Wij kunnen het jaar afsluiten door te reflecteren op sappige en hoopvolle verhalen van het afgelopen jaar. Over de voetbalclub Wild Boars bijvoorbeeld, de twaalf Thaise tieners die deze zomer uit een grot werden gered. We kunnen het ook hebben over de historische ontmoeting tussen de Amerikaanse en de Noord-Koreaanse president, begin dit jaar. Of die tussen hun Ethiopische en Eritrese ambtgenoten. Maar wie, zoals ik, onrecht van heel dichtbij ziet, laat zich niet verleiden tot goedkope en sappige verhalen om het jaar mee te eindigen.
Tijdens kerstavond liep ik langs Termini, het grootste station van Rome, waar ik tientallen migranten buiten zag slapen. Een paar jaar daarvoor hadden zij hoopvol hun thuis op het Afrikaanse continent verlaten. Ze namen een gevaarlijke tocht, langs de Sahara, Libië en de Middellandse Zee, op gammele bootjes. Op zoek naar de Europese droom.
Ze hebben überhaupt geluk dat ze Italië hebben bereikt. Tussen januari en juli van dit jaar is één persoon overleden of vermist voor iedere achttien mensen die via de Middellandse Zee een poging waagden om het Europese vasteland te bereiken. In dezelfde periode van 2017 was het één op de tweeënveertig personen die het niet redde. Deze cijfers werden eerder dit jaar in een rapport van de UNHCR gepresenteerd. Daarin noemt de VN-vluchtelingenorganisatie het Middellandse Zeegebied ‘één van ’s werelds meest dodelijke oversteekplaatsen over zee’. Het hoge aantal doden is opmerkelijk als je bedenkt dat sinds oktober 2015 het aantal migranten en vluchtelingen naar de EU met maar liefst vijfennegentig procent is gedaald.
Tijdens Winternachten, het internationale literatuurfestival dat eerder dit jaar in Den Haag plaatsvond, zei de Pakistaanse schrijver Mohsin Hamid dat ‘wat Europa ook doet, het zal mensen niet tegenhouden om op haar muren te klimmen’. De ongelijkheid is te groot. De EU zal eerlijker moeten verdelen of die mensen doodschieten, zei de auteur van Exit West. De Europese Unie schiet niet op mensen aan haar zuidgrenzen, maar zij gebruikt andere soft methodes om ervoor te zorgen dat deze mensen Europa niet bereiken of aan de grens creperen.
Een paar dagen voorafgaand aan kerst hebben Italië en Malta een reddingsschip van de Spaanse ngo Open Arms de toegang tot haar grond geweigerd. Daar zaten meer dan driehonderd migranten en vluchtelingen die op de Middellandse Zee werden gered. Uiteindelijk was het schip welkom in Spanje. Wanneer we ergens lezen ‘Reddingsschip met honderden migranten en vluchtelingen niet welkom in Europa’, zijn we niet meer verbaasd. Want het is anno 2018 normaal geworden om mensen die een gevaarlijke route hebben genomen om Europa te bereiken, de toegang te ontzeggen. Misschien herinnert u zich het schip Aquarius, eerder deze zomer. Meer dan zeshonderd migranten en vluchtelingen zaten daarop. Ze waren nergens welkom, totdat Spanje ze weer welkom heette.
De ngo’s Artsen zonder Grenzen en SOS Méditerranée hebben eerder deze maand bekendgemaakt dat het schip Aquarius niet meer zal worden ingezet voor reddingsacties in de Middellandse Zee. ‘De Italiaanse regering, gesteund door andere Europese landen, heeft onze hulp als onwettelijk bestempeld, verdacht gemaakt en geblokkeerd door de registratie van het schip in te trekken. Daardoor kan de Aquarius niet uitvaren’, aldus de twee ngo’s.
De Europese Unie en Italië schieten niet op migranten en vluchtelingen. Maar ze bemoeilijken het werk van ngo’s die uit humanitaire gronden vluchtelingen en migranten redden. Bovendien maken de EU en de Italiaanse overheid afspraken met Libië om migranten op zee te onderscheppen. De migranten worden in detentiecentra gevangengehouden, onder onmenselijke omstandigheden. En migranten die het geluk hebben dat ze ondanks deze tegenslagen Italië en Europa bereiken, kunnen op straat eindigen. Alleen buiten slapen op kerstavond. Dat doet pijn.
De Kanttekening peilde de kerststemming in India. ‘We leven hier zo dicht op elkaar dat het goed is om onze feesten samen te vieren. Daarom ga ik met kerst mee naar de kerk, schuif ik aan bij het islamitische Suikerfeest en steken we samen lichtjes aan met het hindoefeest Divali.’
Hoewel christenen slechts een paar procent uitmaken van de totale Indiase bevolking, wordt kerst door het hele land gevierd. Niet alle Indiërs vieren kerst, maar in veel gemeenschappen waar hindoes, moslims en christenen naast elkaar leven, delen de verschillende geloven in elkaars religieuze vieringen. Toch is deze eenheid niet overal even stabiel en heeft het hindoefundamentalisme van de afgelopen jaren gezorgd voor spanningen in christelijke gebieden.
In een land met ruim 1,3 miljard inwoners telt elke procent zwaar mee. De 2,3 procent aan christenen staat dan ook voor meer dan dertig miljoen mensen, vooral geconcentreerd in gebieden waar de voormalige kolonisten actief waren. Dit waren steden als Calcutta (Kolkata), Madras (Chennai), Bombay (Mumbai) en Delhi. Verder wonen er veel christenen in de voormalig Portugese kolonie Goa, de oude Franse kolonie Pondicherry, in de zuidelijke staten Kerala en Tamil Nadu, waar het christendom al bijna tweeduizend jaar wortels heeft en in de stammengebieden van het verre oosten van het land, waar missionarissen al meer dan honderdvijftig jaar aan het werk zijn. Ondanks dat de christenen slechts in enkele gebieden een meerderheid zijn, is het op het hindoeïsme en de islam na de grootste religie van India.
Net als in het westerse christendom kent India een rijke variant aan geloofsvormen binnen de kerk. Dit gaat van hybride vormen met veel hindoeïstische en regionale kenmerken tot het bijna tweeduizend jaar oude Malabar-christendom, een orde die hier gesticht zou zijn door de apostel Thomas. Verder is meer dan de helft van alle Indiase christenen katholiek en zijn de meeste protestante denominaties hier te vinden, zoals lutheranen, doopsgezinden, methodisten en een snelgroeiende pinksterkerk.
Hoewel rode mutsjes en kerstmannen steeds meer hun intrede doen in India, is de amerikanisering hier minder zichtbaar dan in Europa, waardoor het kerstfeest voor de meeste christenen echt een religieuze aangelegenheid is. Net als in westerse landen beginnen de voorbereidingen in de adventperiode. De hele buurt komt bijeen om de kerk te decoreren en vaak worden er ’s avonds grote lichtshows geprojecteerd om mensen te trekken. Thuis houden mensen een grote schoonmaak, kopen nieuwe kleding en komen massaal terug naar hun geboorteplaats om met de hele familie kerst te vieren. Huizen, tuinen en balkons worden versierd en er is vaak grote rivaliteit welke familie de mooiste en grootste kerststal neerzet. Hoewel veel christelijke huishoudens echte of plastic kerstbomen optuigen, worden er in India ook bananenbomen of zelfs mangobomen versierd met katoen en zelfgemaakte kerststerren. Net als de meeste feestdagen in India is kerst een feest met veel licht en kleuren en worden winkels, markten en sommige kantoren versierd met kleurige lichtjes en bloemen.
Muziek is ook een belangrijk onderdeel van de kerstviering. In grote steden waar de Engelsen actief waren, worden rond de feestdagen dansavonden georganiseerd in Britse stijl. Ook worden er uit luidsprekers bij kerken vaak kerstliederen afgespeeld en studeren kinderen liedjes en dansjes in. Bijvoorbeeld in een sloppenwijk van de stad Hyderabad, waar Matthew (11) en zijn vriendjes een dans- en zangvoorstelling voorbereid op de melodie van ‘Hoor de eng’len zingen d’eer’. Staand tegen de muur van een piepklein kerkje vertelt hij dat ze de hele maand na school oefenen met de vrouw van de priester. ‘Op Eerste Kerstdag treden we op voor de hele gemeenschap, maar wel buiten denk ik, want we passen nooit met zijn allen in de kerk. Daarna eten we zoetigheden bij de huizen van al onze vriendjes.’
Net als in de meeste christelijke tradities is eten en het samenkomen met families erg belangrijk in India. De Indiaas-Canadese culinair journaliste Michelle Peters-Jones beschrijft de kerstvieringen van haar jeugd door de ogen van een echte foodie: ‘Ik hield vooral van alle culturele invloeden rondom de zoetigheden die we vroeger thuis maakten. De vruchtencakes lijken erg op de Engelse christmas pudding, de koekjes die we maken zijn een achterblijfsel van de Nederlandse VOC en veel ander snoepgoed heeft zijn wortels in de Franse en Portugese keuken. Daarom is de kerstkeuken in India een echte smeltkroes van culturen die onderdeel waren van de Indiase koloniale en christelijke geschiedenis.’ Verder volgen Indiase christenen vooral hun eigen culinaire gebruiken en serveren tijdens kerst rijke curry’s, rijstcakes en biryani, een kruidig rijstgerecht met vlees.
Net als in Europa is de nachtmis één van de belangrijkste momenten van de kerstviering in India. Toch herkende de Roemeense reiziger Cezar (43) tijdens de mis in de zuidelijke staat Kerala maar weinig wat hem aan kerkdiensten thuis deed denken. ‘Behalve de apen was er ‘s avonds niemand op straat, maar de kerk zat bomvol. Buiten lagen honderden slippers en sandalen, want in India mag je nergens met je schoenen aan naar binnen. De mannen zaten links en de vrouwen rechts en de hele mis werd zingend opgedragen; de priester zong voor en de kerkgangers herhaalden, vooral de vrouwen, die veel trouwer naar de kerk gaan dan de mannen. Op een paar bekende klanken na deden de muziek en de liederen me ook niet direct denken aan Kerstmis thuis, net zo min als de kleurrijke sari’s van de vrouwen en de pittige curry die we daarna aten met een lokale familie.’
De traditie van kerstcadeau’s is in India slechts mondjesmaat overgewaaid. In plaats daarvan gaan mensen op Eerste Kerstdag langs bij hun buren, vrienden en familieleden met huisgemaakt snoepgoed en andere zoetigheden. Zo herinnert de hindoeïstische student Kaushin (23) dat zijn christelijke buren overal langs de deuren gingen. ‘Of het nou moslims, hindoes of christenen waren, ze wensten iedereen een vrolijk kerstfeest en deelden hun lekkere eten. We leven hier zo dicht op elkaar dat het goed is om onze feesten samen te vieren. Daarom ga ik met kerst mee naar de kerk, schuif ik aan bij het islamitische Suikerfeest en steken we samen lichtjes aan met het hindoefeest Divali.’
Ook de hindoeïstische programmeur Hemant (31) herinnert zich dat hij vroeger met zijn moeder naar de kerstdienst ging. ‘Gewoon omdat we benieuwd waren naar de verschillende rituelen en liedjes die ze zongen. Thuis hing ik rond de kerstdagen altijd een sok in de woonkamer waar mijn ouders dan ‘s avonds wat lekkers in stopten. Wat het allemaal betekende wist ik toen niet, maar ik herinner kerst daardoor wel als een prettige tijd van het jaar.’
Kerst in andere gemeenschappen De twee grootste religies boven het christendom in India zijn het hindoeïsme en de islam. Andere grote geloofsgroepen zijn de sikhs, de jaïns en de boeddhisten. Deze minderheidsreligies zijn slechts in enkele gebieden dominant en komen daardoor minder in contact met christenen dan moslims en hindoes. Over het algemeen vieren sikhs, jaïns en boeddhisten kerst niet uit godsdienstige redenen, maar bezoeken ze wel hun familie, omdat het ook voor hen een vrije dag is. Zo zegt de jaïnistische kinderarts Chheda (37) dat zij het religieuze aspect van kerst niet vieren, maar dat ze wel stilstaan bij de boodschap van behulpzaamheid en liefdadigheid. ‘Ook is geweldloosheid één van de pijlers van het jaïnisme, waardoor het leven van Jezus ook voor ons kan dienen als inspirerend voorbeeld.’
Hoewel moslims Jezus erkennen als profeet, vieren ook zij het kerstfeest niet zoals christenen. De islamitische advocaat Mohammad Arif Khan (50) legt uit dat de Koran voorschrijft dat moslims respect dienen te hebben voor mensen van verschillende geloven en dat in gebieden waar moslims en christenen dicht op elkaar wonen het feest vaak mee wordt gevierd. ‘Maar’, zegt hij, ‘in de nasleep van de aanslagen van 11 september is er veel druk komen te staan op de band tussen moslims en christenen. De dominante negatieve publiciteit in de media over de islam heeft er voor gezorgd dat moslims meer in zichzelf keerden. Toch bestaan er ook in India interreligieuze initiatieven die juist opkomen voor broederschap tussen de verschillende geloven door respect te tonen op hun feestdagen. Daarom vier ik dit jaar kerst met christelijke families in mijn wijk.’
Het hindoeïsme staat traditioneel gezien bekend als een pluralistische, tolerante en open-minded religie die weinig moeite kent met een diversiteit aan religieuze interpretaties. Volgens hen is God of Brahma onuitputtelijk in zijn verschijningsvormen, waardoor het hindoeïsme, in vergelijking met de meeste religies, altijd open heeft gestaan voor invloeden van buitenaf. Zo zagen de populaire hindoemysticus Ramakrishna en zijn volger swami Vivekananda Jezus als één van de incarnaties van God en vieren zij zijn geboortedag met een speciaal vereringsritueel. Wanneer hindoes kerst vieren, gebeurt dit dan ook niet op dezelfde wijze als christenen. De interpretatie van de geboorte van Jezus is anders en er worden eigen bewoordingen en rituelen gebruikt, zoals het offeren van bloemen, het branden van wierook en het reinigen van een Jezus-beeldje.
Het gevaar van kerst Ondanks dat het kerstfeest in de meeste gebieden wordt gevierd in vrede en met steun van andere religieuze groepen, is door het groeiende hindoenationalisme van de afgelopen jaren het geweld jegens kerkgangers toegenomen. Volgens Open Doors, een Nederlandse stichting die wereldwijd opkomt tegen christenvervolging, zakte India naar de elfde plek op de wereldranglijst van landen waar het onveilig is voor christenen. Zo werden er vanaf de jaren negentig in verschillende delen van het land kerken in brand gestoken, nonnen verkracht, priesters bedreigd en zelfs vermoord en werden kerkdiensten verstoord door extreemrechtse hindoegroeperingen die het christendom zien als een buitenlandse, invasieve religie. Hun retoriek is dat buitenlandse kolonisten met hun missionarissen naar India kwamen om hen ongevraagd de les te lezen over het geloof. Volgens de groeperingen zit niemand te wachten op een buitenstaander die hen de weg naar God laat zien. Daarom zijn er door hen in verschillende staten initiatieven gestart om hindoes die recentelijk zijn overgestapt op het christendom terug te bekeren naar het hindoeïsme, hetgeen vaak onder dwang gebeurt.
Sinds de verkiezingen van 2014 voelen religieuze minderheden in India zich bedreigd, aangezien de coalitie van minister-president Narendra Modi zich profileert als pro-hindoe. Volgens Uddhav Thackeray, leider van de extreemrechtse coalitiepartij Shiv Sena, zijn er meer dan vijftig landen voor moslims, hebben christenen Amerika en Europa, hebben boeddhisten China, Sri Lanka en Myanmar, maar hebben hindoes alleen India en is er daarom geen plaats voor deze niet-Indiase religies. Ook zijn er ministers in Modi’s partij die steun leveren aan groeperingen als Dharm Jagran Samiti, een radicale hindoe-organisatie die bezworen heeft om voor 2021 alle christenen en moslims te bekeren tot het hindoeïsme of ze het land uit te zetten. In dit politieke klimaat is er onder moslims en christenen weinig vertrouwen dat de overheid hen zal beschermen tegen het groeiende geweld.
Eén van de redenen voor het geweld jegens christenen is de wrok uit het koloniale verleden waarin veel Indiërs onder dwang bekeerd werden door missionarissen uit Europa en Amerika. Ook vandaag de dag zijn westerse missionarissen, vooral van Amerikaanse evangelische stromingen, actief in arme gebieden waar veel sociale en economische problemen voorkomen. Volgens de hindoe-organisaties kiezen de missionarissen kwetsbare families uit die makkelijk te beïnvloeden zijn. Ook in islamitische gebieden zijn er door dergelijke bekeringsactiviteiten spanningen gekomen tussen moslims en christenen en waarschuwen imams hun achterban voor missionarissen. Zowel in Kashmir, een gebied met een moslimmeerderheid, als in Orissa, een staat waar veel geweldsincidenten plaatsvinden jegens christenen, hebben lokale protestgroepen scholen gewaarschuwd om geen kerst te vieren.
Zowel in de Indiase grondwet als in de oude hindoeïstische geschriften worden mensen aangespoord tot harmonie tussen verschillende geloofsvormen. Zoals de in India woonachtige Dalai Lama zegt, ‘India is een model voor religieuze tolerantie, aangezien verschillende tradities als het boeddhisme, het hindoeïsme en het jaïnisme hier al twee- tot drieduizend jaar floreren.’ Volgens Roy Matthews, een katholieke priester in Kashmir, kunnen hindoes, moslims en christenen prima samenleven en is India juist een voorbeeld waar het meestal goed gaat tussen de verschillende religies en bevolkingsgroepen. ‘Alleen’, zegt hij, ‘is het net als bij het opkomende nationalisme in Europa het probleem dat wanneer mensen onder de illusie zijn dat hun cultuur en identiteit onder druk staan, ze radicalere denkbeelden ontwikkelen. Daarom, als je de meeste hindoes in het nauw drijft om een mening te vormen, kiezen ze ook voor hun eigen achterban. We kunnen probleemloos samenleven, maar zodra politici lijnen gaan trekken over religieuze verschillen, dan is er geen toekomst voor het tolerante India dat Gandhi ons liet zien.’ Vir Sangvhi, journalist bij de Hindustan Times, schrijft dat er in het pluralistische India van zijn jeugd geen sprake was van een contradictie tussen het vieren van kerst en het hindoeïsme. ‘Het hindoeïsme dat ik ken, is niet beledigd wanneer je feesten van andere tradities viert. Mijn geloof zwakt niet af als ik kerst meevier met mijn buren en hen uitnodig voor ons Ganpati-festival. Hoe onzeker zijn deze extreemrechtse organisaties over hun eigen cultuur en geloof als ze het zingen van kerstliedjes op scholen zien als een complot? En hoe zwak is je vertrouwen in je eigen geloof als je zoveel bedreiging ziet in andere religies? De hindoe-extremisten hebben het mis, kerst is en blijft absoluut een Indiaas festival.’
Nog maar enkele decennia terug voerden Turks-Nederlandse arbeidersbewegingen de boventoon als het ging om rechten van minderheden, maar inmiddels weten de jongeren niet meer van hun bestaan. Waar zijn ze gebleven en waardoor zijn ze niet meer zichtbaar?
‘Nou, en of we successen gehad hebben!’ De ogen van Mustafa Ayranci (65) beginnen te glinsteren achter zijn brilglazen wanneer hij vertelt over de daden van zijn HTIB (Hollanda Türkiyeli Isciler Birligi), de Turkse Arbeidersbeweging in Nederland. Met protestmarsen, debatten en demonstraties zijn in de laatste decennia van de vorige eeuw problemen van gastarbeiders aan de kaak gesteld. ‘Gelijke rechten waren het doel en die hebben we ook gekregen’, stelt Mustafa voldaan vast. Hoewel er nog altijd problemen zijn die alle Turkse Nederlanders dagelijks raken, zijn tegenwoordig niet de arbeidersbewegingen maar vooral de conservatieve en religieuze organisaties opvallend aanwezig in de media. Met optochten en Turkse vlaggen bepalen zij de beeldvorming rondom Turks Nederland, terwijl de linkse organisaties het laten afweten. Waar zijn de arbeidersbewegingen toch gebleven? De Kanttekening ging op zoek naar een verklaring bij de voormannen van weleer.
Actievoeren Mustafa Ayranci vertelt graag over de geschiedenis van HTIB. Hij is voorzitter van deze organisatie, de oudste en waarschijnlijk ook invloedrijkste links-georiënteerde Turkse beweging in Nederland. ‘HTIB is opgericht in 1974 met twee doelen: bevordering van de democratie in Turkije en gelijke rechten in Nederland.’ Vooral dat laatste doel lijkt grotendeels bereikt te zijn; in het jaar van oprichting werd mede dankzij de beweging de huisvesting van gastarbeiders sterk verbeterd. Meer successen volgden in de jaren daarna; een generaal pardon voor illegale gastarbeiders, het zogenaamde ‘1 november-artikel’ (wet arbeid buitenlandse werknemers), de verbetering van de rechtspositie van gastarbeiders, stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen en in 1994 de laatste grote overwinning: gastarbeiders – inmiddels migranten geheten – kregen stemrecht voor de landelijke verkiezingen. ‘Dat hebben we allemaal bereikt met actievoeren’, zegt Ayranci, ‘met protesteren, debatteren, onze stem laten horen in de Tweede Kamer.’
Tegenwoordig richt HTIB haar pijlen op andere zaken, zoals huiselijk, eergerelateerd en seksueel geweld, maar ook homorechten, eenzaamheid bij ouderen en lage lonen. Ze zijn nog steeds actief, benadrukt Ayranci, maar hij erkent ook dat de interesse is teruggelopen. ‘Waar vroeger op een gemiddelde avond de opkomst rond de honderdvijftig, tweehonderd mensen lag, zijn sommigen tegenwoordig al tevreden met vijftig.’ Vooral de jongeren zijn niet meer zo geïnteresseerd. ‘Ze zijn allemaal bezig met hun telefoontjes, hun carrière. De maatschappij is enorm geïndividualiseerd, de solidariteit is afgenomen – wie heeft nu nog tijd om, zoals ik, als vrijwilliger vanaf negen uur de hele dag op kantoor te zitten?’
Generatiekloof Historicus en activist Tayfun Balcik (33) heeft persoonlijk ervaring met het HTIB van de afgelopen jaren, maar raakte uiteindelijk gedesillusioneerd. Volgens hem ondervinden de Turks-Nederlandse linkse bewegingen de gevolgen van het veranderende karakter van de ‘Turkse gemeenschap’ in Nederland. ‘De nieuwe generatie Turkse Nederlanders is deel gaan uitmaken van een hybride cultuur, waarin de organisaties van vroeger allang niet meer centraal staan.’ Deze generatie herkent zich minder in de klassieke Turkse organisaties die alles nog doen op de ouderwetse Turkse manier. ‘Bij de linkse organisaties blijft men consequent enkel Turks spreken, de socialistische leuzen herhalen en met elkaar de Internationale (wereldwijd strijdlied van de arbeidersbeweging, red.) zingen.’
Deniz Karaman (33), ooit betrokken bij HTIB en tegenwoordig raadslid voor GroenLinks in Amsterdam, onderschrijft dat de verminderde interesse te maken heeft met een generatiekloof. ‘Jongeren identificeren zich minder met de specifiek Turkse strijd. Wij zoeken nu aansluiting bij diverse transnationale, progressieve bewegingen.’
Karaman kan gezien worden als een verpersoonlijking van de transformatie van de linkse Turks- Nederlandse jongere. In 2004, toen Karaman actief was bij HTIB, vormde hij samen met Tofik Dibi (38) en Emre Ünver (36) de jonge garde met vernieuwingsdrang. Ze wilden HTIB omvormen tot precies zo’n multi-etnische progressieve beweging, maar de pogingen werden gestaakt – het bleek dat de oudere generatie nog te zeer gehecht was aan de traditionele vorm van HTIB. ‘Er was het risico dat we met onze vernieuwing de ouderen, die nog wel baat bij en behoefte hebben aan zo’n HTIB, van ons zouden vervreemden. Toen zijn we maar onze eigen weg gegaan.’
Alle drie zijn opgepikt door de landelijke linkse partijen. Dibi werd in snel tempo een prominent van GroenLinks, Ünver was jarenlang gemeenteraadslid in Amsterdam van de PvdA en ook Karaman is na een lang verblijf in het buitenland sinds maart van dit jaar gemeenteraadslid in Amsterdam voor GroenLinks. Een exclusief linkse Turkse identiteit hebben ze achter zich gelaten in ruil voor een rol in de landelijk linkse partijen.
Onderwijs in eigen taal Zeki Arslan (58), onderwijskundige en integratie-expert, volgt de linkse bewegingen al langer van een afstand. Hij ziet naast de generatiekloof nog andere belemmeringen voor hen: een gebrek aan middelen en politieke goodwill. ‘In tegenstelling tot de religieuzere en rechtse Turkse bewegingen, was Turks links altijd principieel op Nederland gericht. Het weigerde middelen uit Turkije en de achterban kende geen rijke ondernemers die enorme bedragen konden doneren.’ Van de Nederlandse overheid konden ze echter ook niet veel steun verwachten, zegt Arslan. ‘Die zag hen vooral als lastpakken die thema’s bepleitten waar helemaal geen brood in zat, zoals onderwijs in eigen taal.’ Terwijl landelijk links langzaam verschoof naar thema’s over de nationale identiteit, werden arbeidersorganisaties steeds meer van de vergadertafel geweerd en niet serieus genomen door vakbonden en politieke partijen. ‘Ze hebben geen kans gekregen om invloed uit te oefenen, hun positie te waarborgen en zichtbaar te blijven. De landelijke partijen hebben eigenlijk Turks-Nederlands links in de steek gelaten.’
Volgens Arslan wordt deze situatie misschien wel het beste geïllustreerd door de tragedie van onderwijs in eigen taal. ‘Ondanks de steun van Turks-Nederlandse arbeidersorganisaties met ijzersterke argumenten vóór behoud, is dit experiment in 2004 beëindigd. Onder druk van het opkomende nationalisme weigerde de overheid om dit nog langer op de eigen scholen te faciliteren.’ Het gat dat de overheid heeft laten vallen wordt nu opgevuld door andere groepen: recentelijk zijn er nieuwe initiatieven aangekondigd om weekendscholen op te richten, maar deze keer met geld uit Ankara. ‘Welke koers de scholen gaan varen valt nog te bezien, maar het lijkt dat de Haagse hokjesgeest op deze manier verdere segregatie in de hand heeft gewerkt.’
Succesvolle vlaggenzwaaiers Ondanks de moeilijkheden benadrukt Arslan de rol die de Turks-Nederlandse organisaties gespeeld hebben. ‘Ze hebben wel degelijk een zinvolle bijdrage geleverd aan de emancipatie van de Turkse gemeenschap in Nederland. Belangrijke thema’s als vrouwenemancipatie, inzet voor vrede en veiligheid en solidariteit staan nog steeds op de agenda.’ Met de klassenstrijd scoor je echter niet meer, constateert hij. ‘Linkse ideologie, die inherent tegen verzuiling en identiteitsvastheid is gekant, kalft af in deze tijd waarin de zuilen weer terugkeren.’ De linkse thema’s lijken meer en meer op relikwieën uit een voorbije tijd.
In tegenstelling tot de linkse Turks-Nederlandse organisaties, lijken rechts-religieuze organisaties afgelopen jaren geen problemen te hebben met het aanspreken en mobiliseren van de eigen achterban. De laatste jaren zijn zij – en de jongeren in hun organisaties – steeds zichtbaarder geworden.
‘Conservatieve groepen passen goed in Nederland, waar verzuiling de norm is. Bijvoorbeeld in de wetgeving, waar het omroepbestel en het onderwijs voor elke groep apart zijn geregeld, maar ook het politieke klimaat van de afgelopen jaren’, zegt Arslan. ‘Politici spelen in op de herwaardering van de eigen nationale en religieuze identiteit en de linkse organisaties hebben het nakijken.’ Zo bezien zijn politici als Tunahan Kuzu en Selcuk Öztürk symbolisch voor die verschuiving. Arslan knikt: ‘Ze hadden de tijdsgeest goed te pakken toen ze de PvdA verlieten om Denk op te richten.’
Gelet op het Nederlandse publieke debat, is het volgens Karaman niet zo vreemd dat conservatieve organisaties succesvoller zijn. ‘Het zijn vooral de conservatieve Turken die worden weggezet. In de media valt niemand over de linkse jongeren, niemand heeft het over ons.’ De linkse Turkse jongeren voelen zich niet aangesproken als opiniemakers zich weer eens beklagen over vermaledijde Turkse vlaggenzwaaiers en Erdogan-fans. ‘Maar alsnog’, zegt Karaman, ‘zien de mensen op straat het verschil niet en worden we als homogene groep gezien. Ik voel me niet aangesproken, maar uiteindelijk treft discriminatie ons allemaal.’
Relikwieën Voor Balcik ligt de oplossing voor linkse organisaties in het verkleinen van de kloof tussen hen de conservatievere organisaties en samen te strijden tegen gedeelde problemen als discriminatie. Volgens hem hebben de linkse organisaties absoluut geen gebrek gehad aan identiteitspolitiek; het verhaal van de ‘gezamenlijke klassenstrijd’ en opkomen voor alle Turken is voor een groot deel vernis, zegt hij. ‘In de praktijk worden vooral de belangen van klassiek Turkse ‘linkse’ groepen – de alevieten, Koerden en Armeniërs – behartigd.’ Hij geeft het voorbeeld van een poëzieavond, waar gemoedelijk samen wordt gegeten en naar de traditionele saz (Turkse luit) wordt geluisterd. ‘Zelfs in die gedichten zitten venijnige regels waarin wordt afgegeven op de vijand – Turkse nationalistische en religieuze boemannen.’
‘Ik snap het wel’, zegt Balcik. ‘Als je in elkaar wordt geslagen omdat je Koerd bent, ga je je natuurlijk meer Koerdisch voelen en je afzetten tegen de anderen.’ Volgens hem wordt de situatie daardoor echter enkel verergerd. De soennitische arbeider wordt genegeerd, buitengesloten en kan vervolgens worden opgepikt door het ‘religieus-rechtse’ deel van de Turkse gemeenschap. De dialoog heeft geen kans gekregen en de verschillende groepen blijven afstandelijk, zegt Balcik. ‘De maatschappij verandert. Als jij niet mee verandert, verdwijn je.’
Principes Mustafa Ayranci is het eens met Balciks suggestie dat dialoog belangrijk is, maar er is wat hem betreft een grens. ‘Je moet principes hebben. Als vanuit de moskee jongetjes wordt verboden om met Nederlandse vrienden naar het zwembad te gaan, ‘want dat zijn varkentjes op twee benen’, dat kan toch niet? Dat is ook racisme. Je kunt niet samen racisme aan de kant van de overheid bestrijden als je zelf ook aan racisme doet.’ Wat dat betreft is Ayranci heel beducht voor de islamitische Turkse bewegingen die nu actief zijn, van hun opstelling jegens autochtone Nederlanders tot aan de manier waarop ze de Turks-Nederlandse samenleving bejegenen. ‘En als ik daar wat van zeg, word ik meteen bestempeld tot landverrader!’ Voor Ayranci is het duidelijk: de dialoog is essentieel, maar niet ten koste van principes.
Het gevolg van deze principes is dat HTIB de koers blijft varen die ze altijd al heeft aangehouden. ‘Vergis je niet’, drukt Karaman op het hart, ‘voor veel mensen is HTIB nog steeds nodig en de enige plek waar zij zich thuis voelen.’ Maar als ze niet veranderen zal de organisatie niet aan belang winnen, erkent hij. ‘De groep voor wie zij relevant is wordt helaas steeds kleiner.’ Op den duur zal de organisatie ophouden te bestaan, maar Karaman kijkt naar de positieve kant. ‘Het is juist goed als de bestaansreden wegvalt, dat zou hopelijk betekenen dat we een nieuwe plek in de samenleving hebben gevonden. Wat dat betreft is het net als in de liefde: het einde is treurig, maar uiteindelijk is het beter zo.’
‘Moslimvrouwen zien dat er in het westerse feminisme geen plek is voor hun soort feminisme. Vrouwen delen niet alles en in sommige opzichten staan witte vrouwen tegenover andere vrouwen; die discussie is nu weer flink opgelaaid binnen feministische bewegingen.’
Marjo Buitelaar is antropoloog en hoogleraar Hedendaagse Islam aan de Rijksuniversiteit Groningen. Samen met Moha Ennaji, Fatima Sadiqi en Karen Vintges deed ze onderzoek naar het feminisme en activisme onder Marrokkaanse en Marrokaans-Nederlandse vrouwen, als onderdeel van een onderzoeksproject van wetenschappers uit Marokko en Nederland. Ze brachten er het boek Activisme, feminisme en islam over uit, dat onlangs verscheen. Het boek gaat over het feminisme in Marokko en Nederland, zowel in het verleden als in het heden en de vormen van alledaags feminisme onder Marokkaans-Nederlandse vrouwen. Het blijkt dat het Marokkaans feminisme uniek is: er is geen feminisme zoals het Marokkaanse feminisme.
Wat zijn de belangrijkste bevindingen van het boek?
‘We vonden het vooral belangrijk om te laten zien dat bij de emancipatie en positieverbetering van vrouwen rekening gehouden moet worden met globale ontwikkelingen, maar ook met specifieke, plaatselijke ontwikkelingen. Het interessante bij een onderzoek naar activisme en feminisme in Marokko en onder Marokkaans-Nederlandse vrouwen, is dat er naast parallelle ontwikkelingen ook transnationale ontwikkelingen zijn, juist ook omdat er veel contacten zijn tussen families in Marokko en in Nederland. Discussies die daar gevoerd worden, worden ook hier gevoerd. Andersom geldt dat ook. Discussies die hier gevoerd worden, hebben weer hun impact op discussies in Marokko.’
Heeft u daar een voorbeeld van?
‘Kijk naar de Rif-beweging, die nu heel sterk is en die voortborduurt op de 20 februari-beweging, waarin mensen van verschillende religieuze gezindten, mannen, vrouwen, politieke gezindten in 2011 als een soort Marokkaanse Lente zijn gaan pleiten voor meer democratie, meer vrouwenrechten, maar ook meer rechten voor Berbers. Dat was eigenlijk de eerste keer dat mannen en vrouwen zij aan zij voor een gedeelde zaak vochten, zonder dat het expliciet ging om vrouwenemancipatie. De emancipatie werd eigenlijk organisch ingevoerd en dat heeft zijn weerslag gehad op groepen van Marokkaanse afkomst in de Nederlandse samenleving, die ook zijn gaan pleiten voor de Berber-kwestie. Hier is het nog op een andere manier te zien. In Nederland eisen steeds meer Marokkaanse vrouwen bijvoorbeeld het recht op om bij het overlijden van een dierbare bij het volledige begrafenisritueel te mogen zijn. Ze eisen dat op, omdat ze zien dat het bij andere moslimgroepen ook gebeurt. Vroeger wilde men dat niet, omdat men bang was dat vrouwen hysterisch zouden gaan krijsen, maar dat zijn achterhaalde ideeën. Juist omdat veel Nederlandse Marokkanen in Marokko begraven worden, exporteren ze die discussie weer naar hun familie daar, zodat die discussie daar weer gevoerd wordt. Dat vonden we een mooie ontwikkeling.’
Dat zijn transnationale ontwikkelingen?
‘Zeker. Sommige ontwikkelingen zijn wereldwijd. Zo staan vrouwen in Marokko steeds meer op tegen seksisme, verkrachting en dergelijke en dat gebeurt ook grotendeels op sociale media. In Nederland zie je dat ook. Hier zie je dat vrouwen van Marokkaanse afkomst in opstand komen tegen het aan de schandpaal nagelen van vrouwen, wat nog steeds regelmatig gebeurt. Dat heeft weer te maken met de migratie, omdat vrouwen met een migratieachtergrond veel meer in de gaten gehouden worden dan mannen. Omdat de puurheid en de authenticiteit van de groep toch meer symbolische waarde heeft in het gedrag van mannen dan van vrouwen.’
Waarom is er nu zoveel aandacht voor?
‘Het speelt al langer, maar steeds meer vrouwen durven door te zetten. Als tweede en derde generatie nakomelingen van Marokkaanse migranten zijn ze hoger opgeleid, doen ze het economisch beter dan hun ouders en hebben ze een stevigere positie in de Nederlandse samenleving, maar ook in de Marokkaanse. Hun stem moet steeds serieuzer genomen worden, ze voelen zich zekerder om het te doen en ze krijgen meer respect, dus er wordt meer naar ze geluisterd. Je ziet ook in moskeeën een grote verandering, waarbij de oude garde – de gastarbeidersgeneratie – plaats aan het maken is voor de jongere generatie. Daar worden dit soort dingen op gereflecteerd en ook daar eisen vrouwen steeds meer hun plek in op.’
Hoe moeizaam gaat dat?
‘Dat is nog wel een enorme onderhandeling. Het is natuurlijk niet makkelijk om in te schikken als je een gevestigde positie hebt, maar ook altijd geleerd hebt dat het zit zoals het in de Koran staat en dat het je wereldbeeld is. Dat verandert niet zomaar, dat is een lange discussie.’
Hoe reageren mannen erop?
‘Ik denk dat veel mannen wel blij zijn met de samenwerking met vrouwen. Iets wat je wel ziet onder Nederlandse Marokkanen en Marokkanen in Marokko, en nu praat ik uit eigen ervaring, is dat hoe meer opleiding ze hebben, hoe meer ze gewend zijn om ook op het werk samen te werken met vrouwen. Dat wereldbeeld is wel aan het veranderen. Maar seksistisch denken heb je er niet zomaar uit, dat zie je ook in Nederland. Daar lopen ook niet-Marokkaanse Nederlandse vrouwen tegenaan.’
Kun je moslim én feminist zijn?
‘Ja, dat is zeker mogelijk. In Marokko zijn veel verschillende feministische bewegingen. Veel daarvan zijn erg seculier, denk aan Fatima Mernissi. Zij heeft een ontwikkeling doorgemaakt van strikt seculier naar ruimte voor religie. In het begin betoogde ze dat de islam zo patriarchaal was dat er weinig van te verwachten viel. Veel van de positie van vrouwen heeft te maken met de patriarchale islam, dus in plaats van te zoeken binnen de islam, beriep men zich op universele mensenrechten om de positie van de vrouw te verbeteren. Mernissi en anderen zijn later de gezaghebbende bronnen gaan herlezen om tot vrouwvriendelijker interpretaties te komen. We lichten die ontwikkeling breed uit in het boek. De vraag is of het de islam is die vrouwen onderdrukt of een eeuwenoude interpretatie van de teksten. Vrouwen gaan dan naar de religieuze teksten zelf kijken en komen er zo achter dat de teksten ook op andere manieren te interpreteren zijn. Er is ook een feministische islam, die ontwikkeld is aan de hand van de religieuze teksten. Die zeggen juist dat de bevrijding van de vrouw schuilt in de islam.’
Daar zal niet iedereen het mee eens zijn.
‘Klopt. Feministen – seculier dan wel religieus – krijgen kritiek van zowel mannen als vrouwen. Dat komt in Nederland vooral omdat vrouwen te maken hebben met veel vooroordelen over hun positie als islamitische vrouw. Alsof je als vrouw niet geëmancipeerd kunt worden zolang je moslim bent. Dus ze voelen zich, ook bij internationale feministische bewegingen, weer onderdrukt als moslimvrouw. Ze zoeken dan in een islamitisch feminisme naar een manier om te werken aan een grotere emancipatie en de bevrijding van de vrouw. Maar vrouwen zien veel mogelijkheden en lezen veel religieuze teksten opnieuw, maar dan met een vrouwvriendelijke bril en dan kom je op heel andere uitkomsten. Dus het moslimfeminisme bestaat wel degelijk en islam en het feminisme kunnen heel goed samengaan. Vrouwen kunnen dat.’
Voelen moderne Marokkaanse vrouwen zich wat comfortabeler om het erover te hebben?
‘Jazeker. Maar dé vrouw bestaat natuurlijk niet, dat komt ook in het boek naar voren. Eén van de problemen van het Marokkaanse staatsfeminisme – het beleid dat de staat heeft opgezet voor de emancipatie van vrouwen – is dat het uitgaat van de universele categorie van de vrouw. Terwijl het veel uitmaakt uit welke klasse je komt en je leefomgeving. Het zijn vooral de vrouwen in de stad, die zien dat vrouwen wereldwijd steeds mondiger worden in het aanvechten van seksisme, op wat voor terrein dan ook. Je ziet juist ook dat op sociale media veel discussie is en dat er veel taboes doorbroken worden. Zo is er een meer algemene oproep dat het nu maar eens afgelopen moet zijn met seksueel geweld tegen vrouwen, in plaats van dat van een vrouw die verkracht is gezegd wordt dat ze het wel uitgelokt zal hebben. Sociale media spelen dus een belangrijke rol in het feit dat vrouwen zich sterker voelen en het niet langer pikken.’
Hoe uit het feminisme zich bij de Nederlandse Marokkaanse vrouwen?
‘Marokkaans-Nederlandse vrouwen hebben te maken met twee fronten. Ze moeten aan allebei de kanten strijden om een plek op te eisen en erkenning te krijgen. Aan de ene kant – juist omdat ze een migratieachtergrond hebben – zitten ze in een situatie waarbij vrouwen meer gecontroleerd worden dan mannen en het voor mannen eerder toegestaan is om buiten de groep te trouwen, terwijl vrouwen binnen de groep moeten blijven. Ze hebben dus meer last van de beperkingen van de migratieachtergrond. Lager opgeleide ouders zijn dan bijvoorbeeld bang dat een vrouw hen ontgroeit. Migratie is erg gericht op sociale mobiliteit en ze worden ook allemaal gestimuleerd om te studeren en een goed beroep te krijgen. Maar op het moment dat dit ook lukt, dat die integratie in de Nederlandse samenleving goed gaat, dan zie je dat ouders bang worden dat hun kinderen vervreemden van thuis en de islam verliezen. Pas als ze dan een gevestigde positie hebben, is het weer een beetje goed.’
En aan de andere kant?
‘Daartegenover staan weer al die Nederlanders die maar blijven denken dat je niet kunt emanciperen als je moslim bent. Dat zijn negatieve en patriarchale denkbeelden, want er wordt gedacht dat de islam een agressieve religie is waarbij veel dingen niet getolereerd worden die Nederlanders liberaal vinden. Dus vrouwen die willen emanciperen, maar hun moslim-zijn niet willen opgeven en als moslim erkend willen worden, lopen ook op tegen Nederlandse vooroordelen over de islam. Dus dan moeten ze daar weer laten zien dat ze geëmancipeerd kunnen zijn, zonder hun moslimschap op te hoeven geven. Er is een ontzettende fixatie in Nederland op de hoofddoek of een boerka en dat soort uiterlijkheden worden gezien als symbool van de onderdrukking van vrouwen in de islam. Als je als vrouw dus zelf kiest voor een islamitische manier van kleden, bijvoorbeeld omdat het een prettige manier is om je bewust te zijn van je lijntje met God, dan is dat voor veel Nederlanders niet goed en daar lopen die vrouwen ook weer tegenaan. Ze hebben het dus aan twee kanten moeilijk.’
Mannen hebben het makkelijker?
‘Ja en dat heeft te maken met de dominante interpretatie die vaak voordeliger uitpakt voor mannen. Het waren heel lang mannelijke geleerden die de islam mochten vertellen en uitleggen aan anderen. Als dat vanuit de patriarchale cultuur gebeurt, dan is het heel moeilijk om daar als vrouw wat tegenover te zetten. Het interessante is dat dit nu wel gebeurt.’
In het westen bestaat vooral het idee dat vrouwen pas feministisch kunnen zijn door de religie aan de kant te schuiven.
‘Precies. Sowieso omdat het hele discours hier vaak heel seculier is, waarbij religie gezien wordt als het geloven in sprookjes, waarbij niet rationeel nagedacht kan worden en al helemaal bij de islam, die gezien wordt als vrouwonvriendelijk en star. Daar moet je als Marokkaans-Nederlandse vrouw tegen vechten als de islam waardevol voor je is.’
Wat zeggen westerse feministen hiervan? Zij geloven niet dat religie samengaat met feminisme.
‘Gelukkig heeft het westerse feminisme ook geen monopolie meer. Bij de geschiedenis van het westerse feminisme zie je in de jaren zestig en zeventig dat het werd gezien als de opstand tegen de universele onderdrukking van vrouwen. In de jaren zeventig en tachtig begonnen zwarte vrouwen daartegen te ageren, omdat ze die feministische kijk op vrouwen heel westers en wit vonden. Ze zeiden toen dat witte feministen niet door hadden hoezeer zij zelf zwarte vrouwen onderdrukten. Die discussie herhaalt zich nu. Moslimvrouwen zien dat er in het westerse feminisme geen plek is voor hun soort feminisme. Vrouwen delen niet alles en in sommige opzichten staan witte vrouwen tegenover andere vrouwen; die discussie is nu weer flink opgelaaid binnen feministische bewegingen. Wat islam betreft zie je het ook. Daar zijn ook feministen die een meer universele manier van denken hebben en de hoofddoek zien als een symbool van onderdrukking, waarbij ze vinden dat, ook al denken vrouwen dat ze die hoofddoek vrijwillig op hebben, het een vals bewustzijn is en ze die doek beter af kunnen doen.’
Gebeurt dat vaak?
‘Vind ik wel. Femke Halsema, burgemeester van Amsterdam en iemand die ik heel hoog heb zitten, vindt dat ook. Gelukkig heeft ze nu gezegd dat het boerkaverbod niet te handhaven is, maar ze heeft wel gezegd dat die uitspraak over niet handhaven uit z’n verband gerukt is, want dat het gekoppeld was aan de uitspraak dat ze wel liever zou zien dat vrouwen het niet nodig vinden om een hoofddoek te dragen. Daarmee is ze dus het voorbeeld van een witte feministe die andere vrouwen wil zeggen wanneer en hoe je een volwaardige vrouw bent. Waar haalt ze dat recht vandaan? Dus ook onder westerse feministen zie je dat moslimvrouwen zeker niet bij iedereen op begrip kunnen rekenen.’
Zou er wat meer onderling begrip moeten komen?
‘Ja. Volgens mij is één van de belangrijkste dingen die je als feminist zou moeten willen dat je open en respectvol naar elkaars wensen en belangen luistert en bij jezelf kijkt in welke machtsrelatie je zit. Dat je ziet dat het mogelijk is om samen te strijden, maar dat je je ook realiseert dat je in bepaalde opzichten tot groepen behoort die geen gelijke machtsposities bekleden.’
Dat komt ook een beetje uit het boek naar voren.
‘Dat willen we ook laten zien. De positie van vrouwen is niet alleen vanuit het vrouw-zijn te definiëren, want je moet altijd kijken naar de andere aspecten, zoals achtergrond, ras, klasse en in Marokko bijvoorbeeld stad versus platteland. Het isoleren van het vrouw-zijn alleen werkt niet en je moet de positie altijd zien in de context van andere factoren. Bij iedere vorm van emancipatie moet je kijken door welke identiteit en machtsverhoudingen iemand wordt vormgegeven.’
Is er een verschil tussen de emancipatie van Marokkaanse vrouwen in Nederland en Marokko?
‘Ja, dat zie ik wel. In migratie gebeurt er al veel, waardoor migrantengezinnen terughoudender zijn en meer houvast en veiligheid zoeken in de thuissituatie. Dat maakt behoudend, maar in Marokko gaan de ontwikkelingen wat sneller. De ouders van hier opgegroeide vrouwen zoeken bij terugkeer in Marokko echter vooral naar het vertrouwde en hebben minder oog voor vernieuwing. Iets wat erg specifiek is voor de emancipatie van moslimvrouwen in Nederland, is die sterke behoudendheid van een migratiegemeenschap. En ze leven hier in een klimaat waar negatief gedacht wordt over de islam. Dat maakt de emancipatie in Nederland lastig. In Marokko zijn er weer andere belemmerende factoren, zoals minder toegang tot onderwijs en werk, waardoor vrouwen vaker in een afhankelijkheidspositie zitten.’
Naast feminisme heeft u het in het boek ook over activisme.
‘Dat komt omdat veel vrouwen die opkomen voor de rechten van vrouwen zelf het woord feminisme niet willen gebruiken. Dat heeft te maken met alle connotaties dat het iets westers is en dat het tegen mannen zou zijn, wat helemaal niet zo hoeft te zijn. Dus als vrouwen de term niet gebruiken, is het ongelukkig om ze wel feminist te noemen. Daarnaast zitten er ook emanciperende elementen in activisme die niet persé of niet alleen gericht zijn op de positieverbetering van vrouwen, zoals de eerder genoemde Rif-beweging.’
Heeft het boek bepaalde stereotypen bevestigd of juist ontkracht?
‘Het stereotype dat er nog veel patriarchale denkpatronen zijn en dat het veel tijd en energie zal kosten om die te doorbreken – dat beeld is helaas bevestigd. Vrouwen maken deel uit van een cultuur waar bepaalde denkbeelden heersen, maar het zijn echt niet alleen mannen die heel patriarchaal denken. Ook vrouwen doen dat. Gelijkheid tussen mannen en vrouwen is iets anders dan gelijkwaardigheid. En er zijn mensen die denken dat mannen en vrouwen wel gelijkwaardig aan elkaar zijn, maar dat ze niet dezelfde rechten moeten hebben, omdat vrouwen van nature nou eenmaal beter kunnen zorgen, om maar wat te noemen. Maar dat wil niet zeggen dat die vrouwen niet op een hoog voetstuk staan. Het beeld dat wordt ontkracht is dat vrouwen niet zouden opkomen voor positieverbetering en het beeld dat zulks juist niet mogelijk zou zijn door zich te beroepen op de islam.’
‘De wegen die door de Rif lopen zijn heel oud en dateren uit de tijd van de Spaanse koloniale overheersing. Het gebied is verwaarloosd, onleefbaar. De dood van Fikri was de druppel die de emmer deed overlopen.’
In juni 2018 werden tientallen leiders van de Rif-protesten in Marokko tot hoge gevangenisstraffen veroordeeld, oplopend tot twintig jaar. Hun misdaad: ze durfden te protesteren tegen het regime, dat de bewoners van het Rifgebergte behandelt als tweederangs burgers. Wat is er precies aan de hand in de Rif? Hoe vrij is Marokko? En welke gevolgen heeft de Riffijnse kwestie voor Europa, in het bijzonder voor Nederland? De Kanttekening sprak enkele Marokkaanse activisten die zich in Nederland voor de Riffijnse zaak inzetten en Marokko-deskundige Jan Hoogland.
Tegenstelling en achterstelling Aanleiding van de protesten was de dood van visverkoper Mohsin Fikri op 28 oktober 2016. Activist Talhi Abdel: ‘Hij werd doodgedrukt in een vuilniswagen toen hij probeerde zijn illegale visvangst te redden die door de politie in beslag was genomen. Fikri staat symbool voor de bewoners van de Rif, die proberen het hoofd boven water te houden, maar tegengewerkt worden door het Marokkaanse regime.’
De tegenstelling tussen de Rif en Marokko bestaan al heel lang. Activist Jamal Ayaou (beter bekend onder zijn nom de plume Amazigh Ayaou – Amazigh is een ander woord voor Berber): ‘De koningen van Marokko heersten vroeger alleen nominaal over het gebied, maar hadden er feitelijk maar weinig te zeggen. Conflicten waren er altijd. Zo werd in 1898 een complete Berber-stam uitgeroeid door de troepen van de sultan. In de tijd van het kolonialisme kwam het leeuwendeel van Marokko in Franse handen, maar de Rif kwam onder Spaans bestuur te staan. In de jaren twintig van de vorige eeuw kwam de Rif in opstand onder leiding van de charismatische Mohammed Abdelkrim el-Khattabi, die de verschillende Berber-stammen verenigde en een autonome Republiek van de Rif stichtte. Maar Spanje slaagde er met Franse hulp in om de rebellie de kop in te drukken en zette op grote schaal gifgas in tegen de Riffijnen. Het gevolg is dat veel mensen nog steeds overlijden als gevolg van kanker. Spanje droeg in 1956 het gebied ook over aan Marokko, om schadeclaims te voorkomen.’
Heel belangrijk is het koninklijk decreet van 1958, dat van de Rif een militaire zone maakte die niet alleen werd bezet maar ook economisch werd geblokkeerd. Dit decreet is nog steeds van kracht. Talhi Abdel: ‘Je mag er geen investeringen doen. De wegen die door de Rif lopen zijn heel oud en dateren uit de tijd van de Spaanse koloniale overheersing. Het gebied is verwaarloosd, onleefbaar. De dood van Fikri was de druppel die de emmer deed overlopen. Mensen willen dat er een einde komt aan het militaire decreet uit 1958, ze willen dat de Rif een goed ziekenhuis krijgt, dat er scholen komen, dat er in de regio economisch geïnvesteerd wordt.’
Zijn de tegenstellingen vooral sociaaleconomisch of gaat het vooral om de tegenstelling tussen Arabieren en Berbers? Marokko-deskundige Jan Hoogland meent dat het toch vooral om het eerste gaat. ‘Op sociale media gaan sommige Berbers flink tekeer tegen de Arabieren, maar ik zie het toch vooral als een sociaaleconomische protestbeweging. Ook in andere gebieden zijn er protesten. Natuurlijk, de Rif is sinds 1958 een achtergesteld gebied, vanwege de maatregelen die koning Hassan nam na het neerslaan van de Rif-rebellie van dat jaar. Maar hij nam die maatregelen niet omdat de Riffijnen Berbers waren. Je hebt ook Berbers in de Atlas en de Sous, maar zij zijn niet in opstand gekomen. Met de discriminatie van Berbers valt het ook wel mee. De minister-president en de minister van Landbouw zijn Berbers. En de moeder van de koning ook. Ik kan mij wel voorstellen dat sommige Berbers zich wel gediscrimineerd voelen. Als je vindt dat Arabisch de taal is van de overheersers, voel je je dagelijks onderdrukt door de Arabieren.’ Ayaou denkt daar toch anders over. ‘De sociaaleconomische tegenstellingen zijn het gevolg van etnische tegenstellingen, van racistisch beleid. Berbers worden door Marokko achtergesteld. Jarenlang. Om een klein voorbeeld te noemen: er zijn acht tv-kanalen die door de Marokkaanse belastingbetaler worden gefinancierd. Zeven daarvan zijn volledig Arabisch en het achtste kanaal zendt slechts een paar uur per dag uit in het Tamazight (de voornaamste Berber-taal, ook wel de verzamelnaam voor Berber-talen, red.). Vaak zijn het oude programma’s uit het archief van de bovengenoemde kanalen.’
Repressie en intimidatie Marokko treedt keihard op tegen de Rif-demonstranten en heeft leidende figuren van de beweging tot hoge gevangenisstraffen veroordeeld. Eén van de veroordeelden is Abdelali Houdoe, die vijf jaar heeft gekregen. Zijn oudere zus, Farida Houdoe, woont in Amsterdam. ‘Het zijn niet alleen hele hoge straffen, maar mijn broertje heeft ook geen eerlijk proces gekregen en is gemarteld en verkracht. Ze willen demonstranten kapotmaken, hun eer afnemen. Op dit moment is de zaak in hoger beroep gegaan. Een eerlijk proces wordt dit niet. Zo zijn er opeens vijf nieuwe aanklachten bijgekomen die vals zijn. Zo zou mijn broer mensen onderdak hebben verleend, terwijl hij zelf zat ondergedoken, en zou zijn baantje bij een restaurant een dekmantel zijn om terroristische activiteiten te financieren, terwijl mijn broer nooit in een restaurant heeft gewerkt. Hij kan er vijf tot tien jaar bijkrijgen. Het oordeel van de rechter ligt al vast, de rechtszaak is een show om Europeanen te laten geloven dat Marokko een rechtsstaat is.’
Volgens Houdoe speelt het regime voor de buitenwereld mooi weer, terwijl Marokko in werkelijkheid een dictatuur is. ‘Zo zijn enkele jongens vrijgekomen, omdat ze gratie hebben gekregen van de koning. Dit stelt echter niet zo veel voor, want ze worden door de geheime dienst nauwlettend in de gaten gehouden. En een jongen is opnieuw opgepakt.’ Talhi Abdel beaamt dit: ‘Marokko is helemaal niet zo vriendelijk. Het land heeft een goede pr-machine, om de mensen in Europa een sterk vertekend beeld van het land voor te schotelen. Maar Marokko is een afschuwelijke dictatuur. De koning heeft ontzettend veel macht, hij heeft het leger in handen en de rechterlijke macht.’
Jan Hoogland ziet dit anders. ‘Marokko is vrijer dan de meeste islamitische landen. De pers is er relatief vrij. Maar er zijn rode lijnen die je niet mag overschrijden. Als je echter binnen de lijntjes blijft dan kan er best veel. Als je die overschrijdt als krant bijvoorbeeld dan krijg je een rechtszaak aan je broek en word je veroordeeld tot een hoge boete, met als resultaat het failliet van de krant. Vanwege juridische pesterijtjes moest een Arabischtalige krant stoppen, maar de Franse versie bestaat nog steeds.’
De Nederlandse Rif-activisten benadrukken dat de repressie niet stopt bij de grenzen van Marokko. Houdoe kan Marokko niet meer in, omdat ze dan wordt opgepakt. ‘Dat is een Belgische jongen ook overkomen. Hij had het regime bekritiseerd op sociale media en heeft acht maanden gevangenisstraf gekregen. Ik heb minister Stef Blok van Buitenlandse Zaken gevraagd of hij mijn veiligheid kon garanderen als ik naar Marokko zou gaan. Dat kon hij niet. De Marokkaanse overheid beschouwt ons als Marokkaanse onderdanen. En dat betekent dat Nederland niets voor mij kan doen. En ik kan niet van mijn Marokkaanse paspoort afkomen.’
Abdel, Ayaou en Houdoe worden bovendien zelf geïntimideerd. Ayaou: ‘We worden in de gaten gehouden. Bij demonstraties waren jongens aanwezig die ons aan het filmen waren. Dit wordt allemaal doorgegeven aan de Marokkaanse consulaten en de ambassade. Ook moskeeën en Marokkaanse verenigingen werken voor Rabat en worden ingezet om ons en andere mensen te intimideren. Als je gefilmd wordt, betekent dat dat je niet meer naar Marokko kunt.’ Abdel: ‘Online worden er vaak oproepen gedaan om mensen aan te geven bij het consulaat. Mij is ook meerdere malen verteld dat ze mij gingen aangeven bij het consulaat. Er bestaan op Facebook ook pagina’s waarop iedereen in de gaten wordt gehouden, zoals Ander Geluid, Azulisten Ontmaskerd (azulisten is een scheldwoord voor Berbers uit de Rif, omdat sommige Berbers elkaar begroeten met azul en niet met het Arabische salaam, red.) en Mocro Maffia.’ Houdoe: ‘Mensen worden aangevallen op Facebook, ik ook. Maar ik laat mij niet intimideren. Ik blijf demonstreren. Helaas hebben de intimidatiepogingen wel enig succes, want de opkomsten bij onze demonstraties zijn lager dan eerst.’
Belangen Volgens Houdoe ziet Marokko Marokkaanse Nederlanders als Marokkaanse burgers, die trouw moeten blijven aan hun moederland. ‘Dat heeft ook met geld te maken. Marokko verdient veel aan Marokkanen die in Europa wonen. Zij maken immers geld over naar hun familie en gaan in Marokko op vakantie.’ Bijeenkomsten en paneldiscussies die door de Marokkaanse ambassade worden georganiseerd, hebben volgens Abdel ook als doel om Marokkaanse Nederlanders aan Marokko te binden. ‘Marokkaanse Nederlanders met belangrijke maatschappelijke posities, bijvoorbeeld historica Nadia Bouras van de Universiteit Leiden, worden voor het karretje van het regime gespannen. Bouras is ook lid van de adviesraad van de koning voor Marokkanen in het buitenland (CCME, Council of the Moroccan community living abroad, red.). Deze raad maakt deel uit van de lange arm van Rabat.’
Jan Hoogland was net als Bouras aanwezig op een paneldiscussie, op 1 december dit jaar georganiseerd door de Marokkaanse ambassade, over het beeld van Marokkanen in de Nederlandse media. ‘Het was een apolitieke bijeenkomst, niet over Marokko zoals schrijver Asis Aynan op Twitter ten onrechte beweerde, maar over Marokkaanse Nederlanders. Heel wat anders dus. Ik zat daar bovendien als enige Nederlander en heb tussen de regels door wel kritiek gegeven, want ik wil objectief blijven. Ik houd enige afstand tot het Marokkaanse regime, maar wil wel in gesprek blijven. Die koninklijke adviesraad is al jaren de facto dood en functioneert niet als parlement voor de Marokkanen in het buitenland. PvdA-politica Khadija Arib lag enkele jaren geleden onder vuur, omdat zij in het verleden heeft geadviseerd over het instellen van deze adviesraad. Het was Geert Wilders die deze kritiek leverde, om haar loyaliteit in twijfel te trekken.’
Houdoe is voorstander van een economische boycot van Marokko, om op deze manier het regime in de portemonnee te treffen. ‘Vijfentachtig procent van de Marokkaanse Nederlanders is Riffijn. Als we allemaal onze portemonnee gesloten houden, loopt Marokko een heleboel inkomsten mis. Sowieso wordt er toch geen geld in de Rif gestoken. EU-geld dat voor de Rif bestemd is, wordt in Casablanca uitgeven voor projecten. En er is veel corruptie. Als je via een Marokkaanse bank geld aan je familie wilt overmaken, verdwijnt twintig procent, zogenaamd vanwege administratiekosten en dergelijke, maar wij weten wel beter. We boycotten Marokkaanse banken nu ook.’ Om wel wat voor de mensen in de Rif te doen steunt Houdoe de Stichting Ontwikkeling Rif (SOR), die onder andere benefietavonden organiseert voor Rif-gezinnen die in de problemen zijn gekomen omdat er familieleden zijn gearresteerd.
Europa weet van de corruptie in Marokko, maar kiest ervoor om niets te doen. Dat komt vanwege de Afrikaanse vluchtelingen, aldus Ayaou. ‘Marokko kreeg van de EU acht miljoen euro om een museum neer te zetten in de Rif. Er kwam geen museum, de EU weet dit ook, maar men vraagt Marokko niet om het geld terug te betalen. Het is smeergeld om Afrikaanse bootvluchtelingen tegen te houden. Maar het EU-beleid zorgt juist voor een Marokkaanse vluchtelingenstroom, want veel mensen uit de Rif zijn vanwege de door de EU gedoogde repressie en economische achterstelling zo wanhopig, dat ze met bootjes de overtocht wagen. De EU veroorzaakt zelf haar eigen vluchtelingenprobleem.’ Houdoe: ‘Er zijn mensen die ik ken die familieleden hebben verloren die de overtocht naar Europa waagden. De Marokkaanse regering verdient echter aan deze vluchtelingen. Door ze de bootjes te verkopen en soms ook door die bootjes weer van ze te stelen.’ Dat veel mensen de Rif ontvluchten beaamt ook Jan Hoogland: ‘Enkele jaren geleden waren het vooral mensen uit de Sub-Sahara die de overtocht naar Europa maakten, nu is tweeëntwintig procent van de bootvluchtelingen afkomstig uit Marokko.’ Volgens Hoogland zijn Noord-Europese landen kritischer over Marokko dan Zuid-Europese landen. ‘Dat zie je ook ten aanzien van de Westelijke Sahara. Frankrijk en Spanje hebben geen kritiek op de bezetting, Scandinavische landen daarentegen steunen Polisario.’
Toekomst Wat gaat er straks gebeuren? Heeft Marokko dankzij het keiharde optreden de strijd gewonnen? Of zorgt dit juist voor radicalisering bij de demonstranten? Hoogland weet het niet. ‘Het is heel moeilijk om de toekomst te voorspellen. Met de arrestatie van de leiders van de protestbeweging is denk ik wel de angel uit het conflict gehaald. Niettemin, ook in andere gebieden in Marokko zijn de mensen ontevreden, vanwege de sociaaleconomische problemen waarmee Marokko kampt. Wat als er daar protesten komen? Zal de regering daar ook hard optreden of zal men toch concessies doen?’
Houdoe is hoopvol: ‘We hebben ons verhaal mogen doen in het Europees Parlement, ons verhaal heeft de media gehaald, ook de Nederlandse media. Daarnaast is Nasser Zefzafi, de leider van onze protestbeweging die al bijna twee jaar vast zit en deze zomer tot twintig jaar gevangenisstraf is veroordeeld, genomineerd voor de Sacharov-prijs, die trouwens uiteindelijk naar iemand anders ging. We hebben dus best veel bereikt, maar dit is nog maar het begin. We laten ons niet intimideren. We moeten Marokko economisch boycotten, zodat men beseft dat men ons niet straffeloos zo slecht kan behandelen.’
Abdel: ‘De politieke gevangenen moeten vrijgelaten worden, het decreet uit 1958 moet weer teruggedraaid worden en er moet in de Rif geïnvesteerd worden. De Rif-beweging streeft niet naar onafhankelijkheid, de demonstranten zijn geen separatisten, maar Marokko moet de inwoners van de Rif behandelen als volwaardige burgers.’ Ayaou: ‘Niet alleen activisten maar ook Europese landen moeten iets doen. Op dit moment komt Marokko ermee weg, met de zegen van Europa. Een voorbeeld? Vlak na een bezoek van de Franse president Emmanuel Macron aan Marokko werden de Rif-demonstranten keihard aangepakt door het regime. Het kan niet anders dan dat Macron de Marokkaanse koning daarvoor groen licht heeft gegeven.’
Terwijl ik dit schrijf, sta ik op het punt voor het eerst vader te worden. Een magisch moment in mijn leven. Nu al. Zoals bij zoveel (aanstaande) ouders ga ik daardoor anders naar de toekomst kijken. De toekomst van mijn privéleven, maar ook van ons land. In wat voor een land gaat onze zoon of dochter, die ik voor het gemak van deze column even de genderneutrale of uniseks naam ‘Sam’ geef, straks opgroeien? Sam is bij geboorte gezegend met een bi-culturele achtergrond vanwege een ‘witte’ Nederlandse moeder en een ‘zwarte’ vader van Surinaamse afkomst. Daarmee zal Sams waarschijnlijke huidskleur donkerder zijn dan wat sommige landgenoten mooi of fijn vinden. Ik zou graag zien dat de ongelijke behandeling van mensen op basis van huidskleur uit de wereld is wanneer Sam geboren wordt. Maar discriminatie en racisme zijn helaas voorlopig nog onlosmakelijk verbonden met ons land en onze samenleving. Discriminatie en racisme zijn de wrange vruchten van de boom van ‘vooroordelen’ en haar wortels die men ‘angst’ noemt. En volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) worden zulke vooroordelen vaker openlijker geuit. ‘Het taboe is minder. Misschien omdat op sociale media alles gezegd kan worden. En dan gaan mensen dat daarbuiten ook doen’, zei SCP-onderzoeker Iris Andriessen in november in de NRC.
Het is moeilijk objectief vast te stellen of racisme wel of niet toeneemt in Nederland, maar net als vooroordelen wordt het in elk geval vaker openlijk geuit. Dat maakt ons land er zacht gezegd niet gezelliger op. Anders gezegd, ik weet bij voorbaat dat volgens sommige landgenoten onze Sam niet welkom is in Nederland. Volgens sommige politiek leiders is hij/zij het voorbeeld van de ‘homeopathische verdunning’ van het Nederlandse volk. Overigens vindt een partijgenoot van dezelfde politiek leider dat de ‘beste integratie tussen de lakens plaatsvindt’, maar dat terzijde. Het blootleggen van de tegenstrijdigheid in de polariserende politiek van Forum voor Democratie laat ik graag aan anderen over.
Wat mij zowel op- als tegenvalt, is dat er tegenover de toename van de publieke uiting van vooroordelen en racisme een evenredige afname lijkt te zijn van verbindend, politiek leiderschap in ons land. Als het maatschappelijke debat over de figuur van Zwarte Piet compleet ontspoort en leidt tot de onveiligheid van burgers die rechtmatig demonstreren tegen een in hun ogen racistische karikatuur van zwarte Nederlanders, roept de premier op tot ‘gezelligheid’ en ‘normaal doen’. Volksvertegenwoordigers en bewindspersonen die zeggen het algemeen belang en álle Nederlanders te dienen, zouden daad bij het woord mogen en moeten voegen. Het populistische gekrakeel van verschillende politici tegen de multiculturele samenleving dient enkel het electorale deelbelang en zeker niet het landsbelang. De multiculturele samenleving is een feit. Aan politiek leiders de taak dat feit te respecteren en vervolgens bij te dragen aan gemeenschapszin in diezelfde samenleving. Dat kan onder andere door zelf het goede voorbeeld te geven, zoals door mensen van kleur actief op te nemen als lid van hun politieke partij en te benoemen in sleutelposities. En door racisme in eigen geledingen snoeihard te bestraffen.
Ooit hoorde ik als toenmalig kandidaat-Statenlid op een lokale algemene ledenvergadering van mijn politieke partij dat een lokale politiek leider zijn partijgenoten opriep mij van de kandidatenlijst te verwijderen. ‘We moeten onze eigen mensen steunen’, was zijn argumentatie. Voor mij is dat inmiddels codetaal. Codetaal die ik helaas vaker heb gehoord uit racistische hoek. Triest was het dat tijdens deze vergadering de betreffende politiek leider enkel uit praktische overwegingen – en niet om principiële of inhoudelijke redenen – door anderen werd tegengesproken. Zulke voorbeelden van ogenschijnlijke racisme binnen politieke partijen zijn er in allerlei soorten partijen en in alle soorten en maten. Van links tot rechts. Dezelfde partijen die voor de draaiende camera schande spreken over racisme en discriminatoire vooroordelen. Dat is niet het type verbindend politiek leiderschap dat ons land nodig heeft. We hebben nu behoefte aan politieke daden, want de vrijblijvende lippendienst volstaat niet meer. Geef ons politieke daden die de samenleving laten zien dat het de politiek menens is als het om culturele diversiteit gaat. Daden die onze kleine Sam straks het gevoel geven dat hij/zij als bi-culturele Nederlander écht welkom is en zichzelf mag en kan zijn. En dan, minister-president Rutte, wordt ons land eindelijk eens écht en vooral voor iedereen gezellig.
Het was een opvallend bericht in de Volkskrant enkele weken geleden. Op het eiland Noord-Sentinel, dat deel uitmaakt van de onder India ressorterende eilandengroep de Andamanen, was een zesentwintigjarige Amerikaanse zendeling gedood door leden van de daar wonende stam, die niet van zijn komst en bekeringsijver gediend waren. Hoewel al bij zijn eerste stappen op het strand beschoten – een pijl doorboorde zijn bijbel – had hij koppig aan zijn roeping om het Ware Woord te verkondigen vastgehouden. Het eiland is volledig van de buitenwereld afgesloten, de Sentinelezen behoren tot de laatste stammen in de wereld die volledig op zichzelf leven en deze status en hun leefwijze wordt door de overheid van India beschermd. Een bezoek aan het eiland is daarom voor niet-inboorlingen verboden, de globalisering stuit hier formeel op een grens.
Logische consequentie van die beschermde status is dan ook dat de staat India zich niet met de leefwijze, zeden en gebruiken van die stam bemoeit. Dat betekent dat ook opvattingen die in onze ogen principieel niet meer door de beugel kunnen – bijvoorbeeld over man-vrouw-verhoudingen of over strafrechtpraktijken – en elders met een beroep op de universele mensenrechten worden bekritiseerd, hier qualitate qua onaantastbaar zouden zijn verklaard. Zo stond de Indiase overheid in het geval van deze Amerikaanse zendeling op een cruciale tweesprong: moest zij na deze moord – want dat was het natuurlijk volgens de Indiase rechtsbeginselen – tot vervolging van de daders overgaan of moest ze deze vorm van eigenrichting – voortvloeiend uit de voor onaantastbaar verklaarde stamcultuur van de Sentinelezen – respecteren.
Daaronder ligt natuurlijk de fundamentele vraag hoe ver het culturele zelfbeschikkingsrecht van de Sentinelezen eigenlijk gaat. Mogen zij intern doen en laten wat zij willen? Mogen zij, met een beroep op de eigen, officieel van staatswege beschermde stamcultuur, er normen en waarden op nahouden die haaks staan op die van de rest van de mensheid (gesteld dat die onder één noemer te vangen zouden zijn)? Ook als die wezenlijke ongelijkheid – bijvoorbeeld waar het de relatie tussen de seksen of vormen van de facto slavernij betreft – zouden impliceren? Of bijvoorbeeld vrouwenbesnijdenis? Of eventueel zelfs kannibalisme en koppensnellerij?
Is de boodschap van de buitenwereld dan aan de stamleden die daarvan het slachtoffer worden dan wel zich daartegen verzetten ‘u zoekt het zelf maar uit’? Onze universele mensenrechten gelden niet voor diegenen die de pech hebben binnen die stam geboren te worden? Wordt hen het recht ontzegd zich aan de greep van de stam te onttrekken? En kijken wij met de handen over elkaar toe als een epidemie uitbreekt die veel slachtoffers maakt en de stamoudste medische hulp van buiten – om wat voor religieuze of politieke reden ook – mocht weigeren?
Hier botsen twee paren waarden op elkaar: cultuurabsolutisme op cultuurrelativisme, en individualisme of collectivisme. Voor de christelijke zendeling – en dat zou ook gelden voor zijn eventuele islamitische evenknie – was de boodschap die hij wilde brengen wereldwijd geldig: iedereen moet door bekering ‘gered’ worden. De logische consequentie van een dergelijk universalisme is cultuurabsolutisme. Er bestaat maar één waar geloof, religies zijn zeker niet in beginsel gelijkwaardig.
Hoe irritant veel ongelovigen deze houding van zendelingen ook vinden, het is een aspect dat die laatsten met veel van hun meest overtuigd atheïstische tegenstanders delen: ook bij fanatieke Verlichtingsadepten is er weinig ruimte voor waarden en dus voor cultuurrelativisme – overal dienen mensen uit de greep van hun ‘achterlijke’ geloof te werden bevrijd. Religie mag voor hen nooit een reden of belemmering vormen om de vruchten van de rationele wetenschap te omarmen, of dat nu vaccinatie betreft of de evolutieleer. En niet alleen de fysiek bewijsbare wet van de zwaartekracht, waarvan de ontdekking de vrucht was van de Verlichting, ook het complex van morele opvattingen over menselijke gelijkheid dat dankzij diezelfde Verlichting in het Westen ingang heeft gevonden, wordt als universeel beschouwd. Wie mensen als gelijkwaardig beschouwt, moet automatisch culturen die dat níet doen niet als gelijkwaardig beschouwen.
Dat betekent: cultuurrelativisme, een legitimatie van praktijken die van die voor universeel verklaarde normen afwijken, met de woorden ‘zo doen ze het binnen die cultuur nu eenmaal’, is binnen deze wijze van redeneren uit den boze. Het is ook direct gekoppeld aan die andere polariteit, tussen collectivisme en individualisme. Cultuurrelativisme impliceert al snel dat de rechten van de groep centraal worden gesteld; de rechten van de individuele leden van die groep zijn daaraan ondergeschikt. De universele mensenrechten, zoals die ook in het VN-handvest terugkeren, gaan uit van de rechten van het individu, dat niet met een beroep op afwijkende eigen groepsnormen door een groep mag worden onderdrukt. Dat geloof in universele mensenrechten valt uiteraard niet los te zien van de globalisering, die de hele wereld een bepaald stempel van ‘moderniteit’ opdrukt en wezenlijke morele cultuurverschillen delegitimeert.
Cruciale morele vraag: mag een stam of volk zich aan de druk van die moderniteit onttrekken? Mag ze de relevantie van door de VN, als collectief orgaan van de rest van de wereld, als universeel geclaimde normen en waarden voor haarzelf ontkennen? Bestaat er een recht om door de wereld met rust gelaten te worden? Die vraag is niet alleen relevant voor de Sentinelezen, maar ook voor stammen in het Amazone-gebied en tot op zekere hoogte ook voor de Inuït in het Pool-gebied en in reservaten levende indianen in Amerika. In India is men daar nog niet uit.
Op 10 december werd in de Marokkaanse stad Marrakesh het Global Compact voor Safe, Orderly and Regular Migration (GCM), beter bekend als het ‘migratiepact van Marrakesh’ door een groot aantal landen ondertekend. Sommige landen waren tegen of waren niet eens aanwezig in Marrakesh, maar de ondertekenaars waren in elk geval veruit in de meerderheid. Het pact is niet meer dan een verklaring en gaat ervan uit dat migratie een wereldwijd gegeven is dat niet zomaar stopt. Verder staat er dat migranten nu eenmaal van het ene land naar het andere gaan en dat migratie dus een internationale aangelegenheid is die om samenwerking tussen landen vraagt. Maar het belangrijkste kenmerk van het pact is het vrijblijvende karakter ervan. Niets staat er in dat landen die het hebben ondertekend ook maar aan iets bindt. Wetgeving ten aanzien van migratie is en blijft een zaak van nationale politiek. Geen enkele dwang dus, niet juridisch noch politiek. Nergens wordt in de tekst gemorreld aan de nationale soevereiniteit. Alle verwijzing naar wetgeving is verwijzing naar al bestaande documenten. Bijvoorbeeld dat alle mensen, dus ook migranten, mensenrechten hebben, maar nergens wordt beweerd dat mensen het recht hebben te migreren.
Het pact van Marrakesh is dus zoals gezegd niets meer dan een gezamenlijke verklaring, ondertekend door een groot aantal landen, dat er zoiets als migratie bestaat. Maar zelfs dat is al genoeg om extreemrechts in Europa te mobiliseren en op hoge toon hun ongenoegen te laten blijken. In Nederland verspreidde Baudet van Forum voor Democratie nepnieuws door te beweren dat het pact een ‘uitnodiging aan heel Afrika’ is om hierheen te komen. Niemand die van hem eist dit te onderbouwen. Hij roept maar wat en de media registeren dat. Overigens zijn alle partijen in Nederland, met uitzondering van GroenLinks en D66, tegen het pact om precies dezelfde redenen. In België leidt de ondertekening bijna tot de val van het kabinet. Een grimmige demonstratie in Brussel, de ‘mars tegen Marrakesh’, georganiseerd door de extreemrechtse beweging Schild en Vrienden en door Vlaams Belang, liep volledig uit de hand. Ook in andere landen werd geprotesteerd.
Waarom die heftige reactie op zo’n symbolisch en eigenlijk ook nietszeggend document? Geen enkel ander onderwerp is omgeven door zoveel mythes als migratie, vooral als het om cijfers gaat. Maar het aantal mensen dat zich op de wereld verplaatst is de afgelopen decennia nauwelijks veranderd. Het gaat om enkele procenten van de wereldbevolking en dat terwijl migratie aan de oorsprong van de menselijke beschaving ligt. Een minuscuul deel van de bevolking van het Afrikaanse continent woont in een ander land dan hun geboorteland en de meesten daarvan komen Afrika niet eens uit. Het zijn ontnuchterende cijfers waar niemand omheen kan. Niets massa-immigratie, niets ongecontroleerde stroom van ‘vluchtelingen en gelukszoekers’. Wat heeft extreemrechts daartegen in te brengen? Helemaal niets. Rechts heeft geen cijfers, alleen inhoudsloze en loze kletspraat over cultuur in gevaar.
Dan de mythe dat aanslagen en terroristisch geweld voor het grootste deel op het conto moeten worden gezet van migranten. De recente aanslag op een kerstmarkt in Straatsburg door een man met een Algerijnse achtergrond werd in diverse media op die manier naar buiten gebracht. Maar ook als het om politiek geïnspireerd geweld gaat dan zijn de cijfers ontnuchterend; meer dan tachtig procent van de aanslagen in Europa van de afgelopen tien jaar is gepleegd door ‘Europese’ separatisten en niet door ‘migranten’. Wederom niets dat rechts hiertegen in kan brengen.
En er is natuurlijk het hardnekkige idee dat open grenzen migranten zouden aantrekken. Het zijn profiteurs die op ‘onze welvaart’ afkomen en iedereen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië staat te trappelen om naar ‘het Westen’ te komen. Wat een zelfingenomenheid! Dat migratie altijd, en dus ook nu, juist tot meer welvaart heeft geleid is keer op keer aangetoond in studies. Niets hebben de voorstanders van hermetisch gesloten grenzen daartegen in te brengen. Bovendien is het overgrote deel van de migranten op de wereld helemaal niet geïnteresseerd in het ‘Westen’. Waar zijn je cijfers, rechts?
Dus nationalistische paniekzaaiers, kom met harde gegevens en misschien nog wel belangrijker, namens wie spreken jullie eigenlijk? Waar zijn al die massa’s ‘gewone hardwerkende burgers’ namens wie jullie claimen te spreken? Er is onvrede bij veel mensen over veel zaken, ook over migratie. Onrust over een asielzoekerscentrum moet serieus genomen worden, maar houd die schreeuwers buiten de deur en vertel er ook bij dat heel veel mensen die eerst zorgen hadden later vrijwilligerswerk doen voor asielzoekers en de straat op gaan om tegen de uitzetting van kinderen te protesteren. Daar horen we jullie niet over.
Stop met het profiteren van onvrede. Stop met mensen op een hoop te vegen. Stop met het rondstrooien van nepnieuws en kom nu eens met harde feiten over migratie.
Gevarieerde landschappen, lege stranden, een authentieke keuken, kleine vissersdorpjes en een rijkdom aan lokale stammen maken Birma volgens Tieme Hermans een uniek reisdoel. ‘Je moet nu gaan, niet volgend jaar, maar nu. Wie de Robinson Crusoe-droom heeft om alleen op een parelwit strand te staan met een kokosnoot in zijn hand, moet gaan voordat ook hier resorts schouder aan schouder staan en er busladingen toeristen neerstrijken.’
De boycot op toerisme is opgeheven, de meeste restricted areas zijn opengesteld en heel langzaam ontwaakt het land uit de diepe winterslaap die de militaire overheid zesenveertig jaar geleden inluidde. Birma opent zijn ogen en lijkt zich nauwelijks te beseffen welk potentieel er ligt in haar duizend kilometer lange en grotendeels onontwikkelde kust langs de Andamanse Zee. Met verborgen stranden, kristalhelder water en onbewoonde eilanden biedt het land een weelde aan ongerepte natuur en rust die in buurland Thailand steeds moeilijker te vinden is.
Steeds meer reizigers trekken jaarlijks naar Birma voor indrukwekkende tempels, de diepgewortelde boeddhistische cultuur en trektochten door de heuvels. Maar voor strandtoerisme wijken de meesten nog altijd uit naar Thailand. Toch voorspellen reizigers dat de onaangetaste stranden van de Andamanse Zee over tien jaar het stokje over gaan nemen van buurman Thailand. De Birmese overheid heeft, ondanks de veiligheidssituatie in sommige delen van het land, ingezet op een groei van meer dan vijftig procent in 2019. Hoewel de zuidkust nog altijd moeilijk te bereiken is, verschijnen er langzaam maar zeker meer hotels en restaurants om in te spelen op deze potentiële groei.
Waar Thailand de afgelopen jaren zo’n vijfendertig miljoen bezoekers per jaar ontvangt, staat de teller in Birma slechts op drie miljoen en daarvan waagt nog geen twee procent zich in het diepe zuiden van het land, waar de ongerepte stranden van de Andamanse Zeekust liggen. Een groeiend aantal Thailand-gangers klaagt over de verzadigde badplaatsen, vervuiling en verharde cultuur aan de Thaise stranden en vindt in buurland Birma een alternatief. ‘Het is hier net als Thailand dertig jaar geleden’, zegt de Britse toerist Nicholas (59). ‘De mensen zijn oprecht gastvrij, goudeerlijk en behulpzaam en de stranden zijn schoon en leeg, zonder al die luxe resorts, lawaaiige strandfeesten en drinkende backpackers’. Nicholas kwam tot voor kort elke winter een paar maanden naar Thailand om aan de Europese kou te ontsnappen, maar kiest sinds kort voor Birma. ‘Het toerisme staat hier nog in de kinderschoenen en dat geeft een charme die Thailand allang verloren is.’
Voor wie zoekt naar een bestemming in Zuidoost-Azië die nog niet is platgelopen door backpackers en strandtoeristen, is Birma een interessant alternatief. Gevarieerde landschappen, lege stranden, een authentieke keuken, kleine vissersdorpjes en een rijkdom aan lokale stammen met elk hun eigen cultuur en gebruiken maken het land een uniek reisdoel. De stranden van Birma zijn een kans om echt van de gebaande paden af te wijken en om één van de laatste onontdekte parels van de regio te vinden, zonder dit te hoeven delen met hordes vakantiegangers, meent de Australische reisleider Richard (61). ‘Je moet nu gaan’, zegt hij stellig. ‘Niet volgend jaar, maar nu. Het toerisme zit enorm in de lift hier, net als Thailand in de jaren negentig. Wie echt de Robinson Crusoe-droom heeft om alleen op een parelwit strand te staan met een kokosnoot in zijn hand, moet gaan voordat ook hier resorts schouder aan schouder staan en er busladingen toeristen neerstrijken.’ Richard klaagt dat de cultuur op veel populaire toeristenbestemmingen vaak snel verandert door invloed van buitenaf. ‘Maar juist door gebrek aan massatoerisme en door de jarenlange isolatie van Zuid-Birma is de lokale cultuur hier perfect bewaard gebleven en is de westerse invloed die je op veel andere plekken ziet hier nog niet aangeslagen. Op dit moment heeft dit gebied nog iets avontuurlijks en ongerepts terwijl er al wel faciliteiten zijn. Daarom is dit het beste moment om te komen. Laat de massa’s maar het standaardrondje Birma maken langs de tempels van Bagan, Mandalay en het Inle-meer, dan blijft het hier lekker rustig.’
Dawei
Op ruim driehonderd kilometer ten zuiden van Mawlamyine, de culturele hoofdstad van het zuiden, ligt Dawei. Hoewel de kleine stad op een half uur rijden ligt van het dichtstbijzijnde strand, heeft het een goede accommodatie en eetgelegenheden, kun je er een brommer huren of een tour boeken in de omgeving. Wie echt op zoek is naar lege stranden, moet verder rijden naar het schiereiland van Dawei. Daar liggen stranden als Grandfather Beach, Sin Htauk en Paradise Beach min of meer verborgen te wachten om ontdekt te worden. Met een brommer, wat proviand en een neus voor avontuur is het de ultieme kans om op jacht te gaan naar dat ene droomstrand. Met een geïmproviseerde kaart en instructies van bloggers die de route beschrijven, is het mogelijk om je eigen privéstrand te vinden, waar je behalve een paar vissers niemand zult vinden. De ruige weggetjes ernaartoe worden geleidelijk aan verhard, dus hoewel het nog lang zal duren voor tourgroepen het gebied overspoelen, wordt het steeds makkelijker de stranden te bereiken.
Wie het liefst aan het strand wil overnachten, kan terecht aan Maungmagan Beach, op zo’n vijftien kilometer afstand van Dawei. Vanaf dit strand is het met wat geluk ook mogelijk om een deal te sluiten met een lokale visser voor een dagtrip naar de Mid-Moscos-eilanden (ook wel de Maungmagan-eilanden genoemd). Hier is geen accommodatie beschikbaar, maar lokale reisbureau’s organiseren wel kampeertrips naar de eilanden.
Dawei en omgeving is nog grotendeels onontwikkeld, maar als het aan de Birmese overheid ligt gaat daar in de toekomst verandering in komen. Aan het lange strand van het nabijgelegen Nabule zijn projectontwikkelaars bezig met de eerste werkzaamheden aan een grote diepzeehaven. Gelukkig voor reizigers in de omgeving zijn de activiteiten voor onbepaalde tijd stil komen te liggen.
Myeik
Het tweede, nog meer afgelegen paradijs van het zuiden is de Archipel van Myeik, ook wel Mergui genoemd. Volgens sommigen is dit het laatste paradijs op aarde, met zo’n achthonderd eilandjes waarvan enkele niet eens een naam hebben. De meeste van deze eilanden zijn onbewoond en omgeven door witte stranden, koraalriffen en een turquoise zee waar alleen lokale vissers en enkele toeristenbootjes de rust verstoren. De archipel van Myeik ontvangt jaarlijks nog maar enkele duizenden toeristen, ondanks dat het meest zuidelijke eiland slechts tweehonderd kilometer verwijderd ligt van het toeristische Phuket in Thailand.
De eilanden van de archipel liggen verspreid over vierhonderd kilometer langs de Birmese zuidkust, tot aan de grens met Thailand, en zijn het best bereikbaar per boot vanaf de stad Myeik of vanuit de grensplaats Kawthaung. Op de bewoonde eilanden leven voornamelijk Moken, ook wel Salone of zeezigeuners genoemd. Deze stam leefde tot voor kort een nomadisch bestaan op zee in kleine houten kano’s en voorziet zichzelf in hun onderhoud door inktvisvangst, speervissen en het verzamelen van oesters door extreem lang en diep onder water te duiken zonder hulp van zuurstofflessen. Dit ongerepte gebied was tot een paar jaar geleden compleet afgesloten voor buitenlandse toeristen en zelfs nu heb je een vergunning nodig om te kunnen overnachten op één van de eilanden. Daarom blijft het ontdekken van dit paradijs voor het gros van de bezoekers beperkt tot een dagtrip per boot.
De mooiste eilanden liggen ver uit de kust en zien nauwelijks bezoekers. Deze plekken zijn vooral weggelegd voor mensen die wat meer te besteden hebben, aangezien de kosten voor een overnachting in het handjevol exclusieve resorts tussen de honderdtwintig en zestienhonderd euro per nacht zijn. Een andere optie zijn cruises met een overnachting, maar ook die kosten ten minste zeventig euro per persoon per dag en volgen allemaal grotendeels dezelfde route. Toch is er hoop voor de avontuurlijke backpacker met een klein budget. Met een beetje geluk en doorzettingsvermogen is het mogelijk een kapitein te charteren die de benodigde vergunningen regelt om een zelfgeorganiseerde en meerdaagse tocht tussen de eilanden te maken. In dit geval kampeer je waarschijnlijk wel op het strand en zijn de sanitaire voorzieningen minimaal, maar heb je wel de kans om het echte rauwe eilandleven te ervaren in onvervalste Crusoe-stijl op eilanden met intrigerende namen als Cock’s Comb, Red Monkey en Eiland 115.
Enkele eilanden vlakbij de stad Myeik zijn open voor toeristen, maar hebben niet zulke mooie stranden vanwege modderstromen uit binnenlandse rivieren. Deze eilanden zijn echter wel ideaal voor vogelspotten, het bezoeken van het mangrovebos, zeegrotten en afgelegen vissersdorpjes met huizen op palen. Voor de rest is het grootste deel van de eilanden onbewoond, compleet onontwikkeld en zonder accommodatie, elektriciteit, zoet water en wegen.
Duurzaam toerisme
Tot 2011 zag Birma slechts zo’n zevenhonderdduizend toeristen per jaar. Vanaf 2015 – toen Aung San Suu Kyi werd benoemd tot regeringsleider – hief het land een groot aantal reisrestricties op, versoepelde de visumregels en groeide het aantal toeristen gestaag. De restricties hadden vooral te maken met interne conflicten tussen de diverse stammen van Birma en de centrale militaire overheid. Deze conflicten zijn nog altijd gaande in verschillende delen van het land, maar de gebieden rond Dawei en Myeik staan bekend als veilig, waardoor er steeds meer restricties worden opgeheven. De afgelopen jaren heeft de overheid daarom ingezet op het aantrekken van investeerders uit binnen- en buitenland om kleinschalige toeristische faciliteiten te ontwikkelen. Deze ontwikkeling zal ervoor zorgen dat de stranden, koraalriffen en duikplekken toegankelijker en betaalbaarder worden voor grotere aantallen toeristen.
Volgens de provinciale toerismeautoriteiten worden er momenteel hotels gebouwd op twaalf eilanden van de Myeik-archipel, waardoor zelfs in het komende seizoen al tweehonderd extra kamers beschikbaar zijn voor strandgangers. Hla Aye van het provinciale toerismecomité redeneert dat het grootste deel van de kustlijn onontwikkeld is en dat er een unieke mogelijkheid ligt voor Birma. ‘We hebben de kans om deze regio op de kaart te zetten als hoogwaardige reisbestemming voor internationaal toerisme. Maar’, waarschuwt hij, ‘dit moet wel op duurzame wijze gebeuren, anders verliezen we onze natuur en identiteit.’
Adjunct-directeur van het ministerie van Hotels en Toerisme, U Myo Thwin, wil ook inzetten op duurzaam toerisme en zegt dat er stappen worden gezet door de overheid om de archipel op de Unesco-werelderfgoedlijst te krijgen, om ervoor te zorgen dat de eilanden en de lokale cultuur beter beschermd worden tegen de negatieve effecten van massatoerisme. ‘We willen wel het succes van het Thaise Phuket, maar niet de bijbehorende schade die het brengt aan onze mooie natuur. Daarom is het ons plan om vergunningen te verlenen aan projecten die de lokale bevolking ten goede komen en die het ecosysteem beschermen.’
Maar volgens Frank Momberg, regiodirecteur van stichting Flora and Fauna International, is het een grote vergissing om het ecosysteem in het gebied verder te verstoren. ‘Het koraal is nu al hard achteruit aan het gaan door klimaatverandering, overbevissing en het overschot aan bootjes die hun ankers neerlaten op de kwetsbare riffen. Daarnaast zijn er grote trawlers (vissersschepen met een trechtervormig net, red.) uit Thailand die illegaal dynamietvissen rondom de archipel, waarbij grote stukken koraal en kwetsbare diersoorten massaal gedood worden.’ Momberg waarschuwt ook dat de kapiteins van de toeristenbootjes de vaarroutes niet altijd goed kennen en dat veel bezoekers niet weten dat ze het koraal beschadigen wanneer ze erop trappen tijdens het snorkelen. ‘Door deze overbevissing, de overvloed aan bootjes en het gebrek aan kennis over het rif bij de gidsen, kapiteins en toeristen is het ecosysteem van de eilandengroep al hard achteruit gegaan. Waar je vroeger veel grote haaien, roggen en zeeschildpadden in dit gebied vond, is hun aantal flink afgenomen. De schade aan het koraal heeft de gehele voedselketen verstoord.’
Het is volgens Momberg een zegen dat de afgelegen eilanden zo duur zijn voor toeristen, waardoor de meesten het gebied per cruise bezoeken. ‘Als ik mag kiezen, zie ik toeristen liever op een cruise van een paar dagen dan dat de jungle gekapt wordt om resorts te bouwen op eilanden die vaak niet eens voldoende drinkwater hebben en geen mogelijkheid tot duurzame afvalverwerking.’
Foto: Tieme Hermans
Voorzieningen
Hoewel de groei van toerisme in Myeik en Dawei in de lift lijkt te zitten, zal deze groei ook gepaard moeten gaan met verbeterde infrastructuur, getrainde gidsen, hygiënische eetgelegenheden en verbeterde prijs-kwaliteit-verhouding in de hotels. Vooral dit laatste is door een groot tekort aan hotels een probleem in ogen van veel toeristen. De Franse backpacker Eric (29) geeft aan dat, waar hij in Thailand voor minder dan een tientje slaapt in een schone hotelkamer of een acceptabele bungalow op het strand, je in Birma zeker het dubbele betaalt voor een ondermaatse kamer. ‘De lakens zijn meestal vies, de badkamers stinken en het is er vaak muf en benauwd. Als ik iets wil van hetzelfde niveau als Thailand ben ik vaak meer dan twintig euro kwijt. Dit is erg duur voor Zuidoost-Azië en tevens een reden dat veel backpackers vooralsnog aan de Thaise kust blijven plakken.’
Lange tijd was het erg moeilijk voor lokale hoteleigenaren om een vergunning te verkrijgen die ze toestaat buitenlandse gasten te ontvangen. Birma kampt met grote corruptie, vriendjespolitiek en ingewikkelde bureaucratie, waardoor hoteleigenaren zonder connecties bij de lokale overheid deze vergunningen bijna niet konden bemachtigen. De kosten voor deze vergunning lopen volgens sommige hoteliers zo hoog op dat ze niet anders kunnen dan deze door te berekenen aan hun buitenlandse gasten. Toch lijken ook deze regels en eisen te versoepelen en is het aantal slaapplekken sinds enkele jaren gestaag aan het groeien, waardoor ook de prijs afneemt en de kwaliteit omhoog gaat.
De keuken
De Zuid-Birmese keuken biedt een boeiende fusion tussen de Thaise curry’s, de Indiase kruidigheid en de Chinese cuisine. In de kustregio’s zijn vis en zeevruchten enorm populair, maar in boeddhistisch Birma hoeft ook de vegetariër geen honger te leiden en begrijpen mensen je meteen als je tah tah loh (Birmees voor ‘vegetarisch’) bestelt. In steden als Dawei, Myeik en Kawthaung vind je een aanbod aan theehuisjes die snacks en lichte maaltijden serveren, lokale kantines waar je onbeperkt rijst en bijgerechten kunt eten voor een klein bedrag, Thaise, Indiase en Chinese restaurants en noedelsoeptentjes. Daarnaast vind je veel barbecuerestaurants, die in tegenstelling tot de meeste andere restaurantjes vaak ook een alcoholvergunning hebben. Ook beginnen zich langzamerhand westerse opties aan te dienen die inspelen op de wensen van toeristen.
De hygiënestandaarden in Birma liggen niet op het niveau van Thailand, Maleisië en Singapore, maar komen eerder in de buurt van het naastgelegen India en Bangladesh. Toch lukt het de meeste reizigers om met wat gezond verstand en een kritische blik de reis door Birma te doorstaan zonder al te grote problemen. Punten om op te letten zijn de doorloopsnelheid in restaurants en het vermijden van teveel gefrituurd eten, street food dat al iets te lang ongekoeld ligt en voorgesneden fruit uit een plastic vitrine. Drinkwater in de restaurants is meestal gekookt of gefilterd en veilig om te drinken, maar veel toeristen kiezen voor de zekerheid toch liever voor gebotteld water.
Hoe veilig is het?
Ondanks de slechte naam die Birma in de media heeft vanwege de genocide op de Rohingya in het westen van het land, ligt dit gebied ruim vijftienhonderd kilometer verwijderd van Dawei. Hoewel je ook in het diepe zuiden veel moslims vindt, behoren deze tot een andere bevolkingsgroep dan de Rohingya en zijn er nauwelijks spanningen merkbaar tussen de verschillende etnische groepen in het gebied.
In vergelijking met omliggende landen scoort Birma hoog op het gebied van veiligheid. Dit komt deels door hoge straffen van de strenge overheid, maar ook door de conservatieve boeddhistische cultuur in het land, die zorgt voor een grote sociale cohesie.
Er komt op kleine schaal malaria voor in het gebied, overgedragen door muggen tussen zonsondergang en zonsopkomst, waardoor rond die tijd van de dag beschermende kleding en insectwerende middelen aangeraden worden. Ook helpt het om in een muggenvrije kamer te slapen of onder een klamboe. In de praktijk gebruiken de meeste reizigers geen malariamedicijnen als malarone en ook het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering adviseert om slechts een noodkuur mee op reis te nemen om te gebruiken wanneer symptomen van malaria optreden.
Reisadvies
De beste tijd om het zuiden van Birma te bezoeken is in het droge en relatief koele seizoen tussen december en april. Ook tijdens de moesson kan het gebied bezocht worden, aangezien het over het algemeen niet de hele dag regent, maar er kunnen wel overstromingen en tropische stormen plaatsvinden.
De prijs voor een retourvlucht naar Birma loopt van zo’n 400 euro in het laagseizoen tot 700 euro in het hoogseizoen, vaak met een overstap in China, Thailand of Maleisië. De vluchten zijn gericht op de voormalige hoofdstad Yangon, vanwaar reizigers kunnen kiezen voor een binnenlandse vlucht, de trein of de bus naar het verre zuiden. Ter vergelijking: een vlucht duurt ongeveer een uur en kost tussen de 70 en 130 euro. De trein, die niet verder gaat dan Dawei, kost 3,50 tot 7 euro en duurt minimaal 24 uur. De bus naar Dawei duurt 16 uur, naar Myeik 26 uur en kost tussen de 10 en 30 euro, afhankelijk van de luxe en grootte van de bus.
Visum en grensovergangen
Aangezien Birma geen ambassade heeft in Nederland, is het de meest eenvoudige optie om een online visum aan te vragen. Deze kost vijftig dollar en is achtentwintig dagen geldig vanaf het moment dat je het land binnenkomt. Er liggen plannen klaar om de visumprocedure verder te vereenvoudigen voor inwoners van de Europese Unie en enkele andere westerse landen, maar door de Rohingya-crisis zijn de internationale relaties met Birma bekoeld en zou het kunnen dat deze verandering nog even op zich laat wachten.
De meeste toeristen komen Birma binnen per vlucht, maar wie het zuiden van Birma direct over land vanuit Thailand wil bereiken, kan dit doen via drie grensovergangen. De meest noordelijke grenspost is in het stadje Myawaddy, dat een goede busverbinding heeft met Bangkok. Van hieruit gaan er bussen naar Mawlamyine, waar je kunt overstappen op een bus of trein naar Dawei of Myeik. De grens in het diepe zuiden bij Kawthaung is een goede keuze voor reizigers die zich in Zuid-Thailand bevinden. De overgang is per boot en er gaan de hele dag veerponten en privébootjes tussen beide grensposten. Vanuit Kawthaung zijn Myeik en Dawei bereikbaar per bus. Een andere, erg afgelegen overgang bevindt zich in het bergplaatsje Htee Kee, op zo’n vijf uur reizen van Dawei. Op dit moment is deze grens echter alleen toegankelijk voor reizigers die hun visum direct hebben verkregen via de ambassade in bijvoorbeeld Bangkok, Brussel of Berlijn.
Veiligheidstroepen schieten traangas in een menigte van duizenden burgers om ze uit elkaar te drijven. Heel snel volgen kogels. Paniek. Bloed. Twee doden. Tientallen gewonden. Maar waar hebben deze burgers dit allemaal aan te danken? Het enkele feit dat ze deelnamen aan een verkiezingsrally van een oppositieleider. Dit incident komt niet uit een spannende thriller, maar vond eerder deze week plaats in Lubumbashi, een stad in het zuidoosten van de Democratische Republiek Congo.
23 december aanstaande vinden verkiezingen plaats in Congo. De zittende president Joseph Kabila wilde er alles aan doen om aan de macht te blijven. De Grondwet schrijft voor dat hij maximaal twee termijnen op het pluche mag zitten. Aanvankelijk wilde hij de Grondwet veranderen zodat hij zich voor een derde termijn kon kandideren. Maar burgers uit het hele land, met name jongeren, kwamen massaal in opstand. Ze smachten naar ‘democratie’. Eerlijke verkiezingen. Inspraak. De mogelijkheid om hun leiders ter verantwoording te roepen. Helaas werden de demonstraties weer met harde hand neergeslagen. Tientallen demonstranten verloren hun leven – anderen belandden in de gevangenis, tot de dag van vandaag.
Na deze interne weerstand en de druk van de ‘internationale gemeenschap’, gaf Kabila zich uiteindelijk gewonnen. Hij heeft een opvolger aangewezen, Emmanuel Shadary, die namens zijn coalitie de verkiezingen moet gaan winnen. Hetzelfde trucje werd eerder door Vladimir Poetin toegepast, toen hij Dmitri Medvedev als zijn tijdelijke kroonprins aanwees. Kabila hoopt met de winst van Shadary zijn zin te blijven drukken op de Congolese politiek.
Maar daar denken de Congolese oppositieleiders anders over. Ondanks het feit dat ze het electorale proces niet vertrouwen (twijfel over mogelijk fraudegevoelige stemcomputers), hebben ze besloten om de krachten te bundelen. Ze hebben samen een unieke kandidaat naar voren geschoven; Martin Fayulu, een voormalige zakenman die de afgelopen jaren zijn intrede in de Congolese politiek heeft gedaan. De strategie van de oppositie lijkt tot nu toe te werken. Overal waar Fayulu naartoe gaat in het land, wordt hij als held ontvangen. Vorige week kwamen honderdduizenden mensen bijeen in Kisangani, een andere grote Congolese stad.
Dinsdag was Lubumbashi, de derde stad van Congo, aan de beurt. De stad van de wereldbekende voetbalclub TP Mazembe, het Barcelona van het Afrikaanse continent. Een voetbalclub die in handen is van Moïse Katumbi. Dezelfde Katumbi die als een succesvolle zakenman besloot om de Congolese politiek in te gaan en burgemeester van Lubumbashi te worden. Hij heeft twee termijnen gediend, trouw aan Kabila. Maar toen hij zijn ambitie voor het presidentschap kenbaar maakte, werd hij nationale vijand nummer één. De Congolese justitie zit hem achterna, omdat hij huurlingen zou hebben gebruikt en publieke gelden zou hebben verduisterd. Katumbi woont nu al meer dan twee jaar in ballingschap in Europa. Maar hij is nog steeds razend populair in Lubumbashi, waar hij als messias wordt gezien.
Nu heeft Katumbi vanuit ballingschap samen met andere Congolese oppositieleden zich achter Martin Fayulu geschaard als hun unieke oppositiekandidaat. Het regime van Kabila verkeert daardoor in totale nervositeit. Zo nerveus dat het zelfs bereid is om op de eigen burgers te schieten, simpelweg omdat ze de oppositiekandidaat toejuichen. En dat voor het toeziend oog van de wereld. Of wacht, de wereld keek deze week helemaal niet naar Congo, maar naar Oslo. Want daar kreeg een andere Congolese man, dr. Denis Mukwege, de Nobelprijs voor de Vrede toegereikt. De ironie – Mukwege bracht zijn Nobelprijs voor de Vrede terug naar een land waar vrede vooral in boeken bestaat.
Onze site gebruikt cookies en vergelijkbare technologieën onder andere om u een optimale gebruikerservaring te bieden. Ook kunnen we hierdoor het gedrag van bezoekers vastleggen en analyseren en daardoor onze website verbeteren.
Deze website gebruikt cookies om uw gebruikservaring op deze website te verbeteren. Van deze cookies worden cookies aangemerkt als "Noodzakelijk" in uw browser bewaard, deze cookies zijn essentieel voor het functioneren van de website. Bijvoorbeeld het opslaan van uw keuze of u wel of geen cookies wilt hebben. Wij maken ook gebruik van cookies van derde partijen die ons helpen met het analyseren en begrijpen van de gebruik van deze website door u. Deze cookies worden alleen gebruikt als u daar toestemming toe geeft. U heeft ook de mogelijkheid om uzelf uit te sluiten voor deze cookies. Dit zal echter effect hebben op uw gebruikerservaring.
Noodzakelijke cookies zijn absoluut nodig voor het functioneren van de website. De cookies in deze categorie zorgen alleen voor de veiligheid en het functioneren van deze website . Deze cookies bewaren geen persoonlijke gegevens
Deze cookies zijn niet strict noodzakelijk, maar ze helpen de Kanttekening een beter beeld te krijgen van de gebruikers die langskomen en ons aan te passen aan de behoeftes van onze lezers. Hiervoor gebruiken wij tracking cookies. Bij het embedden van elementen vanuit andere websites zullen er door deze sites ook cookies worden gebruikt.