Een stevig weerwoord? Een dupliek

Jaswina Elahi
Jaswina Elahi
Cultuurwetenschapper. Onderzoeker Grootstedelijke Ontwikkelingen aan de Haagse Hogeschool.

Lees meer

Mijn laatste column, waarin ik betoogde dat Nederland zijn IS-vrouwen en -kinderen moet terughalen, zorgde op social media voor nogal wat ophef.

Ik schreef dat Nederland zich wel inzet voor Nederlanders die in buitenlandse gevangenissen zitten, maar de vrouwen en kinderen van IS-strijders in de kou laat staan. Een opmerkelijke rechtsongelijkheid. Ik besloot mijn column met de suggestie dat de terughoudendheid van de Nederlandse staat zou kunnen liggen aan de afkomst (huidskleur) of het geloof (de islam) van deze vrouwen.

Opvallend was de emotionaliteit van de reacties hierop, die grotendeels van populisten kwamen en voornamelijk uit gescheld bestonden. Aan dat laatste wil ik pertinent niet meedoen.

Daarom was de reactie van Gert Jan Geling een verademing. Ik ben het met hem eens dat de publieke discussie via het vrije woord en met argumenten moet worden gevoerd. Ook ben ik het met hem eens dat een column moet prikkelen en aanzetten tot nadenken. Maar gelet op het laatste, valt de behoefte van Gert Jan aan een ‘stevig weerwoord’ op. Zijn mening hierover was al bekend vanuit een eerder gepubliceerd stuk over dit onderwerp in Trouw.

Maar goed, laten we zijn argumenten nader bekijken. Hij vertrekt vanuit de veronderstelling van een islamitisch gevaar. Dat zou bijzonder groot zijn bij terugkeerders uit IS-gebied. Ik begrijp deze vrees wel, maar vindt die wel opgeblazen. Want gevaar geldt voor iedereen die uit oorlogsgebied komt, zoals teruggekeerde Nederlandse militairen en dat geldt ook voor veroordeelde criminelen die naar Nederland terugkeren.

Belangrijker nog: mijn column ging over de rechtsongelijkheid tussen Nederlandse onderdanen in het buitenland. Dat het islamitisch gevaar vooral in Nederland vergroot wordt, is af te lezen aan het feit dat andere landen wél hun burgers uit IS-gebied terughalen. Dit punt negeerde Gert Jan.

Tegenstanders kunnen aanvoeren dat er wel degelijk aanslagen zijn gepleegd door moslims, maar niet door teruggekeerde militairen. In de VS is dat anders, maar laat mij meegaan met dit argument. Enkele tegenwerpingen zijn dan op hun plaats.

Ten eerste: de meeste bomaanslagen zijn niet in Nederland gepleegd, maar in omliggende landen. Deze aanslagen werden grotendeels gepleegd door homegrown geradicaliseerden in eigen land, niet door terugkeerders.

Daarbij is het type aanslagen verschoven van terroristische netwerken die bommen tot ontploffingen brengen naar individuen die met messen insteken op voorbijgangers. Dat heeft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid kort geleden ertoe bewogen om het dreigingsniveau te verlagen van 4 naar 3.

Maar het belangrijkste punt is dat de aanslagplegers gefrustreerde mannen zijn en geen vrouwen of moeders. Waarom dan de vrouwen en de kinderen de dupe laten worden van de individuele acties van enkele mannen? Ook dit aspect is onder het online gescheld bedolven. Dit laat wel zien hoezeer het gevaar van IS-vrouwen wordt uitvergroot.

Je moet heilige witte huisjes aan de kaak kunnen stellen

Gert Jan Geling meent dat ik de racismekaart trek. Zou hij dat ook vinden als het ging om blanke vrouwen, homo’s en Joden? Door de suggestie dat de Nederlandse staat niet vrij is van raciale voorkeuren en door anti-moslim-sentimenten op deze manier af te doen, smoort hij het vrije woord dat hij zegt te verdedigen. Je mag het er eigenlijk niet over hebben. Maar we moeten het er juist wel met elkaar over hebben. Je moet heilige witte huisjes aan de kaak kunnen stellen.

Gert Jan schrijft dat de Nederlanders in buitenlandse gevangenissen en in IS-gebieden uit zowel kleurlingen als blanken bestaan. Dat is zeker waar. De etnische afkomst van de Nederlandse Syriëgangers varieert van Marokkaans, Somalisch, Antilliaans, Turks, Turks-Koerdisch tot Nederlands-autochtoon. Maar in de buitenlandse gevangenissen overheersen blanken (die waar mogelijk teruggehaald worden) en in de IS-gebieden zijn het kleurlingen (die niet teruggehaald worden). Deze nuances veranderen het beeld én de conclusies.

Nederland klopt zich op de borst als het om de mensenrechten gaat, maar moet ook de daad bij het woord voegen. Je kunt wel heel kritisch zijn over de situatie in bijvoorbeeld Iran of Saoedi-Arabië, maar als je tegelijkertijd de in Syrië opgesloten IS-vrouwen en -kinderen aan hun lot overlaat, dan zijn je met de mond beleden principes weinig waard.

Ten slotte valt mij op dat er in Nederland nauwelijks kritisch wordt gereflecteerd op de islamkwestie. Deze kwestie gaat terug tot de economische crisis van de jaren tachtig en is langzaam vernauwd tot een terrorismevraagstuk. Aanvankelijk waren het vooral de populisten die in deze pot roerden – Pim Fortuyn en Geert Wilders – maar met hun politieke opmars werd islamkritiek gemeengoed in Nederland.

Het allertreurigste is dat ook de Nederlandse staat steeds vaker dit geluid verkondigt, zoals ik in mijn vorige column al betoogde. Daarom is het de intellectuele plicht van columnisten om kritisch tegenover clichés over de islam te staan. En die kritische houding tegenover machthebbers mis ik bij Gert Jan Geling.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berchtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -