In de Rotterdamse bioscoop LantarenVenster draaide de documentaire ‘Van straat naar Hoop’. De film gaat over vrijwilligers van Time to Help die straatkinderen in Tanzania helpen.
In het Rotterdamse filmtheater LantarenVenster draaide vorige week eenmalig de ruim 40 minuten durende documentaire Van straat naar Hoop – De ware kanjers in Tanzania in première. De film, gemaakt door stichting Time to Help, laat zien hoe relatief kleine hulpacties een groot verschil kunnen maken in het leven van kwetsbare kinderen en gezinnen in Tanzania.
De zaal zat vol vrijwilligers, donateurs en nieuwsgierige Rotterdammers. De sympathieke en veelzijdige presentator Karim Amghar — onderwijzer, programmamaker bij NTR en columnist bij Trouw en De Correspondent — praatte de middag op informele wijze aan elkaar, met veel shout-outs en applaus voor de vrijwilligers die het werk mogelijk maken.
Andere kant van de wereld
Centraal in de documentaire staat het werk van Time to Help in Dar es Salaam, waar de stichting samenwerkt met lokale partners om straatkinderen een veilige plek te bieden. ‘We wilden laten zien hoe een paar euro aan donaties in Nederland levens veranderen aan de andere kant van de wereld’, zegt projectcoördinator Fatma Öz, inmiddels veertien jaar betrokken bij de organisatie. Zij vertelt dat de film vooral gaat over menselijkheid en verbinding. ‘We realiseren ons dat we niet de hele wereld kunnen veranderen’, vertelt ze aan Karim, ‘maar we kunnen wel met kleine stappen iemands wereld veranderen en diens leefomstandigheden verbeteren.’
In de documentaire is te zien hoe een gemengde groep vanuit Nederland naar Tanzania reist, hoe daar opvanglocaties worden opgeknapt, hoe kinderen voor het eerst in een eigen bed slapen en hoe vrijwilligers samen met lokale medewerkers scholen renoveren. ‘Van op de grond slapen naar een eigen bed, dat maakt daar een enorme impact’, zegt Fatma. ‘Je wieg bepaalt je lot, zeker in moeilijke tijden. Als je ziet hoe kwetsbaar sommige kinderen zijn, dan wil je iets doen. Kinderen moeten gewoon kind kunnen zijn.’
‘Uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde: iets betekenen voor een ander’
Time to Help begon in Rotterdam en groeide in veertien jaar uit tot een internationale organisatie die actief is in meer dan 25 landen. De stichting werkt met een groot netwerk van vrijwilligers met uiteenlopende achtergronden: Nederlands, Turks, Marokkaans, Pakistaans, Hindoestaans enzovoort. ‘We maken geen onderscheid in geloof, afkomst of cultuur’, benadrukt Fatma. ‘Wij zijn allemaal eerst mens. En uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde: iets betekenen voor een ander.’
Die diversiteit is ook zichtbaar in de reizen naar Tanzania, waar vrijwilligers meewerken aan renovaties, onderwijsprojecten en activiteiten voor kinderen. ‘Het is geen gewone reis’, zegt Fatma. ‘Het is een ontmoeting van hart tot hart. Vrijwilligers zijn vaak gespannen voordat ze gaan, ze weten niet wat ze kunnen verwachten. Maar zodra ze de kinderen ontmoeten, valt alles op zijn plek.’

De documentaire volgt onder meer de samenwerking met Mohammed, een lokale imam in Dar es Salaam die zich inzet voor straatkinderen. Door de groeiende groep kinderen die hulp nodig heeft, zocht hij contact met Time to Help. Inmiddels ondersteunt de stichting 68 jongens in het district Magala. ‘We sluiten aan bij lokale initiatieven’, legt Fatma uit. ‘Zij weten wat er nodig is. Wij versterken dat.’
Vrijwilligers
Tijdens deze middag klinkt herhaaldelijk de oproep om je als vrijwilliger aan te melden. De stichting merkt dat vrijwilligers vaak anderen meenemen in hun enthousiasme. Collega’s, vrienden en familie sluiten zich aan of steunen projecten financieel. ‘Het werkt als een sneeuwbal’, vertelt Fatma na afloop van de voorstelling aan de Kanttekening. ‘Hoe meer mensen meegaan, hoe meer betrokkenheid er ontstaat. En mensen die eenmaal in Tanzania zijn geweest, blijven vaak doneren.’
‘Vijf procent van de inkomsten gaat naar organisatiekosten’
Vrijwilligers betalen hun eigen reis- en verblijfskosten, zodat donaties volledig naar de projecten gaan. De organisatie werkt met een klein team van drie medewerkers, die op minimumbasis worden betaald. ‘Vijf procent van de inkomsten gaat naar organisatiekosten’, zegt Fatma. ‘De rest gaat direct naar de projecten. We houden van transparantie: onze jaarrekeningen staan online.’
Hoewel Time to Help geen CBF-keurmerk heeft, benadrukt Fatma dat dit vooral een capaciteitskwestie is. ‘We zijn een kleine organisatie en hebben het simpelweg te druk gehad met hulp bieden in plaats van dit keurmerk aan te vragen. Dat is nu een prioriteit, want transparantie staat bij ons voorop. Kijk ook naar onze jaarcijfers en jaarverslagen.’
Van pannenkoeken tot staaroperaties
De projecten van Time to Help variëren van het renoveren van scholen tot medische hulp, zo is in de documentaire te zien. In Tanzania helpen vrijwilligers mee met schilderwerk, waarbij kinderen vrolijk hartjes op de muren tekenen. Ook typisch Nederlandse activiteiten komen voorbij, zoals pannenkoeken bakken op een open vuurtje. De kinderen vinden het geweldig.
Maar de stichting doet meer dan vrijwilligersreizen, benadrukt Fatma tegenover de Kanttekening. In Afrika worden het hele jaar door staaroperaties gefinancierd, zonder dat daar vrijwilligers voor nodig zijn. Daarnaast ondersteunt Time to Help weeshuizen, vluchtelingen, waterputprojecten en noodhulpacties in landen als Pakistan, Jemen, Libanon, Turkije, Bosnië, Griekenland en Roemenië.
Mens centraal
Hoewel veel vrijwilligers islamitisch zijn, vertelt Fatma dat de stichting niet religieus werkt. ‘In de islam is naastenliefde belangrijk, maar voor ons staat de mens centraal. Eerst ben ik mens, dan moslim. We helpen iedereen, of die nu katholiek, moslim of atheïst is. Niemand mag zich uitgesloten voelen.’
‘Ik wil iedereen helpen’
Presentator Karim Amghar speelde heel even de ‘advocaat van de duivel’ en vroeg Fatma waarom ze niet alleen geloofsgenoten helpt. ‘Ik kijk niet naar afkomst of geloof, want ik wil iedereen helpen’, was haar principiële antwoord.
Aan het einde van de middag klinkt opnieuw applaus. Voor de film, voor de vrijwilligers, voor de kinderen in Tanzania. ‘Samen maken we het verschil’, zegt Fatma. ‘We blijven groeien als organisatie. En we blijven helpen. Omdat het nu tijd is om te helpen.’
De film ‘Van straat naar Hoop’ is nu op YouTube te bekijken.


‘Mijn droom is dat de minister-president het probleem eindelijk bij de naam noemt: Nederland heeft geen ‘vluchtelingencrisis’, maar een diepgeworteld racismeprobleem. Ik zou willen dat hij om zich heen kijkt en de echte verantwoordelijken aanwijst. In de Tweede Kamer zitten partijen die migranten al jarenlang als zondebok gebruiken. Er wordt zo hard tegen vluchtelingen opgehitst dat gewone burgers geloven dat het woningtekort door migratie komt, terwijl dat een van de grootste politieke leugens van de afgelopen jaren is. Extreemrechtse mensen hebben daardoor het gevoel gekregen dat ze toestemming hebben om agressief te zijn, omdat ze overal mee wegkomen. Ze zien op het nieuws hoe klimaatactivisten en demonstranten tegen de genocide in Palestina keihard worden aangepakt door de politie, terwijl politici op sociale media de schuld van die protesten opnieuw bij migranten leggen.
verhaal omheen. Maar ik geloof ook niet dat dit soort dingen ineens ontstaan. Daarvoor verschuift er al langer iets in hoe we praten. Over asiel. Over ‘de gewone Nederlander’. Over wie hier wel of niet hoort. Mensen wennen aan harde taal. Aan het idee dat sommige groepen vooral een probleem zijn dat opgelost moet worden. Dan wordt de stap naar escalatie kleiner dan we graag toegeven. Juist daarom moet een premier niet alleen reageren wanneer het misgaat, maar ook kijken naar het politieke klimaat dat eraan voorafgaat. Want verharding begint meestal niet bij een brand. Het begint veel eerder.’
Ik vond het goed dat Rob Jetten de hulpverleners heeft bezocht om hen een hart onder de riem te steken. Tegelijkertijd vond ik het jammer dat er weinig aandacht leek te zijn voor de bewoners van het azc zelf, terwijl ook zij slachtoffer zijn van deze gebeurtenis en veel angst moeten hebben gevoeld. Het wordt tijd dat Den Haag en ook Rob Jetten een duidelijk signaal afgeven dat dit soort intimidatie, haat en geweld nooit acceptabel zijn in een democratische rechtsstaat. De daders moeten stevig worden aangepakt en bestraft.
afgelopen decennia. Ook hoor je aan die kant dat je niks meer kunt zeggen. Niks meer kunt benoemen. En als ik dan, met bovenstaande in het achterhoofd, kijk naar de brandstichting in Loosdrecht, dan valt meteen op hoe het allemaal wel meevalt met die nadruk op benoemen.
‘Jetten moet heel krachtig afstand nemen van wat er in Loosdrecht is gebeurd en eindelijk het gevaar erkennen van opkomend fascisme en de normalisering van geweld in de samenleving. Maar het is moeilijk om advies te geven aan iemand die zelf midden in dit speelveld zit. Hij regeert namelijk samen met de VVD, een partij die volgens mij de afgelopen decennia de broedplaats is geweest van allerlei vormen van racisme en fascisme. Of het nu Rita Verdonk of Geert Wilders was, ze komen allebei voort uit de nationalistische koker van de VVD. Alleen Gidi Markuszower is misschien iemand die niet via de VVD in de bierkelder van de politiek is beland. Maar de rest — denk aan Bente Becker, Dilan Yeşilgöz, Ulysse Ellian en Eric van der Burg — heeft keer op keer rassenhaat aangewakkerd in Nederland. En Rob Jetten werkt daar gewoon mee samen. Daarmee is hij met handen en voeten aan de VVD gebonden. En dat wil hij kennelijk ook. Dan moet je niet verbaasd zijn dat je wordt gedomineerd en uiteindelijk je zelfstandige stem in dit debat verliest.’
