Home Blog Pagina 980

‘Er is veel meer sensitiviteit rondom diversiteit’

0
De Kanttekening sprak initiatiefnemers van Het Brede Netwerk, dat sinds twee jaar diverse mensen koppelt aan diverse media. ‘Als krant of omroep moet je weten wat er in de samenleving speelt, ook in gemeenschappen die niet in je persoonlijk netwerk zitten.’

Diversiteit in de media. Sinds het rumoerige vertrek van Trouw-columniste Seada Nourhussen is het weer een hot topic in de krantenkolommen en op internet. Zijn de redacties van onze media te wit? In plaats van het gebruikelijke rondje langs de redacties, belde de Kanttekening met Het Brede Netwerk, een initiatief dat sinds twee jaar concreet actie onderneemt om mensen met een diverse achtergrond op een laagdrempelige manier kennis te laten maken met journalistieke redacties.

Geesje van Haren, projectcoördinator van Het Brede Netwerk, zit midden in de vierde ronde van het project dat ooit begon met veertig journalisten die bottom-up wilden werken aan meer diversiteit in de media. ‘Veel journalisten komen aan het werk doordat ze in een bepaald persoonlijk en sociaal netwerk zitten. En wat deze mensen opviel als ze om zich heen keken op de werkvloer was dat ze vaak de enige journalisten waren met een diverse achtergrond. Samen met andere journalisten – lang niet altijd ‘allochtoon’ – die hier ook wat aan wilden doen, zijn er toen praktische oplossingen bedacht.’

In de afgelopen jaren heeft Het Brede Netwerk een reeks aan trainingen gegeven aan redacties en bijvoorbeeld aan de NVJ (Nederlandse Vereniging van Journalisten). Trainingen met als doel: meer bewustzijn over de vanzelfsprekendheid van diversiteit in de media of juist over het opvallende gebrek aan deze diversiteit. Wat waren nu praktische handvatten voor redacties die hun aanwas meer wilden laten aansluiten op de diversiteit van onze samenleving? Hoe konden redacties hun eigen netwerken breder en diverser maken?

Van Haren: ‘Wat wij ook wilden doen was het scouten van divers journalistiek talent. Vanuit die ambitie zijn wij van begin af aan journalistieke masterclasses gaan verzorgen voor jongeren – en ouderen! – met verschillende achtergronden; wit, zwart, alles ertussenin, Randstad, maar ook uit de provincie. We gaan iedere ronde op bezoek bij verschillende redacties om de fijne kneepjes van het vak te leren, maar ook om gewoon eens kennis te maken met mensen. De redacties zelf leren zo in één klap een hele stoet mensen kennen die de ambitie hebben om de journalistiek in te gaan, maar die misschien niet de meest gebruikelijke aanvliegroute hebben.’

Netwerk
Maral Noshad Sharifi is redacteur bij NRC Handelsblad en één van de aanjagers van Het Brede Netwerk. Eerder deze maand gaf ze samen met Thomas Rueb – één van de chefs van de binnenlandredactie en stagebegeleider van NRC (tevens schrijver van Laura H., het kalifaatmeisje uit Zoetermeer) – een workshop aan het jaarlijkse groepje ambitieuze aanstormende journalisten dat zich bij Het Brede Netwerk had aangemeld. Zelf kwam Sharifi bij NRC terecht via een gesprek met een alumnus van haar journalistieke master in New York. ‘Ik heb politicologie gestudeerd in Leiden en ben daarna voor twee jaar naar Amerika vertrokken voor een master journalistiek op de prestigieuze Columbia School of Journalism. Daarna heb ik nog stage gelopen bij Erik Mouthaan (is vanuit New York Verenigde Staten-correspondent voor RTL Nieuws, red.).’ Met haar meer dan degelijke journalistieke achtergrond raakte Sharifi na een paar mislukte reacties op vacatures bij de  NOS en de Correspondent, uiteindelijk in contact met de redactie van NRC Next. ‘Het was 2012, gratis nieuws online en sociale media waren booming en de traditionele journalistiek moest zichzelf op allerlei manieren opnieuw uitvinden. Niet de gemakkelijkste tijd om aan de bak te komen in de journalistiek, maar ik had mijn papieren en ervaring wel mee.’ Mijn opleiding in New York verwees mij op een dag door naar Mark Chavannes, destijds columnist bij NRC en net zoals ik oud-student van de Columbia School of Journalism. Na een kop koffie stuurde hij mijn cv naar de adjunct van NRC Next. En de rest is geschiedenis.’

Zeker omdat je allochtoon bent?
Het is in haar begindagen bij NRC dat Sharifi dingen beginnen op te vallen. ‘Wanneer ik tegen mensen zei dat ik voor NRC Next werkte, hoorde ik vaak ‘zeker omdat je allochtoon bent’. Raar vond ik dat, zeker omdat ik juist een van de weinige journalisten op de NRC-redactie was met een migratie-achtergrond. Ik heb daar toen een stukje over geschreven. En zo kwam ik in een radio-uitzending terecht om te praten over diversiteit in de journalistiek, samen met Mark Deuze, hoogleraar Mediastudies aan de UvA.’ Deuze en Sharifi bespraken het probleem en concludeerden dat er via de gebruikelijke kanalen – de traditionele journalistieke opleidingen en de sociale netwerken – gewoon te weinig instroom was van mensen met een diverse achtergrond. Sharifi en Deuze besloten er wat aan te doen. Samen met een paar andere journalisten begonnen ze Het Brede Netwerk. ‘We kwamen eerst bijeen met een groep van zo’n vijfentwintig à dertig mensen uit allemaal verschillende hoeken. Wit, zwart, oud, jong, uit de bladen- en krantenwereld, televisie, radio. Gewoon om er over te praten. De urgentie werd gevoeld – en het leeft op journalistieke redacties, meer dan soms wordt gedacht. Hoe zorg je dat mensen met een diverse achtergrond journalisten ontmoeten die eventueel een ‘Mark Chavannes’ kunnen zijn als de tijd rijp is? Hoe maak je de afstand tot de mediawereld kleiner?’

Samen met Yasmina Aboutaleb (NRC, VN, FunX), Mustafa Marghadi (correspondent in Italië voor de NOS), Janice Deul (platform Diversity Rules), Zoë Papaikonomou (onderzoeksjournalist, mediadocent en schrijver van het boek Heb jij een boze moslim voor mij?), Sharid Alles (netmanager bij NPO 3FM) en Hugo Logtenberg (NRC en Buitenhof) gingen ze op zoek naar antwoorden en praktische oplossingen.

Masterclasses, netwerken, bij de les blijven
Inmiddels is Het Brede Netwerk een stevig platform geworden dat nu ook hogescholen voor journalistiek traint en jaarlijks langsgaat bij verschillende media met iedereen die ook maar de ambitie heeft om iets te doen met journalistiek, maar niet weet hoe of zelf geen mensen kent bij een redactie. Ook dit jaar heeft Van Haren de nodige aanmeldingen gekregen voor de masterclasses die deze maand plaatsvinden bij verschillende kranten en omroepen. ‘De aanloop is zoals gebruikelijk heel divers: mensen uit Deventer en Nijmegen die niet direct hun netwerk in de Randstad hebben, waar de grote redacties zitten; vluchtelingen die net uit Syrië zijn gekomen, maar ook tweede of derde generatie Marokkaanse Nederlanders die een inhoudelijke studie hebben gedaan, zoals psychologie en economie. Er doet ook iemand mee die in een feministische sekswinkel werkt. Veel redacties willen maar al te graag meedoen – Vice, Trouw, NRC, de NOS, RTL, de Groene Amsterdammer, FunX, de Volkskrant. Aan het eind van de masterclasses wordt er een leuk event georganiseerd waar vijf hoofdredacteuren naartoe komen. Dé kans om kennis te maken!’

De noodzaak van diversiteit op journalistieke redacties wordt volgens Sharifi nog meer en nog breder gevoeld dan in 2012 al het geval was. ‘Ik heb de redactie van NRC zelf altijd ervaren als een warm bad. Mijn collega’s zijn mijn vrienden. Mijn aandacht voor diversiteit kwam in die zin ook niet voort uit een persoonlijk gemis aan mede-allochtonen op de werkvloer. Maar het is voor media gewoon een kwestie van bij de les blijven. Als krant of omroep moet je weten wat er in de samenleving speelt, ook in gemeenschappen die niet in je persoonlijk netwerk zitten. Neem zo iemand als Quincy Gario, die was echt al een tijd bezig met de Pieten-discussie. Bij NRC hadden we hem nog niet geïnterviewd, omdat we weinig tot geen connectie hadden met zijn gemeenschap.  Op die manier mis je als krant gewoon wat er speelt in Nederland. Wij hebben ook best veel mensen rondlopen op de redactie die niet uit de Randstad komen. Je wilt weten dat er in Groningen iets aan de hand is met gaswinning, het liefst voordat het op de NOS te zien is.’

Maak je droom waar
Sharifi heeft de afgelopen jaren best wel iets zien veranderen. ‘Er is veel meer sensitiviteit rondom diversiteit. Dingen die je vroeger hoorde als je een migratieachtergrond hebt, zoals ‘waar kom je eigenlijk vandaan?’, hoor ik op feestjes niet meer. Ik heb het idee dat er onder jonge witte Nederlanders meer gewenning is met de diversiteit in onze samenleving. Dat gevoel krijg ik ook van jonge mensen op mijn redactie. Maar het zal overal wel anders zijn. Als medium moet je ook een beetje voor jezelf uitvogelen wat de beste manier is om je voelhoorns uit te steken. Als je bij NRC aan de slag wilt, is het wel belangrijk om een goede mentor te hebben, omdat de kwaliteitsnormen hier erg hoog liggen. Maar ondanks dat we een serieuze krant zijn, bieden we jonge mensen graag de kans om hun droom hier waar te maken.’

Heeft ze nog een tip voor aankomende talenten? ‘Je moet niet denken dat het onmogelijk is om hier te werken. Het kan, als je een nieuwsgierige houding hebt en zelf initiatief neemt. Vorig jaar was er iemand op de bijeenkomst van Het Brede Netwerk die tijdens het voorstelrondje direct zei dat het haar droom was om voor NRC te werken. Ze stelde ook veel goede vragen. Dat is zó belangrijk. Je moet vragen stellen, juist over dingen die je zelf al denkt te weten – dat is eigenlijk de ideale houding voor een journalist. Nu komt ze naar onze redactievergaderingen en deze week stond ze twee keer in de krant, vaker dan ik, haha. Haar verhaal – en zo zijn er meer – is precies wat mij ooit voor ogen stond toen we begonnen met Het Brede Netwerk. We zijn een klein land, met een klein taalgebied. Waarom zou het onmogelijk zijn om je journalistieke droom uit te laten komen?’

Victoria’s Secret

0

Onlangs verklaarde Ed Razek, marketingmanager van Victoria’s Secret (dat bekende Amerikaanse lingeriemerk met uitgemergelde vrouwen gehuld in niemendalletjes en engeltjesvleugels) in een interview met de Amerikaanse Vogue dat er géén plaats is voor plus size-modellen in de jaarlijks terugkerende modeshow, omdat het merk een ‘fantasiewereld’ wil presenteren.

Deze opmerking kwam de manager niet alleen op honende Twitter-reacties te staan, ook de New York Times publiceerde een open brief van Heidi Zak, oprichter van body-positive-merk Third Love: ‘We zijn helemaal klaar met doen alsof bepaalde maten niet bestaan of niet belangrijk zijn’, schreef ze onder meer. Een prima reactie, die duizenden keren gedeeld werd op sociale media. Maar gaat dit daadwerkelijk verandering teweegbrengen? Provocerende opmerkingen van Razek of niet, zijn show werd door maar liefst 1,6 miljard mensen op televisie bekeken. Dat komt neer op bijna een kwart van de totale wereldbevolking.

Ik moet bekennen dat ik in het verleden ook ondergoed van Victoria’s Secret heb gekocht. Want welke vrouw wil er – onbewust – nou niet op de afgetrainde Angels lijken? Het grote verschil: bij hen lijken de bh’s en onderbroeken perfect te passen. Bij een vrouw met een gezond gewicht is dat niet het geval. Ik kan u verzekeren dat het niet prettig is om een dun draadje synthetische stof tussen je lovehandles te proppen en van glitterende pailletten die venijnig in je borsten prikken word je ook al niet erg blij.

De storm is inmiddels gaan liggen, maar ik zou willen dat we ons voortdurend druk zouden blijven maken om het magere schoonheidsideaal. Ik beweer niet dat dunne modellen per definitie tot eetstoornissen lijden, al is het niet erg bevorderlijk voor het zelfbeeld van met name jonge meisjes. Zelf groeide ik op in de jaren negentig, het tijdperk van de heroin look van modellen als Kate Moss. Dun, dunner, dunst moest het zijn. Ik had echt niet de ambitie om mannequin te worden, maar ik wilde wel graag dat mensen me mooi zouden vinden.

Ik herinner me nog goed hoe ik mijn babyvet als twaalfjarige probeerde te verdoezelen door steevast twee armen voor mijn buik te houden. Op de televisiezender The Box keek ik jaloers naar de ingevallen lichamen in clips van artiesten als Captain Jack. Het begon bij een knagend schuldgevoel wanneer ik een ijsje at. Daarna stopte ik helemaal maar met eten, wat leidde tot twintig kilo ondergewicht, een kapot sociaal leven en verschillende opnames in klinieken. Maar hé, dun was ik wel.

De gemiddelde vrouw heeft maat veertig tot tweeënveertig en wil helemaal niet in een fantasiewereld leven. Het zijn mensen als Razek die ons laten geloven dat we veel gelukkiger zijn wanneer die fantasiewereld wél werkelijkheid wordt. In de Volkskrant las ik dat Adriana Lima, één van de bekendste Angels van Victoria’s Secret, negen dagen voor de show geen vast voedsel eet en twaalf uur voor de show ook nog stopt met drinken. Het is een wonder dat ze nog nooit onderuit is gegaan. Ik weet dat ze bakken met geld verdient, maar toch heb ik een belangrijke boodschap voor haar: hou op je drie keer per dag af te beulen in de sportschool en eet eens een lekker stuk slagroomtaart. Want geloof me, het leven wordt daar zóveel leuker van.

‘Wat in Turkije gebeurt kan ook elders gebeuren’

0
Mensenrechtenpanel: Europees Hof voor de Rechten van de Mens neemt schendingen van de mensenrechten in Turkije onvoldoende serieus.

Op 6 december organiseerden het Platform Peace and Justice en het Human Rights Centre, dat verbonden is aan de Universiteit Gent, een bijeenkomst over Turkije en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De mensenrechten in Turkije worden flagrant geschonden, vooral na de mislukte coup van 15 juli 2016. Hierdoor kon president Recep Tayyip Erdogan de noodtoestand uitroepen (order 667), die het regime in staat stelde ‘schoon schip’ te maken en al dan niet vermeende tegenstanders keihard aan te pakken. De noodtoestand bleef tot 19 juli 2018 van kracht, twee jaar waarin tal van ambtenaren en rechters werden ontslagen en instituties gesloten.

Individuen die van mening waren dat hun rechten waren geschonden, konden zich wenden tot het Turkse Constitutionele Hof en vanaf 23 januari 2017 tot de Noodtoestandscommissie, die Turkije had opgericht na overleg met de Raad van Europa. Omdat deze rechterlijke instellingen op de hand zijn van het regime, zijn veel individuen naar het EHRM gestapt. Maar in plaats van pal voor de mensenrechten te staan, wil het hof veel zaken niet in behandeling nemen. Dit optreden, of juist het gebrek aan optreden, heeft de slachtoffers van Erdogans zuiveringswoede moedeloos en radeloos gemaakt. Waarom wil het EHRM niet meer doen voor de mensen in Turkije die hun baan hebben verloren of in de gevangenis zitten? Heeft het EHRM straks nog wel bestaansrecht?

Hartverscheurende situaties
Advocaat Walter van Steenbrugge trapt de discussie af. Hij betoogt dat de mensenrechtenschendingen in Turkije in dit deel van de wereld geen recent precedent hadden. De Gülen-beweging kreeg de schuld van de mislukte coup van 15 juli in de schoenen geschoven en werd als terroristische organisatie bestempeld, waarop een heksenjacht ontketend werd tegen (vermeende) Gülen-aanhangers. Op 20 juli werd de noodtoestand uitgeroepen, die de ministerraad in staat stelde om zonder parlementaire goedkeuring wetten uit te vaardigen. Amnesty International heeft zich in rapporten kritisch uitgelaten over de mensenrechtensituatie in Turkije, maar de Raad van Europa en het EHRM daarentegen zwegen. Toen Van Steenbrugge aan Belgische politici over de toestand in Turkije vertelde, reageerden ze geschokt, maar iemand zei hem dat de Europese Unie niets durfde te doen vanwege het vluchtelingenakkoord. Als de EU stevige kritiek zou leveren op Turkije, dan zou dat voor Erdogan een reden zijn om het akkoord op te zeggen, waarop honderdduizenden vluchtelingen naar Europa zouden trekken.

Het hardhandige optreden van het regime heeft tot hartverscheurende situaties geleid, vertelt Van Steenbrugge. Zo mocht een Turkse rechter die een kwaadaardige tumor had niet naar het ziekenhuis om geopereerd te worden, omdat hij in detentie zat. Hij heeft nu nog maar enkele maanden te leven. Ook noemt Van Steenbrugge het voorbeeld van een schooldirecteur die naar Turkije werd ontvoerd om daar te worden gemarteld en een rechter die ontslagen werd omdat hij een advocaat had vrijgesproken die onschuldig was. Het EHRM zwijgt echter en dreigt daardoor zijn geloofwaardigheid te verliezen. Volgens Van Steenbrugge laat het EHRM te veel de oren hangen naar politieke belangen. De rechters zijn passief, in plaats van dat ze zich actief inzetten voor de mensenrechten, wat ze zouden moeten doen.

Civil death
Volgens Jenny Vanderlinden van Amnesty International is de mensenrechtensituatie in Turkije deplorabel. Er zijn meer dan zeventigduizend mensen zonder enige vorm van proces opgesloten; in geen enkel ander land zitten zoveel journalisten gevangen als in Turkije; er heerst een klimaat van angst, waardoor mensen zichzelf censureren en hun mond niet meer durven open te doen; het regime slaat vreedzame demonstraties hardhandig neer; er heerst internetcensuur en Wikipedia is geblokkeerd; kritische media zijn opgedoekt. Uiteraard noemde Vanderlinden ook de directeur van Amnesty Turkije, Idil Eser, die er ten onrechte van wordt beschuldigd lid te zijn van de Gülen-beweging. Volgens Vanderlinden worden (vermeende) tegenstanders van het regime maatschappelijk ter dood veroordeeld (civil death). Dat betekent dat ze niet alleen hun baan verliezen maar ook de mogelijkheid om opnieuw aan de slag te gaan, hun paspoort wordt afgenomen en ze kunnen het land niet uit, ze worden als terroristen bestempeld en worden door andere mensen gemeden en als paria’s behandeld.

Over het EHRM is Vanderlinden heel kritisch. Mensen die zich tot dit hof hebben gewend, zijn van een koude kermis thuisgekomen, omdat het EHRM vrijwel alle klachten heeft afgewezen op procedurele gronden. Men mag zich pas tot het EHRM wenden als alle nationale juridische wegen zijn bewandeld. Klagers moeten het eerst maar eens proberen bij de Turkse Noodtoestandscommissie, die er mede dankzij Europees ingrijpen is gekomen. Dat deze commissie een instrument is van het Turkse regime, geen getuigen wil horen en klachten structureel afwijst, wordt genegeerd. Volgens Vanderlinden is het falen van het EHRM een groot probleem. Erdogan kan straffeloos zijn gang gaan. En wat in Turkije gebeurt kan ook elders gebeuren. In EU-land Hongarije bijvoorbeeld, dat ook steeds ondemocratischer en autoritairder wordt.

In de steek gelaten
De Frans-Turkse journalist Erol Önderoglu, werkzaam bij Reporters Sans Frontières (Verslaggevers zonder Grenzen), zet zich in voor journalisten die in de problemen zitten. Hij ziet parallellen tussen de onderdrukking van nu en die van begin jaren tachtig, in de nasleep van de (geslaagde) coup van 1980. Journalisten, columnisten en cartoonisten worden vervolgd en gevangengezet. Vaak worden ze ervan beschuldigd het staatshoofd (in dit geval Erdogan) te hebben beledigd of lid te zijn van een verboden organisatie. Journalisten die gevangen werden gezet, kregen pas op het allerlaatste moment een advocaat van de staat toegewezen. Het EHRM wist wat er gebeurde, maar men koos er bewust voor om te zwijgen, waarschijnlijk vanwege het vluchtelingenakkoord tussen de EU en Turkije.

Op dit moment heeft de Turkse regering zo’n negentig procent van de media onder controle, aldus Önderoglu. Dat betekent dat deze media of de ideologie van de AK-partij onderschrijven of dat ze financieel van de regering afhankelijk zijn. De gelijkschakeling van de media heeft volgens Önderoglu ook een ‘verdomming’ tot gevolg. Geen enkele journalist schrijft over de EU, behalve als Erdogan hier weer eens tegen tekeer gaat. De media zijn afhankelijk, slaafs en volgzaam. Zelf reportages maken durft men niet. Over de financiële crisis in Turkije schrijft niemand. Iedereen weet het, maar het is een taboe. Dat geldt ook voor andere gevoelige onderwerpen. Turkije is volgens Önderoglu geen democratische rechtsstaat meer, omdat het recht gepolitiseerd is. Het hooggerechtshof heeft aanvankelijk nog verordonneerd dat enkele mensen die ten onrechte werden opgesloten vrijgelaten moesten worden, maar lagere rechtbanken, die het daadwerkelijke vrijlatingsbevel moesten geven, weigerden het besluit van het hooggerechtshof uit te voeren.
De EU heeft Turkse journalisten en mensenrechtenactivisten in de steek gelaten. In september 2017 nam het EHRM voor het eerst een zaak aan die was aangespannen door iemand die door de Turkse staat in zijn mensenrechten was geschonden. Volgens Önderoglu is het EHRM mede zo terughoudend, omdat Turkije één van de belangrijkste sponsors is van het hof. Wie betaalt, bepaalt. De EU wijst Turkije niet meer op de mensenrechtenschendingen, maar gaat op diplomatieke wijze met het land om, onder het motto ‘Als we vrienden zijn zeuren we niet.’ Dit is volgens Önderoglu een gevaarlijke ontwikkeling, die zich dreigt te verspreiden over de Balkan-landen.

Frustrerend
Rechtsgeleerde Eline Kindt, werkzaam aan de Universiteit Gent en actief voor de Liga van Mensenrechten, heeft haar proefschrift over het EHRM geschreven. Volgens haar is het beginsel van subsidiariteit leidend voor het EHRM. Dat betekent dat zaken in eerste instantie moeten worden opgelost door de landen zelf en pas in allerlaatste instantie door het EHRM. Het EHRM heeft echter heel veel zaken lopen en is overbelast. Vandaar ook dat de slachtoffers van Erdogans noodmaatregelen lang moeten wachten voordat hun zaak aan de beurt komt. Dat is frustrerend, maar in zekere zin ook onvermijdelijk.

Kindt vindt echter dat het EHRM meer werk moet maken van zogenoemde pilot judgments (proefoordelen). Als uit een bepaalde zaak van het EHRM blijkt dat het recht in een bepaald land klaarblijkelijk tekort schiet, dan betekent dit dat dit land algemene maatregelen moet nemen om dit op te lossen. Helaas heeft het EHRM nauwelijks dwangmiddelen om landen te dwingen om de mensenrechten te respecteren, vandaar dat Kindt pleit voor samenwerking tussen het EHRM en de hooggerechtshoven van landen. Op deze manier wordt het gezag van het EHRM ook versterkt. Tegenover Turkije heeft het EHRM zich echter veel te passief opgesteld en niets gedaan met pilot judgments. Mede hierdoor verandert Turkije volgens Kindt in een totalitaire staat, iets wat het Hongarije van Viktor Orbán ook dreigt te worden.

De macht van het geld
Tijdens de paneldiscussie stelt Johan Heymans, ook werkzaam bij Van Steenbrugge Advocaten, dat Kindt te positief is over het EHRM. Inderdaad is het EHRM heel traag, maar als de omstandigheden zo extreem zijn moet je prioriteiten maken en deze belangrijke rechtszaken voorrang geven. Het kan niet zo zijn dat mensen jaren moeten wachten op een uitspraak. Vroeger gaf het EHRM ook voorrang aan bepaalde rechtszaken om die reden, maar nu heeft men er helaas voor gekozen om dat niet te doen.

Önderoglu vertelt dat het EHRM zo erg tekort is geschoten dat hij in 2017 samen met andere journalisten een demonstratie heeft georganiseerd in Straatsburg, waar het hof is gevestigd. Zoiets was nog nooit eerder gebeurd. Önderoglu ergert zich aan het formalisme van het EHRM. Een journalist van Zaman was zonder enige vorm van proces opgesloten, hiertegen was een zaak ingediend bij het EHRM. Toen de zaak eindelijk besproken werd, was de situatie inmiddels veranderd, omdat de journalist tot een hoge gevangenisstraf was veroordeeld. Het EHRM wilde de zaak daarom niet in behandeling nemen, omdat het nu om iets anders ging – een veroordeling die al dan niet terecht was. En dat betekende dat alles weer opnieuw moest, wat veel tijd kost.

Vanuit de zaal stelt een Turkse vluchteling – een ex-rechter – een kritische vraag aan het panel over de macht van het geld. Volgens Önderoglu is het EHRM immers niet neutraal, vanwege de grote Turkse financiële bijdrage aan het hof. De andere panelleden zijn hierover echter voorzichter. Heymans betoogt dat de macht van het geld ook tegen Turkije gebruikt kan worden. De EU kan bijvoorbeeld dreigen met economische sancties als Turkije de mensenrechten blijft vertrappen.

Wat heeft de toekomst voor de Turkse mensenrechtensituatie in petto? Önderoglu wijst op twee belangrijke verkiezingen die volgend jaar worden georganiseerd: de Turkse lokale verkiezingen van 31 maart en de Europese Verkiezingen, die van 23 tot 26 mei zullen worden gehouden. Een overwinning voor de AKP van Erdogan zou de mensenrechten geen goed doen, maar Önderoglu vreest ook een overwinning van radicaal-rechtse partijen in Europa. Hierdoor zal de kloof tussen de EU en Turkije verbreden, waardoor het nog moeilijker wordt om voor de mensenrechten van de slachtoffers van Erdogans beleid op te komen.

‘Het geloof geeft structuur aan mijn leven’

0
‘Het was echt een achterstandswijk, niet veel mensen gingen naar school. We hadden niet veel en het was er moeilijk.’

In deel twee van onze serie ‘Kickboksers’ komt Jamal Ben Saddik aan het woord. Hij is opgegroeid in de Antwerpse achterstandswijk Borgerhout, tussen de kinderen van Marokkaanse immigranten. De wijk werd in de volksmond ook wel Borgerokko genoemd en op straat was het gevaarlijk, criminaliteit was aan de orde van de dag en de jongeren hadden er weinig perspectief. Ben Saddik heeft zowel de Belgische als de Marokkaanse nationaliteit. Later kreeg hij de bijnaam ‘The Goliath’ en hij bokste zichzelf van de straat naar de top, waarbij hij uitkomt voor Marokko. In 2012 werd bij hem schildklierkanker geconstateerd, waarvoor hij een reeks behandelingen kreeg. Hoewel hij nog om de zes maanden naar het ziekenhuis moet voor controle, is Ben Saddik de ziekte de baas geworden en staat hij alweer een tijdje vol energie in de ring.

U komt uit Borgerhout, een achterstandswijk in Antwerpen. Hoe was het om daar op te groeien?
‘Het was echt een achterstandswijk, niet veel mensen gingen naar school. We hadden niet veel en het was er moeilijk. Nu is het gelukkig veranderd; nu spelen jongeren op een plein en zijn er activiteiten, maar toen moest je zelf maar een bezigheid zoeken. Dat was zeker in mijn jonge jaren erg moeilijk. Ik was jong en kwam op straat terecht en dan weet je niet wat je moet doen met je vrije tijd. De keuze is dan al snel gemaakt: de meeste van mijn vrienden raakten zo al jong op het verkeerde pad, dat heb ik echt van dichtbij meegemaakt. Het was een wijk waar je moest zoeken naar je droom en waar je moest vasthouden aan die droom. Een beetje overleven, een droom zoeken en daarmee bezig zijn. Zo werkte dat in ieder geval voor mij.’

Lag die dreiging om het verkeerde pad op te gaan bij u ook op de loer?
‘Jazeker. Ik heb het meegemaakt en ervaren, maar het was niet iets waar ik wilde zijn. Ik had al van jongs af aan de instelling om iets te bereiken, om dingen te doen waardoor ik niet meer op straat hoefde te hangen en ik wilde er alles aan doen om dat voor elkaar te krijgen.’

U groeide op met kinderen van Marokkaanse immigranten. Wat deed dat met uw wereldbeeld?
‘Er woonden in Borgerhout alleen maar Marokkanen en mensen met een niet-westerse achtergrond. Wij waren daar echt een aparte wijk binnen Antwerpen. Maar voor mij was dat heel normaal, ik wist niet anders. Mensen uit de rest van Antwerpen of zelfs België keken met een andere blik naar ons. Een buitenstaander ging niet zomaar naar Borgerhout om daar boodschappen te doen of om een wandeling te maken. Het was echt een migrantenwijk waar niet veel Belgen kwamen. Als we dan een Belg tegenkwamen, dan was dat raar. Ik was dat daar niet gewend. Ik was jong en ik wist niet wat er in de wereld te koop was of wat er in de rest van Antwerpen speelde. Een Belg kwam niet graag in Borgerhout, omdat er alleen Marokkanen woonden, maar daar ben je als je jong bent niet mee bezig.’

Hoe kijkt u daar nu op terug, nu u zich daar wel bewust van bent?  
‘Het verklaart veel, wanneer ik er nu op terugkijk. Ik snap nu waarom we er geen Belgen zagen, waarom er zoveel criminaliteit was en waarom we daar alleen maar met mensen met een migratieachtergrond waren. Ik heb veel meegemaakt, maar kan dat nu veel makkelijker relativeren. Ik ben me nu meer bewust van situaties zoals die vroeger bij ons in de wijk waren. Maar dat is toch een stukje ervaring en ik snap daardoor meer dan vroeger.’

Hoe bent u aan dat milieu ontsnapt?
‘Dat heb ik grotendeels te danken aan mijn ouders. Die hielden mij en mijn broers heel strak en wilden niet dat we op straat hingen. Mijn vader nam me mee naar de plaatselijke gym toen ik een jaar of negen was en daar ging ik aan de slag. Echt trainen was dat nog niet, want het boksen was meer een vorm van bezigheidstherapie, puur om me van de straat te houden. Ik had niet veel vrije tijd en de vrije tijd die ik had, benutte ik met mijn sport. Op een gegeven moment zat ik in een ritme van school, trainen, naar huis en slapen en dat dan weer opnieuw. Ik had geen tijd meer voor andere dingen en ik denk dat dat mijn redding is geweest. Daarna ben ik wel van de sport gaan houden en ben ik er niet meer mee gestopt.’

Dus boksen is uiteindelijk uw redding geweest?
‘Absoluut, zo zie ik dat zeker. Ik weet niet wat er van mij terechtgekomen was als mijn vader me niet naar die gym had meegenomen en ik niet was gaan boksen. Ik ben hem daar nog steeds dankbaar voor. Het belangrijkste wat ik daar leerde was discipline en respect naar elkaar toe, naar andere mensen toe. Dat was nog belangrijker dan dat boksen een uitlaatklep voor me was.’

Wat is uw boodschap naar straatjongeren die in dezelfde positie verkeren waarin u ooit verkeerde?
‘Het belangrijkste voor hen is het zoeken naar een structuur in hun leven, zoals de gym en boksen dat voor mij waren. Wat dat verder is maakt niet eens zoveel uit. Discipline en respect voor elkaar horen daar ook bij, want dat voorkomt een hoop ellende. De makkelijkste sport om dat bij te ervaren is voor mij wel boksen, want daar leer je dat en daar train je met elkaar. Op een training sla je elkaar weliswaar tot moes, maar daarbuiten is er altijd respect. Dat wil ik die jongeren meegeven. Ga een droom zoeken, werk die droom uit, heb respect voor elkaar, zoek een structuur in je leven en bouw dat rustig op. Dat gebeurt misschien niet van de ene op de andere week, maar hou daar wel aan vast, dan kom je er wel.’

Is er nog iets wat u voor ze kunt betekenen?
‘Momenteel niet, omdat ik extreem druk ben met mijn eigen sport en daar al mijn tijd in wil steken. Ik heb al bijna geen tijd om mijn ouders te kunnen zien. Ik heb al wel een paar keer trainingen gegeven aan jongeren en dat doe ik ook met plezier. Ik sta er altijd voor open en het zal in de toekomst zeker weer gaan gebeuren, maar het moet wel in mijn schema passen.’

Ze kunnen in ieder geval zien dat iemand met een vergelijkbare achtergrond goed terechtgekomen is.
‘Precies. Ik ben daarvandaan gekomen, ben daar opgegroeid en ik heb ook die moeilijke tijd gehad. Ik heb misschien nog wel een moeilijkere tijd meegemaakt vanwege mijn ziekte. Maar als ik daar ben en ik spreek jongeren, dan stimuleer ik ze om iets te gaan doen, want dat is belangrijk om daar weg te komen.’

Voelt u zich meer Marokkaan of meer Belg?
‘Ik ben in België geboren en opgegroeid, maar ik kom bij mijn wedstrijden uit voor Marokko. Mijn ouders zijn Marokkaans en ik ben Marokkaans opgevoed, dus ik voel me wel Marokkaan, ondanks dat ik in België geboren ben. Ik ben wel blij dat ik in België ben opgegroeid en dat ik er nog wat van heb meegekregen, maar uiteindelijk, als ik met mijn hart moet kiezen, dan kies ik net zoals ik mijn sport gekozen heb en dan kies ik voor Marokko. Daar liggen mijn wortels en daar komen mijn ouders vandaan en ik ben blij en trots dat ik ook gewoon Marokkaan ben.’

U noemde net al even uw ziekte. U heeft kanker gehad. Hoe was het om die diagnose te horen?
‘Het eerste wat ik dacht was dat ik dood zou gaan. Ik heb daar minutenlang aan gedacht en alleen maar gehuild. Ik heb het daarna geaccepteerd. Toen kwam de tweede slag, toen de dokter zei dat ik moest stoppen met kickboksen. Dat heb ik niet geaccepteerd. Ik accepteerde dat ik ziek was, maar niet dat ik moest stoppen met boksen, met iets wat ik met heel mijn ziel doe. Ik heb het daar wekenlang moeilijk mee gehad en ik dacht echt dat ik het niet meer zou kunnen, maar uiteindelijk kon ik een second opinion aanvragen bij een ander ziekenhuis en toen stelde die andere arts me wel een beetje gerust. Hij beaamde dat ik ziek was en dat bepaalde ingrepen nodig waren, maar hij zei dat ik niet moest stoppen met de sport waar ik van houd. Maar mijn situatie was ineens niet meer als die van iedere andere topsporter.’

Hoe veranderde het boksen voor u?
‘Het veranderde volledig. Ik moest eerst alles laten vallen, want ik kon gewoon niet meer boksen. De eerste keer dat ik weer de sportschool inging was alles anders. Ik moest echt weer vanaf nul beginnen, alsof ik nog nooit gebokst had. Toch ging het uiteindelijk allemaal vrij snel, want vijf maanden na mijn eerste ingreep vocht ik in Tokio alweer tegen viervoudig wereldkampioen Peter Aerts. Ik heb toen geaccepteerd dat ik een rugzak heb die ik bij me moet dragen en waar veel dingen in zitten, zoals mijn ziekte, mijn achtergrond en de buurt waar ik vandaan kom. Maar ik wist dat ik die rugzak moest dragen om te komen waar ik wil zijn. Als ik het nu een beetje moeilijk heb, dan denk ik gewoon aan die rugzak en aan het feit dat ik niet ben zoals iemand anders. Ik doe er veel voor en ik moet er nog veel voor doen. Ik heb door het gebeuren wel een andere kijk op het leven gekregen dan toen ik jong was.’

Is uw mentaliteit daar bij het boksen door veranderd?
‘Ik heb een heel sterke mentaliteit gekregen, zeker nadat ik ziek ben geworden en zoveel heb meegemaakt en in die situatie heb gezeten. Dat heeft geen enkele vechter me nagedaan. Het maakt me een stuk sterker en ik denk dat ik er nog meer een vechter door ben geworden. Ik heb zoveel meegemaakt dat ik gewoon niet ga opgeven. Ik merk dat ook in de ring. Er is niet veel meer dat mij gaat tegenhouden. Ik weet niet wat ik nog meer moet tegenkomen dat mijn leven nog moeilijker zal maken. Het moeilijkste heb ik al te horen gekregen en overwonnen, dus ik schrik niet meer van zware trainingen of tegenstanders. Dat heb ik de afgelopen jaren in ieder geval niet meer gedaan.’

U heeft de nodige pech gehad, maar u bent toch altijd positief gebleven?
‘Omdat ik ook geen andere keuze had. Ik zag het ook niet als pech, maar als mijn lot. Ik heb nooit het idee gehad om negatief te gaan denken, ook niet na mijn diagnose met kanker. Dat ik altijd positief ben gaan en blijven denken is ook altijd een reddingsmiddel voor me geweest. Naar mijn sport, mijn werk en mijn familie toe ben ik dat ook altijd geweest. Als ik iemand tegenkom die het moeilijk heeft, dan probeer ik hem altijd weer op te vrolijken. Ik heb altijd een positieve kijk op het leven gehad.’

Heeft uw geloof u er ook doorheen geholpen? 
‘Jazeker. Geloof heeft voor mij altijd een belangrijke rol gespeeld en ik ben er altijd veel mee bezig geweest. Ik heb veel tot Allah gebeden en dat doe ik nog steeds en dat geeft me een veel rustiger gevoel dan wanneer ik het niet doe. Ik bid vijf keer per dag en ik bid om vergiffenis. Het geloof geeft structuur aan mijn leven en biedt me steun. Het betekent alles voor mij.’

Klopt het dat boksen volgens de islamitische wetgeving verboden is?
‘Veel mensen hebben daar een ander beeld over, maar het klopt dat mensen zeggen dat boksen niet is toegestaan, omdat iemand slaan van de islam niet mag. Maar er is geen enkele overlevering die zegt dat boksen niet is toegestaan. Wanneer je die overlevering vindt en naar me doorstuurt, stop ik gelijk met boksen.’

U heeft Badr Hari onlangs uitgedaagd. Wanneer komt die wedstrijd?   
‘Er is nog geen datum gepland, haha. Maar ik heb hem inderdaad uitgedaagd, in Amsterdam, en ik heb dat gedaan omdat hij mij in maart van dit jaar nog heeft uitgedaagd. Die wedstrijd heeft toen niet plaatsgevonden en ik vond het nu het juiste moment. Ik heb gezegd dat ik er klaar voor ben en dat ik ervoor opensta wanneer hij kan. Of hij erop ingaat is nog maar de vraag.’

Wat denkt u?
‘Ik denk wel dat die wedstrijd er gaat komen. Op een gegeven moment ben je als vechter uitgeblust en moet je accepteren dat er jongere vechters zijn die dan beter en sterker zijn. Dat is topsport. Het heeft niets te maken met dat we allebei Marokkaan zijn of sterker zijn dan iemand anders. Op een gegeven moment komt er iemand die hongeriger is dan jezelf en dan moet je plaatsmaken of bewijzen dat je nog niet klaar bent.’

Bent u zelf bezig met het moment dat een jongere vechter u van de troon gaat stoten?
‘Ik heb het daar al vaak met mijn trainers over gehad. Wanneer het moment daar is, ik niet meer scherp ben en niet meer honderd procent kan geven, dan hoop ik dat mijn trainers me gaan beschermen. Dat ze zeggen dat het mooi geweest is, dat ik het goed gedaan heb of misschien niet goed gedaan heb, maar dat ik er over na moet gaan denken om te stoppen. Maar daar ben ik nog lang niet. Ik hoop dat ik dit nog een tijdje kan blijven doen. Eerst wil ik nog kampioen worden. Ik sta nu nummer twee, maar dat kan voor mij niet, want ik wil nummer één worden. Daarna kijken we wel welke richting ik op ga. Ik ben nog niet tevreden met het punt waar ik nu al beland ben.’

‘Het zat al vijfentwintig jaar in me’

0
‘Ik ben altijd vertrouwen blijven houden in mensen. Als je dat niet meer doet, dan geef je de hoop op. Dat mag niet gebeuren.’

Journalist en documentairemaker Mustafa Hadziibrahimovic (1978) kwam als jongen van vijftien jaar alleen vanuit Brcko (Bosnië-Herzegovina, vlak bij de grens met de Servische deelrepubliek in Bosnië en tegen de grens met Kroatië) naar Rijswijk, waar zijn broer woonde. Aan de vlucht ging een leven van uitersten vooraf. Een gelukkige jeugd in het verenigde Joegoslavië die haaks staat op walgelijke oorlogservaringen in het latere Bosnië. Een oorlog die duurde van 1992 tot 1995, met als absoluut dieptepunt de moord op achtduizend mensen, hoofdzakelijk moslims, in Srebrenica op 11 juli 1995. Hadziibrahimovic schreef hierover het boek De oorlog in mij, in samenwerking met Manja Ressler.

De oorlog
Het boek, geschreven in heldere, toegankelijke taal, bestaat uit drie delen. De jeugd van Hadziibrahimovic, de ellende die hij heeft meegemaakt toen de oorlog zijn stad bereikte en tot slot zijn vlucht naar Nederland.

In deel twee krijgen Hadziibrahimovic en zijn klasgenoten plotseling om mysterieuze redenen twee weken vrij van school. Achteraf was dit het eerste signaal dat de oorlog in aantocht was in zijn geboortestad, terwijl het stadsbestuur en lokale media betitelden Brcko als oase van rust.

Dit voorval doet denken aan een ouder incident in Nederland: in een radiotoespraak in mei 1940 namens het kabinet werd gezegd dat burgers rustig konden gaan slapen. Direct daarna vluchtte de Nederlandse regering naar Londen en de volgende dag vond het grote bombardement op Rotterdam plaats. Valt dit met elkaar te vergelijken? ‘Absoluut!’ zegt Hadziibrahimovic vol overtuiging. ‘Ook in ons geval werd gezegd dat we rustig konden gaan slapen. Op 30 april 1992 werd Brcko aangevallen. Veel Bosniërs, ook mijn familie en ik, dachten dat het Joegoslavische Volksleger ons zou beschermen of in ieder geval de vrede zou bewaren. Vergeet niet dat het Joegoslavische leger toen de vierde legermacht van Europa was. Dat leger, het JNA (Jugoslovenska Narodna Armija, red.), was sterk. Tot onze grote schrik was het JNA op handen van de Servische paramilitairen. JNA stond voor de oorlog garant voor de veiligheid van alle burgers van ex-Joegoslavië. Die tijd was voorbij. Heel confronterend. Je kunt beter aangevallen worden door een vreemde mogendheid dan dat je zo’n oorlog moet meemaken. We waren Joegoslaven die door andere Joegoslaven werden aangevallen. Het was pijnlijk, onwerkelijk en verontrustend.’

Bij het eerste bombardement dacht Hadziibrahimovic dat het onweerde, net als veel mensen in Nederland toen de Duitsers in 1940 aanvielen. ‘Oorlog was een ver-van-onze-bed-show, hoewel de oorlog in Kroatië al bezig was. We dachten echt dat we veilig waren in Brcko. Na al die jaren ben ik nog steeds bang voor bliksem en ben ik niet echt dol op vuurwerk.’

Schoolgenoot met kalasjnikov
Tijdens de burgeroorlog in Joegoslavië doken opmerkelijk genoeg groeperingen op die tijdens de Tweede Wereldoorlog al actief waren in ex-Joegoslavië: in het specifiek de Servische Chetniks en de Kroatische Ustasha’s. Deze twee groeperingen collaboreerden destijds met de nazi’s, zegt Hadziibrahimovic. ‘Na het einde van de Tweede Wereldoorlog oorlog zijn veel Chetniks en Ustasha’s gestraft, maar ondergronds en vanuit het buitenland zijn deze organisaties actief gebleven en hebben ze hun kans afgewacht. Onder Tito kon dat niet.’ (Josip Broz ‘Tito’ was van 1945 tot aan zijn overlijden de leider van Joegoslavië. Hij was voorvechter van een eenheid, red.). In het boek wordt beschreven hoe de paramilitairen van nationalistische en fascistische bewegingen weer opduiken en zich schuldig maken aan plunderingen en moordpartijen.

Ook dit komt in het boek naar voren: ‘Ondanks het aanhoudende schieten moet ik water blijven halen. Bij de stadskraan begin ik net een volle jerrycan weg te slepen met een karretje, als ik mijn schoolgenootje Ciro zie. Hij is op de fiets, heeft een hoge hoed op zijn hoofd met een Chetnik-symbool en draagt een kalasjnikov om zijn schouder. Het beeld is zowel angstaanjagend als surreëel. Een paar maanden eerder zaten we nog in dezelfde schoolbanken, grapjes te maken over van alles en nog wat. Nu is Ciro een Servische soldaat en ik een gevangen vogel.

Ik hoop dat Ciro mij niet ziet, maar hij ziet mij wel en roept mijn naam. Ik ben bang, maar moet mij nu wel omdraaien. Ciro fietst naar me toe en vraagt met een verbaasde blik in zijn ogen hoe het met me gaat. ‘Goed,’ antwoord ik. Ik vraag hem ook hoe het met hem en zijn ouders gaat. Ciro vertelt dat zijn vader twee weken eerder aan de frontlinie omgekomen is, vechtend tegen de Ustasha’s. Nu moet hij zelf zijn huis en zijn moeder beschermen. Het is even slikken voor mij als ik dat nieuws hoor. Ik moet alles verwerken en tot mij laten doordringen. Maar Ciro vraagt onverwachts: ‘Heb jij je al bekeerd? Heb jij je al laten kerstenen? Heb jij je naam al veranderd?’ Ik antwoord kortaf en enigszins beduusd: ‘Nee.’ En in mezelf zeg ik: ‘Nee, en dat ben ik ook niet van plan.’

Geloofsminachting
Twee aspecten van het boek komen duidelijk naar voren in dit fragment: de bizarre situaties die de verdeeldheid van de Joegoslaven tijdens deze oorlog met zich meebracht, en de jeugdigheid van de hoofdrolspelers. Hadziibrahimovic heeft deze oorlog immers moeten meemaken als tiener van veertien, vijftien jaar. Hoe was het voor hem om een schoolgenoot te zien met een kalasjnikov?

‘Het was onwerkelijk’, bevestigt hij. ‘Deze jongen was vlak voor de oorlog in de weer met nationale symbolen en dergelijke. We lachten om hem en noemden hem plagend een nationalist. Nee, ik heb nooit mijn naam laten veranderen, ik kende vrijwel niemand die dat deed. Bij ons thuis waren we niet zo met geloof bezig. Toch vond ik het vreselijk toen de drie moskeeën van Brcko werden opgeblazen – een symbool van geloofsminachting. Een belangrijk teken van onze aanwezigheid verdween. Het maakte duidelijk dat er geen plaats meer was voor ons. Het gevolg was dat ik weg wilde. Voorgoed mijn naam veranderen, dat wilde ik niet. Alleen om te vluchten naar Belgrado, om de grens tussen Bosnië en Servië over te gaan, maakte ik gebruik van een schoolrapport van een jongen met een Servische naam.’

Hoop
Het uitbreken van een oorlog zet je leven op zijn kop, zo blijkt ondubbelzinnig uit Hadziibrahimovic’ boek. ‘Van het ene op het andere moment heb je geen leven meer, geen bestaan. Zo zit je in de woonkamer, zo zit je te schuilen in de kelder en wordt het huis waarin je woont kapotgeschoten. Alles is ineens anders. Ik begreep er niets van. We zaten in Europa, hier gebeurden zulke dingen toch niet? Alsof ik in een film verzeild was geraakt die ik niet kon stopzetten. We hoopten dat de internationale gemeenschap zou ingrijpen, maar die hulp bleef heel lang uit. Daar was ik verontwaardigd over. Het viel ook niet mee om dat te begrijpen. Wat nieuws betreft vonden we bijna alleen het radioprogramma The Voice of America betrouwbaar, omdat het niet direct onder controle stond van één van de ex-Joegoslavische autoriteiten en daarmee dus ook geen propaganda uitzond, wat gebruikelijk was.’

Uit het boek blijkt hoeveel Hadziibrahimovic en zijn ouders moesten meemaken in relatief korte tijd. Ze mochten hun huis niet meer in, ook al was het hun eigen huis en kon zijn vader aantonen dat het van hem was. Toen ze er eindelijk weer in mochten, was het geplunderd. Beschoten worden, meegenomen naar een plek waar martelingen plaatsvonden, zijn vader kwam in een kamp terecht waar hij werd gemarteld, ze verloren familieleden; er lijkt geen einde te komen aan het oorlogsleed van deze en andere families. Wie kon je vertrouwen? ‘Ik ben altijd vertrouwen blijven houden in mensen. Als je dat niet meer doet, dan geef je de hoop op. Dat mag niet gebeuren.’

Opluchting
Het is geen wonder dat dit leed een uitweg zocht. Bij War Child wordt gezegd dat je een kind uit de oorlog kunt halen, maar de oorlog niet uit een kind. ‘Dat is absoluut waar. Veel van mijn werk, zoals mijn documentaires, staat in het teken van de oorlog in Bosnië.’

Hadziibrahimovic maakte diverse documentaires, zoals Terug naar Brcko, Land der vermisten, Gewond goud en Een andere wereld. Ze werden in meerdere landen over de hele wereld vertoond bij diverse internationale filmfestivals en genomineerd voor verschillende onderscheidingen. Hij is te bescheiden om dat zelf te noemen, maar voor liefhebbers staat het op de binnenflap van zijn boek.

‘Tijdens het schrijven voelde ik opluchting. Ik had echt behoefte om mijn verhaal te vertellen. Het zat al vijfentwintig jaar in me. Jarenlang wilde ik het graag op papier vastleggen, maar ik kon het niet. Ik had geen tijd en wellicht ook niet de moed ervoor. Door omstandigheden had ik een paar jaar geleden wél de gelegenheid om mijn ervaringen vast te leggen. Na het schrijven heb ik het verhaal een tijdje laten liggen. Door alles op te schrijven, heb ik het weer opnieuw beleefd. Op een gegeven moment heb ik redacteur Lex Jansen ingeschakeld. Later ben ik aanraking gekomen met redacteur Manja Ressler. Als gevolg van de samenwerking met haar is het verhaal weer in de oorspronkelijke ik-vorm geschreven. Ik denk dat het zo beter is, het is immers autobiografisch. Nu het schrijven van het boek achter de rug is, hoop ik dat dit ook gebeurt met de oorlog. Ten minste voor een deel en dat het niet meer zo nadrukkelijk, direct of indirect, mijn leven overheerst.’

Jongeren
Het derde deel van De oorlog in mij gaat over de vlucht van Hadziibrahimovic naar Nederland, naar Rijswijk. Zijn ouders blijven achter, wat deels te maken had met de discutabele gezondheid van zijn moeder. ‘Bovendien was het gevaarlijker om met zijn drieën te reizen. Ik voelde me aan de ene kant schuldig vanwege mijn vertrek. Mijn zus woonde in Denemarken, mijn broer in Rijswijk. Ik wilde weg, naar mijn broer. Het was noodzakelijk dat ik vertrok, maar ook heel ingrijpend. Ik moest mijn ouders achterlaten, terwijl ik wist dat ik hen misschien nooit meer zou zien. Echt, ik had het mezelf niet vergeven als er iets met hen was gebeurd. Vlak na de oorlog zijn mijn ouders naar Nederland gekomen. In eerste instantie om ons te zien, maar we keken ook samen naar de mogelijkheden of ze hier wilden en konden blijven. En zij bleven gelukkig bij ons.’

Zijn vlucht naar Nederland was een gevaarlijke reis, want hij moest een deel afleggen onder een valse naam. Bosniakken – Bosnische moslims – mochten namelijk niet zomaar het gebied verlaten. Het leest bijna als een spannend jongensboek. Toch kun je op tien vingers uittellen dat Mustafa regelmatig bang is geweest. ‘Vreselijk bang, vooral voordat ik in Hongarije was. Er hing zoveel van af. In mijn beleving wordt oorlog in Hollywood-films vaak verheerlijkt. Helaas zijn er ook jongeren die dit doen. Dat vind ik erg, daarom alleen al hoop ik dat mijn boek middelbare scholieren bereikt. Zo komen ze niet alleen meer over de oorlog in Bosnië te weten, maar ze lezen hoe ingrijpend het meemaken van een oorlog is. Een oorlog is wellicht het ergste wat je kan overkomen. Je wordt nooit meer dezelfde. Het is beslist waar dat een oorlog een breuk in het bestaan is. Oorlogsmisdadigers krijgen soms een levenslange gevangenisstraf, maar vergeet niet dat de slachtoffers ook levenslang hebben.’

9 november
Ongemerkt is 9 november een datum waarop in verschillende jaren belangrijke dingen gebeurden. Op 9 november 1938 vond in Duitsland de Kristallnacht plaats. Synagogen, winkels van joodse ondernemers en andere bezittingen van joden werden vernield en/of in brand gestoken. ‘Eigenlijk vormde de Kristallnacht de start voor de Jodenvervolging. Ik vergelijk het een beetje met het opblazen van de moskeeën in Brcko en in de rest van Bosnië. Het laat zien dat je ongewenst bent.’

Op 9 november 2018 werd in Kamp Westerbork de Kristallnacht herdacht én op die dag vond daar de boekpresentatie van De oorlog in mij plaats. Ook omdat op 9 november 1993 een historische brug in Mostar, nota bene Unesco-erfgoed, werd opgeblazen. Door toeval begon de vlucht van Hadziibrahimovic naar Nederland ook op 9 november 1993. Het eerste exemplaar van zijn boek werd uitgereikt aan Mirjam Weitzer-Smuk, die als kind de Kristallnacht in Essen (Duitsland) heeft meegemaakt. ‘Het was een mooi en emotioneel moment.’

Twan Huys
In mei 2011 ging Twan Huys voor een reportage naar Sarajevo en later Srebrenica. Hadziibrahimovic ging mee, mede daarom vroeg hij of Huys het voorwoord van zijn boek wilde schrijven. Na het lezen van het boek is Huys geschokt. Aan het slot schrijft hij het volgende: ‘Mustafa is onze tolk, fixer en verslaggever. Hij kan alles, weet alles en brengt ons door zijn charme naar de mensen die we zo graag willen spreken in het deprimerende stadscentrum. Maar zijn persoonlijke verhaal, de pijn, het verlies, houdt hij voor zich. Als ik de laatste pagina omsla van De oorlog in mij, vraag ik me af hoe het Mustafa te moede was tijdens onze reis zeven jaar eerder. Ik herinner me een vrolijke man die ons opgewekt rondleidde door een land vol littekens. Wat er in hem omgaat tijdens die reis weet ik nog steeds niet, maar na lezing van zijn meeslepende debuut geneer ik me voor mijn onwetendheid. Terwijl ik met Mustafa onderweg ben naar het massagraf in Srebrenica, zit het echte verhaal naast me.’

In de Arabische literatuur telt alleen schoonheid

0
In een uitverkochte de Nieuwe Liefde te Amsterdam werd op zaterdagavond 24 november de derde editie van de Nacht van de Arabische literatuur gehouden. Prijzen werden uitgereikt, de kunsten gevierd en de ander werd in de armen gesloten.

‘Waar begint de Arabische literatuur, een waar eindigt die?’, vraagt presentatrice Naeeda Aurangzeb bij de opening van de Nacht van de Arabische Literatuur, dat op een novemberavond in de Nieuwe Liefde in Amsterdam werd gehouden. ‘Is een Israëlische dichter deel van de Arabische literatuur, of Roemi? Zijn wij deel van de Arabische literatuur?’ Haar vragen, die ze aan het begin van de avond stelt, zijn symbolisch voor het hele programma waarin nauwe identiteiten worden opengebroken ten gunste van de kunst. Wie bij ‘Arabische literatuur’ vooral hoopte op verhalen over kamelen en vliegende tapijten, komt vanavond bedrogen uit. De vette Arabische noot, die gesuggereerd wordt in de naam en de oriëntalistische posters, moet op de avond vooral tussen de regels door gezocht worden. Tijdens deze Nacht (die in praktijk vooral een avond blijkt) wordt op de eerste plaats nieuw literair talent gevierd én bekroond, met de El Hizjra-prijs. Als het om pure kwaliteit gaat, blijkt vanavond diversiteit niet minder dan vanzelfsprekend.

Inclusief
Dat is ook de boodschap van de voorzitter van cultuurstichting El Hizjra, Nabil Taouati, die de openingsspeech houdt. Hij begint met een lofzang op de Middellandse Zee en alle schoonheid die daaruit voortvloeit, waarbij hij de Nederlandse dichter Hendrik Marsman (1899-1940) citeert: ‘Wie schrijft, schrijve in de geest van deze zee / of schrijf niet.’ Bewustwording van de schoonheid van het zuiden schrijft ook Taouati voor. De Nacht van de Arabische literatuur, zegt hij, ‘is opgericht om die schoonheid uit te dragen. Hierbij is de Arabische identiteit niet etnisch, niet exclusief; hij is open voor iedereen die in de Arabische geest schrijft.’

‘Cultuur moet verbinden, steun bieden, mensen hechten: niet alleen tussen Noord en Zuid, maar juist ook binnen Nederland.’ De Nederlandse identiteit, stelt Taouati, ‘is niet iets om voor weg te lopen. Een identiteit die divers is versterkt de weerbaarheid van de samenleving.’ Dit is het Nederland dat hij het liefste ziet: ‘Een Nederlandse identiteit die haar eigenheid zoekt in de kracht en potentie van de huidige, moderne Nederlandse samenleving. Een sterk en veerkrachtig Nederland zal inclusief zijn, of het zal niet zijn.’

Mijn hart is een massagraf
Na de opening door Taouati lukt het maatschappelijke problemen niet meer om de hoofdrol te veroveren, maar worden ze beperkt tot decorstukken voor de literatuur. Dat wordt duidelijk bij de drie genomineerde dichters voor de El Hizjra-prijs, die elk een gedicht mogen voordragen. Zo grijpt Stokely Dichtman een politieke zaak aan om zijn kunsten te etaleren, en pakt met het begin van zijn voordracht meteen het publiek bij zijn lurven. ‘Ik kan mijn gedicht niet voordragen, want ik kan hem niet lezen’, zegt hij, en hij draait zijn vel om – het is helemaal zwart gekalkt. ‘Maar ik kan hem wel omschrijven’, gaat hij verder, om vervolgens een soepel gedicht voor te dragen over de schoonheid van zwart.

Ook de andere genomineerden, Maureen Ghazal en Rufo de Capriles de Martiriëlle Westerman, dichten over pijn en problemen, evenals de genomineerden in proza. Uiteindelijke winnaar van de prozaprijs Amro Kasr leest zijn verhaal What up sisyphus vol humor over de berooide filosofiestudent Chalid, terwijl Tato Martirossian vooroordelen in het asielzoekerscentrum belicht. Marieke Stam beschrijft de overpeinzingen van een moeder wiens dochter een trauma aan de buitenwereld openbaart – wat beslist niet zonder slag of stoot gaat.

Volgens Petra Stienen, publiciste, Arabist en voorzitter van de jury, creëert de literatuur een uitweg uit het leed waar mensen mee geconfronteerd worden. ‘Wat doe je als je murw bent van al deze getallen, dat dat het gevoel wegdrukt?’ Ze heeft het over de Syrische burgeroorlog, waarvan al jarenlang de toenemende dodentallen vet in de krantenkoppen staan. ‘Mijn hart is een massagraf’, citeert ze om haar moedeloosheid uit te drukken. ‘Maar we hebben altijd nog de pen, de poëzie en het verhaal. Zelfs in de droefheid en de somberte kan er kippenvel en schoonheid zijn.’

Minderheid van de minderheid
De ruimhartige opvatting van de Arabische identiteit bleek ook uit het feit dat Murat Isik, die dit jaar de prestigieuze Libris-literatuurprijs won met zijn roman Wees onzichtbaar, een hoofdrol had door lang op het hoofdpodium te worden geïnterviewd. Daarbij ging het vooral over de Bijlmer, de wijk waar Isik opgroeide en die een belangrijke rol speelt in Wees onzichtbaar. Het is geen geheim dat de wijk een slechte reputatie heeft, zegt hij: ‘Taxichauffeurs weigerden ritten naar de Bijlmer en visite wil bij het station worden opgehaald omdat ze niet door de wijk durven te lopen. Het voelde als een opgegeven wijk, alsof we er niet bij hoorden.’

‘Mensen kennen tegenwoordig de beste plekjes om te eten in Bangkok, maar komen nooit in de Bijlmer.’ Dat is onterecht, zegt Isik. ‘De Bijlmer is werkelijk een schat van verhalen – ik probeer de andere kant te laten zien, voorbij de stereotypes.’

School
Het zijn stereotypes die Isik persoonlijk aan den lijve heeft ondervonden. ‘Toen ik op de middelbare school een vijf haalde voor Nederlands, werd er aan mij bijles gegeven – ook al was ik absoluut niet de enige met een vijf. Ik kreeg niet echt het idee dat ik potentie had, en ook had ik geen rolmodel. Of ja, dat was Michael Jackson, maar dat was een onbereikbaar rolmodel.’ Het winnen van de Libris literatuurprijs betekende het ongelijk van de lerares die hem tot bijles veroordeelde. ‘Ik ga nog een e-mail sturen naar die lerares – ik heb het nog niet gedaan, want dit is iets waar je even voor moet gaan zitten.’

Er is nog steeds veel mis met het onderwijs, vindt Isik. ‘Docenten kunnen de leerlingen veel meer stimuleren en hun talenten laten ontwikkelen. Op dit moment is het nog te veel een stampfabriek. Als ik nu terugkijk op de middelbare school, had ik al die tijd voor het stampen kunnen gebruiken voor andere dingen. Sociale vaardigheden leren, gesprekstechnieken ontwikkelen, iets van het leven leren.’

Hoewel de avond wordt aangekondigd als die van de Arabische literatuur, is uiteindelijk weinig in het programma expliciet Arabisch. De speech van voorzitter Nabil Taouati zet de definitie van ‘Arabisch’ wagenwijd open – maar die van ‘Nederlands’ evenzeer. De twee categorieën smelten samen en het meest zichtbare bleef over: het menselijk leven, met al haar leed en vreugde, vertolkt in proza en poëzie. Is dit een inkijkje in Nieuw Nederland? Taouati denkt van wel. Hij spreekt van ‘een Nederlandse identiteit die dynamisch is. De geschiedenis loopt door’, zegt Taouati, ‘ook vanavond’.

Met dank aan Frank Boeijen

0

Ik denk weleens: waar doe ik het allemaal voor? Zoals onlangs. Ik was met een collega aan het surveilleren, komen er proestende kinderen uit de gang bij de trap vandaan gerend. Blijkt een leerling een busje pepperspray leeggespoten te hebben in het trappenhuis. Gewoon, in de school. Het was een meisje uit een van mijn klassen, duidelijk zichtbaar op de beveiligingsbeelden die we na het incident bekeken. ‘Jullie moeten weg, ik ga iets spuiten’, had ze de andere leerlingen nog gewaarschuwd.

Pepperspray is écht gemeen spul, dus vanwaar haar roekeloze actie? Geen idee. Wellicht een aanval van balorigheid. Het gebruik van pepperspray is verboden, dus de leerling werd uit de klas gevist – ‘pak je spullen maar’ – en overgedragen aan de politie. Waarna overigens wel bleek dat de klas z’n klassiekers kende. ‘Free Laneda!’ scandeerden de leerlingen, nog net niet met opgeheven vuist in de lucht toen hun klasgenoot werd opgehaald. Het mocht niet baten.

Of wat een collega laatst meemaakte, een zorgklas (ofwel een klas vol – meestal – meiden) waarbij een aantal leerlingen geen boek bij zich had (wel krultang en make-up) zodat de aandacht in de les schaars en minimaal was. Komt de conciërge binnen: ‘Er staat een jarige te wachten in een limo’. De halve klas stormt uit de banken naar beneden, waar de limo inderdaad stond te wachten. Had een oom geregeld. De directeur moest eraan te pas komen om de meiden van de straat te plukken, terug de klas in. De jarige job verdween in de auto die klaarstond.

Raken we de regie kwijt?, denk ik dan. Hoe pakken we die terug? En blijft er eigenlijk wel iets hangen van wat wij de leerlingen proberen te leren in onze lessen? Een paar weken geleden werd ik gebeld door Jeffrey. Jeffrey zat in 2002 bij mij in de klas, komt oorspronkelijk uit Ghana en was pas een paar jaar in Nederland toen hij bij mij in de klas kwam. In zijn klas zaten nog andere leerlingen voor wie Nederland nieuw was, leerlingen die opnieuw moesten beginnen. En waar begin je dan mee? Met de taal natuurlijk. In de schakelklas leren nieuwe leerlingen eerst de taal en na één of twee jaar stromen ze door naar een reguliere klas.

Jeffrey belde me omdat hij het idee had opgevat om een reünie te organiseren voor zijn klas die zo’n vijftien jaar geleden was geslaagd. Iedereen was zijn eigen weg gegaan, maar Jeffrey had nog wel af en toe contact met May – die verpleegkundige was geworden, gewerkt had bij de KNVB en in die hoedanigheid de halve wereld had overgevlogen. Inmiddels werkt ze in het VU-ziekenhuis. Hij was gaan spitten en had een aantal leerlingen weten op te sporen die hij uitgenodigd had voor een etentje. Ik zou op de bewuste reünie de verrassing zijn. Daarvoor hoefde ik gelukkig niet uit een taart te springen, maar ik zou bij wijze van surprise binnenkomen als de rest van de genodigden er allemaal waren.

Ik vond het een leuk idee en nadat ik buiten een appje had gekregen dat iedereen er was, ging ik naar binnen. Verbazing alom natuurlijk. Wat ik me wel afvroeg: Jeffrey had me dan wel enthousiast uitgenodigd, maar zouden de andere leerlingen me nog kennen? Wat heet. Ik zat naast Charlita, jarenlang grondstewardess geweest, maar na een ernstig auto-ongeluk afgekeurd en nu bezig met het ontwerpen van een eigen sportkledinglijn. ‘Het was mijn eerste jaar in Nederland’, zei ze in accentloos Nederlands, ‘ik was zo bang! U bent voor mij een baken geweest om me aan vast te houden.’ Dat ik dat nooit door heb gehad, wat gek, dacht ik. ‘Had ik maar beter opgelet bij economie, dan had ik veel meer op kunnen steken’, zei een ander spijtig.

‘Jullie hebben ons zoveel geleerd! We begonnen helemaal op nul in die schakelklas’, zei Charlita. Onmiddellijk ging het in koor: ‘Linda, Linda, Linda!’ Tijdens de lessen Nederlands werd de taal geoefend met behulp van liedjes. Daar werden dan woorden uit weggelaten en die moesten de kinderen invullen. Zo te horen was dat goed blijven plakken. Ik denk dat het om een nummer van Frank Boeijen ging: ‘Linda, Linda, Linda – ik wil alles voor je doen.’

De leerlingen wisten zich ook nog heel goed te herinneren dat we uit eten waren geweest. Die ene keer uit eten of een schoolreis naar Londen was voor altijd in de geheugens gebrand van mijn leerlingen van toen. Ik mag dan vaak het idee hebben dat wat ik vertel het ene oor in gaat en het andere weer uit, wat ik deze avond ook leerde en niet snel zal vergeten was dat ik de invloed van een leerkracht niet moet onderschatten. En dat sommige liedjes het hoofd nooit meer verlaten.

Mag racisme niet maar seksisme wel?

0

De komst van Sinterklaas zorgt sinds een aantal jaren voor ongekende opwinding in dit land. Niet bij kinderen, maar bij volwassenen. Een groeiende groep Nederlanders maakt bezwaar tegen de figuur van Zwarte Piet, omdat zij die in de Amerikaanse blackface-traditie zien staan. Het gaat daarbij zowel om de ridiculisering van zwarten als om het door schmink suggereren van een andere huidskleur als zodanig: ‘Mijn huidskleur is geen kostuum.’

Dat roept een interessante vraag op: geldt dat ook voor het geslacht? Zijn ook de geslachtsdelen ‘geen kostuum’? Hoe staat het dus met travestie? Ook daarbij wordt immers met identiteit gespeeld en wordt identiteit in zekere zin geridiculiseerd, ook al heeft dat historisch deels een andere achtergrond. Mannen die zich als vrouw verkleden – dat was in een ver verleden schering en inslag op het toneel, toen actrices zeldzaam waren of zelfs volledig ongepast gevonden werden.

Omgekeerd wordt in opera’s vandaag de rol van knapen, vanwege de daarvoor noodzakelijke hoge en krachtige stem, meestal door vrouwen vervuld, omdat castraten – waarover men ooit veelvuldig beschikte – nu uit den boze zijn. Met de inzet van jongens zonder baard in de keel krijg je bovendien wegens onregelmatige arbeidstijden en late bedtijden snel met de kinderbescherming te doen. Vrouwen die zich als mannen vermommen – dat gebeurde vroeger buiten het toneel ook af en toe als ze met de hen toegewezen maatschappelijke rol op het tweede plan ontevreden waren, en in plaats van naar de keuken naar de wijde wereld snakten.

Als het om huidskleur gaat, staat men vooral in de theaterwereld regelmatig voor moeizame dilemma’s. Wat te doen met een stuk uit het klassieke repertoire waarin een zwarte voorkomt, zeker als de desbetreffende figuur niet vrij is van negatieve clichés, zoals bij Shakespeares Othello? Moet men die rol dan ‘witten’ omdat die figuur nu als onacceptabel racistisch ervaren wordt? En zo nee, moet die rol dan door een zwarte gespeeld worden, of juist niet? Met het eerste wordt de strekking van het stuk natuurlijk gewijzigd en dus de intentie van de auteur verminkt, waardoor ook de geschiedenis geweld wordt aangedaan. Aan een zeventiende-eeuws schilderij veranderen we immers evenmin iets als de zwarte page naast de witte dame ons niet aanstaat – dat is nu eenmaal een historisch document. Of moeten we zo’n stuk dan überhaupt niet meer opvoeren en zo’n schilderij niet meer tonen? En geldt dat dan eveneens voor pakweg Romeinse reliëfs waarop de Germanen als achterlijke barbaren worden weergegeven – of voor Arabische voorstellingen waarop Afrikaanse slaven fungeren?

Afgelopen herfst was ik samen met een schoolvriend in de Amsterdamse Stopera voor een uitvoering van Mozarts Zauberflöte. Die is – om het in hedendaagse termen te gieten – politiek tamelijk incorrect, zowel op het punt van ras als van geslacht. Tegenover Sarastro, die als tempelpriester het Goede vertegenwoordigt, staat de Koningin der Nacht als incarnatie van het Kwaad. De teksten uit de eerste hoek zijn niet mals: ‘Een vrouw doet weinig, kletst veel’ of ‘Een man moet jullie vrouwenharten leiden’. Het leidde regelmatig tot enig gegniffel in de zaal.

Een bijrol is weggelegd voor de Moor Monostatos, een soort opperslaaf van de tempel, die als zeer boosaardig wordt neergezet. Hij probeert de lelieblanke prinses Pamina te versieren en als die niets van hem wil weten, vraagt hij, in Mozarts tekst: ‘Waarom beef je? Voor mijn zwarte huid?’ Even eerder zingt de buitengeslotene verbitterd: ‘Und ich soll die Liebe meiden / Weil ein Schwarzer hässlich ist / Ist mir denn kein Herz gegeben? Bin ich nicht von Fleisch und Blut?’

Bij deze uitvoering waren die teksten gewijzigd en was Monostatos niet langer meer een Moor, maar was hij in een soort afzichtelijke Weinstein veranderd; zijn morsige karakter werd benadrukt door een slechtzittend colbert en een loshangende stropdas. Aan de denigrerende teksten over vrouwen was daarentegen niets veranderd. Dat roept automatisch een heel cruciale maatschappelijke vraag op: waarom? Zijn seksistische clichés minder erg dan raciale? In beide gevallen gaat het om een inmiddels als gênant ervaren vertoon van blanke/mannelijke superioriteit. Het MeToo-debat wordt immers met weinig minder heftigheid gevoerd dan dat over Zwarte Piet.

Natuurlijk kan men in het concrete geval van deze opera argumenteren dat het ‘witten’ van Monostatos veel minder ingrijpend is, omdat zijn optreden in het verhaal secundair is. Wie bij een opvoering van de Zauberflöte van het contrast tussen de goede Sarastro en de boosaardige Koningin der Nacht af wil, laat weinig meer van het stuk over. Maar toch geloof ik dat er meer aan de hand is. En dat de crux is dat MeToo in de kern over onszelf gaat, over iets bínnen de Europese cultuur en Zwarte Piet over de relatie tussen Europa en de rest van de wereld.

Over ongelijke man-vrouw-verhoudingen voelen we ons minder bezwaard dan over ongelijke raciale verhoudingen. In het laatste geval kijkt, met het westerse kolonialisme in het historisch geheugen, de buitenwereld kritisch over onze schouders mee. Terwijl in diezelfde buitenwereld, zeker in meer traditionele samenlevingen, de man-vrouwverhoudingen vaak juist nog veel beroerder zijn dan bij ons. Anders gezegd: een zwarte voelt zich in Afrika niet als zwarte gediscrimineerd, maar een vrouw in de Arabische wereld als vrouw al snel wel.

Dat laatste werpt een heel interessant licht op de universaliteit van enkele graag als universeel betitelde waarden – en op een bepaald soort groepsdenken, waarbij clichés over sommige groepen wél en over andere níet acceptabel zijn. Als het in plaats van Zwarte Piet ‘Moffenpiet’ zou zijn, was er minder protest. Ook dat is iets van: wij Europeanen onder elkaar. De paradox is: terwijl men door anti-zwarte clichés te lijf te gaan groepsdenken wil bestrijden, zondert men zich – door het over andere clichés niet te hebben – eigenlijk weer als Europeanen indirect van de anderen af.

Boerkaverbod moet van tafel

0

Onlangs kwam de kersverse burgemeester van Amsterdam Femke Halsema stevig in het nieuws. Ze had op een bijeenkomst in Slotervaart gezegd dat de handhaving van het ophanden zijnde verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding niet haar prioriteit had. Ze voegde daaraan toe dat het niet bij Amsterdam past om vrouwen met een nikab uit de tram te halen omdat ze in overtreding zijn. Het gaat om de ‘Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding’, die in de loop van 2019 zal worden ingevoerd. Die wet, die al twee jaar geleden met een grote meerderheid in de Tweede Kamer werd aangenomen, is in juni van dit jaar ook door de Eerste Kamer goedgekeurd. Het verbiedt het dragen van gezichtsbedekkende kleding in onderwijs- en zorginstellingen, overheidsgebouwen en in het openbaar vervoer. De wet gaat dus ook over bivakmutsen, integraalhelmen of andere attributen waardoor je iemands gezicht niet meer kunt zien. Maar uiteraard is alle aandacht gericht op moslimvrouwen met een gezichtssluier, in de media bekend als de ‘boerka’. Zo werd de wet al snel bekend als het ‘boerkaverbod’.

Dat er zo massaal voor zo’n verbod wordt gestemd ondanks de wettelijke haken en ogen en de uitvoeringsproblemen die de wet met zich meebrengt, is het natuurlijk verklaarbaar in het huidige klimaat. Anti-islamsentimenten spelen hier de boventoon, want wie maakt zich nu druk om iemand die met een helm op in de tram zit? Ook de reactie op Halsema’s uitspraken heeft vooral daarmee te maken en niet of nauwelijks met de staatsrechtelijke vraag of een stadsbestuur landelijke wetgeving kan negeren.

Ook in veel andere landen van Europa zijn zulke ‘boerkaverboden’ door het parlement geloodst. Grote eensgezindheid, want het uitbannen van de gezichtssluier is het achterliggende doel, maar in alle landen die lid zijn van de EU mag geen wetgeving geformuleerd worden die betrekking heeft op de leden van één religieuze gemeenschap – in dit geval islam – of tegen religie in het algemeen. Dat druist in tegen de vrijheid van godsdienst en dat betekent eindeloze rechtszaken. Wetgevers en politici wringen zich in allerlei bochten om de wet zo te formuleren dat ten aanzien van de gezichtssluier optimaal effect wordt bereikt, maar wel binnen de wettelijke kaders. In de onderbouwing van de wet zie je dan interessante verschillen. Zo wordt in de meeste landen communicatie genoemd, maar op verschillende manieren. ‘Als je iemands gezicht niet kunt zien, kun je niet behoorlijk communiceren.’ Probleem is dan natuurlijk dat er wel meer attributen zijn die niet onder de wet vallen maar die wel belemmerend werken voor de communicatie.

In het verlengde daarvan worden veiligheid en identificatieplicht genoemd. Maar het probleem is dat je daarmee op een veel breder en ingewikkelder terrein van rechtshandhaving komt. En bovendien, hoe kom je dan weer terug bij de boerka? Door deze categorie vrouwen publiekelijk te criminaliseren. Zo vergeleek brexiteer en voormalig Brits minister Boris Johnson vrouwen met een nikab met bankovervallers. En in Bulgarije wordt het boerkaverbod gewoon onderbouwd met een verwijzing naar het gewelddadige karakter van de islam. Doen ze daar niet moeilijk over. Dat doet sterk denken aan de argumenten die de Franse regering gebruikte om lange wijde gewaden en sluiers te verbieden ten tijde van de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog eind jaren vijftig van de vorige eeuw. Onder die gewaden kon je namelijk makkelijk een geweer verstoppen en bovendien konden mannen ook een sluier dragen en zo onherkenbaar worden. Dan vind je in sommige wetsvoorstellen ook de formulering dat gezichtsbedekking niet mag als het geen noodzakelijk doel dient. Tsja, wat is een noodzakelijk doel? Als een vrouw met een nikab zegt dat haar geloof dat dragen noodzakelijk maakt? Wie bepaalt wat noodzakelijk is?

In het publieke debat gaat het dus vrijwel uitsluitend over de gezichtssluier en alles wat men daarmee associeert. Daarbij valt op dat de voorzichtigheid die je bijvoorbeeld ruim tien jaar geleden in Frankrijk nog kon waarnemen bij voorstanders van een verbod op het dragen van religieuze symbolen in openbare gebouwen, vrijwel geheel is verdwenen. In naam van de ‘open en vrije, seculiere samenleving’, in naam van ‘onderdrukte vrouwen’ en in naam van ‘respect voor onze zeden’ mogen kledingregels wettelijk worden opgelegd. Daarvoor zetten we graag onze principes even aan de kant.

En dat allemaal om een handjevol vrouwen die op grond van hun geloofsovertuiging hun gezicht willen bedekken. Natuurlijk moet je als tegenstander van zo’n wet niet het argument van de kleine aantallen op tafel leggen. Dat betekent eigenlijk dat je geen probleem ziet zolang het om kleine aantallen gaat. Dat was in wezen ook wat Halsema stelde: waar praten we over? Nee, aantallen mogen geen rol spelen. In naam van ‘onze vrijheid’ – die voor iedereen geldt – moet die wet van tafel.

‘Ik haal kracht uit mijn familie’

0
‘Ik visualiseer mijn wedstrijden, waarmee ik het universum een signaal stuur en het universum gaat dan voor me werken.’

De Kanttekening komt met een serie ‘Kickboksers’. Het spits wordt afgebeten door kickbokser Murthel Groenhart, die is opgegroeid in de Molenwijk in Amsterdam-Noord. Hij had geen makkelijke jeugd, met criminaliteit en weinig goede vooruitzichten voor de toekomst, waarbij hij grotendeels op straat opgroeide. Op straat werd hij ook ontdekt, door trainer Mike Passenier. Inmiddels is Groenhart uitgegroeid tot één van de beste kickboksers ter wereld. Vorig jaar werd hij wereldkampioen weltergewicht bij Glory, de eredivisie van het kickboksen. In februari stapt hij opnieuw in de ring. Ondertussen bekommert de vechtsporter van Surinaamse afkomst zich op zijn beurt om straatjongeren.

Wat is uw motivatie om te boksen?
‘Ik wil de beste worden in wat ik doe. Ik wil sowieso nog iets van zes titels pakken en die blijven verdedigen. Verder zijn mijn kinderen mijn drijfveren. Op dit moment is dat al mijn zoontje, waardoor ik er echt voor ga, maar er is ook nog een meisje onderweg, dus ik heb erg veel motivatie om te blijven boksen. Ik doe dit voor hen.’

Het komt altijd weer terug bij familie?
‘Zeker, want als je het zwaar hebt, kun je altijd terugvallen op je familie. Die stellen je gerust, helpen je door een zware periode heen, verzekeren je ervan dat het weer goed komt. Ik haal kracht uit mijn familie, die ik ook echt nodig heb. Vanuit je familie krijg je liefde en liefde is belangrijk voor een vechter, want dat heeft een goede basis om op verder te gaan.’

Maakt dat uzelf ook zekerder?
‘Ja, dat denk ik wel. Als je geen liefde hebt en je hebt niemand in je leven om op terug te vallen, dan kom je nergens. Dan bereik je niets. De liefde en steun van iemand geeft je het gevoel dat je wat kunt bereiken in je leven. Maar ik denk dat dit voor iedereen geldt, als je een baan hebt of iets anders doet. Als je niemand hebt om van te houden, dan is het moeilijk om goed te leven en om ergens voor te gaan. Mijn familie en kinderen houden me op de been.’

U bent van Surinaamse afkomst en Surinaamse families zijn vaak hecht. Speelt dat ook mee?
‘Ja, dat zit gewoon in de Surinaamse wortels. Normaal gesproken komen we veel bij elkaar over de vloer, maar nu ik zoveel met mijn sport bezig ben, zie ik mijn familie weinig. Dat vind ik wel jammer. Mijn broers en zussen en mijn eigen gezin zie ik wel, maar ik ga bijvoorbeeld niet meer naar verjaardagen. Dat gaat op dit moment helaas niet samen.’

U komt zelf van de straat. Bent u van ver gekomen?
‘Ik hing inderdaad vaak op straat rond toen ik jong was. Ik had thuis niets te zoeken en al mijn vrienden hingen op straat rond. We voetbalden veel en haalden veel kattenkwaad uit, maar er waren ook geregeld akkefietjes, waar ik ook bij betrokken was. En mijn wijk – de Molenwijk in Amsterdam – stond bekend als een probleemwijk. Ik was vijftien jaar, ik wist niet beter. Wie een grote mond tegen mij had, kreeg een grote mond terug. Ik ben min of meer van straat gehaald door Mike Passenier, die me uitnodigde om in zijn sportschool te komen trainen. Ik ben er de volgende dag gelijk heen gegaan. Ik ben hem echt dankbaar dat hij me van straat afgehaald heeft en hij heeft me discipline en respect voor mensen bijgebracht. Dat had ik nodig. Voor hetzelfde geld was ik op straat blijven hangen en ik weet niet wat er dan van me terechtgekomen zou zijn.’

Was u bang dat het verkeerd uit zou pakken?
‘Ik weet het niet, maar die kans was wel aanwezig. Ik werkte toen ook al als loodgieter, dus ik had wel wat te doen, maar je hoeft maar een splitsing tegen te komen onderweg en je kiest voor een andere weg. Met één stap kun je de verkeerde kant op gaan, dat gaat heel makkelijk. Dat heb ik wel gezien. Je moet zelf echt sterk zijn om te blijven waar je bent en ik ben gelukkig op het juiste pad gebleven – het pad waar ik ook wil zijn. Als ik weleens in mijn oude buurt kom, zie ik die jongens van vroeger nog steeds rondhangen. Die zijn geen stap verder gekomen.’

Ziet u uzelf nu als voorbeeld voor jongeren van de straat?
‘Eerst niet, maar hoe langer ik bezig ben met mijn sport, hoe meer ik ben gaan inzien dat dit wel het geval is. Ik krijg veel berichten van jongeren die net zoals ik willen zijn. Ik kon me eerst niet voorstellen dat iemand zoals ik zou willen zijn, maar ik ben daarover gaan nadenken. Mijn verhaal kennen ze en ze zien waar dat toe heeft geleid en waar ik nu ben en nu begrijp ik ze. Mijn verhaal maakt me toch een rolmodel en geeft me een bepaalde functie voor die jongeren.’

Hoe vindt u dat?
‘Ik vind het mooi, maar het kan lastig zijn. Ik moet wel op bepaalde dingen letten waar ik voorheen nooit bij stilstond. Ik kan niet zomaar meer dingen doen, weet je, zoals ruzie zoeken op straat, want je bent een voorbeeld. Ik heb er ook niet voor gekozen, maar ik kreeg die functie gewoon.’

Kunt u jongeren, die bijvoorbeeld in de criminaliteit terecht dreigen te komen of zelfs al gekomen zijn, helpen?
‘Ik denk het wel. Ik wil in de toekomst mijn eigen sportschool openen en dat zal veel schelen. Er zijn nu al jongeren die bij me trainen, omdat ze van de straat moeten blijven. Naast het trainen praat ik ook met ze en probeer ik ze van de straat te halen en te houden. Er was laatst een jongen die had gevochten op straat en bij me wilde trainen. Ik heb hem gezegd dat ik dat prima vind en dat ik hem best wil klaarstomen voor het boksen en voor wedstrijden, maar dat hij dan niet meer op straat mag vechten. Dat is een voorwaarde van mij – je knokt niet op straat. Als je problemen hebt, dan loop je maar weg, maar je gaat niet knokken. Hoe vaker zo’n jongen bij mij op de sportschool is, hoe minder vaak hij op straat rondhangt. Wanneer je van de straat blijft, dan blijf je vanzelf weg van de criminaliteit. Dat is bij mij ook gelukt, dus het kan ook bij anderen gebeuren.’

Wat voor mentaliteit is er nodig om een goede bokser te worden?
‘Je moet toegewijd en vastberaden zijn, dat is heel belangrijk. Je moet niet meer gaan kijken naar wat er op straat gebeurt. Veel trainen en hongerig blijven, dan komt het goed. Maar je moet het wel leuk vinden en je moet willen weten hoe het boksen in elkaar zit. Wat er gebeurt als je iemand een hoek geeft. Je moet weten waarom je iets doet en je moet jezelf blijven verbeteren. Dat heb ik tenminste bij mezelf gemerkt. Ik heb zelf geleerd om geduldig te zijn en dat heeft me geholpen. Toen ik begon met boksen keek ik op tegen de grote jongens en nu sta ik zelf op dat niveau.’

In uzelf blijven geloven?
‘Absoluut. Ik heb het boek The secret gelezen (een zelfhulpboek, red.), op aanraden van een goede vriend, en daar kan ik wel wat mee. Het heeft me echt geholpen bij wedstrijden en zelfs andere dingen in mijn leven. Ik visualiseer mijn wedstrijden, waarmee ik het universum een signaal stuur en het universum gaat dan voor me werken. Ik heb op mijn laatste persconferentie tegen mijn tegenstander gezegd dat ik visualiseer dat ik hem aan ga pakken, neer ga slaan en dat ik ga winnen. Dat is allemaal gebeurd.  Als je niet in jezelf gelooft, dan gaat wat je wilt ook niet lukken. Ik geloof ook wel dat er iets is, een god, anders zou ik nooit The secret kunnen lezen.’

Wat is in die zin uw boodschap aan die straatjongeren?
‘Dat ze altijd in zichzelf moeten blijven geloven, hoe donker je dagen ook zijn. Als je dat doet, zal er uiteindelijk licht schijnen. Alles wat ik zeg is gebaseerd op mijn eigen ervaring en dat is een krachtig signaal naar die jongeren.’