Ook zo genoten van het Europees Kampioenschap schaatsen? Of gleed het evenement ongemerkt aan u voorbij? Geen zorgen, het NK, wereldkampioenschap en de Olympische winterspelen komen nog. Als succesvol schaatsland zullen we genoeg medaillewinnaars (m/v) hebben. De NPO zal deze sportwinter weer vele uren met onze ijshelden vullen, ze schaatsen straks van Studio Sport naar het echte Journaal. Daar ziet de winnaar – nog een beetje buiten adem – er opvallend uniform uit: blij en blond.
Iedere Nederlander houdt van winnende landgenoten. Zeker in een tijd dat grote landen in de Geolympische Spelen het recht van de sterkste toepassen, vertelt het ons dat we toch een beetje meetellen. Het versterkt de nationale trots op ‘onze jongens en meiden’. Logisch dat bedrijven veel geld uitgeven om de gezichten van deze jonge helden tot boegbeeld te maken van hun reclame en sponsoring. Onbezoedelde sporten zijn het, zonder hooligans – en met alleen maar positieve mensen op de tribune. Ze geven ons land, zeg maar, het Unox-gevoel. Of in het geval van Max Verstappen een Red Bull-vibe.
Het journaal is dol op zulke beelden: de triomferende, buiten adem hijgende topsporter die met een medaille om de nek het land even optilt. In schaatsen, hockey, wielrennen en atletiek krijgen we de geruststellende boodschap: Nederland doet ertoe, Nederland wint, Nederland is één. Die gezichten worden rolmodellen, reclamedragers, moreelboosters. Alleen: in een oogopslag zien we óók de overheersende kleur van de nationale succesindustrie – wit.
Omdat de helden en heldinnen vaak tieners en twintigers zijn, zijn ze rolmodellen voor Nederlandse jongeren. Zeker in vrouwensporten floreren zelfbewuste girlpower-voorbeelden. Een schaatser als Jutta Leerdam is met haar flamboyante verschijning aanstekelijke ‘glamfemme’. Maar ook hardlopers Dafne Schippers, Femke Bol en Lieke Klaver zijn dat. Of Jessica Schilder (kogelstoten), Lorena Wiebes (wielrennen) en Vivianne Miedema (voetbal). Bij de mannen staan Jip Janssen (hockey), Mathieu van der Poel (wielrennen), Tallon Griekspoor (tennis) en Niels Vink (rolstoeltennis) te shinen.
Tussen de 18 sporters die voor Team NL naar de winterspelen in Milaan gaan, zit maar één Nederlander met een kleurtje (Sebas Diniz). De atletiek toont wel een trendbreuk, met Sifan Hassan als lichtend voorbeeld. Maar een rondje scrollen met Google-afbeeldingen door Oranje-selecties van keurige sporten leert dat tegenover één Sifan, bij wijze van spreken, tientallen Femkes staan.
Ja, in het mannenvoetbal en de vechtsporten zie je wél diversiteit. Maar daar is het nationale gevoel veel minder onschuldig. Het gaat er te vaak over geld en er hangt vaak rauwheid en conflict in de lucht – de feelgoodfactor ontbreekt.
In het mannenvoetbal en de vechtsporten zie je wél diversiteit
In een land waar 17 procent van de Nederlanders een migratieachtergrond heeft, is het vreemd dat de Oranje-teams in de bovenstaande sporten hooguit een paar procent kleur hebben. De enige Fatima die ooit succes had in het Nederlandse vrouwenhockey was een blonde Rotterdamse.
Dit is voor Nederlandse jongeren met een migratieachtergrond een afhaakmoment. Topsport moet in alle geledingen uitstralen dat niet je kom-af maar je inspanning succes brengt. Dat je in ons land met een migratieachtergrond succesvol kunt zijn in schaatsen, hockey, wielrennen of desnoods korfbal. Je identificeert je nou eenmaal net iets makkelijker met een succesvolle lookalike. Voorbeelden zijn belangrijk en ze moeten uitstralen dat iedereen binnen elke sport gelijke kans heeft op succes. Succesvolle Nederlanders van kleur in ‘witte sporten’ versterken de maatschappelijk positie van deze groep.
Nee, je zult me niet horen zeggen dat sportbonden, schaatsclubs, hockey- of wielerverenigingen discrimineren. Maar het is ook te makkelijk om de multiculturele afwezigheid af te doen als ‘Surinamers doen nou eenmaal niet aan schaatsen of ‘Culturele minderheden houden niet zo van hockey’. Dat laatste wordt ook weersproken door een land als Pakistan dat diverse malen wereldkampioen hockey werd.
Tijdens verkiezingen roepen we steevast dat iedereen moet meedoen. Die woorden zie ik graag terug op de ijsvloer van Thialf of in het nationale atletiekcentrum Papendal. Sportbonden, sportclubs en gemeentes mogen meer moeite doen om sportclubs multicultureel te maken. Ik voorspel dat dat niet alleen maar goed is voor de positie van culturele minderheden, maar zeker ook voor het aantal Nederlandse medailles.
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

