Home Blog Pagina 987

‘Ik stop veel passie in mijn producten’

0
‘Mijn ouders, zussen en broertjes verkochten dingen op straat om aan geld te komen.’

Als negenjarig jongetje kwam Omar Munie (32) naar Nederland. Samen met zijn familie vluchtte hij uit Somalië voor de oorlog. Nu ruim drieëntwintig jaar later is Omar uitgegroeid tot een bekende tassenontwerper. Naast designtassen, die in binnen- en buitenland verkocht worden, heeft Omar ook de Dream Factory-lijn met speciale en duurzame tassen. Zo maakte hij in 2013 een designtas van gerecyclede KLM-uniformen, waarvoor hij een oeuvreprijs won. Wij spraken de ontwerper over zijn tassen en zijn toekomstdromen.

Voor iedereen die jou nog niet kent, kan je uitleggen wie je bent en wat je doet?
‘Ik ben een ontwerper en houd me bezig met het maken van tassen. Tijdens mijn opleiding aan de modevakschool in 2006 richtte ik mijn eigen tassenlabel Omar Munie op. In 2010 kreeg ik een winkel aan de Coolsingel in Rotterdam, maar sinds kort zijn we verhuisd naar Noordeinde in Den Haag. Naast een collectielijn, hebben we ook een Dream Factory-lijn waarbij we verantwoord en duurzaam bezig zijn. Maatschappelijk betrokken zijn en diversiteit vind ik belangrijk. Uit dat idee is ook het Omarm-bandje ontstaan. Deze armbandjes zijn gemaakt van reddingvesten die vluchtelingen gedragen hebben tijdens hun vluchtroute naar Lesbos. Inmiddels hebben we al meer dan tienduizend armbandjes verkocht en gaat een deel van de opbrengst naar een goed doel.’

Hoe is het begonnen?
‘Het is allemaal aan de keukentafel begonnen. Ik ben altijd al wel creatief geweest, alleen zag ik niet dat ik er talent voor had. In die tijd was ontwerper Otazu, bekend van de sieraden, erg populair. Daar raakte ik door geïnspireerd. Ik maakte een tas van een mooie Italiaanse stof, gecombineerd met Swarovski stenen. Toen ik met die tas op school aankwam, wilden drie dames het meteen kopen. Het model dat ik had gemaakt kon niet sluiten en had geen goede hengsels, dus die kon ik niet verkopen. Toen heb ik drie nieuwe tassen gemaakt en verkocht voor 35 euro per stuk. Door de tassen kreeg ik veel aandacht. Dat was fijn, want dat miste ik thuis. Ik vond het belangrijk om te laten zien wat ik kon. Mijn moeder was er niet zo voorstander van dat ik tassen maakte. Zij had liever gezien dat ik accountant was geworden, maar ik wilde met mijn passie verder.’

Hoe ging het daarna?
‘Daarna was het keihard bikkelen. Ik ging met mijn tassen langs winkels in de hoop ze daar te verkopen, maar ik werd bij elke winkel afgewezen. Daar ging ik wel stuk om. Ik was bang dat ik het nooit zou gaan maken. Totdat een klasgenootje mij benaderde. Zij liep stage bij een tijdschrift en ik mocht langskomen voor een interview. Met het tijdschrift en mijn tassen ging ik vervolgens weer langs winkels in de hoop dat ze nu wel mijn tassen wilden kopen. Het was meteen raak; één winkel kocht zeven exemplaren op. Dat was een moment om nooit meer te vergeten! Daarna bouwde ik het langzaam op. Ik ben een betrokken ondernemer en won daarvoor meerdere prijzen. Daar kreeg ik bekendheid mee. De klapper kwam in 2013. Toen mocht ik voor HTM (tram en -busmaatschappij, red.) drieduizend tassen maken. Voor het ontwerp combineerde ik oude stropdassen met leer. Ik weet nog dat we daar lang mee bezig waren, want alle tassen zijn met de hand gemaakt.’

Waar haal jij je inspiratie uit?
‘Het nieuws inspireert mij. Ik vind het mooi om dingen te maken met een verhaal. Zo is de Dream Factory eigenlijk ontstaan. Een aantal jaar geleden was de werkloosheid enorm hoog in Nederland. Het leek mij gaaf om een atelier te openen waar langdurige werklozen konden meehelpen aan de productie. Om ze dingen te leren, stappen te laten maken en ze aan een baan te helpen. In onze nieuwe locatie in Den Haag wil ik elke maand een ruimte beschikbaar stellen voor een stichting, waar ze kosteloos iets kunnen organiseren. Ik vind het belangrijk om me voor dit soort dingen in te zetten. Mensen in onze samenleving groeien uit elkaar. Als we veel meer open staan naar elkaar, dan kunnen we er veel meer uit halen.’

Als negenjarig jongetje vluchtte je uit Somalië naar Nederland. Hoe is dat gegaan?
‘We hebben nooit veel gehad in Somalië, maar we waren wel een heel normaal gezin. Mijn ouders, zussen en broertjes verkochten dingen op straat om aan geld te komen. De oorlog was heftig. Er lagen overal kogels en je kon nergens meer veilig lopen. Mijn oom is in Somalië vermoord. Mijn moeder wilde een betere toekomst voor ons. Daarom hebben we al het geld bij elkaar gelegd om naar Europa te vluchten. Ik was ongeveer zeven jaar toen we uit Somalië vertrokken. De hele vlucht heeft ruim twee jaar geduurd. Lopend, met de boot, met de bus. Uiteindelijk kwamen we in Tanzania aan. Daar heeft onze moeder mij en mijn zus op het vliegtuig gezet. Zij had geen geld om mee te gaan. Dat vond ik heel dapper van haar. Het duurde vier jaar voordat ik haar weer zag. Ik weet nog dat ik het heel bijzonder vond om over Schiphol te vliegen. Al die lichtjes waren zo ontzettend mooi. We kwamen zoekend, wanhopig en bang aan, maar het COA heeft ons goed opgevangen. De jaren daarna zaten we in verschillende azc’s, totdat we in Zierikzee eindelijk ons eerste woonhuis kregen. Daar hebben we drie jaar gewoond. Daarna zijn we naar Leidschendam verhuisd.’

Waar staan jouw tassen om bekend?
‘Ik stop veel passie in mijn producten. Mijn tassen zijn het allerbelangrijkste. Ze zijn met de hand gemaakt, vanuit eenvoud bedacht en heel clean. Ze zijn verantwoord en praktisch draagbaar. Een kenmerk is de kleurrijke voering. De prijs voor een tas begint bij ongeveer tweehonderd euro en kan oplopen tot twaalfhonderd euro. Daardoor kunnen veel verschillende mensen mijn tas kopen.’

Waar ben je trots op?
‘Ik ben trots op de KLM-tas. Van de oude uniforms hebben we nieuw materiaal gemaakt en daar zijn de tassen van gemaakt. De baas van KLM heeft een exemplaar naar Koningin Maxima gestuurd. Ik kreeg een brief van haar waarin ze ons bedankte en een voorbeeld van een onderneming noemde. Dat was heel bijzonder. Natuurlijk mag ik mijn allereerste tas ook niet vergeten. Die heb ik nog steeds. Die tas heeft mijn hele leven veranderd.’

Je zet je erg in voor diversiteit. Hoe vind je dat het daarmee staat in Nederland?
‘Ik denk dat dit nog beter kan, zeker in organisaties. Je ziet dat veel mensen zich buitengesloten voelen en denken dat je door je achternaam minder kans maakt. Daardoor kan je je onzeker gaan voelen. Nederland is een open land, maar er zullen helaas altijd mensen zijn die je proberen neer te halen.’

Over neerhalen gesproken; de laatste tijd ben je negatief in het nieuws gekomen over je nieuwe locatie aan Noordeinde in Den Haag. Zo zou je medische informatie achtergehouden hebben voor de bank en zou het pand je voor een te lage prijs zijn gegund. Kan je daar wat over zeggen?
‘Het is erg vervelend wat er nu gebeurt. Ik heb hier veertien jaar naar toegewerkt en deze locatie is een fantastische kans, maar een anonieme brievenschrijver probeert dat succes te verstoren. Er is eigenlijk ook helemaal niks aan de hand. We zitten al een tijdje anti-kraak in het gebouw omdat de puntjes op de i moeten worden gezet. Ik heb op papier staan dat ik het gebouw mag kopen, alleen moet ik zorgen dat het geld er komt. Dat is gewoon zaken doen. Ik heb goede partners die meedenken, dus het ziet er allemaal prima uit. Het is alleen pijnlijk om brieven binnen te krijgen over mijn achtergrond en de nierziekte die ik heb gehad. Ik maak me zo hard om mensen bij elkaar te brengen en om een voorbeeld te geven over hoe we elkaar moeten omarmen. Dit is de omgekeerde wereld. Ondanks alles wil ik positief blijven en deze situatie een plekje geven.’

Wat staat er de komende tijd op de planning?
‘Momenteel ben ik bezig met een lijn voor Leger des Heils. Die maken we van oud vrachtwagenzeil. Als je zo’n tas koopt dan geef je een donatie aan Leger des Heils. Daarnaast komt in februari mijn nieuwe collectie met tassen uit.’

Wat hoop je in de toekomst nog te bereiken?
‘Ik roep nooit te hard vooruit. Ik heb dromen en ben daar altijd mee bezig, maar aan de andere kant ben ik ook gelukkig en laat ik alles op me af komen. Ik hoop wel dat ik duurzame producten kan blijven maken en hierdoor mensen met elkaar kan blijven verbinden.’

Vietnam verstevigt grip op vrije meningsuiting

0
De Vietnamese regering pakt tegenstanders keihard aan. Vooral de online vrijheid van meningsuiting staat de laatste jaren onder druk. Onze correspondent Tieme Hermans doet verslag vanuit Vietnam.

Grote internetbedrijven zoals Facebook, Google en Twitter hebben hun zorgen geuit over een nieuwe wet van de Vietnamese regering die de online vrijheid van meningsuiting sterk gaat beperken. De wet beschrijft in vage termen dat internetgebruikers vanaf heden geen bijeenkomsten meer mogen organiseren die ingaan tegen overheidsbelang. Ook mag er geen online content meer geplaatst worden die, zoals de Communistische Partij het weet te verwoorden, ingaat tegen de revolutionaire verdiensten van het land of die de, door Hanoi voorgekauwde, geschiedenis verdraait. Ook wil de regering dat vanaf januari 2019 alle data van de bovengenoemde internetbedrijven op Vietnamese bodem worden opgeslagen om zo sneller controle en censuur uit te oefenen op digitaal verkeer.

Vietnamese bloggers en activisten vrezen dat de nieuwe wet ervoor gaat zorgen dat de autoriteiten straks onbegrensd toegang hebben tot hun Facebook-account en persoonsgegevens en dat hun al beperkte vrijheid van meningsuiting nog verder aangetast gaat worden.

Hoewel onder meer internationale nieuwswebsites zoals bbc.com, de website van Human Rights Watch en blogs over gevoelige thema’s al jaren lang geblokkeerd zijn in communistisch Vietnam, reageert de Vietnamese overheid traag op de digitale revolutie. Ondanks dat Facebook en blogs zijn uitgegroeid tot de voornaamste kanalen van nieuwsvoorziening voor meer dan dertig miljoen Vietnamezen, zag de regering van de éénpartijstaat de potentie en het gevaar van sociale media pas echt in 2014 in. Anti-Chinese sentimenten rond een zeggenschapsdispuut over de Spratly-eilanden in de Zuid-Chinese Zee, zorgden dat jaar voor grootschalige demonstraties, georganiseerd en verspreid via Facebook en Twitter. De nationale verontwaardiging en protesten kwamen de regering goed uit, die zich gesterkt voelde door de verenigde woede tegen de grote vijand China. Maar al snel braken er rellen uit en verloor de regering de controle over de protesterende massa. De politie trad direct hard op en veel activisten verdwenen in de gevangenis. Sindsdien heeft Hanoi zijn lesje geleerd: vrijheid van meningsuiting betekent verlies van controle en moet voorkomen worden.

Twee jaar later, in 2016, loosde staalfabriek Formosa een grote hoeveelheid chemisch afvalwater aan de kust van Centraal-Vietnam, wat zorgde voor een van de grootste milieurampen uit de Vietnamese geschiedenis. Ten minste honderdvijftien ton vergiftigde vis spoelde dood aan op het strand, zeker vierhonderdvijftig hectare koraal werd aangetast en meer dan veertigduizend vissers raakten hun bron van inkomsten kwijt doordat rond de tweehonderd kilometer aan kustlijn vergiftigd raakte. Aanvankelijk ontkende de regering dat het incident überhaupt had plaatsgevonden en bleef het doodstil in de gecontroleerde nationale pers. Terwijl Hanoi de berichten bleef negeren, verspreidde het nieuws over de ramp zich razendsnel via sociale media. Dat zorgde voor protesten van het formaat dat de Communistische Partij nog niet eerder had gezien. Duizenden mensen gingen woedend de straat op, maar dit keer was de regering voorbereid. Voordat nieuws over de protesten zich kon verspreiden werd Facebook geblokkeerd, werden alle vormen van samenscholing verboden en werden bloggers en actievoerders gearresteerd.

Sindsdien werden steeds meer bloggers geïntimideerd of gearresteerd en zijn hun blogs geblokkeerd. Met de komst van de nieuwe wet lijkt het erop dat de Vietnamese regering dit soort protesten en anti-regering-sentimenten in de kiem wil smoren voordat ze een momentum bereiken. De Asian Internet Coalition (AIC), een groep die de grote internetbedrijven zoals Facebook, Google en Twitter vertegenwoordigt, heeft bezorgd gereageerd op het bericht dat de regering wil dat data op Vietnamees grondgebied moet worden opgeslagen. Op dit moment opereren de meeste van deze bedrijven vanuit regionale centra zoals Hongkong en Singapore. Een verhuizing van data naar Vietnam zou kostbaar zijn en gevaar opleveren voor de reputatie van de internetbedrijven. Ook Amnesty International verklaarde dat met de nieuwe wet er geen veilige plaats meer is voor de Vietnamese bevolking om zich vrij te kunnen uiten. De AIC vreest ook dat de nieuwe wet schadelijk zou kunnen zijn voor de groei van de digitale economie en het imago van Vietnam als veilig land om in te investeren. Want hoewel de Vietnamese economie nog altijd een van de snelst groeiende van Zuidoost-Azië is, weet de regering dat ze moet balanceren tussen controle en vrijheid om de markt open en flexibel te houden. Volgens de zakelijke nieuwswebsite Asean Today verliest de partij een groot deel van hun legitimiteit als de economische groei wegvalt.

In buurland China weet men ook om te gaan met politieke onrust, maar gaat daarin nog net en stapje verder. Daar wordt de pers nog strenger gecontroleerd, worden internetgebruikers gemonitord door maar liefst twee miljoen IT’ers en zijn internationale websites zoals Facebook en Google permanent geblokkeerd en vervangen door Chinese klonen zoals WeChat, Baidu, Weibo en TikTok. Ondanks dat de Vietnamese regering nog niet zulke drastische stappen heeft ondernomen, is het duidelijk dat de hoogtijdagen van de online vrijheid van meningsuiting voorlopig achter de rug zijn. Activisten en bloggers vrezen dan ook dat de Vietnamese overheid steeds meer van de extreme methodes van China zal overnemen om de controle over de media stevig in handen te houden.

Vietnamese bloggers stuurden in april een open brief aan Facebook-oprichter Mark Zuckerberg, meldt The Financial Times. Daarin beschuldigden ze het sociale media platform ervan samen te werken met de communistische autoriteiten om content te censureren en accounts te verwijderen. Als reactie gaf Facebook prioriteit te geven aan het beschermen van de gebruikersrechten, maar dat ze zich tegelijkertijd moet houden aan de wet van het land, waardoor concessies gedaan moeten worden.

Dat de vrijheid van meningsuiting überhaupt op het niveau is gekomen waar het een paar jaar geleden was, is volgens IT’er Toan (36) uit Ho Chi Minh-stad puur te danken aan de traagheid en de onkunde van de oude garde in Hanoi om iets te doen aan het snelle verspreiden van de digitale revolutie. ‘Ze dachten misschien dat er in tijden van economische voorspoed geen problemen zouden ontstaan, want de regering had eindelijk gezorgd voor economische groei, toch? Terwijl zij apatisch achteroverleunden, werd een groot deel van de middenklasse wakker en begon om zich heen te kijken. Maar vooral op internet, want elke andere vorm van nieuws, maar ook boeken en films worden tot op het belachelijke gecensureerd in dit land. Dat terwijl veel van ons zich nog goed kunnen herinneren hoe vrij het leven hier was voordat de communisten kwamen.’

‘Voor ons begon de ellende vanaf het moment dat Noord-Vietnam de oorlog won en het hele land in handen had’, zegt garagehouder Anh (62). Saigon, zoals de meeste zuiderlingen de stad nog altijd noemen, kreeg ineens de naam van de communistische leider Ho Chi Minh, veel huizen werden aan noordelingen gegeven en er ontstond een klimaat van angst en spionage doordat de overheid een jacht begon op iedereen die anders dacht en tegen de overheid was. ‘Je wist niet meer wie je wel en niet kon vertrouwen’, vervolgt Anh.

De in Australië wonende apotheker Tuyet (56) vertelt over deze angst die ontstond na de Val van Saigon op 30 april 1975. ‘Niemand durfde een woord uit te brengen toen de tanks van de Noord-Vietnamezen de stad binnen kwamen rijden. Je zag de verbazing ook op hun gezichten, want ze hadden verwacht dat ze met iets meer enthousiasme onthaald zouden worden. We gingen snel terug naar binnen en vanaf dat moment begon de hele Zuid-Vietnamese bevolking te fluisteren. Niemand durfde nog samen te komen in het openbaar, men sprak op zachte toon achter gesloten deuren en vertrouwde alleen een kleine cirkel van vrienden en familie. We kozen onze woorden met zorg als we met vreemden praatten, want elk misverstand zou vreselijke gevolgen kunnen hebben.’ Tuyet (56) en haar familie kwamen er goed vanaf en ontsnapten aan de vervolging en armoede per boot. Via Maleisië belandden zij uiteindelijk in Australië en keerden sindsdien nooit meer terug naar hun land van herkomst.

De eerste vijftien jaar na de Val van Saigon worden de donkere jaren genoemd. Vietnam raakte geïsoleerd van de buitenwereld en werd een van de armste landen ter wereld. Het militair leiderschap uit de oorlogstijd transformeerde zich in vredestijd naar een regime van totalitaire controle. Mede door internationale embargo’s en de enorme verwoesting van de oorlog, maar ook door het halsoverkop en onkundig invoeren van communistische paradepaardjes als gecollectiviseerde boerderijen en staatsbedrijven, brak er in grote delen van het land hongersnood uit. Meer dan vierhonderdduizend Zuid-Vietnamezen werden naar communistische heropvoedingskampen gestuurd, zogenaamde ‘klassevijanden’ werden vervolgd en veel mensen die een gevaar vormden voor de nieuwe regering werden gedwongen verplaatst naar afgelegen berggebieden. Om de controle strak in handen te houden, werd er op lokaal niveau hard gewerkt aan propaganda, mobilisatie voor communistische parades en vond er veel spionage en verraad plaats in een klimaat van angst. In The New York Times vertelt een vrouw, die een klein restaurantje runde in haar achtertuin, dat de politie al haar potten en pannen in beslag nam. ‘De overheid zei dat het zonde is van het goede vlees om een kapitalistisch restaurant te runnen’. De vrouw verklaart dat ze alleen maar aan bekenden serveerde, maar dat ze toch verraden werd door jaloerse buren.

Begin jaren tachtig begon de overheid, geïnspireerd door de Russische perestrojka, het economische hervormingsprogramma doi moi in te voeren en aan het eind van het decennium voerde Vietnam officieel een ‘vrijemarkteconomie met socialistische richtlijnen’ in. Vanaf toen ging de verandering razendsnel. Hoewel in 1992 bijna zestig procent van de bevolking nog altijd onder de armoedegrens leefde, werden banden aangehaald met het Westen, kwam buitenlandse hulp op gang en begon de economie te groeien met meer dan acht procent per jaar. Het starten van zelfstandige ondernemingen werd weer aangemoedigd. Ondanks dat vanaf dit moment de welvaart en de vrijheden voor de Vietnamese bevolking toenamen, begonnen ook corruptie en ongelijkheid grotere vormen aan te nemen. In een interview met de Britse kant The Guardian geeft de Vietnamese journalist Nguyen Cong Khe (64) aan dat er tussen de vijftig en zeventig procent van al het overheidsgeld verdwijnt in de zakken van corrupte ambtenaren. In hetzelfde interview geeft Khe aan dat sinds het aanhalen van de banden met het westen veel socialistische waarden overboord zijn gegooid ten behoeve van economische groei. Volgens Khe is Vietnam, ruim dertig jaar na de militaire overwinning van de communisten, volledig geïntegreerd in de kapitalistische wereldeconomie en heeft het westen de oorlog alsnog gewonnen.

Volgens Britse journalist Calvin Godfrey zit het land nu opgescheept met het slechtste van twee systemen; het autoritaire van het communisme en de onbelemmerde ideologie van het kapitalisme waarin, in zijn woorden ‘de mensen worden bestolen van hun geld en rechten terwijl een kleine elite de zakken vult en zich verschuilt achter revolutionaire retoriek’. ‘Vietnam was de overwinnaar in de oorlog, maar werd verslagen in vredestijd en de socialistische woorden van de regering zijn slechts lege propaganda.’

‘Geschiedenisles op school was altijd mijn dagdroomuurtje’, vertelt marketingmedewerker Phuong Anh (33). ‘We moesten marcheren op communistische legermuziek en, ondanks dat ik niet wist waarom, voelde ik dat het verhaal dat de leraar vertelde niet klopte. De meeste van mijn leeftijdsgenoten zijn hierdoor totaal apatisch als het gaat om politiek en kennis over wat zich in het buitenland afspeelt. Ze willen het niet eens echt weten.’

Phuong Anh geeft ook aan dat voor veel Vietnamezen de problemen rond de vrijheid van meningsuiting hen doorgaans niet raken in het dagelijks leven. ‘De meeste mensen zijn vooral hard bezig met geld verdienen om een betere toekomst te kunnen bieden aan hun kinderen. De problemen zijn vaak complex. Zolang je de overheid niet beledigt kan je in principe zeggen wat je wil. Daarom gaan de meesten door zonder over politiek te praten, dat is niets nieuws voor ons.’ Toch vult haar vriendin Lua (36) aan dat het kookpunt sneller bereikt is. Zeker wanneer de onrechtvaardigheid en willekeur van de arrestaties normale en onschuldige mensen raken. ‘Als alleen de jonge heethoofden worden opgepakt, kunnen we dat nog begrijpen, maar we zien steeds meer dat heel oprechte, jonge mensen die van hun land houden, opgepakt en mishandeld worden omdat ze de waarheid spreken. Soms kan er dan iets knappen. Volgens mij speelt de overheid gevaarlijk spel.’

De willekeur waar Lua over spreekt is de afgelopen jaren meer aan de oppervlakte gekomen in geruchtmakende rechtszaken tegen bloggers die gevangenisstraffen tot wel twintig jaar opgelegd kregen. Deze bloggers worden vaak bestempeld als criminelen die erop uit zijn het systeem omver te werpen, de nationale eenheid te ondermijnen en propaganda tegen de staat te verspreiden. Andere online activisten zijn zonder proces vastgezet of worden op straat in elkaar geslagen en bedreigd door agenten in burger.

Toch lijken activisten zich meer te verenigen dan in het verleden. Waar protesten zich eerder richten op losstaande problemen groeit de nationale onvrede vooral over de onkunde van de overheid in het bestrijden van milieuproblemen. Zo zijn veel vissersfamilies van de Formosa-milieuramp nog altijd niet gecompenseerd, overstromen jaarlijks grote delen van Ho Chi Minh-stad in het regenseizoen en neemt de vervuiling van de hoofdstad Hanoi zulke erge proporties aan dat vissen dood aanspoelen aan de oever van het centrale meer. Daarbij kampen veel gebieden met illegale houtkap, fabrieken die zonder veel controle chemisch afval dumpen in de natuur en worden boeren zonder voldoende compensatie van hun land verdreven ten gunste van bouwprojecten van vriendjes van de regering. Vietnamezen zijn trots op hun land en natuur en zijn sneller geneigd zich te verenigen ter verdediging van hun land. Zoals literatuurstudent Phat (21) het verwoordt: ‘Ze kunnen ons keer op keer neerslaan, maar van onze mooie natuur, bezongen door al onze grote dichters en schrijvers, blijven ze af.’

Volgens het Britse magazine The Economist loopt de Communistische Partij, in een cultuur van opkomend activisme, het risico zijn morele autoriteit te verliezen die hen in het zadel houdt. Maar de vraag die vele activisten zich stellen is welke richting Vietnam op zal gaan in een staat van groeiende overheidsparanoia. De autoriteiten weten dat ze de balans moeten bewaren tussen economische groei om de massa tevreden te houden en het handhaven van controle om aan de macht te blijven en het verzet in de kiem te smoren. In deze spagaat tussen angst en hoop op aanhoudende economische groei is de kans klein dat de Communistische Partij sociale media zoals Facebook volledig gaat blokkeren, maar de toekomst van de vrije mening zal voorlopig fragiel en onzeker blijven.

Hoe multicultureel zijn we werkelijk?

1

Het is dit jaar achttien jaar geleden dat de Tweede Kamer debatteerde naar aanleiding van het essay Het multiculturele drama van Paul Scheffer. Destijds werden de ideologische loopgraven aan behoorlijk betrokken en was het inhoudelijke debat op basis van onderzoek en feiten soms ver te zoeken. Terugkijkend zouden we het essay van Scheffer en het debat dat hij daarmee ontlokte ook wel kunnen kenmerken als het begin van het lange debat dat we aan het voeren zijn over de ‘multiculturele samenleving’.

Er lijkt nog weinig te zijn veranderd wanneer we naar het recente debat rondom de uitspraken van minister Stef Blok over de multiculturele samenleving kijken. Toegegeven, Blok is geen Scheffer, en zijn uitspraken ontberen de feitelijkheid en nuance die Scheffer wel had. Toch zou dat niet voldoende reden mogen zijn om Blok alleen maar aan te vallen vanuit een moreel hoogdravend discours, zoals we recentelijk bij het debat waar mochten nemen, waar vooral heel veel emotie werd getoond, maar weinig feiten werden besproken. Want ondanks dat het feitelijke onzin is om te stellen dat er geen vreedzame multiculturele samenleving bestaat en Suriname geen failed state is, kunnen we toch wel degelijk stellen dat de zaken in dat laatste land nou niet zo heel lekker lopen en kunnen we gezien het verloop van het debat van de afgelopen achttien jaar ook niet ontkennen dat migratie en diversiteit in onze eigen samenleving leiden tot de nodige spanningen.

Voor wie met het voorbeeld wil komen dat bij uitstek Nederland het voorbeeld is van een geslaagde multiculturele samenleving, daar kunnen we onze vraagtekens bij zetten. Niet omdat Nederland geen geslaagde samenleving te noemen valt, want dat is het wel degelijk, maar omdat we ons af kunnen vragen in hoeverre Nederland wel daadwerkelijk een multiculturele samenleving is. In hoeverre zijn we multicultureel? Ja, we zijn een diverse samenleving, maar daar zou eerder de term ‘multi-etnische samenleving’ bij passen. Veel verschillende culturen leven hier samen, maar het is vooral een deel van de wijken in de grote steden waar deze multiculturaliteit zich concentreert. De dominante cultuur in de samenleving, die van de instituties, de politiek, de media, het onderwijs, de culturele sector en het bedrijfsleven is de Nederlandse cultuur. De autochtoon-Nederlandse cultuur welteverstaan. Niet heel gek dat we tegenwoordig zo’n sterke roep om meer diversiteit zien. Veel van de bovengenoemde instituties zijn nog steeds dominant monocultureel. De multiculturele invloed op Nederland is tot op heden vooral terug te vinden in de gastronomie.

Maar terug naar het debat over Blok en zijn uitspraken. Van onze politici die leven in een samenleving die inmiddels achttien jaar debat over de multi-etnische samenleving verder is, hadden we meer mogen verwachten. Het leek er een beetje op alsof we weer terug bij af waren en in achttien jaar tijd weinig verder waren gekomen. De reactie van de politiek op het met feiten onderbouwde relaas van Scheffer was er één die vrij was van alle inhoud en gedomineerd werd door emotie. Niet de vraag of er sprake was van een multicultureel drama stond daarbij centraal, maar er moest vooral bevestigd worden dat de multiculturele samenleving iets goeds was. Van die lijn afwijken, zoals Scheffer deed, was fout.

Fastforward naar de affaire Blok. Zijn statements waren in tegenstelling tot Scheffer juist weinig feitelijk en inhoudelijk. Toch waren ook de reacties daarop vanuit de politiek opnieuw vooral emotioneel geladen. Opnieuw diende de multiculturele samenleving als iets goeds gezien te worden en mocht de minister nooit meer zoiets kwetsends zeggen, in plaats van dat er duidelijk werd gemaakt waarom hij het nou eigenlijk feitelijk bij het verkeerde eind had.

Klaarblijkelijk hebben we als samenleving na bijna twintig jaar debat over de multi-etnische samenleving nog steeds niet geleerd om er echt daadwerkelijk goed, op basis van inhoud, feiten en onderzoek, over te debatteren in plaats van op basis van emotie en oneliners. Dat zou op zijn minst een zorgwekkende constatering moeten zijn. En het roept de vraag op: wat zou er nodig zijn om het op dit vlak beter te doen?

Zwichten voor geweld

0

En toen was het plots weer stil. Dat is eigenlijk het onvermijdelijke standaardeinde van bijna elke rel die Geert Wilders veroorzaakt: er is in de aanloop naar de eigenlijke gebeurtenis een hele hoop opwinding, die in dit geval als het tegendeel van ‘voorpret’ zou kunnen worden betiteld, en vervolgens dooft de zaak als een nachtkaars uit.

Iedereen zet zich schrap voor wat er komen gaat, en uiteindelijk gebeurt er niets, of valt het concrete product van Wilders’ provocatieve geest qua ‘knaleffect’ toch een beetje tegen. Dat zagen we indertijd al bij de film Fitna die, gemeten aan wat Wilders eerder beloofd had, tamelijk braaf bleek. Of hij echt van plan was om voor de camera een Koran te verbranden en daarvan uiteindelijk slechts onder druk van de regering heeft afgezien, dan wel dat alleen maar had aangekondigd om wat extra aandacht te trekken, zullen we nooit weten.

Dat geldt ook voor het idee van die Mohammed-cartoonwedstrijd dat nu aan zijn brein was ontsproten en die nu op het laatst, nadat men in Pakistan was begonnen op straat de Nederlandse vlag te verbranden, en de eerste Afghaan al uit Duitsland naar Amsterdam was getogen om met een mes op Nederlanders verhaal te halen, plots werd afgelast. Die Afghaan had dat overigens niet meegekregen – als Wilders iets eerder op zijn schreden was teruggekeerd, had dat twee zwaargewonden gescheeld.

Het is op zich zeer verstandig dat Wilders, gezien de vele bedreigingen die naar aanleiding van zijn voornemen zijn geuit, en het mogelijke gevaar dat Nederlanders in islamitische landen zouden lopen, zijn actie heeft afgeblazen. In Den Haag is men ongetwijfeld zeer opgelucht en hetzelfde gaat op voor menige ambassade, waar ze intussen vast een aparte medewerker in dienst hebben om uit te leggen dat wat Nederlandse politici uitkramen vooral niet de Nederlandse staat aangerekend moet worden. Voor de laatste actie van Wilders moest men al alle zeilen bijzetten voor het repareren van de schade aangericht door Stef Blok. Dat die gewoon mag blijven zitten valt op grond van ons staatkundige systeem overigens minder goed uit te leggen dan in het geval van Wilders.

Maar de kous is daarmee niet af. Want hoe verstandig het ook is dat Wilders zijn cartoonwedstrijd heeft afgelast, zonder nadelig neveneffect is dat niet. Wilders is voor geweld gezwicht. De Pakistaanse extremisten die met hevig geweld dreigden – sommigen tot de atoombom toe – indien de wedstrijd zou doorgaan, weten nu dus dat geweld loont. Nederland is voor dat dreigement opzij gegaan – zo zullen in elk geval zij dat zien. Dat betekent: zij zullen niet schromen daarmee opnieuw te dreigen, als er in het Westen weer iets op stapel staat, dat hen niet zint. En dat is vrij snel het geval. Hoe smakeloos men Wilders’ initiatief ook mag vinden, daarmee staat wel de vrijheid van meningsuiting onder druk.

Het is met aangekondigde provocaties net als met ultimata: wie A zegt moet ook B durven zeggen, omdat hij anders als verliezer te boek zal staan. Wie niet bereid is om, bij het niet-vervullen van een ultimatum, de maatregelen uit te voeren waarmee hij dreigt, zal, als de tegenstander door dat dreigement niet geïntimideerd blijkt, bij een volgend ultimatum niet meer worden gevreesd. Dat was het geval met de rode lijn van Barack Obama tegenover Bashar al-Assad, indien hij waagde gifgas in te zetten. Assad deed dat toch en een stevig Amerikaans antwoord bleef uit. Heel begrijpelijk, gezien de mogelijke consequenties dáárvan, maar sindsdien staat Washington in Damascus wel als tandeloos te boek.

Ultimata die men zelf niet durft uit te voeren, kan men beter niet eens stellen: zo blijft in het midden of men iets wel of niet accepteert. Hetzelfde geldt ook voor aangekondigde provocaties, waarvan men omwille van de gevolgen toch maar afziet. Zo was zonder aangekondigde en vervolgens afgelaste cartoonwedstrijd in het midden gebleven of wij ons inzake de grenzen van de meningsuiting door anderen de wet laten voorschrijven en wijken voor geweld. Nu weet men elders het antwoord: ja.

Dát men in Pakistan überhaupt zulke dreigementen kon uiten, is te danken aan de technologische vooruitgang als product van diezelfde westerse cultuur waaraan men in streng-islamitische kring zo’n hekel heeft. Wij worden nu met de keerzijde van onze eigen communicatierevolutie geconfronteerd. Die maakt het in het Westen veel makkelijker om wereldwijd van ontwikkelingen elders op de hoogte te zijn, maar het omgekeerde geldt natuurlijk ook.

Twee eeuwen geleden, voor de uitvinding van trein en telegraaf, toen het paard nog het snelste vervoermiddel (en dus ook communicatiemiddel) vormde, duurde het weken voor een nieuwtje uit de Arabische wereld Amsterdam bereikte. Bovendien altijd zonder beeld en geluid, dus de impact op het gemoed was minder groot. Er zijn in Nederland zelden beledigendere godsdienstige prenten gepubliceerd dan in de zestiende eeuw door calvinisten van de paus – alleen kreeg die deze vermoedelijk nooit onder ogen, en zo ja, dan bestonden er voor een pauselijke strafexpeditie meer praktische hindernissen dan voor een hedendaagse zelfmoordterrorist.

‘Kijk eerst naar jezelf voordat je de ander veroordeelt’

0
‘In de islam is het belangrijk dat je rekenschap geeft van je eigen daden’, zegt Kamel Essabane. ‘Kijk eerst naar jezelf voordat je de ander veroordeelt. Die gedachte zit ook in het christendom: de splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigen oog.’

‘Tweede en derde generatie moslims zijn steeds hoger opgeleid en nieuwsgieriger naar hun roots. Islamitische filosofie is de verzamelnaam voor het denken uit het islamitische cultuurgebied’, vertelt filosoof en religiewetenschapper Kamel Essabane (1977), docent aan de Thomas More Hogeschool in Vlaanderen, in een interview met deze krant. ‘De bloeitijd lag tussen de negende en vijftiende eeuw. Kenmerkend is de transcendente God, die de bron is van alles. Tegelijkertijd is het pluralistisch, er zijn meerdere wegen naar de waarheid. De filosofische weg is daar net als de religieuze weg een van.’ Ook de religieuze gerichtheid van moslims wordt groter. In het SCP-rapport De religieuze beleving van moslims in Nederland van afgelopen voorjaar staat dat moslims steeds religieuzer worden. ‘Een verklaring kan zijn dat de samenleving hen afwijst. De niet-islamitische omgeving is steeds kritischer over bepaalde aspecten van hun geloof’, zegt Essabane. ‘Ze hebben het gevoel dat hun identiteit wordt aangevallen en willen zich er meer in verdiepen.’

Ik denk dat veel buitenstaanders deze toegenomen religiositeit van moslims niet zo fijn vinden. Hoe kan dat?
‘Aan de ene kant zijn we voor vrijheid en diversiteit, maar ondertussen willen we graag dat we allemaal een beetje hetzelfde worden. We hebben in het Westen het idee dat we onze vrijheid hebben bevochten op de kerk en van religie zullen losraken. Dat is een sterke dominante gedachte, maar hij klopt niet. Onderzoek toont aan dat de maatschappij niet perse minder religieus wordt, de religiositeit neemt alleen andere vormen aan. De westerse liberale betekenis van vrijheid is dat je je losmaakt van je religieuze en culturele traditie. Neem de filosoof Kant, hij is van grote invloed op ons denken. Bij hem staan waarden als individuele vrijheid en autonomie centraal, ‘niet de kerk maar jijzelf moet je regels maken’.’

Hoe wordt er in het islamitische denken naar vrijheid gekeken?
‘Volgens de onlangs overleden Amerikaanse antropologe Saba Mahmood kun je ook op andere manieren invulling geven aan vrijheid. Het kan ook betekenen dat je juist kiest voor traditie, omdat die regels en discipline jou helpen tot ontplooiing te komen. Die regels zijn niet bedoeld om te beknellen, maar juist om te bevrijden, maar dan op een meer religieus, spiritueel niveau. Mahmood ontdekte dat een grote groep jonge goed opgeleide vrouwen in Egypte zich van de moderniteit afkeerde. Deze vrouwen gingen opeens een hoofddoek dragen en verdiepten zich in het geloof. Tegelijkertijd verstoorden ze daarmee de bestaande orde. Ze eisten hun eigen plek op in de moskee, wat vooral een plaats voor mannen was. Mahmood concludeert dat deze vrouwen een ander vrijheidsconcept hebben. Bij hen betekent vrijheid dat je de traditie gebruikt om jezelf te ontwikkelen.’

Zijn ze feministen?
‘Ja, maar niet zoals seculiere westerse feministen. Ze willen zich ontwikkelen op religieus gebied. Dat ze daarmee ook het patriarchaat omverwerpen is een bijeffect. Je ziet dat ook bij Rabia al-Adawiyya, de soefileidster uit de achtste eeuw. Door zich spiritueel te ontwikkelen kreeg ze vrouwelijke én mannelijke volgelingen. Zij werd een autoriteit, maar dat was nooit haar doel. In de islamitische wereld heb je meerdere vormen van islamitisch feminisme. Amina Wadud die uit de Amerikaanse vrouwenbeweging komt, vindt het patriarchaat echt een probleem. Voor haar is de strijd religieus. Ze onderscheidt zich daarmee van seculiere feministen voor wie de motivatie om te strijden vrouwenrechten zijn. In Nederland zie je dat ook. Sommige moslimvrouwen willen geen theologische discussie, ze willen gewoon kunnen studeren en werken, en een gelijkwaardige relatie hebben met hun echtgenoot. Maar er zijn ook moslima’s die de feministische strijd tegen het patriarchaat iets westers vinden. Bij hen gaat het erom dat je een goed moslim bent. Maar indirect zijn zij toch ook bezig om ruimte te creëren. Ze vinden dat ze belemmerd worden in hun geloof. Ze vragen om een mooiere vrouwenruimte in de moskee en vrouwelijke moskeebestuurders.’

Maar waarom willen ze dan niet tegen het patriarchaat strijden?

‘Ze zijn vaak traditioneel, ze geloven dat vrouwen en mannen andere taken hebben. Ze vinden het geen probleem dat er een bepaalde rolverdeling is in het gezin, dat een vrouw vaker kookt en de was doet. Doorgaans vinden ze ook dat de man wat dominanter mag zijn in een relatie. Maar ze willen zich religieus gezien niet bekneld voelen. Een man mag niet bepalen hoe ze de hoofddoek dragen. Daar begint voor hen de eigen manier van spiritueel ontwikkelen. Ik denk ook dat ze bang zijn dat feminisme zal leiden tot secularisatie. Het Westen is een schrikbeeld. Ze zijn bang dat ze loskomen van hun traditie.’

Waarom is dat erg?
‘Omdat ze veel belang hechten aan hun godsdienst. Ze zijn bang dat als de structuren wegvallen het een hellend vlak wordt. Dat ze in een strijd tussen mannen en vrouwen alles zullen verliezen. Het is net als bij de Zwarte Piet-discussie. Voorstanders van Zwarte Piet zijn bang dat straks de Nederlandse cultuur niet meer bestaat. De angst van veel mensen vaner komen steeds meer religieuzen om mij heen’, die voelen zij ook. In het SCP-rapport staat ook dat steeds meer Turken zich geen moslim meer noemen. Dat kan ook bedreigend zijn. Mensen die publiekelijk afstand nemen van de islam krijgen vaak een podium in de media. Dat versterkt het gevoel dat leeft: ‘zij’ willen dat wij afstand nemen van de islam. En dat klopt ook, er is een dominante stroming in onze samenleving die dat wil.’

Mooi aan de islam, vind ik, de nadruk op introspectie. Elke avond hoor je na te denken over je daden van die dag.
‘Klopt. In de islam is het belangrijk dat je rekenschap geeft van je daden. Nia (intentie, red.) en muraqaba (reflectie, red.) zijn belangrijke begrippen. Fouten kun je herstellen door het goed te maken of door iets slechts niet meer te doen. Kijk eerst naar jezelf voordat je de ander veroordeelt. Die gedachte zit ook in het christendom: de splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigen oog (over kleine fouten van een ander vallen, terwijl de eigen grote fouten niet worden gezien, red.). Je moet op de barmhartigheid van God vertrouwen en tegelijkertijd het maximale uit jezelf halen.’

Daar kunnen we allemaal wel iets van leren toch?
‘Ja, maar bij veel moslims uit zich dat vooral in het naleven van regels. Dit mag niet, dat moet. Moslims hebben in onze samenleving veel verschillende keuzen. Ze maken voortdurend de afweging: is het wel islamitisch, is het niet islamitisch? Van mij mag het nog wel veel kritischer. Ze blijven nog erg hangen in identity politics. Zo van het vlees moet halal zijn, wat is dan halal? Nou, dan zit er een keurmerk op. In welke omstandigheden het beest geleefd heeft, die hele bio-industrie, daar letten ze te weinig op.’

Hoe komt dat?

‘Omdat ze bang zijn hun identiteit te verliezen. De kritiek van de buitenwereld op onverdoofd slachten bijvoorbeeld, voelt als een grote bedreiging. Terwijl er vanuit het oogpunt van de islam best wat te zeggen is over dierenwelzijn en hoe je slacht. Het onderwerp blijft in een te strikte opvatting hangen, van wij zijn moslims en slachten doen wij volgens deze regel.’

Ze denken niet na?

‘Nee inderdaad, ze denken onvoldoende na over de bio-industrie. Maar dat heeft met meer dingen te maken. Veel moslims zijn van het platteland van Marokko en Turkije opeens in de McDonald’s-maatschappij terechtgekomen, waar vlees massaal wordt geproduceerd. Veel moslims hebben die slag nog niet gemaakt. Ze blijven hangen in de rituelen.’

Geldt dit ook voor klimaatverandering?
‘Ja, ook. Religie behoort in onze samenleving tot de privésfeer. Veel moslims zijn daar in meegegaan. Ze zijn streng op rituelen en uiterlijkheden maar maatschappelijke zaken als klimaat, dierenwelzijn en armoede, die eigenlijk tot de kern van religie horen, zien ze niet als religieus. Moslims zouden de geloofsopvatting breder mogen trekken. De filosoof Ibn Tufayl (1105-1185, red.), afkomstig uit Andalusië, islamitisch Spanje, vond dat we niet meer van de natuur mogen nemen dan nodig is en waarschuwde voor de uitroeiing van diersoorten. Hij schreef de filosofische roman Hayy ibn Yaqzan over een jongen die opgroeit op een onbewoond eiland, vriendschap sluit met een gazelle en de natuur leert respecteren. Ibn Tufayl laat zien dat de islam ook een wereldbeeld is dat je kan inspireren. Bewust worden van zorg voor de natuur, dieren en andere zaken die ons allemaal raken. Religie is voor mij dat je vanuit de bronnen open bent naar de maatschappij. Je inzet voor de hele wereld en je niet afzondert en isoleert. De media en het Sociaal en Cultureel Planbureau nemen die afzondering waar. Dat is wat ze bedoelen met: ze worden steeds religieuzer. Ik denk dan, werden ze maar echt religieus.’

Dit artikel kwam tot stand dankzij een subsidie van de Stichting Maand van de Filosofie.

‘Iedereen die zichzelf identificeert als Nederlander is autochtoon’

2
‘Wanneer binnen een multiculturele samenleving sprake is van conflicterende waardensystemen of concurrerende rechtssystemen, denk bijvoorbeeld aan de sharia, dan is de lol er snel af als het om grote groepen gaat.’

Moet de EU haar grenzen volledig sluiten voor vluchtelingen? Zijn westerse democratieën moreel verplicht zoveel mogelijk vluchtelingen op te nemen? Is de vreedzame multiculturele samenleving een utopie? Zijn discriminatie en uitsluiting de belangrijkste oorzaken van mislukte integratie? Zulke vragen leiden geregeld tot clashes tussen mensen met verschillende wereldvisies en achtergronden, onder meer op sociale media. Over immigratie, integratie en identiteit zijn inmiddels boeken volgeschreven; het blijven dominante thema’s in het maatschappelijk debat. De Kanttekening sprak erover met een invloedrijke en in sommige kringen controversiële speler in het debat, Jan van de Beek.

Foto: YouTube. Jan van de Beek studeerde wiskunde en informatica aan de Universiteit Utrecht en culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde op onderzoek naar migratie-economie aan de Universiteit van Amsterdam (Kennis, macht en moraal: de productie van wetenschappelijke kennis over de economische effecten van migratie naar Nederland, 1960-2005).

Op welke punten moet het Nederlandse immigratiebeleid aangepast worden?
‘Nederland moet de soevereiniteit op het gebied van immigratie weer terugnemen. Nu wordt de immigratie voor een belangrijk deel gereguleerd door internationale verdragen en Europese regelingen. Dat dwingt Nederland tot vormen van immigratie die niet goed zijn voor ons land.

Neem bijvoorbeeld asielmigratie. Je ziet dat veel asielmigranten grote moeite hebben met het vinden van werk. De uitkeringsafhankelijkheid is hoog. En als mensen wel werken is het vaak laagbetaald werk in deeltijd. Vanwege onze uitgebreide verzorgingsstaat kost dat heel veel geld. Op basis van extrapolaties van een CPB-rapport uit 2003 kom ik op bedragen in de orde van grootte van een kwart miljoen euro over de levensloop voor één asielmigrant. De kosten voor volgmigranten en de kinderen komen daar nog bij. Ik ben nu bezig om dat samen met enkele andere wetenschappers opnieuw uit te rekenen, op basis van echt gedetailleerde en recente data. Dus de bedragen zullen nog wel veranderen, maar dat het veel geld kost voor de meeste groepen staat vast. Bovendien is asielmigratie ook voor de migrant zelf geen fijne vorm van immigratie. Het gaat vaak gepaard met lange procedures en de bijbehorende onzekerheid, hospitalisering in azc’s en dergelijke. Al met al geen goede start van een immigratieproces.

Ook voor bijvoorbeeld het vrije verkeer van personen binnen Europa is het gebrek aan soevereiniteit een probleem. Je kunt problemen als ongewenste verdringing richting ander werk of de sociale zekerheid in bepaalde sectoren bijvoorbeeld niet meer echt aanpakken. Andersom zie je dat sommige vormen van immigratie waar de overheid wel regie over heeft juist positief uitpakken. Neem bijvoorbeeld de komst van veel hoogopgeleide immigranten uit landen zoals India die voor bedrijven zoals ASML werken. Weinigen twijfelen dat zij met hun arbeid een bijdrage leveren aan Nederland.’

Als het zo doorgaat, hoe ziet de demografie van Nederland er dan over vijftig jaar uit?
‘Dat ligt er een beetje aan wat je verstaat onder ‘als het zo doorgaat’. Want de immigratie fluctueert nogal over de tijd. Neem de bevolkingsomvang. Als je uitgaat van de CBS-prognose, dan kom je in 2060 uit op zo’n achttien en een half miljoen inwoners. Dus zo’n anderhalf miljoen mensen meer dan nu. Die prognose is gebaseerd op een immigratiesaldo van zo’n dertigduizend mensen per jaar. Maar in 2016 en 2017 en ook dit jaar weer is het immigratiesaldo ongeveer tachtigduizend mensen per jaar. Als je dat als uitgangspunt neemt voor een prognose, dan kom je in 2060 al uit op iets van ruim eenentwintig miljoen inwoners, zo’n vier miljoen meer dan nu. Dat is dus echt een heel forse bevolkingsgroei.

Het aandeel mensen met een immigratieachtergrond gaat dus flink toenemen. Zelfs in de huidige CBS-prognoses voor 2060, die tamelijk conservatief zijn. Je hebt het dan over een stijging van ongeveer een vijfde van de bevolking nu, naar ongeveer een derde in 2060, zo’n zes en een half miljoen mensen. Dat is dan de eerste en tweede generatie. Daarnaast is er ook een derde generatie. Onder autochtonen bevindt zich nu al een aanzienlijke derde generatie van minstens een miljoen personen. Dat zijn dus ingrijpende veranderingen, zelfs in dat voorzichtige scenario van het CBS.

Wat mij dan vooral interesseert is de vraag: worden al die immigranten ook echte Nederlanders, in die zin dat zij zichzelf gaan zien als Nederlander? Van de eerste generatie is het logisch dat zij tussen twee werelden in leven. Als ik naar de VS of China emigreer, blijf ik mijzelf waarschijnlijk ook altijd als Nederlander zien. Maar voor de tweede of derde generatie hoop je toch dat ze assimileren en zich Nederlander gaan voelen. Dat zie je bij Chinezen bijvoorbeeld. Bij de eerste generatie is de identificatie met Nederland laag, iets van één op de acht en bij de tweede generatie is het al iets van de helft. Bij Surinamers en Antillianen gaat het nog wat sneller. Maar bij de tweede generatie Turken en Marokkanen is het veel lager: ongeveer één op de tien die zich echt sterk met Nederland identificeert.

Ik vind dat zorgelijk. Als de tweede generatie voor zo’n groot deel zich niet primair Nederlander voelt, dan kan het haast niet anders dan dat zij dat voor een deel aan hun kinderen doorgeven. Ik heb op basis van wat er bekend is over zelfidentificatiecijfers en gemengd huwen, proberen uit te rekenen hoeveel mensen zich aan het eind van deze eeuw met Nederland zullen identificeren. Als je zover vooruit rekent is alles natuurlijk met enorme onzekerheden omgeven, dus één getal kun je niet noemen, maar afhankelijk van de aannamen kwamen de meeste scenario’s uit in de range van drie tot zeven miljoen mensen die zich niet primair als Nederlander zien. Dat is dan in een basisscenario met gematigde immigratie. Bij hogere immigratiesaldo’s neemt die groep nog toe. De vraag is, wat betekent dat voor de sociale cohesie? En voor de liberale democratie?’

Biedt immigratie een oplossing voor het vergrijzingsprobleem van Nederland?
‘Nee, immigratie is geen oplossing voor de vergrijzing. De vergrijzing bestaat uit twee hoofdcomponenten. De eerste is het gevolg van éénmalige gebeurtenissen zoals de babyboom. Die moet je gewoon uitzitten, het gaat vanzelf over. Het belangrijkste is echter de ontgroening. De autochtone Nederlandse vrouw krijgt zeg maar 1,6 kind gemiddeld. Daardoor is elke generatie kleiner dan de voorgaande generatie en krijg je relatief veel oude mensen. Dat kun je oplossen met immigratie, maar omdat immigranten zelf ook oud worden heb je er steeds meer van nodig. Je krijgt een soort piramidespel, met extreme bevolkingsgroei tot gevolg. Het extreemste rekenvoorbeeld is gegeven door de VN voor de bevolking van Zuid-Korea. Daar zouden ze zo’n vijf miljard immigranten nodig hebben om de vergrijzing op het niveau van 1995 te houden. De totale bevolking zou in 2050 ongeveer zes miljard zijn. Met andere woorden: zo ongeveer de halve wereldbevolking zou in Zuid-Korea moeten gaan wonen. Voor Nederland kwam het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut met die methode uit op circa honderdnegen miljoen inwoners in 2100. En ik heb er zelf ook aan gerekend, met vergelijkbare uitkomsten. Dus, nee, dat is geen oplossing.

Dan is er nog de vraag: kun je door heel goed presterende immigranten toe te laten, wellicht de kosten van de vergrijzing deels opvangen? Ook daar kun je aan rekenen en daar ben ik nu ook mee bezig. Voorlopige resultaten laten zien dat je ook dan rekening moet houden met een heel forse bevolkingsgroei. Dat maakt het middel waarschijnlijk erger dan de kwaal. Veel beter is het om iets langer door te werken, meer mensen in het arbeidsproces te betrekken en te sparen voor de pensioenen, iets wat wij in Nederland al heel veel doen.’

Wat vind je van Viktor Orbáns immigratiebeleid? Te streng of een model dat ook toegepast moet worden in Nederland?
‘Ik vind dit een lastige vraag om zo algemeen te beantwoorden, want dan zou ik eigenlijk alles willen weten over Orbáns immigratiebeleid, en dat weet ik niet. Maar ik kan er wel iets over zeggen. Het uitrollen van het hek tegen de vluchtelingenstroom vind ik bijvoorbeeld heel goed. Heel weldenkend West-Europa sprak er schande van, maar Orbán deed precies wat was afgesproken, namelijk de buitengrenzen van Europa bewaken. Inmiddels zijn veel meer politici doordrongen van de noodzaak van grensbewaking. Orbán was dus een voortrekker. Dat is niet altijd een dankbare rol.’

Is zoveel mogelijk vluchtelingen opnemen een morele verplichting van westerse democratieën?
‘Dat kun je vinden, maar ik vind van niet. Dat is een veel te grote verantwoording. Wij kunnen niet impliciet middels het asielrecht in laatste instantie de mensenrechten garanderen van en paar miljard mensen in West-Azië en Afrika. Zo van: áls je kans maakt op ons grondgebied te komen, dan mag je meestal blijven, zelfs als je geen vluchteling bent volgens het VN-verdrag.

Je ziet ook dat we om die reden verzanden in hypocrisie. Europa verkeert in een morele spagaat. Aan de ene kant hebben we na de Tweede Wereldoorlog een moreel zelfbeeld ontwikkeld als een waardengemeenschap rond de mensenrechten. Het asielrecht is daar een onderdeel van. Het heeft te maken met onze christelijke cultuur waar naastenliefde een belangrijke rol in speelt. Maar ook met schuldgevoelens rond de Holocaust, slavernij en kolonialisme.

Aan de andere kant willen we niet teveel immigranten en proberen we ze op allerlei manieren tegen te houden. Vandaar ook de deals met Turkije en nu met Afrikaanse landen. Maar we willen ook dat morele zelfbeeld niet opgeven en expliciet duidelijk maken welke immigranten we wel of niet willen hebben. Want zouden we alle illegale immigranten terugbrengen naar Afrika, zonder enige kans om in Europa te mogen blijven, dan zou die illegale immigratie heel snel stoppen. Mensen zouden dan het nut er niet meer van inzien. Maar zolang het asielrecht blijft bestaan, zullen mensen het blijven proberen.

Kijk, er verdrinken nu mensen in de Middellandse Zee. Zij verdrinken omdat ze met levensgevaarlijke bootjes de oversteek nemen. Dat doen ze omdat ze niet de ferry of het vliegtuig kunnen nemen. En dat kan niet omdat wij dat onmogelijk hebben gemaakt. Want wij willen die mensen hier namelijk niet hebben. Misschien wel een paar, maar niet te veel. Dat mensen verdrinken in de Middellandse Zee en omkomen van de dorst in de Sahara is een gruwelijk symptoom van onze hypocrisie. In wezen worden de mensen die verdrinken dus opgeofferd aan het in stand houden van ons rond mensenrechten gebouwde zelfbeeld. En dat is toch wel erg wrang.’

Jij beschouwt de EU als een ‘ondemocratische failed state’. Waarom?
‘De EU is totaal ondemocratisch. Begrijp me goed, in principe heb ik niets tegen de EU. Maar het moet wel democratisch zijn en goed functioneren. Dat is niet het geval. De EU wordt geleid door ongekozen functionarissen, die als een soort mandarijnen aan de touwtjes trekken. Een heel charismatische EU-leider zou misschien een functie zoals commissievoorzitter uit kunnen bouwen tot een ambt met aanzien. Maar dergelijke leiders komen in dit systeem niet naar boven, met mensen zoals Donald Tusk en Herman van Rompuy. Om over Jean-Claude Juncker maar te zwijgen. Dus tja, welk verstandig mens heeft zin om nog meer soevereiniteit aan de EU af te staan?

De EU faalt op heel veel andere terreinen. Zo heeft de EU een one size fits none-eenheidsmunt ingevoerd die veel eurolanden in grote problemen heeft gebracht. Een munt met een grote faalkans. Zo is de EU verder uitgebreid met landen die er volgens de eigen EU-criteria nog lang niet klaar voor waren. En zo heeft de EU voor de Schengen-landen de binnengrenzen afgeschaft, maar kan nauwelijks de eigen buitengrenzen bewaken.

Eigenlijk is er maar één echte oplossing om van de EU nog een succes te kunnen maken: totale federalisering. Dus een regering op EU-niveau die op een vergelijkbare manier tot stand komt als de Nederlandse regering. Waarbij ik als Nederlander op een Spanjaard of Pool kan stemmen, omdat ik hem of haar goed vind. Maar voor verdere federalisering is vanwege het falen van de EU geen draagvlak. De democratische legitimiteit van de EU is te gering. Vandaar failed state. Want de EU heeft allerlei aspiraties van een staat, maar is mislukt op heel veel fronten. Dus er is maar één realistische oplossing en dat is de EU weer terugbrengen naar wat het eerder was, een samenwerkingsverband van vrije, soevereine staten.’

De EU heeft belangrijke voordelen. Zo verkleint het bondgenootschap de kans op oorlog tussen Europese landen en fungeert het als een machtsblok. Is het door dit soort factoren niet essentieel dat de EU blijft voortbestaan en sterker wordt?
‘Nou, op dit moment is de EU toch meer een splijtzwam tussen landen. Neem de verplichte herverdeling van asielzoekers. Eervorig jaar was ik op vakantie in Hongarije. Daar staat bij wijze van spreken bij elk gebouw van historisch belang een bordje met informatie over wanneer de Turken het verwoest hebben. En afgelopen jaar was ik op vakantie in Bulgarije. De Ottomanen hebben de bevolking daar eeuwenlang bijzonder wreed onderdrukt. Bovendien zien die landen een voortdurende uittocht van jonge mensen richting West-Europa wegens een gebrek aan perspectieven in eigen land. Het is dus volkomen logisch en invoelbaar dat veel Hongaren en Bulgaren helemaal geen zin hebben in asielmigranten en zeker niet islamitische asielmigranten. Daar hebben ze helemaal geen goede herinneringen aan. En de EU probeert dat die landen door de strot te duwen. Tja, dat is niet echt bevorderlijk voor een goede verstandhouding tussen de landen in West-Europa en Centraal-Europa. Iets soortgelijks geldt voor de euro. Dat is ook eerder een splijtzwam tussen Noord en Zuid dan dat het Europa tot een eenheid heeft gesmeed.’

Hoe verklaar jij het succes van populistische partijen in Europa?
‘Dat is evident. Veel mensen in Europa maken zich zorgen om immigratie, integratie, islam en terreur. Daarnaast zien we ook in steeds meer landen neonazistische elementen opkomen. Dat is toch een duister spook uit het verleden dat mij en vele anderen angst inboezemt. En de mainstream partijen pakken al die problemen niet goed aan volgens veel burgers. Neem de machteloosheid van regeringen als het gaat om het sturen en beperken van immigratie. Of de islamitische terreur en de zelfsegregatie van veel moslims. En als zich dan partijen aandienen die beweren dat ze wel oplossingen hebben, dan gaan veel ontevreden mensen natuurlijk stemmen op die partijen. Uit overtuiging of om een signaal af te geven.’

Geloof jij in de multiculturele samenleving?
‘Het ligt er maar aan wat je er onder verstaat. Als kind was ik gefascineerd door geïllustreerde wereldatlassen die wij thuis hadden, van volkeren en culturen van alle werelddelen. Daar kon ik echt uren in kijken. Toen ik jong was vond ik het leuk om in steden zoals Amsterdam of Rotterdam te zijn, juist omdat je daar mensen van over de hele wereld zag. Toen ik achttien was liftte ik naar Joegoslavië en was ik onder meer erg onder de indruk van het multiculturele Sarajevo. Ik ben ook als twintiger naar multiculturele festivals geweest, heb veel naar zogenaamde wereldmuziek geluisterd en culturele antropologie gestudeerd. Ik hou ook erg van eten uit alle werelddelen en heb thuis kookboeken over heel veel verschillende keukens. Puur uit nieuwsgierigheid naar de rest van de wereld ben ik ook gaan reizen. Ik ben met een terreinwagen van Nederland naar Zuid-Afrika gereden en van Rusland naar Kazachstan, ik heb gefietst in China en nog veel meer. Dus ik ben eigenlijk best xenofiel. En die aspecten van multiculturele verscheidenheid kan ik ook best waarderen.

Maar kijk, dat is natuurlijk een heel oppervlakkige opvatting van de multiculturele samenleving. Cultuur gaat over veel meer dingen. Over moraal en opvattingen, over goed en kwaad, over hoe de verhoudingen tussen ouders en kinderen, mannen en vrouwen en de groep en het individu dienen te zijn. Kortom, het gaat over waardensystemen. Wanneer binnen een multiculturele samenleving sprake is van conflicterende waardensystemen of concurrerende rechtssystemen, denk bijvoorbeeld aan de sharia, dan is de lol er snel af als het om grote groepen gaat. Want dan heb je het over wezenlijke conflicten die het samenleven bemoeilijken. Veel voorstanders van de multiculturele samenleving hebben een naïeve opvatting, waarin vooral de culturele kleurrijkheid wordt benadrukt. Maar het gaat juist om die onderliggende waardensystemen en de vraag of mensen voldoende gemeenschappelijk grond hebben om samen op een vreedzame manier de samenleving vorm te geven.’

Uitspraken van minister Stef Blok (Buitenlandse Zaken) over de multiculturele samenleving hebben geleid tot ophef. ‘Noem mij één voorbeeld van een multi-etnische of multiculturele samenleving, waar de oorspronkelijke bevolking nog woont (…) en waar een vreedzaam samenlevingsverband is. Ik ken hem niet’, zei Blok. Is de ophef terecht?
‘Deels wel. Kijk, het is zo complex. Dat je jezelf in het publieke debat niet zo stellig kunt uitdrukken. En kijk naar de wereld om je heen, er zijn genoeg landen die je multicultureel kunt noemen en waar het redelijk vreedzaam aan toe gaat. Maar andersom zijn er ook veel voorbeelden van het tegendeel. In veel Afrikaanse landen werkt democratie niet goed, mede omdat mensen zich primair met tribale verbanden identificeren en weinig met de nationale staat. Er zijn veel voorbeelden van etnisch en religieus geweld. Rwanda, Gujarat, Myanmar, noem maar op. Ook bij een economisch behoorlijk geavanceerd land zoals Maleisië zie je dat een echt multiculturele samenleving problematisch kan zijn als het gaat om democratie, rechtsgelijkheid en dergelijke. En dichter bij huis hebben we natuurlijk het voorbeeld van voormalig Joegoslavië. In veel multiculturele landen slaat zo af en toe de vlam in de pan. Dan is er geweld of burgeroorlog tussen etnische of religieuze groepen. En de kans op dat soort conflicten is in monoculturele natiestaten uiteraard kleiner. Dus daar heeft Blok natuurlijk wel de vinger op de zere plek gelegd, al had hij het zorgvuldiger moeten formuleren.’

Tweede Kamerlid (FvD) Theo Hiddema bepleit ‘integratie tussen de lakens’. Wat vind jij daarvan?
‘Spontane vermenging via het huwelijk is een heel goed middel tot integratie. Kinderen uit gemengde huwelijken met één autochtone ouder doen het vaak ook beter. En als het om sociale cohesie gaat: kijk, het is toch lastiger om een echt vijandsbeeld te hebben van een bepaalde bevolkingsgroep als je eigen kleinkinderen deels tot die groep behoren. Niet dat bekend altijd bemind maakt, maar toch, ik denk dat het helpt. Vermenging zorgt er gewoon voor dat een migrantengroep opgaat in het grotere geheel. Het lijkt mij integratie pur sang.’

Stelling: rechts is te ongeduldig als het gaat om integratie, integratie is een proces, het komt uiteindelijk wel goed.
‘Nou, dat is helemaal niet vanzelfsprekend. Als het om sociaal-culturele integratie gaat zie je bij bijvoorbeeld moslims toch een behoorlijke gerichtheid op segregatie. Dus als je integratie dan definieert in termen van ‘deel uitmaken van de mainstream society’ en het waardensysteem dat daar vigeert, dan gaat de integratie van die groep niet vanzelf goedkomen.

En als je kijkt naar sociaal-economische integratie van een groep, dan wordt die nogal sterk bepaald door opleidingsniveau. Bij de eerste generatie kan het best zijn dat mensen uit een land komen met een slecht opleidingssysteem en dus laaggeschoold zijn. Maar bij de tweede generatie zal in een land met een meritocratisch schoolsysteem zoals Nederland de potentie er grotendeels wel uitkomen. Dat zie je bijvoorbeeld bij de Chinezen. De eerste generatie was laagopgeleid. Bij de tweede generatie zit ongeveer twee derde op havo- of vwo-niveau, tegen ongeveer de helft voor autochtonen. Ze doen het dus veel beter! En dat gaat het sociaal-economisch succes op groepsniveau sterk bepalen. Dat is dus een succesverhaal. Maar er zijn ook groepen waarbij de tweede generatie een forse achterstand heeft in het onderwijs. Dan moet je rekening mee houden dat die achterstand zich ook in de derde en volgende generaties door gaat zetten. En dan komt het dus niet vanzelf goed.’

Stelling: discriminatie en uitsluiting zijn de belangrijkste oorzaken van mislukte integratie.
‘Ongetwijfeld speelt discriminatie en uitsluiting een rol. Maar het is één van de oorzaken. Voor een deel heeft het bijvoorbeeld te maken met zelfuitsluiting. Ik ben nu ongelovig, maar kom van oorsprong uit de bevindelijk gereformeerde hoek, de ‘zwarte kousen kerk’ zeg maar. Dan hebben we het over in veel opzichten gemiddeld genomen modelburgers, maar als het om normen en waarden gaat doen ze nogal sterk aan zelfuitsluiting. Ze willen niet bij de in hun ogen zondige mainstream society horen. Iets dergelijks geldt ook voor een aanzienlijk deel van de orthodoxe moslims. Zij zijn ook gericht op zelfsegregatie en dat bemoeilijkt uiteraard sociaal-culturele integratie.

Bij de sociaal-economische integratie spelen discriminatie en uitsluiting zeker ook een rol, bijvoorbeeld bij het vinden van werk en stageplaatsen. Dat is vaak genoeg aangetoond. Maar het is niet het enige. Arbeidsmarktprestaties zijn sterk afhankelijk van schoolprestaties. Daarbij speelt bijvoorbeeld ook het gedrag van ouders een rol. Neem de woordenschat die erg bepalend is voor de prestaties bij begrijpend lezen en zelfs bij rekenen of wiskunde. Vooral in Turkse gezinnen wordt vaak Turks gesproken. Verder wijst onderzoek uit dat satelliet-tv de taalverwerving bemoeilijkt. En dat belemmert de schoolprestaties van de kinderen uit die gezinnen, zonder dat er sprake is van discriminatie.’

Islamiseert Nederland? ‘Grote flauwekul’, verklaarde migratiehistoricus Leo Lucassen toen ik hem die vraag stelde in een interview. Hoe zie jij het?
‘Het aantal moslims groeit, doordat het een jonge populatie is. Er zijn daarom relatief veel geboorten en er is nog weinig sterfte. Daarnaast is er ook immigratie van moslims en een wat hoger kindertal. Dus het percentage moslims zal blijven stijgen. Bij gematigde aannamen voor immigratie van zo’n zeven procent nu naar iets van dertien procent in 2060 en daarna geleidelijk nog hoger. Bij de jeugd tot vijftien jaar oud zal in 2060 dan ongeveer één op de zes in een islamitisch gezin opgroeien. Dat alles onder de aanname dat er geen massale bekering of secularisering komt. Dat is natuurlijk met onzekerheid omgeven. Met de groei van het aandeel moslims in de bevolking zal ook hun invloed op de samenleving toenemen. Dat lijkt mij logisch. Vergelijk het met Israël, daar zijn de orthodoxe joden een kleine minderheid, maar toch hebben ze forse invloed op politiek en samenleving.’

Sommige mensen noemen jou ‘xenofoob’ en ‘racist’. Hoe reageer jij op dit soort beschuldigingen?
‘Tja, het zou beter zijn als mensen met inhoudelijke argumenten zouden komen. Over het algemeen raakt het me niet overigens. De mensen die mij echt kennen weten wel beter en daar gaat het om. Het is schelden en dat is een gebrek aan argumenten. Ik reageer meestal eigenlijk niet op de ‘schelders’, op Twitter blokkeer ik ze gewoon. Maar soms is het wel heel smerig. Neem de column Van vreemde smetten vrij maar dan in een nieuw jasje van Leo Lucassen die gepubliceerd is in de Kanttekening. Die staat vol leugens, insinuaties en halve waarheden. Neem alleen de titel al. Die suggereert een op etniciteit gebaseerde aanpak in mijn demografische modellen, terwijl ik juist zelfidentificatie met Nederland als maatstaf neem voor wie autochtoon is. Dus in die modellen is iedereen die zichzelf identificeert als Nederlander autochtoon, ongeacht religie of huidskleur. Inclusiever kan niet zou je denken! Dat heb ik overal verteld en het staat uitgebreid op mijn website. Dus hoezo ‘van vreemde smetten vrij’? Dat is een ordinaire leugen. Eén van de velen in dat stuk, overigens. Dat een hoogleraar als Lucassen zich tot een dergelijk laag lasterstukje laat verleiden. En dat hij als historicus zulk slecht bronnenonderzoek doet. Onbegrijpelijk!’

Zijn de sociale wetenschappen op de Nederlandse universiteiten onvrij of gepolitiseerd? Kunnen wetenschappers iedere onderzoeksvraag stellen zonder dat ze tegengewerkt worden? Wat is jouw ervaring?
‘Het is helaas gepolitiseerd en ook eenzijdig doordat veel onderzoekers nu eenmaal behoorlijk links zijn. Het is niet erg dat er heel progressieve mensen rondlopen op de universiteiten. Ik heb daar niets op tegen en heb met verschillende oud-collega’s nog prettig contact. Maar er zouden ook mensen met allerlei andere opvattingen moeten zijn. Als er teveel mensen met dezelfde ideeën zijn, creëert dat echt blinde vlekken en eenzijdigheid. In mijn proefschrift heb ik bijvoorbeeld laten zien dat onderzoek naar de kosten en baten van immigratie in en buiten de academies bemoeilijkt werd door een sterk normatief krachtenveld.’

‘Mensen moeten niet te snel denken dat ze niet racistisch zijn’

2
‘Natuurlijk is Zwarte Piet racisme, hij speelt immers de rol van domme knecht, waarmee hij raciale voordelen tegen zwarte mensen bevestigt. Ik ken die vooroordelen, want ik ben ermee opgegroeid.’

Op woensdagavond 22 augustus slingerde Donald Trump een explosieve tweet de wereld in. Volgens de Amerikaanse president onteigende Zuid-Afrika land van blanke boeren en werden zij op grote schaal vermoord. De Zuid-Afrikaanse regering reageerde woedend. Trump zou raciale verdeeldheid tussen blanken en zwarten aanwakkeren.  Zuid-Afrika is sinds 1994 een democratie. Voor die tijd bestond er het Apartheidsregime. Blanken, zwarten, kleurlingen en andere groepen vormden hun eigen afgesloten gemeenschappen, die zo veel mogelijk gescheiden van elkaar moesten leven. Hoewel het Apartheidsregime claimde dat deze politiek ook goed was voor de zwarte bevolking hadden de blanken de politieke en economische macht in handen. De oppositie werd met harde hand onderdrukt. Nelson Mandela, die zevenentwintig jaar in de gevangenis heeft gezeten, koos na zijn vrijlating in 1990 echter voor de weg van verzoening. Daardoor kon Zuid-Afrika in 1994 een democratie worden. Het is nu bijna vijfentwintig jaar later. Zuid-Afrika is nog steeds een democratie, maar wordt geplaagd door grote tegenstellingen. Behalve de kloof tussen blank en zwart is er ook die tussen arm en rijk. Een kleine minderheid (blank en zwart) is puissant rijk, terwijl de massa (vooral zwart) straatarm is. Een ander probleem is de corruptie. Berucht is vooral president Jacob Zuma, die op 14 februari dit jaar aftrad wegens aanhoudende corruptiebeschuldigingen. De rechtszaak tegen hem loopt nog. Zuma werd opgevolgd door Cyril Ramaphosa, op wie vele Zuid-Afrikanen nu hun hoop gevestigd hebben.

Hoe was het leven in Zuid-Afrika onder de Apartheid? Wat veranderde toen de Apartheid werd afgeschaft? En hoe kijken ze nu aan tegen racisme, in Zuid-Afrika en in Nederland? De Kanttekening vroeg dat en meer aan vier Zuid-Afrikanen in Nederland, onder wie Mpho Tutu, dochter van Nobelprijs-winnaar Desmond Tutu.

‘Het ergste was de pasjeswetgeving’
Solet Scheeres woont sinds 2003 in Nederland. ‘Mijn hart is Afrikaans’, vertelt ze. Ze voelt een diepe band met de Afrikaners, de boeren, de blanke afstammelingen van de Nederlanders die vanaf de zeventiende eeuw naar Zuid-Afrika emigreerden. Scheeres komt uit een ‘gemengd’ gezin. Haar moeder was Afrikaner, haar vader was Engelstalig. Ze kreeg een progressievere opvoeding dan haar blanke leeftijdsgenootjes en speelde ook met zwarte kinderen. Maar op school was iedereen blank. ‘De rassenscheiding ging heel ver, bij winkels en postkantoren waren er twee ingangen, één voor blanken en één voor zwarten. Het ergste was de pasjeswetgeving. Zwarte mensen moesten een pasje bij zich hebben als ze in blanke gebieden wilden komen.’

Aanvankelijk vond Scheeres de Apartheid vanzelfsprekend, maar toen ze ouder werd ging ze kritische vragen stellen. ‘Thuis hadden we geen televisie. Over de demonstraties tegen de Apartheid en het geweld kreeg ik dus niks mee. Pas toen ik ging studeren hoorde ik hiervan. Het was duidelijk dat er veel mis was in mijn land.’

De periode 1990-1994, tussen de vrijlating van Mandela uit de gevangenis en de eerste democratische verkiezingen, was voor Scheeres een spannende tijd. ‘Ik volgde alles op de voet. Ik en veel van mijn leeftijdsgenoten waren voor verandering. Er waren ook veel mensen die bang waren voor de toekomst. Toen in 1992 een referendum werd georganiseerd over de Apartheid vond de meerderheid van de blanke bevolking echter dat dit systeem moest worden afgeschaft.’

De verkiezingen van 1994 waren volgens Scheeres heel bijzonder, omdat zwarte mensen voor het eerst mochten stemmen. ‘De sfeer was euforisch. In de jaren dat Mandela president was ging alles goed. Onder Thabo Mbeki (1999-2008) verslechterde de situatie, Jacob Zuma (2008-2018) maakte er een puinhoop van. Dat kwam door corruptie, maar vooral door wanbestuur. Waterleidingen werden bijvoorbeeld niet meer onderhouden en ook medische voorzieningen werden slechter. Iedereen, ook de zwarte bevolking, was de dupe van dit beleid.’

Scheeres snapt dat de Zuid-Afrikaanse regering het land wil herverdelen, omdat het grootste gedeelte van de landbouwgrond nog steeds in blanke handen is. Ze vreest dat dit echter niets oplost, vanwege het wanbeleid van de regering. ‘Arme zwarte mensen zullen nog steeds arm blijven.’ De Plaasmoorde, waar Trump in zijn tweet ook aandacht voor vroeg, zijn volgens Scheeres geen white genocide. Dit is een spookverhaal. ‘Er worden in Zuid-Afrika heel veel mensen vermoord omdat de politie wordt onderbetaald en onderbemand, maar het aantal blanke boeren dat vermoord wordt is relatief klein. Die genocidebeschuldiging is niet eerlijk.’

Conservatieve Afrikaners hebben veel moeite met positieve discriminatie, omdat zwarten hierdoor worden voorgetrokken. Scheeres ziet dit anders. ‘Het is in Zuid-Afrika zo vanzelfsprekend, dat het nauwelijks een issue is. Het is een beetje te vergelijken met meer vrouwen in de top. Daar is bijna iedereen in Nederland ook voor.’ Hoewel sommige blanke Afrikaners zich nu gediscrimineerd voelen en spreken over een omgekeerde Apartheid is dit volgens Scheeres onzin. ‘Mensen hebben gelijke rechten. De uitkering van mijn moeder is even hoog als die van zwarte mensen. De overheid maakt daarin geen onderscheid. In de toekomst is misschien zelfs een blanke president wel mogelijk, maar hier zitten zwarte kiezers voorlopig niet op te wachten. Er zijn trouwens maar weinig blanke mensen die de zwarte talen spreken. Ze kunnen veel kiezers daarom niet eens bereiken.’

‘Mijn kijk op de wereld veranderde’
Sloet de Villiers woont een aantal jaren in Nederland. Onder extreemrechtse Afrikaners is hij berucht. Op hun opiniepagina’s wordt hij voor ‘far left wing extremist’, ‘genocidal terrorist’, ‘boerenhater’ en ‘travestiet’ uitgemaakt. Reden van deze woede: vorig jaar tipte De Villiers het Haagse restaurant Dudok, waar de omstreden Afrikaner zanger Steve Hofmeyr zou optreden, die het Zuid-Afrikaanse Apartheidsbewind bagatelliseert en de white genocide-theorie promoot. Het concert ging niet door, met als gevolg dat De Villiers in de ogen van zijn extreemrechtse ‘stamgenoten’ nu een volksverrader is.

De Villiers groeide op in een voor blanke begrippen progressief gezin. Zijn vader gaf les aan een zwarte school en had ook zwarte collega’s. In 1981 werd De Villiers lid van de Methodist Church, waar zwart en blank gelijk waren. Voor deze kerk werd hij drie jaar later kerkelijk werker in een township in de Oranje Vrystaat-provincie. ‘Mijn kijk op de wereld veranderde. Ik woonde als enige blanke man in een zwarte buurt. Ik dacht dat de mensen mij zouden haten, maar ik werd geaccepteerd. Ik zag met eigen ogen hoe onrechtvaardig de Apartheid was en vond dat dit systeem moest verdwijnen.’

De afschaffing van de Apartheid in 1994 werd door De Villiers met vreugde begroet. ‘Belangrijk was dat Mandela inzette op verzoening en de blanke Afrikaners ook beloofde voor hun minderheidsrechten op te komen. De Afrikaner taal is een van de elf officiële talen van Zuid-Afrika. Mandela citeerde in zijn eerste toespraak als president ook Ingrid Jonker, een blanke dichteres. En in het nieuwe volkslied werden ook passages van het oude Afrikaner volkslied opgenomen. Reconciliatie was troef.’

Over de technocratische Mbeki is De Villiers kritischer, maar ronduit slecht was Zuma. Toch zijn er ook positieve ontwikkelingen. ‘In 1994 had vijftig procent van de huizen toegang tot elektriciteit. Dit is gestegen naar vijfentachtig procent in 2013.’ De Villiers benadrukt dat racisme nog steeds bestaat, vooral op het platteland. ‘Zo ken ik een huisarts met een praktijk, die twee ingangen heeft. Volgens de dokter is dit helemaal geen racisme, omdat de ene ingang is voor de mensen die zijn verzekerd en de andere ingang voor de niet-verzekerden. Het is wel heel toevallig dat alle niet-verzekerden zwart zijn.’

De verhalen over white genocide verwijst De Villiers naar het rijk der fabelen. ‘Niet alleen is het percentage Plaasmoorde heel laag in verhouding tot het totale aantal moorden in Zuid-Afrika, maar ook gaan boerderijen niet over naar zwarte eigenaars als de blanke boeren worden vermoord.’ Donald Trump heeft zich volgens De Villiers voor het karretje laten spannen van het Afriforum, een blanke lobbygroep. ‘Het is juist andersom. De werkloosheid is onder blanken acht procent, onder zwarten dertig procent. Hier moet echt iets tegen gedaan worden. Ik verwacht veel van president Ramaphosa. Hij begrijpt dat landonteigening zonder compensatie nodig is, om de welvaartsverdeling eerlijker te maken.’

Daarom is De Villiers voor positieve discriminatie. ‘Blanken hebben in Zuid-Afrika dezelfde rechten als zwarten. Maar blanken hebben decennialang de zwarte bevolking onderdrukt, niet alleen politiek maar ook sociaaleconomisch. De mooiste buurten in Kaapstad waren alleen voor blanken. Daar wonen ze nog steeds in huizen die nu miljoenen waard zijn. Blanke kinderen hebben ‘intergenerationele voordelen’. Hun ouders zijn rijk, daarom hebben zij veel meer kansen. We moeten hiertegen echt iets gaan doen, anders krijgen we onze eigen Arabische lente.’

‘Ik kreeg mogelijkheden die ik anders nooit zou hebben gekregen’
Journalist Anesca Smith behoort in Zuid-Afrika tot de zogenoemde kleurlingen. ‘De bruine gemeenschap was een aparte groep. We hadden onze eigen scholen. Als kind had ik nauwelijks contact met blanke en zwarte leeftijdsgenootjes.’ De positie van kleurlingen was beter dan die van zwarten, maar slechter dan die van blanken. ‘We woonden niet in townships, zoals zwarte mensen, maar ons onderwijs was slechter dan dat van de blanken. Zo hadden we geen handboeken.’ Onder kleurlingen bestonden veel vooroordelen over zwarten. ‘Sommigen vonden zich beter. Mijn huidskleur was echter zo zwart dat ik soms als zwarte behandeld werd. Ik voelde mij alleen, als James Baldwin’s ‘Stranger in the Village’. Tijdens mijn studie journalistiek kwam ik voor het eerst met de zwarte mensen in aanraking. Vanwege de apartheid leefde ik tijdens mijn jeugd apart van hen.’

Toen Smith achttien was kwam er een einde aan de Apartheid. Dit betekende politieke vrijheid en meer kansen op de arbeidsmarkt. ‘Tijdens de Apartheid schreven blanke mensen voor de grote kranten en waren er voor kleurlingen aparte kranten. Dat ging op de schop. Ik kreeg mogelijkheden die ik anders nooit zou hebben gekregen.’

Voor haar krant vertrok Smith als reporter eerst naar Londen en daarna naar Amsterdam. Wat vindt ze van het Nederlandse racisme? ‘Ja, het Zwarte Pieten-debat volg ik ook. Natuurlijk is Zwarte Piet racisme, hij speelt immers de rol van domme knecht, waarmee hij raciale voordelen tegen zwarte mensen bevestigt. Ik ken die vooroordelen, want ik ben ermee opgegroeid.’ Toch valt het Nederlandse racisme mee, als je het vergelijkt met het Afrikaner racisme. In Nederland heeft Smith nooit zelf last van racisme gehad, in Zuid-Afrika wel. Smith hoopt dat president Ramaphosa de hoop uit de tijd van Mandela weer terugbrengt. ‘Zuma was, als het over raciale kwesties ging, soms echt nasty. We hebben weer een verbinder nodig.’

‘Zwarte kinderen kregen totaal geen kansen’
Mpho Tutu is de dochter van de Anglicaanse aartsbisschop en Nobelprijs-winnaar Desmond Tutu. De eerste zeven jaren van haar leven woonde ze in Groot-Brittannië, waar haar vader theologie studeerde. ‘In 1970 keerden we terug naar Zuid-Afrika. De situatie was toen zeer gespannen. Demonstranten staken overheidsgebouwen in brand, overal waren militairen en je kon een township alleen maar via een politiepost of een kazarne bereiken. Het Apartheidsregime wilde de zwarte bevolking in bedwang houden. Population control was niet slechts theorie, maar ook werkelijkheid.’

De school waarop Tutu zat werd bezocht door kinderen van zwarte prominenten. ‘Onder andere de kinderen van Winnie Mandela zaten bij mij op school. Mijn vader was een internationale bekendheid, mijn positie was daarom in zekere zin geprivilegieerd. De regering durfde tegen hem niets te doen. Ik had het beter dan mijn zwarte leeftijdsgenoten. Zwarte kinderen kregen totaal geen kansen. Ze werden alleen voor handenarbeid opgeleid.’ Tutu kreeg zelf zelden te maken met discriminatie, maar ze was wel vaak getuige van onrecht. Gelukkig lag haar school vlakbij de grens bij Swaziland. ‘Het was fijn om af en toe de grens over te gaan. In Swaziland waren mensen vrij, daar kon je vrij ademhalen.’

Het einde van de Apartheid leidde niet tot meer gelijkheid. ‘Er ging ten tijde van de Apartheid twaald keer zoveel geld naar blanke kinderen dan naar zwarte kinderen. Dit moest gelijk worden getrokken, maar de blanke standaard voor zwarte kinderen invoeren was natuurlijk onbetaalbaar.’

Sinds de jaren tachtig woont Tutu niet meer in Zuid-Afrika. Ze ging naar de Verenigde Staten voor haar studie. ‘Uiteraard bleef ik wel bij Zuid-Afrika betrokken en deed mee aan anti-Apartheid-acties op de campus. In 1994 vloog ik naar Zuid-Afrika en weer terug om mijn stem uit te brengen tijdens de eerste democratische verkiezingen.’ Anderhalf jaar geleden verruilde Tutu de Verenigde Staten echter voor Nederland. ‘Dat deed ik voor de liefde.’ Tutu is getrouwd met een Nederlandse.

Ten slotte, hoe kijkt Tutu als zwarte vrouw uit Zuid-Afrika aan tegen het racisme in Nederland? ‘Het is natuurlijk niet zo erg als in Zuid-Afrika, maar het is er wel. Een tijdje geleden bezocht ik, als enige zwarte vrouw, een begrafenis. Niemand durfde mij aan te spreken of zelfs oogcontact te maken. Ik was onzichtbaar. Mensen moeten niet te snel denken dat ze niet racistisch zijn. Ze zijn zich dan niet bewust van hun vooroordelen. Racisme bestaat helaas nog steeds, ook in landen waar het geen regeringsbeleid is.’

Het mechanisme achter politieke correctheid

0
‘De linkse rebellen uit de jaren zestig en zeventig zijn voor een groot deel de nieuwe culturele elite geworden.’

De term ‘politieke correctheid’ is niet meer weg te denken uit het publieke debat over vrijheid van meningsuiting en vrijheid van expressie. Of het nu gaat over ‘koloniaal taalgebruik’, de islam of gendergelijkheid, de term komt voortdurend om de hoek kijken. De ene groep stelt dat alles gezegd moet kunnen worden en de andere groep wijst erop dat woorden kwetsend of zelfs racistisch kunnen zijn. Filosoof Gerben Bakker en religiewetenschapper Gert Jan Geling onderzochten dit fenomeen en schreven het boek Over politieke correctheid dat 15 september verschijnt. De Kanttekening sprak Bakker en Geling onder meer over de geschiedenis van politieke correctheid, de mogelijke gevaren ervan en wat politieke correctheid zegt over de heersende moraal van een land.

Wat is politieke correctheid precies?

Bakker: ‘Dat is niet zo eenvoudig vast te stellen, je bevindt je al snel op glibberig terrein. We zijn uiteindelijk uitgekomen op twee vormen: een dogmatische vorm die vooral gehanteerd wordt vanuit de social justice warriors en een conformistische vorm. Die eerste houdt in dat je als groepering of individu een morele correctie nastreeft in de samenleving. De groep ageert bijvoorbeeld tegen standbeelden of koloniaal taalgebruik. Dat hebben we dogmatisch genoemd omdat het voortkomt uit een moreel dogma. Een ideologie dus. Het tweede dat we zien is een conformistische politieke correctheid, die vorm was in Nederland sterk aanwezig voor de komst van Pim Fortuyn. Voor Fortuyn was het taboe om bepaalde zaken te benoemen. Mensen die conformistisch politiek correct zijn hebben de neiging om de werkelijkheid mooier voor te doen dan dat hij is uit angst om buiten de boot te vallen.’

Geling: ‘Het debat hierover is enorm gepolitiseerd. Op links wordt politieke correctheid gezien als een rechtse term die overal op wordt geplakt. Maar het is niet een exclusief links of rechts verhaal. Zowel bij links als bij rechts komt politieke correctheid voor. We noemen in ons boek als voorbeeld een artikel van de Correspondent waarin Rutger Bregman rechtse claims over de multiculturele samenleving als politiek correct betitelt. Dat heb ik zelf ook meegemaakt, bijvoorbeeld als ik niet onverdeeld negatief schrijf over de radicale islam, krijg ik de wind van voren. Mensen zeggen dan: ‘Hoe durf je dat te schrijven!’ Dat is dezelfde reflex. Dogmatische politieke correctheid zien we vooral op links terug en dan met name op de thema’s racisme, gendergelijkheid en islam. Conformistische politieke correctheid zien we samenlevingsbreed.’

Kun je eigenlijk wel iets wetenschappelijks zeggen over politieke correctheid, immers het wordt al snel politiek?

Bakker: Sommige vormen van politieke correctheid zijn apolitiek. Je ziet bijvoorbeeld dat bedrijven politieke correctheid overnemen vanuit het publieke debat. Die doen dat niet vanuit een moreel argument maar meer vanuit een strategisch belang. Er zitten ook commerciële belangen aan vast. Daardoor is het ook lastig om te bepalen of het altijd echt puur politiek is. Wat wij benoemd hebben als conformistische politieke correctheid wordt door een andere wetenschapper politiek opportunisme benoemd. Dus dan beland je als snel in een semantische discussie. Dus nee, je kan het niet wetenschappelijk vast stellen, maar je kunt wel het fenomeen in kaart brengen aan de hand van actualiteit en er een grondige analyse op los laten.’

Geling:We hebben bewust gekozen om zoveel mogelijk verschillende perspectieven erop los te laten. Ik denk dat het belangrijk is om continu met jezelf in discussie te zijn over waarom iets politiek correct is en waarom je dat denkt. Uiteindelijk gaat het niet om onze mening maar om onze observaties, we geven ruimte aan de lezer om zijn eigen oordeel er over te vormen.’

Hoe is die dogmatische politieke correctheid aan de linkerflank terechtgekomen, immers in de jaren zeventig was het toch juist links dat de heilige huisjes van rechts aanviel?

Bakker: ‘We zijn wat dat betreft schatplichtig aan het boek Correct uit 1997 van Herman Vuijsje. In zijn boek is dat proces al goed beschreven. Waar die omdraaiing vandaan komt zit hem vooral in het etnisch taboe. Er staat een voorbeeld in ons boek van de vroegere Amsterdamse burgemeester Van Thijn die in een speech spreekt over ‘Amsterdammers’ en ‘nieuwe Amsterdammers’. Hij werd onmiddellijk gecorrigeerd omdat die tweede groep net zo Amsterdams is volgens de critici als de eerste groep. Vuijsje is van de linkse generatie dus bij uitstek een man die dat proces van dichtbij heeft meegemaakt. Fortuyn protesteerde tegen het niet benoemen van problemen en tegen dat soort politiek correct taalgebruik. De aanhangers van het benoemen van problemen vonden hun tegenstander in de maatschappelijke elite die hoofdzakelijk progressief dacht.

Geling:De linkse rebellen uit de jaren zestig en zeventig zijn voor een groot deel de nieuwe culturele elite geworden.’

Zijn de islamitische heilige huisjes van vandaag niet dezelfde als de christelijke heilige huisjes uit de jaren zestig en zeventig?

Geling: ‘Dat zou je je inderdaad goed kunnen afvragen. De huidige progressieve bovenlaag van de samenleving is nog steeds heel kritisch op christelijk Nederland, maar is dat toch in veel minder mate op islamitisch Nederland. Het argument is dan dat de islam gezien wordt als een minderheid en het al zwaar genoeg heeft. Het idee van machtsstructuren en het willen opkomen voor een minderheid heeft zijn oorsprong in de rebellie van de jaren zestig en zeventig.’

Bakker: ‘Politieke correctheid is een symptoom van de omwenteling van een maatschappelijk moraal, toch kun je daarmee het fenomeen niet helemaal vrijpleiten omdat er behoorlijk dwingende aspecten in kunnen zitten. Een probleem van de progressieve generatie uit de jaren zestig en zeventig is dat ze zich heel erg hebben geassocieerd met rebellie en daardoor menen alle ketenen van gezagsstructuren achter zich te hebben gelaten. Ze claimen als het ware een morele wildcard omdat ze altijd voor de vrijheid hebben gevochten. Dat die progressieve denkwijze een autoritair gezicht kon krijgen was wellicht ondenkbaar.’

Er zijn ook veel verworvenheden uit die rebellie voortgekomen. Zou je kunnen zeggen dat de maatschappij nu links is waardoor rechtse uitspraken nu sneller politiek incorrect zijn terwijl vroeger dat voor links gold?

Geling: ‘Ja, dat is zeker zo. Elke generatie reageert op de heilige huisjes van zijn tijd. Er ontstaan immers continu nieuwe heilige huisjes en nieuwe taboes. Dat is inherent aan het open samenlevingsideaal. Filosofen Hannah Arendt en Karl Popper wezen er al op dat de samenleving nooit af is. Op het moment dat er wordt gezegd dat de samenleving perfect is en niemand daar meer aan mag komen, begint de schoen te wringen. Dan zie je zelfcensuur opkomen en zie je dat politieke correctheid echt dwingend kan worden.’

Bakker: ‘Wat wel anders is in onze samenleving is internet, dat heeft als voordeel dat iedereen zich vrij voelt om alles te zeggen en daardoor heeft het internet ook taboes doorbroken. Zolang internet werkt als luis in de pels en dogmatische politieke correctheid blootlegt dan is dat positief. Tegelijkertijd is het ook totaal grenzeloos. Op het moment dat iemand in Nederland het woord nigga gebruikt in een klein blad zoals Eva Hoeke deed (Hoeke was hoofdredacteur van glossy Jackie, maar stapte op na internationale verontwaardiging van onder andere zangeres Rihanna over een artikel waarin het woord niggabitch werd gebruik, red.) ontstaat er internationaal ophef. Dat is een tekenend voorbeeld van hoe politieke correctheid door internet op een dwingende manier de hele wereld over kan gaan.’

Geling: ‘Door internet zie je dat een beweging als de social justice warriors in mum van tijd van de VS is overgewaaid naar onder andere Nederland. Daardoor ontstaan er in Nederland nieuwe taboes en heilige huisjes die er voordien niet waren.’

Bakker: ‘Internet heeft als bijeffect dat politieke debatten heel erg van ophef naar ophef gaan waardoor het debat verschraalt. Een samenleving die zich steeds van ophef naar ophef beweegt leidt er toe dat het ideaal van Arendt van een vrije open samenleving in gevaar komt. Een goede democratie is namelijk gebaat bij mensen die zich echt verdiepen in de materie en niet bij mensen die zich verschansen achter hun online identiteit. Dat is een reëel probleem dat samenhangt met politieke correctheid. Want hoe willen we politiek bedrijven? Politiek bedrijven heeft te maken met hoe we ons engageren met de wereld. Als het alleen betekent: ‘ik heb deze individuele identiteit en ik vind het belangrijk om de barricades op te gaan voor dit’, terwijl je even later weer heel iets anders vindt, dan is dat geen duurzaam engagement. Dan is dat alleen maar Twitter-ophef.’

Is politieke correctheid gevaarlijk?

Geling: ‘In algemene zin hoeft het niet gevaarlijk te zijn, bijvoorbeeld als politieke correctheid je leert nadenken over wat je zegt. Het kan gezond zijn om na te denken over je woorden die mogelijk mensen kwetsen. Op het moment dat het dwingend wordt, censuur afdwingt en daardoor het debat doodslaat dan is het zeker gevaarlijk.’

Is er een wereld mogelijk waarin niemand meer politiek correct is en iedereen zegt wat hij denkt? Of is politieke correctheid een must en moet je soms liegen om de samenleving dragelijk te houden?

Bakker: ‘Arendt stelde dat leugenachtigheid inherent is aan politiek. Het niet denkbaar dat de politiek alleen maar over de waarheid gaat, het gaat ook over belangen, waarden en fractiediscipline waarbinnen mensen zich moeten bewegen om de politiek überhaupt op een geordende manier te kunnen laten functioneren. Daarnaast is sociale wenselijkheid sowieso iets wat we nodig hebben. Je kan niet tegen jan en alleman zeggen waar het op staat. Elke uitspraak heeft ook een gepaste vorm van uitdrukking, we hebben allerlei registers om hetzelfde op verschillende manieren te zeggen. Dat is ook een blijk van intelligentie. We kunnen niet zeggen we schuiven dat aan de kant en we zeggen oprecht alles wat in ons opkomt. Dat kan absoluut niet.’

Geling: ‘Het hoort er inderdaad nou eenmaal bij, maar dat hoeft niet negatief te zijn. Politieke correctheid kan een manier zijn om rekening te houden met elkaar. In dat opzicht is het denk ik wel een must. Zodra het gaat om een taboe dat je zonder nadenken overneemt dan ontstaat er een probleem. Instanties als het Rijksmuseum en hogescholen nemen die taboes over in hun beleid. Wij werken op de Haagse Hogeschool en daar zijn sinds vorig jaar genderneutrale toiletten. Er was een activistische studentengroep die dat wilde, maar nu ze er zijn lijkt niemand er gebruik van te maken. De hogeschool heeft aan hun wens toegegeven, mogelijk omdat ze niet te boek wilden staan als transfoob. Ze zijn dus overstag gegaan uit angst om als fout gezien te worden. Het lijkt erop dat het vooral vanuit een bepaalde morele visie wordt gedaan en niet vanuit een reële behoefte.’

Begin dit jaar ontstond er ophef over een uitspraak van destijds Forum voor Democratie politicus Yernaz Ramautarsing over iq-verschillen. Hij heeft in een interview in 2016 gezegd: ‘Ik had ook graag gezien dat het anders was, dat zwarte mensen hyperintelligent waren, dat Surinamers het hoogste iq van de wereld hadden, maar dat is niet zo.’ Onder andere de leider van D66 Alexander Pechtold noemde de uitspraak racistisch. Later hebben verschillende wetenschappers bevestigd dat iq-verschillen er inderdaad zijn. Is dit een goed voorbeeld van politieke correctheid, aangezien het onderzoeken van mogelijke verschillen tussen volkeren een taboe bleek te zijn?

Bakker: ‘Ik vind het belangrijk dat er in ieder geval over gesproken wordt. Als er te snel wordt gezegd dat er sprake is van racisme dan kan je niet meer een discussie voeren over dit onderwerp en is het dus ook moeilijker om er nuance in aan te brengen. Immers, als Ramautarsing zegt dat er verschil is in intelligentie, dan klopt dat niet. Dat is niet aangetoond.

Geling: Er is verschil in iq en dat kan verschillende factoren hebben. Dat kan met de manier van testen te maken hebben en met de staat van ontwikkeling en voeding. Die verschillen zijn niet zozeer raciaal, maar stel dat die relatie er wel zou zijn, dan is natuurlijk de vraag wat kan je daar wel of niet over zeggen. Ik vind dat je overal onderzoek naar moet kunnen doen, maar ik denk ook dat er bepaalde grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting. Bijvoorbeeld als uitspraken heel beschadigend zijn voor mensen. Er zullen altijd mensen zijn die zeggen ‘dit is belachelijk en dit klopt niet’, dat zag je ook in de discussie rondom iq-verschillen. Daardoor krijg je juist denk ik een vruchtbare discussie. Ik denk dat het heel onverstandig is om per definitie te zeggen dat zo’n discussie over iq-verschillen niet gevoerd mag worden. Je kan beter dit soort discussies inhoudelijk aangaan dan meteen er een morele kwalificatie aan te geven. Als je er een morele kwalificatie aan geeft dan voedt dat de gedachte dat de elite dingen wegstopt en het volk verbiedt om bepaalde dingen openlijk uit te spreken. Dat zag je ook bij de aanrandingen in Keulen tijdens Oud en Nieuw. Het was een taboe om over de etniciteit van de daders te praten, daardoor groeide het wantrouwen en werd de politie niet meer geloofd. Dit soort discussies kan je het best out in the open voeren, dan kunnen bepaalde onwaarheden ook getackeld worden.’

Gert Jan, het is van jou bekend dat je lid bent van D66. D66 wordt door veel mensen gezien als de politiek correcte partij bij uitstek. Is dat terecht vind je?

Geling: ‘Ja en nee. In andere progressieve partijen zie je ook die reflex van politieke correctheid. Aan de andere kant, het voorwoord is geschreven door prominente D66’er Boris van der Ham. Er zijn heel wat D66’ers die veel interesse hebben in het onderwerp en graag een boek als het onze willen lezen. Ook bij PvdA en GroenLinks zie je die twee stromingen, dus een stroming die vast wil houden aan taboes en een stroming die daar kritisch over na wil denken en het open debat daarover wil voeren. Ik denk dat het juist goed is om vanuit D66-hoek een aanzet te geven voor discussie hierover. Het zou goed zijn als de hele politiek hier op kan reflecteren en niet slechts één partij.’

Verschillen de huidige taboes sterk van de taboes van vroeger?

Geling: ‘De taboes die wij omschrijven hebben vooral te maken met rassenkwesties, genderidentiteit en islam. Voor een deel zijn er ook taboes geslecht op dat gebied. Bijvoorbeeld als het gaat om de relatie tussen criminaliteit en etniciteit. Die link was heel lang een groot taboe. Tegenwoordig kan je vrijuit zeggen dat bepaalde minderheden oververtegenwoordigd zijn in criminaliteit, er zijn nog steeds mensen die dat stigmatiserend vinden, maar het grootste taboe is er vanaf. In de jaren zeventig raakte criminoloog Wouter Buikuizen in opspraak, omdat hij de biologische factoren van criminaliteit onderzocht. Hij werd voor racist uitgescholden en hij verloor zijn baan. Zo’n man zou in de huidige tijd niet zijn baan verliezen denk ik. Aan de andere kant komen er natuurlijk ook nieuwe taboes bij. In ons boek laten we zien dat het debat over die taboes in volle hevigheid gevoerd wordt. Rechts Nederland schept soms het beeld dat niets meer gezegd mag worden. Die indruk hebben wij juist niet.’

Jullie gaven al aan dat veel van de huidige taboes zijn overgewaaid uit de VS. Is de VS politiek correcter dan Nederland?

Bakker: ‘Een verschil is dat zij wat betreft politieke correctheid heel erg kijken naar de vorm, zoals bepaald woordgebruik waar een taboe op rust. In Nederland kwamen we uit een situatie waarin Rob Oudkerk begin deze eeuw zonder al te veel ophef kon spreken over ‘kut-Marokkanen’, maar de VS heeft echt een sterke traditie in het afrekenen met zulk soort taalgebruik. De burgerrechtenbeweging vocht tegen zwarte mensen die achter in de bus moesten zitten. Dat kennen we minder vanuit de Nederlandse context. Taal is in Nederland lange tijd geen issue geweest, tot voor kort kon je nog prima het woord ‘neger’ zeggen. Dat is in een tijdbestek van enkele jaren razendsnel veranderd.’

Geling: ‘Dat vind ik overigens wel een positieve vorm van politieke correctheid, omdat die term door mensen uit die groep als kwetsend werd ervaren. Als een groep zegt ‘zo willen wij niet aangeduid worden’, dan is dat ook een vorm van zelfreinigend vermogen.’
Bakker: ‘Dat is waar, tegelijkertijd zien we ook dat dergelijk woordgebruik steeds minder gewogen wordt in de context. Gebruik je het woord, op welke manier dan ook, dan wordt je gelijk bestempeld als fout. Dan wordt dat normenkader je opgedrongen en dat is wel echt Amerikaanse invloed.’

Dat past niet bij Nederland?

Bakker: ‘Ik denk dat het niet wenselijk is. Het zorgt voor een verschaling van de discussie. Je komt in een situatie terecht waarin je verweten kan worden dat je als schrijver in je boek pas op pagina dertien een zwarte denker hebt opgevoerd. Dan ben je niet meer met de inhoud bezig, dan ben je alleen bezig met het tellen van mensen en of mensen wel de juiste woorden gebruiken. Dan kom je in een debat terecht wat identiteitspolitiek is, wat in feite alleen maar afleidt van het kern issue namelijk hoe gaan we om met een verleden dat voor sommige mensen kwetsend is en voor andere mensen niet. Zolang dat activisme volhardt in die dwingende moraal, kom je denk ik geen stap verder.’

Geling: ‘In de jaren zestig en zeventig was er natuurlijk ook polarisatie en dat is op zich niet slecht. Polarisatie kan een samenleving verder brengen, maar de vraag is wel hoe ver ga je daarin. Ga je zo ver dat je jouw moraal koste wat kost wil opleggen aan de maatschappij? Bij het woord ‘neger’ gaat het bijvoorbeeld terecht om een aanduiding over een groep die zelf niet zo aangesproken wenst te worden, maar je hebt ook het woord ‘wit’ in plaats van ‘blank’. Die laatste discussie wordt vanuit een heel ander perspectief gevoerd. De groep zelf wil over het algemeen helemaal niet als ‘wit’ aangeduid worden, maar ziet zichzelf als blank. Als je daar dan tegen ageert dan is er sprake van moreel absolutisme. Dan claim je dat er maar één juiste term is want blank zou per definitie koloniaal zijn.’

Bakker: ‘Onder andere het NOS-Journaal heeft de term wit al overgenomen, je kan je afvragen of dat een weloverwogen besluit is. Ze conformeren zich uit angst om incorrect te zijn aan een groep activisten, wat dat betreft werkt het taboe heel sterk. In dit geval tast het ook je zelfbeschikking aan, als je zelf niet meer kunt bepalen hoe je aangeduid wordt dan creëer je een vorm van polarisatie die onwenselijk is.’

Is het ook niet een probleem dat die activisten claimen te spreken voor de hele gemeenschap? Immers het woord ‘neger’ wordt niet door alle donkere mensen als kwetsend ervaren. Daarnaast ken ik donkere mensen die zich ergeren aan het woord ‘zwart’ dat net als ‘wit’ uit het Amerikaanse discours is overgenomen.’

Geling: ‘Zeker, daarmee ontken je dat er een sterke diversiteit is binnen een groep. Dat is niet goed voor het open debat omdat door die activisten er ook een homogeen beeld ontstaat over die gemeenschap bij de andere groep. Het wordt dan een discussie tussen twee groepen in plaats van een discussie tussen mensen met verschillende meningen. De indruk wordt gewekt dat de ene groep de andere groep iets wil opleggen terwijl dat helemaal niet persé het geval is. Uiteindelijk is het een klein groepje activisten dat iets eist namens een groep. Datzelfde zie je in de transgenderdiscussie waarbij een kleine groep activisten belangen van transgenders meent te vertegenwoordigen, terwijl er onder transgender helemaal geen consensus is over het nut van bijvoorbeeld genderneutrale toiletten. Immers veel transgenders zijn juist blij dat ze een aangesproken worden met het gender waarin ze zich thuis voelen.’

Dat klinkt als paternalisme.

Geling: Dat is ook zo, anderen bepalen voor jou wat goed voor jou is. Bij veel vormen van politieke correctheid kom je paternalisme tegen.’

Is het ook niet politiek correct om te zeggen dat er niets racistisch is aan Zwarte Piet, omdat je daarmee het taboe dat er mogelijk racistische elementen aan de figuur kleven wil verbloemen?

Geling: ‘Dat denk ik wel. Zwarte Piet is een heilig huisje voor veel mensen. Je kan niet stellen dat de figuur door de geschiedenis heen nooit voorzien is van racistische elementen. Tegelijkertijd kan je zeggen dat de groep die verandering eist van de figuur dat doet vanuit moreel absolutisme dus net zo goed politiek correct is.’

Bakker: ‘Dogmatisme roept vaak dogmatisme op. Het verschil is alleen dat de mensen die pro-zwarte Piet zijn niet streven naar het correcter maken van de samenleving.’

Geling: ‘Maar dat dogmatisme zit wel heel sterk bij beide partijen, het is wel degelijk een taboe om kritiek te hebben op de figuur Zwarte Piet, hij wordt echt heilig verklaard door een groep mensen.’

Komt dat niet doordat er vandaag de dag minder sprake is van een nationaal gevoel en dus een gedeelde moraal als vroeger, waardoor heel veel verschillende groepen hun eigen moraal ontwikkelen en die centraal stellen?

Bakker: ‘Die discussie over het nationale gevoel vind ik persoonlijk een beetje onzinnig, omdat ik vind dat we heel duidelijk een nationale identiteit hebben, onderdeel daarvan is dat wij een open samenleving zijn met een liberale traditie. Dat betekent dat die open discussies nou juist heel kenmerkend zijn voor onze nationale identiteit. Juist als we dat zouden overhevelen aan identiteitspolitiek dan zouden we gaan zagen aan waar we filosofisch gezien vandaan komen.’

Geling:Doordat er meer diversiteit is wordt je natuurlijk wel sneller geconfronteerd met hoe een ander denkt over jouw eigen heilige huisjes en taboes. Er komen meer diverse meningen die geuit kunnen worden in het publieke debat. Verschillende groepen worden steeds mondiger in dat debat, dat kan een hele positieve uitwerking hebben op de samenleving als geheel. Doordat iedereen vrij is om te zeggen wat hij wil zeggen is het onvermijdelijk dat mensen gekwetst worden. Wil je dat niet dan moet je de vrijheid van meningsuiting drastisch inperken. Bij de essentie van een diverse samenleving hoort dat je gekwetst kan worden. Dat is nu denk ik wel meer aan de hand dan in vroegere tijden.’

De cartoonwedstrijd van Geert Wilders is vorige week afgeblazen. Heeft Wilders gelijk als hij zegt dat moslims meer moeite hebben met politiek incorrecte meningen dan andere groepen?

Geling: ‘Zoals gezegd veel van de taboes uit de huidige tijd gaan over de islam. Moslims worden nog altijd vaak beschouwd als een gemarginaliseerde groep die bescherming verdient. Als er al kritiek op komt dan moet dat komen vanuit de eigen gelederen en niet vanuit de paternalistische blanke man is het idee. Dat is ook iets wat woedt in de wetenschap. Er zijn heel wat islamwetenschappers die naar onze maatstaven heel politiek correct bezig zijn, ze censureren zichzelf omdat ze geen foute mening willen verkondigen.’

Bakker: ‘Als je als wetenschapper het gevoel hebt dat je je niet kan begeven op een bepaald terrein omdat dat politiek incorrect is dan is dat heel problematisch. Je moet dan in ogenschouw nemen dat we denktradities hebben van filosofen die enorme risico’s hebben genomen door juist onafhankelijk te denken en taboedoorbrekend te zijn. Daarnaast geeft zon cartoonwedstrijd ook de diversiteit in de cultuur aan. Op het moment dat je als kunstenaar of als kunstinstelling een politiek rechts standpunt in zou nemen dan is de vraag in hoeverre je daarmee kunt overleven. Juist de rechtse kunstenaar zou vandaag het enfant terrible zijn.’

Het lijkt mij dat het kunstenaarsgilde bij uitstek politiek niet de heersende moraal moet verkondigen. Kunst reflecteert op de samenleving en een kunstenaar met bijvoorbeeld nazistische ideeën reflecteert heel anders op de wereld dan iemand met humanistische ideeën. Als kunst relevant wil zijn en tot nieuwe inzichten wil leiden dan moet het gemaakt worden vanuit verschillende perspectieven.

Bakker: ‘Die monocultuur is er in de kunstwereld en veel jongeren voelen zich daarom aangesproken tot de tegencultuur. Onder andere internetforum 4chan vormt al lang een platform waarbij de heersende moraal wordt uitgedaagd. Socioloog Jordan Peterson en Thierry Baudet verwoorden een mannelijke jongerentegencultuur en boeken daar succes mee. Hun onorthodoxe aanpak doet soms denken aan de nieuwe rechtse punk van deze tijd, ik denk dat we vanuit die hoek in de nabije toekomst veel gaan horen.’

Kortom GeenStijl en PowNed en de VPRO uit de jaren zeventig hebben iets met elkaar gemeen?

Geling: ‘Ja, dat is zo. Het is wachten tot PowNed of GeenStijl de drager wordt van de nieuwe heersende maatschappelijke moraal, dan zal er weer een nieuwe generatie opstaan die daar weer tegen ageert. Het is soms een cyclus van golfbewegingen.’

Weerbaarheid en veerkracht

0

De burgemeester van Rotterdam, Ahmed Aboutaleb, noemde zichzelf een salafist eind vorig jaar; die van Amsterdam, Femke Halsema, weigert alle samenwerking met moslimorganisaties die volgens haar ‘salafistisch’ zijn. Aboutaleb wilde met zijn uitspraak duidelijk maken dat het hoog tijd wordt dat moslims al die begrippen terugkapen die gewelddadige groepen zich hebben toegeëigend. Hij wilde duidelijk maken dat etikettenplakkerij en op hoge toon de oorlog verklaren aan iedere moslim die niet braaf in de pas loopt, alleen maar polariserend werkt en dus niets oplost. Verstandige woorden vond ik dat.

Halsema, die nog maar nauwelijks in het pluche zit, gaat er met gestrekt been in. Ze trekt bij voorbaat de stekker uit de door haar voorganger Jozias van Aartsen voorgestelde aanpak. Van Aartsen wilde een zo breed mogelijke groep van gesprekspartners (inclusief zogenaamde salafistische groepen) opzetten. Doel was te luisteren naar wat onder moslims leeft om zo radicalisering onder jonge moslims te voorkomen. Weg plannen, nog voordat er overigens beleid in gang was gezet.

Het staat bestuurders natuurlijk vrij om te praten met wie ze willen, maar de beslissing van de nieuwbakken burgemeester van Amsterdam, Halsema was omkleed met bedenkelijke argumenten. In de vijftien vragen aan Halsema op zijn blog Closer stelde Martijn de Koning dat het op voorhand uitsluiten van bepaalde stromingen risicovol is, omdat je daarmee morrelt aan een aantal fundamentele democratische rechten en principes. Dat is, lijkt me, zoiets als ‘de democratie afschaffen om de democratie te beschermen’.

Maar er is nog iets aan de hand. We hebben het hier over een strategie om inzicht te krijgen in de motieven van moslims die bereid zijn geweld te gebruiken, althans daar ga ik maar even van uit. Ik geef Halsema voorlopig toch maar even de benefit of the doubt en neem aan dat het haar gaat om geweldspreventie en niet het bestrijden van ‘foute’ denkbeelden op zich. Dat is wel een gevaarlijk neveneffect zoals De Koning opmerkt, maar dat wil ik hier even laten voor wat het is. Het gaat dus om het opsporen en analyseren van geweldsmotieven en hoe die gevormd worden. Daarmee sluit Halsema aan bij de dominante verklaring van veel zogenoemde radicaliseringsdeskundigen. We zagen ze afgelopen week weer bij bosjes in de media voorbijtrekken. Hoewel deze deskundigen van mening verschillen over de strategie van aanpak, gaat het steeds om het ‘motief geweld te gebruiken’. De dader van de steekpartij op Amsterdam Centraal verklaarde dat zijn daad te maken had met de beledigingen aan het adres van de islam. Dat onder meer naar aanleiding van Wilders’ nieuwe ziekelijke poging de aandacht naar zich toe te trekken met zijn cartoonwedstrijd, maar dit terzijde.

Wat al deze verklaringen gemeen hebben is de ‘achterwaartse redenering’. Je begint bij een daadwerkelijk geweldsincident en redeneert vandaar uit terug om een mogelijke oorzaak te vinden. Het probleem is dat je op die manier al heel snel tot nietszeggende generalisaties komt. Of het nu een uitleg in de religieuze sfeer is, een politieke, of een psychologische verklaring, steeds leidt dit tot het zoeken naar oorzaken en verbanden die geweld aannemelijk zouden maken. Daar moet je wel op uitkomen. Als de dader van een aanslag verwijst naar een passage bijvoorbeeld in de Koran, dan zal je deskundigen horen verklaren dat er inderdaad allerlei bronnen te vinden zijn die geweld legitimeren. Ik zou dan zeggen: so what? Er zijn ook een heleboel passages te vinden die geweld juist verbieden. Wat moet je daar dan mee?

Als je de zaak nu zou omdraaien en de vraag zou stellen waarom de (overgrote) meerderheid van moslims ook die er radicale denkbeelden op na houden juist geen geweld gebruikt? Heeft dat te maken met het ontbreken van de gelegenheid daartoe? Is dat het resultaat van het werk van de veiligheidsdiensten die zich graag op de borst kloppen over hun werkwijze? Of heeft dat te maken met het feit dat heel veel moslims in Europa weliswaar het gevoel hebben uitgesloten te worden en de beledigingen aan het adres van hun religie heel erg vinden, maar tegelijk over de nodige veerkracht beschikken om dit te ondergaan?

Heel veel moslims, inclusief zogenoemde salafisten, zien helemaal niet in waarom je je gelijk moet halen met geweld. Het interessante is dat zij niet zozeer verwijzen naar bronnen die geweld verbieden, maar naar bronnen die iets zeggen over hoe je als moslim zou moeten omgaan met negatieve gebeurtenissen. Veel religieuze gezagsdragers proberen jonge moslims juist dat bij te brengen: maak jezelf geestelijk weerbaar. Ga niet op de stoel van God zitten. Daarmee komen we toch weer bij de vraag met wie je als gemeentebestuur om de tafel gaat zitten. Ik zou zeggen juist dan heb je een zo breed mogelijke groep nodig, ook die vermaledijde salafisten. Een gemiste kans van Halsema.

Nederland in de wereld, macht en onmacht

0

In het veld van de internationale betrekkingen wordt de macht en invloed van een land altijd gebaseerd op twee pijlers: economische macht en militaire macht. Je ziet dat altijd als er vergelijkingen worden gemaakt tussen grootmachten zoals de VS, China en Rusland: hoe groot is de economische macht van die landen en hoe groot en sterk is hun leger? Van China en de VS weten we dat die landen economisch en militair alleen maar sterker worden, wat vaak aanleiding is om te speculeren over een mogelijke conflictsituatie tussen die twee. Van Rusland weten we dat zijn economische macht afneemt en dat het militair gezien ook niet allemaal rozengeur en maneschijn is. Maar het Rusland van Poetin blijft zich echter nog steeds als een grootmacht gedragen.

Nederland is een klein land. Qua inwonertal staan we met ruim zeventien miljoen mensen op de zesenzestigste plaats op de wereldranglijst. Wat grootte betreft staan we met een oppervlakte van ruim eenenveertigduizend vierkante kilometer in de wereld op de honderddrieëndertigste plaats. Ons past dus bescheidenheid, zou je denken.

Maar wat in het groot geldt, geldt ook in het klein. Ook kleinere landen ontlenen hun invloed aan hun economische en militaire macht. Het geldt zelfs voor Nederland, dat zich niet zo graag manifesteert in machtsspelletjes, maar dat door de andere spelers op het wereldtoneel wel degelijk vanuit die optiek wordt bezien. Je zou bijna kunnen zeggen dat Nederland een, weliswaar betrekkelijk, machtig land is tegen wil en dank. Zoals wel vaker wordt gesteld, het is de grootste onder de kleinere landen.

Hoe staat Nederland er dan eigenlijk voor? Qua economische macht gaat het eigenlijk fantastisch. Nederland behoort tot de grootste exportlanden ter wereld (nummer vijf). In 2017 bedroeg de exportwaarde zo’n vierhonderdzeventig miljard euro. Bijna tweeënnegentig miljard euro daarvan bestond uit agrarische producten, waardoor Nederland na de VS de grootste exporteur op agrarisch gebied is. De Nederlandse economie groeide in 2017 met circa drie procent. Binnen Europa is Nederland de vijfde economie. Alleen de grote Europese landen verdienen meer dan Nederland. Europa is voor Nederland belangrijk. Ruim zeventig procent van de Nederlandse export gaat naar Europa. Nederland profiteert daarmee enorm van de vrije Europese markt, zoals die door de EU wordt geboden. De EU en de NAVO zorgen in Europa voor stabiliteit en veiligheid. Dat is van groot belang voor de Nederlandse handel. De export buiten Europa neemt echter in omvang toe, waardoor het belang voor Nederland van goede relaties en stabiliteit buiten Europa ook toeneemt. Vooral de export naar China heeft een belangrijk aandeel in die groei.

Door die bloeiende handel is de Nederlandse economische macht dus veel groter dan op grond van zijn omvang of inwoneraantal zou kunnen worden verwacht. Maar voor het in stand houden van die economische positie en de daaruit voortvloeiende welvaart vormen vrede en stabiliteit binnen en buiten Europa essentiële voorwaarden. Het lijkt niet meer dan logisch dat de Nederlandse militaire macht gelijke tred zou houden met zijn economische macht om die vrede en stabiliteit te bewaren en te verdedigen.

Helaas zijn we nogal tweeslachtig op dat gebied. We staan niet echt te dringen om onze handelsbelangen wereldwijd te beschermen. Zelfs binnen Europa vragen we ons af of we ons daartoe moeten inspannen. Het lijkt er soms op dat we ons het liefst opsluiten binnen onze grenzen en Europa en de rest van de wereld willen buiten sluiten. Die nationale grenzen willen we dan nog wel verdedigen, misschien nog liever afsluiten, maar daar houdt het dan ook mee op.

Dat zien we aan de staat van onze militaire macht. Die is sinds het einde van de Koude Oorlog zodanig gekrompen dat je eigenlijk kunt spreken van militaire onmacht. Toegegeven, we doen daar relatief veel mee, maar om nu te zeggen dat het leveren van één bataljon soldaten, een paar jachtvliegtuigen of helikopters en één à twee oorlogsschepen veel indruk maakt op potentiële tegenstanders is sterk overdreven.

Nederland geeft dit jaar ongeveer negen miljard euro uit aan defensie. Dat is een stijging ten opzichte van voorgaande jaren. Maar de combinatie van grote bezuinigingen en roofbouw heeft diepe gaten geslagen in ons militair vermogen. In deze onzekere wereld is steeds meer behoefte aan een breed inzetbare krijgsmacht. Maar de Nederlandse krijgsmacht is op dit moment verre van breed inzetbaar, zoals voormalig minister Hillen al in 2014 constateerde. De huidige budgettaire groei dient dan ook ter reparatie van ons danig aangetaste militair vermogen. Daarnaast is er door de recente geopolitieke en technologische ontwikkelingen zeer zeker behoefte aan versterking, zelfs uitbreiding, van het militair vermogen. Daarbij horen dan ook nieuwe capaciteiten zoals cybermiddelen, onbemande systemen en een verbeterde inlichtingencapaciteit, waaronder middelen om vanuit de ruimte crisisgebieden en potentiële tegenstanders te kunnen observeren.

Tijdens de NAVO-top in Wales van 2014 kwamen de NAVO-landen overeen te zullen streven naar een defensiebudget dat twee procent van het Bruto Binnenlands Product zou bedragen. Voor Nederland komt dat bij de huidige stand van het BBP overeen met twee procent van zevenhonderdvijfentwintig miljard euro, namelijk veertien half miljard euro. Door de regering is afgesproken dat de defensiebegroting ten opzichte van 2016 nog met anderhalf miljard gaat groeien. Dat betekent dat het uiteindelijk rond de tien miljard zou uitkomen. Dat lijkt veel, maar het is de vraag of Nederland daarmee een voldoende en ook internationaal erkende bijdrage zou kunnen leveren aan het bewaren, beschermen en zo nodig afdwingen van vrede en stabiliteit om zijn handelsbelangen en zijn welvaart te beschermen. Zowel ter land als ter zee en in de lucht komt Nederland militaire capaciteit te kort en het ziet er niet naar uit dat daarin in voldoende mate wordt voorzien.

Nederland mag dan in economisch opzicht een relatief machtig land zijn, in militair opzicht is het dat niet en in de toekomst mogelijk ook niet. Daarmee blijft het voor het bewaren van vrede en stabiliteit en het beschermen van zijn handelsbelangen en welvaart te veel afhankelijk van grotere landen zoals de VS. Dat maakt ons kwetsbaar. Want sinds het aantreden van Donald Trump weten we dat we niet zonder meer zeker van die bescherming kunnen zijn.