de Gaza-oorlog, is dat de kolonisten en hun aanhangers binnen de Israëlische regering, waaronder de minister van Erfgoed, oudheden zijn gaan gebruiken om land te beheersen.

Dit gebeurde stapsgewijs. Het begon met onderzoek van archeologen naar locaties waar oudheden te vinden zijn. Deze locaties brachten ze in beeld op een kaart, waarop per locatie de periode wordt vermeld. Dit deden ze, zo dachten ze, in dienst van de wetenschap.

Op deze kaart zijn vervolgens locaties gemarkeerd die prioriteit verdienen omdat hier interesse en dus geld voor is. De voorkeur werd gegeven aan Joodse of Bijbelse oudheden boven andere oudheden. Hier zie je dus al dat de archeologie politiek gekleurd begint te raken. Vervolgens werden alleen deze locaties nog op de kaart aangegeven. Op deze kaarten zie je bijvoorbeeld geen moskeeën die tussen de achttiende en twintigste eeuw op de Westelijke Jordaanoever zijn gebouwd.

‘De kolonisten denken dat het hun geschiedenis is’

Volgens het ministerie van Erfgoed lopen deze locaties gevaar omdat ze in Palestijns gebied liggen. Ze zouden worden aangetast en daarom beschermd moeten worden. Toen kwamen de kolonisten om de hoek kijken, je weet wel, die supergewelddadige expansionistische groepen die nieuwe nederzettingen stichten. Zij gebruiken nu deze kaart met de archeologische locaties om hun aanwezigheid te rechtvaardigen. Ze kunnen hun nederzettingen zelfs vernoemen naar de nabijgelegen plek, zoals de nederzetting die gepland is nabij een archeologische vindplaats genaamd ‘Het altaar van de berg Ebal’, die door de kolonisten wordt toegeschreven aan de verovering van Kanaän door Jozua.

Daarbij doet het er niet veel toe wat er precies op die plek is gevonden, of dat er bewijs is van Joodse aanwezigheid. Het gaat erom dat er nu Arabieren zijn die de geschiedenis schrijven. De kolonisten denken dat het hun geschiedenis is.’

Wat doet dit met u als archeoloog?

‘Dit vermengt archeologisch onderzoek volledig met de politieke inzet ervan en ik zeg niet dat archeologen daar onschuldig aan zijn. Het is niet zo van: oh, ik deed gewoon mijn werk en plotseling kwamen deze kwaadaardige mensen en namen zij mijn opgraving over. Je wist dat dit zou gebeuren, want je begon met het maken van deze kaart, waarop bepaalde periodes en bepaalde culturele kenmerken prioriteit kregen. Dan kun je niet verbaasd zijn dat de minister van Erfgoed, die lid is van een fascistische en racistische partij Otzma Yehudit, dit vervolgens gebruikt.

We zijn het tijdperk van onschuld voorbij. Archeologen moeten bewuster worden, zich politiek laten bijscholen en begrijpen wat de gevolgen zijn van hun werk.’

Hoe reageert men in Israël op deze boodschap?

‘Ik moet toegeven dat ik in Israël niet erg succesvol ben geweest. Ik denk dat veel mensen het hier stilletjes mee eens zijn, maar het niet hardop zeggen en ik begrijp niet helemaal waarom. Ik bedoel, ik weet dat sommige mensen hun brood verdienen met de steun van ultrarechtse filantropen, ultrarechtse kolonisten en een ultrarechtse regering. Er gaat veel overheidsgeld naar opgravingen. Ik begrijp dat sommige mensen daarvan afhankelijk zijn, maar niet iedereen.

We kunnen er ook voor kiezen, zoals ik heb gedaan, om kleinere projecten te gaan doen. Dingen die minder publieke weerklank hebben en misschien niet op sociale media terechtkomen. Je kunt een ander soort archeologie kiezen. Daar krijg je minder publiciteit mee, maar je geweten zal in ieder geval schoon zijn.’

U heeft wel eens benadrukt dat er nooit een periode is geweest waarin dit stuk land alleen Joods of alleen Arabisch was. Is dat een vredesboodschap?

‘Klopt, er is geen enkele tijd geweest waarin iedereen hetzelfde was, dat er een uniforme cultuur heerste of iedereen dezelfde taal sprak. Er woonden altijd, ook in de Bijbelse periode, verschillende etnische groepen en zij stonden in contact met elkaar.

Dit is een kenmerk van dit deel van de wereld en wat mij betreft ook de krachtigste les die we uit het verleden kunnen trekken: het inzicht dat er altijd beweging van mensen en ideeën is geweest. Dat dit bovendien zeer productief is geweest omdat het culturele diversiteit en creativiteit heeft gecreëerd. Dat zal een zeer krachtige bron van hoop zijn voor de mensen die hier wonen.

Ik wil in dit opzicht nog iets benadrukken. Deze politiek, die archeologie gebruikt om ideeën over Joodse superioriteit tussen de rivier en de zee te promoten, heeft er ook voor gezorgd dat mensen het Palestijnse inheemse bestaan geneigd zijn te zien als iets dat in strijd is met archeologie. Dat zou een grote vergissing zijn. Er zijn niet alleen veel Palestijnse archeologen op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza, maar de Palestijnse cultuur en de Palestijnen hebben ook een rol gespeeld in de ontwikkeling van de archeologie. Er zijn dus manieren om Palestijnse archeologie te bedrijven die niet zionistisch is en niet als wapen wordt ingezet.’

Is daar ruimte voor?

‘Het is zeker mogelijk, maar je moet afstand doen van allerlei privileges. Dat geldt zeker als je Israëliër bent, maar dat geldt ook voor westerse archeologen die hier komen. Ze moeten zich los kunnen maken van het Bijbelse apparaat en al die ideeën over het Heilige Land. Dat klinkt als zelfmoord voor archeologen in de academische wereld.

‘Het is belangrijk om een standpunt in te nemen’

Een voorstel om bijvoorbeeld een Israëlitische genetische voetafdruk te identificeren die we door de regio heen kunnen volgen, zal altijd eerder financiering krijgen dan onderzoek naar het DNA van een gemeenschap uit de Bronstijd. Het eerste voorstel speelt in op racistisch en essentialistisch denken over etniciteit, groepen en culturen. Wie waren Joods, wie niet? Dit essentialistische denken is hoe racisten de wereld zien.’

Hoe kunt u deze boodschap de wereld in krijgen?

‘Ik kan alleen doen waar ik goed in ben. Ik ben nu gepensioneerd. Dat betekent dat ik geen les meer geef. Ik schrijf nog wel academische stukken en ik heb nog steeds een positie aan de universiteit, waar ik studenten begeleid.

Ik denk dat ideeën kracht hebben. Dingen die je schrijft en die de wereld in gaan, worden opgepikt. Misschien pikken studenten deze ideeën op en gaan ze ermee verder. Het is niet makkelijk. Het kan zijn dat je met deze ideeën niet overal wordt uitgenodigd, of het grote geld bereikt. Dat geldt wellicht ook voor mijn studenten. Maar het is belangrijk om een standpunt in te nemen. Als archeoloog moet je verantwoording af kunnen leggen. Welke privileges heb je, hoe heb je die gekregen en wie lijden hieronder? Dit zijn dingen waarover iedere archeoloog moet nadenken.’

Suggesties over Marokkaanse invloed kunnen wantrouwen vergroten

0

Het artikel Monitor Lange Arm Rabat waarschuwt Kamer voor groeiende Marokkaanse inmenging van 6 maart over vermeende Marokkaanse inmenging vraagt om een reactie, stelt Abderahmane Chrifi: ‘Ik ben in al die jaren nooit onder druk gezet of bedreigd.’

Aan de leden van de Tweede Kamer en betrokkenen bij het maatschappelijk debat,.

Met zorg heb ik kennisgenomen van het artikel waarin anonieme bronnen spreken over vermeende grootschalige inmenging van de Marokkaanse overheid in Nederland. Als iemand die zich al meer dan vijfentwintig jaar inzet voor dialoog, verbinding en wederzijds begrip tussen verschillende gemeenschappen, voel ik de verantwoordelijkheid om hierop op een zorgvuldige en verbindende manier te reageren.

Anonieme bronnen

Laat ik beginnen met te zeggen dat waakzaamheid rondom ongewenste buitenlandse beïnvloeding vanzelfsprekend belangrijk is in een democratische rechtsstaat. Transparantie en bescherming van onze vrijheden zijn waarden die wij allen delen. Tegelijkertijd vraagt dit onderwerp om uiterste zorgvuldigheid, juist omdat het direct raakt aan het vertrouwen tussen mensen, gemeenschappen en instituties.

De aantijgingen die in het artikel worden gedaan, zijn gebaseerd op anonieme bronnen en blijven daardoor moeilijk te verifiëren. Er wordt een beeld geschetst waarin Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond structureel onder druk zouden staan of zelfs bedreigd zouden worden door de Marokkaanse overheid. Vanuit mijn eigen ervaring herken ik mij hier niet in. In al mijn jaren van inzet voor dialoog en samenwerking – vaak juist in gevoelige en complexe contexten – ben ik nooit benaderd, onder druk gezet of bedreigd om een bepaalde richting te kiezen. Sterker nog, in al die jaren ben ik ook nooit mensen tegengekomen, noch heb ik van anderen gehoord, die dergelijke negatieve ervaringen hebben gehad zoals in het artikel wordt geschetst.

Wat mij in het bijzonder raakt, is de manier waarop initiatieven die juist gericht zijn op verbinding, zoals iftarbijeenkomsten tijdens de ramadan, in een verdacht daglicht worden geplaatst. Deze bijeenkomsten zijn in de praktijk momenten van ontmoeting, openheid en bruggenbouw, waar mensen van verschillende achtergronden elkaar vinden in respect en menselijkheid. Het framen van dergelijke initiatieven als mogelijke instrumenten van beïnvloeding doet geen recht aan de oprechte intenties van de vele vrijwilligers en organisatoren die zich hiervoor inzetten.

In een tijd waarin polarisatie al zichtbaar groeit, moeten we extra zorgvuldig zijn met woorden

Het is daarbij belangrijk om te benadrukken dat dergelijke iftarbijeenkomsten niet alleen door gemeenschappen zelf worden georganiseerd, maar juist ook door Nederlandse organisaties en instellingen. Zo organiseren onder andere politie, marechaussee en gemeenten regelmatig iftars om de verbinding met de samenleving te versterken, wederzijds vertrouwen op te bouwen en het gesprek met burgers aan te gaan. Dit onderstreept dat deze bijeenkomsten breed worden erkend als waardevolle momenten van ontmoeting en niet als instrumenten van beïnvloeding.

Daarnaast baart het mij zorgen dat ook het vertrouwen in Nederlandse gezagsdragers impliciet ter discussie wordt gesteld. Burgemeesters, wethouders en andere publieke functionarissen nemen regelmatig deel aan bijeenkomsten binnen diverse gemeenschappen, juist om de verbinding te versterken en betrokkenheid te tonen. Het suggereert een ongewenste en onterechte verdenking wanneer hun aanwezigheid wordt uitgelegd als mogelijke beïnvloeding of zelfs legitimatie van verborgen agenda’s.

Een dergelijk narratief draagt het risico in zich dat het wantrouwen tussen groepen in onze samenleving verder toeneemt. In een tijd waarin polarisatie al zichtbaar groeit, moeten we extra zorgvuldig zijn met woorden en aannames die mensen tegenover elkaar kunnen zetten.

Vriendschap sinds 1610

Daarbij is het goed om te beseffen dat de relatie tussen Nederland en Marokko geen recente ontwikkeling is, maar teruggaat tot meer dan vier eeuwen. Sinds het vriendschapsverdrag uit 1610 bestaan er diplomatieke en handelsrelaties tussen beide landen. Door de eeuwen heen hebben deze banden zich ontwikkeld tot een veelzijdige relatie, waarin economische, culturele en menselijke verbindingen centraal staan. Deze lange geschiedenis is geen bijzaak, maar een fundament dat juist uitnodigt tot wederzijds respect en zorgvuldigheid in het heden.

Dat betekent niet dat kritische vragen niet gesteld mogen worden – integendeel. Maar laten we die vragen baseren op verifieerbare feiten, open dialoog en wederzijds vertrouwen, en niet op aannames die moeilijk te toetsen zijn en die het risico dragen om hele gemeenschappen in een verdacht kader te plaatsen.

Mijn oproep is dan ook om het gesprek te blijven voeren op een manier die recht doet aan de complexiteit van onze samenleving, zonder groepen te stigmatiseren of bruggen af te breken die met veel inzet zijn gebouwd.

Laten we blijven investeren in wat ons samenbrengt: respect, openheid en de wil om elkaar te begrijpen.

Paus spreekt zich uit tegen religieuze legitimering van Iranoorlog

0

‘God weigert de gebeden van diegenen die met bebloede handen oorlog voeren.’ Dit zei paus Leo XIV tijdens de zondagsmis op Palmzondag.

De leider van de Rooms-katholieke kerk veroordeelt daarmee indirect de Amerikaanse minister van Defensie Pete Hegseth, die een gebed van ‘overweldigend geweld’ tegen Iran voorging, zo bericht Deutsche Welle.

‘Broeders en zusters, dit is onze God: Jezus, de Koning van de Vrede, die oorlog afwijst en door niemand kan worden gebruikt om oorlog te rechtvaardigen’, zei Leo tijdens de mis. ‘Hij luistert niet naar de gebeden van degenen die oorlog voeren, maar wijst die af en zegt: ‘Ook al bidt u veel, Ik luister niet: uw handen zijn met bloed bevlekt.” De paus wil dat er zo snel mogelijk een staakt-het-vuren komt tussen de oorlogsvoerende landen.

De verhoudingen tussen de Rooms-katholieke Kerk en Israël zijn sinds kort weer gespannen. Gisteren verhinderde de Israëlische politie de viering van de Rooms-katholieke Palmzondagmis, die geleid zou worden door de Latijnse patriarch van Jeruzalem.

Deze actie leidde tot een diplomatiek conflict met Italië. De Italiaanse minister-president Giorgia Meloni noemde het optreden van de politie ‘een belediging, niet alleen voor gelovigen maar voor elke gemeenschap die godsdienstvrijheid erkent’. De Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken Antonio Tajani zei dat hij de Israëlische ambassadeur in Italië op het matje had geroepen over de zaak.

Joris Luyendijk: ik ben geen journalist meer

0

Joris Luyendijk wil zich geen journalist meer noemen. Dit zegt de ex-journalist bij de Ongelooflijke Podcast van de EO.

Luyendijk (54) is antropoloog en was ook journalist. Hij is een bekende mediapersoonlijkheid en auteur van de boeken Het zijn net mensen, over de verslaglegging in het Midden-Oosten; Dit kan niet waar zijn, over de bankencrisis; en last but not least De zeven vinkjes, over het fenomeen wit privilege.

Vorig jaar was hij ook te gast bij de Ongelooflijke Podcast. Toen vertelde hij dat Europa op eigen benen moest staan, omdat de Verenigde Staten onbetrouwbaar is geworden als bondgenoot. Het was de best bekeken Nederlandse podcastaflevering van het jaar.

Ondertussen is de wereldbrand niet geblust, maar zijn er nieuwe vuurtjes ontstaan. De Verenigde Staten zijn begin dit jaar Venezuela binnengevallen, president Donald Trump heeft enkele malen gedreigd om Groenland te annexeren en sinds 28 februari zijn de VS en Israël in oorlog met Iran. Europa doet niet mee, maar veroordeelt Trump niet. Volgens Luyendijk zeggen Europese politici niet wat ze echt vinden, om zijn toorn maar niet te wekken. Achter de schermen gebeurt er al veel, om onafhankelijker te worden van de VS, maar dit volgens Luyendijk wordt nauwelijks gecommuniceerd.

Interessant wordt het wanneer David Boogerd Luyendijk vraagt over zijn rol als journalist. Luyendijk vindt het echt heel goed dat veel journalisten op zoek zijn naar de waarheid en dit ook onpartijdig willen opschrijven. Dat heeft onze liberale democratie nodig. ‘Ik wil niet in de krant een stuk over wat er gisteren is gebeurd in Gaza door iemand die heeft besloten dat die is slecht en die is goed. Ik wil zo neutraal mogelijke brokstenen voor mijn wereldbeeld.’ Tegelijkertijd vindt Luyendijk het ook belangrijk dat er mensen zijn die vervolgens partij kiezen, wat ook noodzakelijk is voor de democratie.

Vervolgens komt het hoge woord eruit: ‘Maar ik zelf ben tot de conclusie gekomen dat mijn meerwaarde meer kan liggen in juist wel nu partij kiezen en niet meer de regels van de journalistiek volgen. Dus ik heb ook geen perskaart meer.’ Luyendijk wil kunnen zeggen dat we Oekraïne moeten steunen en dat we in gevaar zijn, als Europa, als de Russen doorbreken.

De visie op journalistiek van Joris Luyendijk staat haaks op die van Frederike Geerdink en veel andere uitgesproken linkse journalisten. Zij zien journalistiek als activisme en vinden dat je als journalist partij moet kiezen. Juist door partij te kiezen, bijvoorbeeld voor de Palestijnen, voor de vluchtelingen of voor LHBTQIA+, laat je zien dat je een goede journalist bent.

Acht miljoen Amerikanen demonstreren tegen Trump, toch blijft impact beperkt

0

Steeds meer Amerikaanse burgers demonstreren tegen Donald Trump. Op meer dan drieduizend plekken gingen zaterdag meer dan acht miljoen mensen de straat op in de Verenigde Staten. Toch blijft het onduidelijk in hoeverre de protesten zoden aan de dijk zetten, zo meldt de Volkskrant.

De zogenoemde ‘No King’-protesten tegen het beleid van president Donald Trump, brachten vorig jaar juni vijf miljoen mensen op de been. In oktober waren het zeven miljoen mensen. Tijdens het derde protest, afgelopen weekend, demonstreerden acht miljoen mensen.

Dat lijkt veel, in de Verenigde Staten wonen 349 miljoen mensen. De meeste mensen blijven thuis. Hoewel slechts 36 procent van de Amerikanen nu Trumps beleid steunt is de president binnen de Republikeinse Partij nog oppermachtig. Ook weet de Democratische Partij niet te profiteren van Trumps relatieve impopulariteit bij de kiezers. Op hete hangijzers zoals economie en migratie worden de Democraten nog minder vertrouwd dan Trump zelf, aldus de Volkskrant.

Het geweld van immigratiedienst ICE was afgelopen zaterdag een van de belangrijkste onderwerpen tijdens de ‘No King’-protesten. Maar het feit dat de demonstranten tegen een heleboel onderwerpen ageren laat zien dat de protestbeweging een structurele zwakte kent, aldus de Volkskrant. Trump grijpt stevig in op vrijwel alle terreinen van de samenleving. Daardoor klinkt er kritiek op zo’n beetje alles tegelijk.

Weinig moois

0

Voor Newroz was het al lente. De bloesems versierden de bomen. Oude schilders zouden naar hun schuur rennen om verf, penseel en doek te pakken. De lente duurde niet lang. Het weer sloeg om. Ineens zitten we in een winderige herfst. Het weer is hier altijd een onderwerp van actualiteit.

Verder valt er weinig moois te melden. De ene na de andere oorlog begint. Geen een eindigt echt. Het enige positieve aan oorlog is dat onze kennis van aardrijkskunde sterk verbetert. Sommigen van ons wisten waar Kyiv lag. Nu hebben velen van Charkov, Marioepol en Zaporisja gehoord. In Gaza weten we nu van Khan Younis. En dat er een grensovergang is die Rafah heet. Vaak is die potdicht. Rafah betekent welvaart. Zo welvarend is het er ook niet. Onze kennis van de geografie dijt verder uit. Nu weten we dat er een Straat van Hormuz is. Vele Dubaigangers wisten niet dat Dubai op een steenworp afstand van Iran ligt. Ik ben bang dat we binnen de kortste keren expert in alle werelddelen gaan worden.

Pasgeboren jongetjes krijgen het vaakst de naam Noah

Discotheken luiden de noodklok. Jongeren gaan tegenwoordig niet meer naar de disco. Ze gaan naar koffietentjes. En ze gaan naar de gym. De jeugd is door corona verpest, vinden de benadeelde disco-uitbaters.

Jongeren zijn bezig met gezonde voeding en veel bewegen. De ene na de andere gym opent de deuren. Supermarkten, die met alle winden meewaaien, hebben voor de zekerheid proteïnen in bijna alle producten gegooid. Laatst sprak ik een groep jongeren. We hadden het over proteïnen, spieren en de gym. Ik zei dat de staat mogelijk een geheim programma op hen heeft losgelaten. Wanneer er straks soldaten opgeroepen worden, is de hele jeugd alvast afgetraind. Ze konden er wel om lachen. Ik weet niet of ik het als grap had bedoeld.

Is er dan echt helemaal niets hoopvols te melden? Nou ja, misschien één ding. In de afgelopen jaren is het elk jaar raak: pasgeboren jongetjes krijgen het vaakst de naam Noah. Een Noah zal wel opstaan en ons in zijn Ark nemen en ons van deze zondvloed redden.

Wie stopt de oorlog?

Ik vrees dat de oorlog van de VS en Israël tegen Iran nog lang kan duren, zolang Israël niet wordt beteugeld.

Zelfs binnen Amerikaanse kringen klinkt die zorg. Joe Kent — directeur terrorismebestrijding en uitgesproken vertegenwoordiger van de pro-Trumpstroming, die vanwege de Iranoorlog ontslag heeft genomen — schreef op X:

‘Stap 1 in de-escalatie moet het beteugelen van de Israëliërs zijn, anders zullen alle onderhandelingspogingen dit patroon volgen: De president kondigt de-escalatie aan. Israël voert zware aanvallen uit om onderhandelingen te dwarsbomen. De oorlog escaleert opnieuw.’

Blijkens ook recente verklaringen van Israëlische zijde is dat geen loze waarschuwing. Ondanks diplomatieke druk van de VS heeft de Israëlische minister van Defensie, Katz, gezworen de aanvallen op Iran niet te staken.

Dan is de conclusie helder: zonder druk op Israël blijft deze cyclus zich herhalen.

Wat ook steeds duidelijker wordt, is dat de VS en Israël deze oorlog mogelijk niet kunnen winnen. Sommige deskundigen stellen zelfs dat zij al verloren hebben en trekken parallellen met Vietnam en Afghanistan, eerdere debacles voor Amerika. Tegelijk ondersteunen Rusland en China Iran indirect — via inlichtingen, technologie en economische samenwerking — terwijl zij directe militaire betrokkenheid vermijden.

Recent heeft Iran vijftien Amerikaanse voorstellen om de oorlog te stoppen afgewezen. Daarbij stelt Teheran dat de VS niet in de positie is om die voorwaarden te bepalen. Dat is harde taal en laat zien dat oorlog en diplomatie hand in hand gaan: Iran probeert zo zijn positie aan de onderhandelingstafel te versterken.

Journalist Layla El-Dekmak stelde in VPRO-programma Bureau Buitenland dat Israël Libanon behandelt als een ‘nieuw Gaza’ en dat de aanvallen gezien kunnen worden als een oorlog tegen de gehele Libanese bevolking, niet alleen tegen Hezbollah. Volgens berichten zijn er ruim duizend doden en meer dan een miljoen vluchtelingen. Israël stelt dat het militaire doelen treft, maar tegelijkertijd zien we dat ziekenhuizen, medicijnfabrieken en vitale infrastructuur worden geraakt. De vraag dringt zich op: waar ligt de grens tussen militaire strategie en collectieve bestraffing?

Als we Israël en het Midden-Oosten willen begrijpen, moeten we naar Libanon kijken. Terwijl de wereld focust op Iran, voltrekt zich daar een andere werkelijkheid. Israël voert stap voor stap een strategie uit: het uitbreiden van landgrenzen. De aankondiging dat Zuid-Libanon tot aan de Litani-rivier is geannexeerd, past in een patroon dat al jaren zichtbaar is. Geen vrede, maar voortdurende repressie en oorlog als middel. Israël is bovendien al jaren bezig met de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en recent heeft Israël na de val van Assad de Golanhoogten en nog meer bezet in Syrië. Sommige Israëlische hoge functionarissen zeggen ook openlijk dat dit hun religieuze oorlog is. Canada heeft deze annexatie veroordeeld, gaat kabinet Jetten dat ook doen? Of gaan zij zeggen dat zij ook voor deze annexatie ‘begrip’ hebben?

Regime change van buitenaf, zonder interne dynamiek, leidt zelden tot stabiliteit

Tegelijk zien we een verwarrende realiteit. President Trump spreekt over onderhandelingen met Iran, maar stuurt tegelijkertijd extra troepen naar de regio. Die tegenstrijdigheid laat zien hoe onzeker en instabiel de koers is. Wat wél duidelijk is: het draagvlak binnen de Verenigde Staten voor verdere escalatie neemt af. Meer dan de helft van de Amerikanen steunt de oorlog niet, zeven procent steunt de eventuele inzet van grondtroepen. Steeds meer Amerikanen vragen zich af waarom zij betrokken raken bij een conflict dat niet in hun belang lijkt. Velen roepen dat ze niet voor Israël willen vechten.

Ondertussen zijn de echte slachtoffers, zoals altijd, burgers: kinderen, vrouwen en ouderen — zowel in Iran (denk aan de schoolmeisjes op de eerste dag van de oorlog) als in Israël. De economische gevolgen worden wereldwijd voelbaar: stijgende energie- en boodschappenprijzen, onzekerheid en groeiende instabiliteit.

Dat betekent niet dat andere actoren buiten beeld moeten blijven. Hezbollah en het Iraanse regime dragen eveneens verantwoordelijkheid en verdienen veroordeling. Tegen deze oorlog zijn, betekent niet dat men pro-Iran of pro-Hezbollah is. Het betekent dat men kiest tegen verdere escalatie en tegen de illusie dat militaire interventies complexe samenlevingen kunnen hervormen.

De lessen uit Afghanistan en Irak zijn duidelijk. Regime change van buitenaf, zonder interne dynamiek, leidt zelden tot stabiliteit en vaak tot meer chaos en geweld.

Juist daarom ligt hier een verantwoordelijkheid voor Europa. Niet als passieve toeschouwer, maar als actor met een eigen moreel kompas. Een langdurige oorlog betekent onvermijdelijk meer instabiliteit, hogere energieprijzen en nieuwe vluchtelingenstromen richting Europa — eerst naar Turkije en uiteindelijk naar Europa zelf.

Europa moet zich daarom afvragen: volgt het opnieuw blind zijn bondgenoten, of durft het een eigen koers te varen? Diplomatie moet de eerste stap zijn, maar als dat faalt, zullen ook politieke en economische middelen overwogen moeten worden om verdere escalatie te voorkomen.

Daarom moeten wij niet stil blijven. Spreek je uit tegen deze oorlog. Zoals aankomende zaterdag op het Malieveld gebeurt. Want zwijgen in tijden van escalatie is geen neutraliteit, maar het accepteren van wat volgt. Want de wereld is niet meer die van vijftig jaar terug, het is een groot dorp en alles wat elders plaatsvindt, zal ons ook raken. En het raakt ons ook.

De vraag die blijft hangen is niet alleen hoe deze oorlog eindigt, maar of iemand de moed heeft om die te stoppen.

Moslims verontwaardigd over Jettens uitspraken over antisemitisme

0

Tot verontwaardiging van veel moslims stelde premier Rob Jetten in het programma van Eva Jinek dat antisemitisme voorkomt in Nederlandse moslimgemeenschappen. Islamitische D66’ers blijven stil over deze uitspraak.

‘Er zijn islamitische gemeenschappen in Nederland waar je, als je de tv aanzet, online of op weekendscholen, verkeerde dingen krijgt aangeleerd. Niet alleen over Joden, maar ook over vrouwen en homo’s’, zei premier Rob Jetten vorige week in het praatprogramma van Eva Jinek.

Dat hij de islamitische gemeenschap als enige religieuze groep uitlichtte en met antisemitisme in verband bracht, heeft bij veel Nederlandse moslims kwaad bloed gezet. Onder anderen de schrijver Abdelkader Benali sprak zich uit en vindt dat Jetten de islamitische gemeenschap met die uitspraken voor de bus heeft gegooid.

‘Naarstig ging ik zoeken naar de kanalen en weekendscholen waar moslims op systematische wijze worden gedrild om Joden te haten en homo’s te vervloeken’, schrijft hij. Ook kaatste hij de bal terug: ‘Als we islamofobie onder Joodse of christelijke kringen zouden onderzoeken, dan ben ik bang dat ook daar heel wat drek komt bovendrijven’, aldus Benali.

De woordvoerder van Jetten zegt dat de premier deze uitspraken deed ‘naar aanleiding van de gebeurtenissen van vorig weekend en na zijn gesprekken maandag met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap’. Maar wat ‘islamitische gemeenschappen’ of weekendscholen te maken hebben met de gebeurtenissen waar Jetten op doelde, is onduidelijk. De Volkskrant wijst, nog speculatief, naar Iran, dat in oorlog is met Israël en Amerika.

‘Antisemitisme zit in onze hele samenleving’

Jetten zei in de talkshow van Eva Jinek verder: ‘Antisemitisme zit in onze hele samenleving, daar moeten we klip en klaar over zijn. Het komt in alle rangen en standen voor. En het is overal onacceptabel. We zien het in een aantal islamitische gemeenschappen, waar veel fundamentalistische invloeden zijn, dat antisemitisme daar veel meer aan de oppervlakte zit. Daar hebben ook veel Joodse Nederlanders last van. Op straat, in de supermarkt, op andere plekken.’

Ook wees hij naar ‘een bepaalde politieke partij (Forum voor Democratie, red.)’, ‘waar je gewoon op de lijst kan staan voor gemeenteraadsverkiezingen als je openlijk antisemiet bent geweest. Dus we moeten al die vormen van antisemitisme benoemen, met die mensen in gesprek gaan. En als mensen over de schreef gaan, zorgen dat ze daar ook de consequenties van ondervinden. En in de hele samenleving moeten we dat bewustzijn sterk vergroten’, zei Jetten.

Maar waarom wordt de islamitische gemeenschap genoemd als enige religieuze gemeenschap waar antisemitisme zou voorkomen? De Kanttekening vraagt het nogmaals aan de woordvoerder van Rob Jetten, die namens de premier het volgende verklaart: ‘Het is ook niet de hele gemeenschap. Een aantal mensen die bij het gesprek aanwezig waren namens de Joodse vertegenwoordiging, had ook berichten gekregen van een aantal islamitische koepelorganisaties, die zich heel ferm uitspraken tegen de aanvallen die ze vrijdag en zaterdag in Rotterdam en Amsterdam hadden gezien.’

‘Ik ben zelf bij een iftar aanwezig geweest afgelopen maand, waar juist heel bewust mensen van verschillende geloven waren uitgenodigd om met elkaar die dialoog te voeren’, laat Jetten via de woordvoerder weten. ‘En het pijnlijke is dat een aantal van die vertegenwoordigers uit de islamitische gemeenschap ook zegt dat ze begrijpen waar de Joodse gemeenschap doorheen gaat. Want ook zij hebben vaak te maken met racisme en discriminatie: iedereen wordt over één kam geschoren. Het gaat er ook om hoe we daar samen tegen ten strijde trekken.’

Islamitische D66’ers

Of met deze zalvende woorden van de premier voor Nederlandse moslims de kous af is, moet nog blijken. Veel islamitische D66’ers die we om een reactie vroegen, hebben niet gereageerd op hoe zij de woorden van hun partijleider hebben ervaren.

‘Wel iftars bezoeken en tegelijkertijd een hele gemeenschap in verband brengen met antisemitisme’

Zouhair Saddiki

Zouhair Saddiki, lid van D66 en docent aan de Hogeschool Rotterdam, wil wel praten. ‘Ik begrijp dat de woorden van de premier bij sommige mensen wringen. Het benoemen van “islamitische gemeenschappen” in relatie tot antisemitisme kan snel generaliserend worden opgevat, terwijl het juist gaat om individuen die zich schuldig maken aan haat’, zegt hij. ‘Het is gemakzuchtig en werkt stigmatiserend, terwijl je in een leiderschapspositie zorgvuldigheid en verbinding wilt betrachten in plaats van politisering. Als je dialoog en verbinding wilt bevorderen, benoem je deze individuen en het gedrag, niet hele gemeenschappen.’

Ook vindt hij het inconsistent van Jetten. ‘Wel iftars bezoeken en tegelijkertijd een hele gemeenschap in verband brengen met antisemitisme. In de praktijk zie ik juist dat veel islamitische organisaties actief inzetten op dialoog, op het tegengaan van polarisatie en op het bouwen van vertrouwen’, aldus Saddiki.

Rode Lijn-demonstraties

De schrijver en mbo-docent Bilal Ben Abdelkarim is niet zo verrast door de anti-islamitische uitglijder van Jetten. ‘Het past in een breder patroon waar hij sinds de verkiezingscampagne mee bezig is, bijvoorbeeld met die Nederlandse vlaggen. Het past in zijn streven naar macht’, meent hij. ‘Hij wil de goedkeuring van rechts Nederland, en daar past dit, namelijk het criminaliseren van moslims, heel goed bij.’

Volgens Ben Abdelkarim is Jetten een ‘opportunist’ geworden in zijn streven naar macht. ‘We spreken over een man die zich heel graag liet fotograferen tijdens de Rode Lijn-demonstraties in Amsterdam. En nu, als premier, nu hij een positie heeft waarin hij iets zou kunnen betekenen, blijkt hij kritiekloos ten aanzien van Israël.’

‘Wellicht zijn er op de achtergrond gesprekken gaande’

Over de antisemitisme-uitspraak bij islamitische gemeenschappen merkt Ben Abdelkarim het volgende op: ‘Wat mij opvalt bij Nederlands antisemitisme, is dat hij dan een specifieke politieke partij noemt. Dus als het om Nederlanders gaat, dan is hij heel specifiek. Dan heeft hij het over een politieke partij, dan heeft hij het over voetbalclubs. Hij zegt niet de Nederlandse gemeenschap, hij zegt niet de rechtse gemeenschap, hij zegt niet de christelijke gemeenschap, hij zegt niet de seculiere of atheïstische gemeenschap. Hij heeft het heel specifiek over voetbalclubs en een politieke partij. En dan zie je wederom dat de islamitische gemeenschap niet als individuen wordt gezien, niet als burgers en dus eigenlijk ook niet als mensen.’

Over de stilte van islamitische D66’ers zijn beide heren duidelijk.

Saddiki: ‘Het zwijgen van islamitische D66’ers zegt iets over de politieke kwetsbaarheid waarin zij verkeren. Men wil geen splijtzwam zijn, maar zwijgen helpt het probleem niet. Ik vermoed dat het ook een soort strategische terughoudendheid is: angst voor framing en loyaliteit aan de partij. Want de waan van de dag is ook wel zo dat als je je hierover publiekelijk uitspreekt, je vandaag politiek relevant bent en morgen niet meer. Wellicht zijn er op de achtergrond gesprekken gaande om Rob Jetten niet af te vallen. Maar ik vermoed dat deze spindoctor er een van dat kaliber is: niet cultuur-maatschappelijk sensitief.’

Ben Abdelkarim: ‘Ik vind het echt beschamend. Ik bedoel, je gaat de politiek in, denk ik, met een bepaald idealisme om de wereld te verbeteren. En als je baas — want zo gedraagt hij zich — iets zegt en je houdt je mond om je positie veilig te stellen, dan vind ik dat zwak.’