10.7 C
Amsterdam
Home Blog Pagina 997

Islamiseert Nederland? ‘Grote flauwekul’

10
‘Integratie is een proces dat heel veel tijd kost’, zegt Leo Lucassen. ‘Wil je het goed in kaart brengen, begrijpen en daar vervolgens zinnige conclusies aan verbinden, dan moet je een heel lange termijn bestuderen. Wetenschappers doen dat, politici niet.’

Migratiehistoricus Leo Lucassen is één van de weinige wetenschappers die zich op Twitter uitspreekt over actuele onderwerpen. Hij beschouwt dat als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. In zijn tweets laakt hij rechts-extremisme, factcheckt hij onjuiste uitspraken over de vluchtelingenkwestie en bekritiseert hij Donald Trump en Geert Wilders. Hij verklaarde onlangs tijdens het veelbesproken debat De vijfde colonne (het idee dat een groep mensen in een land of een andere eenheid, voor de vijand werkt; het idee suggereert een georganiseerd complot) over de ‘mislukte’ integratie, georganiseerd door Leefbaar Rotterdam, dat er geen vijfde colonne is in Nederland en dat hij zich juist zorgen maakt om het feit dat een groep mensen het land blank wil houden. De Kanttekening sprak Lucassen, onder meer over term de term integratie, de bewering dat de integratie is mislukt, het moeizame vestigingsproces van Turkse en Marokkaanse Nederlanders, Turkse Nederlanders die trouw zijn aan Recep Tayyip Erdogan, de angst voor moslims in Europa, GeenStijl, de neergang van de PvdA en de opkomst van Denk.

Wat is integratie?
‘Daar kun je van alles onder verstaan. Als wetenschapper kijk ik vooral naar identificationele en structurele integratie. In beide dimensies gaat het erom in hoeverre migranten en autochtonen op de langere termijn op een aantal vlakken dichter bij elkaar komen of op elkaar gaan lijken. Dat is een tweezijdig proces. Bij identificationele integratie gaat het om wederzijdse identificatie, dus of je de ander beschouwt als iemand met wie je je verwant voelt. Bij structurele integratie gaat het om zaken als onderwijs, werk en wonen. Hoe doen migranten en hun nakomelingen het in het onderwijs en op de arbeidsmarkt? Waar wonen ze, verspreid of dicht bij elkaar? Identificationele integratie kun je meten door te kijken naar met wie mensen trouwen. Als mensen voornamelijk binnen de eigen groep blijven trouwen, ook over generaties, dan kun je concluderen dat er op dit punt blijkbaar een drempel is. Die kan onder meer religieus van aard zijn. Je kunt ook kijken naar vriendennetwerken en verengingen. Hebben Turkse Nederlanders bijvoorbeeld vooral vrienden met een Turkse achtergrond? Zijn zij vooral lid van ‘etnische’ of algemene verenigingen? Sommige groepen zijn goed geïntegreerd op structureel gebied, maar niet op identificationeel vlak, zoals Chinese Nederlanders. Ze hebben goede banen, zijn hoogopgeleid en wonen verspreid, maar trouwen vooral binnen de eigen groep.’

In het boek Winnaars en verliezers: een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie (2011), dat je samen met je broer schreef, beschrijven jullie het belang van de slechte timing van het begin van het vestigingsproces van onder meer Turkse en Marokkaanse ‘gastarbeiders’. Dat had een belangrijke rol in het moeizaam verlopen van hun integratieproces. Kan je dat kort samenvatten?
‘Het begin van het massale vestigingsproces van Turkse en Marokkaanse Nederlanders vond plaats op een bijzonder ongelukkig moment. Ongelukkig met name in economisch opzicht. Het viel namelijk samen met een vrij lange recessie die aan het einde van de jaren zeventig inzette. Net toen de economie verslechterde, kwam de gezinshereniging op gang. Heel veel migranten verloren hun baan, omdat ze waren geworven voor sectoren, zoals textiel en scheepswerven, en juist daar sloten bedrijven massaal hun deuren. Samen met hun gezinnen die pas waren overgekomen leefden ze in de slechtste huizen in de slechtste wijken van de grote steden. En dan moet hét integratieproces nog beginnen. Bovendien waren deze ‘gastarbeiders’ geselecteerd op lage scholing en spraken velen van hen nauwelijks Nederlands. Dat het vestigingsproces moeizaam zou verlopen, was onvermijdelijk. Het ging gepaard met allerlei sociale en culturele problemen. Als je iets zinnigs wil zeggen over hoe hun nakomelingen het nu doen, dan moet je heel goed rekening houden met dit uitgangspunt.’

In integratiemonitors delven Turkse en Marokkaanse Nederlanders het onderspit bij vergelijkingen met willekeurige autochtone Nederlanders. Voor een realistische weergave van het integratieniveau, pleit jij ervoor Nederlanders met een migratieachtergrond te vergelijken met autochtone Nederlanders met vergelijkbare sociaal-economische achtergronden, uit de lagere arbeidersmilieus. In hoeverre zou dat het doemscenario dat sommigen propageren over de integratie, ontkrachten?
‘Er zou een florissanter beeld ontstaan voor Nederlanders met een migratieachtergrond. Het doemscenario wordt inderdaad heel sterk gestimuleerd door de manier waarop integratie wordt gemeten. Het vergelijken van kinderen van laaggeschoolde arbeidsmigranten met het gemiddelde niveau van hun Nederlandse leeftijdsgenoten, zonder essentiële sociaal-economische factoren in acht te nemen, is een wedstrijd die Turkse en Marokkaanse Nederlanders op dit moment niet kunnen winnen. Hun ouders hadden nauwelijks scholing, onder hen waren veel analfabeten, en bovendien begonnen ze dus op een heel ongelukkig moment aan hun integratieproces. Als je daar geen rekening mee houdt bij het beoordelen van hoe het nu gaat met hun kinderen, dan snap je niet wat er aan de hand is. Daarom pleit ik voor vergelijkingen op basis van vergelijkbare sociaal-economische achtergronden. Als je de tweede generatie dan gaat vergelijken, dan zou het mij niet verbazen als blijkt dat Turkse en Marokkaanse Nederlanders het veel beter doen. Daar weten we over een jaar of vier meer over. Ik ga er zelf binnenkort samen met het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut onderzoek naar doen.’

Er is dus genoeg reden voor optimisme?
‘Uit de integratiemonitor van vorig jaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt hoe snel sommige Turkse en Marokkaanse Nederlanders hun onderwijsachterstanden aan het inhalen zijn. Een deel van hen doet het wonderbaarlijk goed, vooral als je bedenkt dat ze de kinderen zijn van niet of nauwelijks geschoolde of soms zelfs analfabete ‘gastarbeiders’. Ze maken enorme sprongen. Wat betreft sociale mobiliteit bijvoorbeeld gaat het zelfs vaak om veel grotere sprongen dan vergelijkbare autochtone Nederlanders van dezelfde leeftijd. Met andere Turkse en Marokkaanse Nederlanders gaat het veel minder goed. Ze hebben bijvoorbeeld een strafblad en geen opleiding of baan. En anderen zitten er tussenin, het is nog niet goed te zeggen waar zij zullen eindigen. Al met al, als je je realiseert waar deze mensen vandaan komen en de ongelukkige timing van het vestigingsproces in acht neemt, dan hoeven we echt niet te klagen. Sterker nog, dan zie je dat er op een aantal punten echt verrassend positieve ontwikkelingen zijn. Ik ben dan ook gematigd optimistisch. Dat wil niet zeggen dat er geen problemen zijn, die zijn er wel, zoals werkloosheid en criminaliteit. En die moeten aangepakt worden, net als bij andere Nederlanders die in een vergelijkbare positie zitten.’

Hoe problematisch is de toenemende aantrekkingskracht van het salafisme?
‘Een minderheid van de moslims in Nederland voelt zich aangetrokken tot het salafisme, maar goed, het zijn er nog steeds veel en gezien de zeer conservatieve ideologie kan ik mij goed voorstellen dat daar zorgen over bestaan (volgens ruime schattingen van deskundigen zijn er dertig- tot veertigduizend salafisten in Nederland, red.). Daar staat tegenover dat in het algemeen de religiositeit van de tweede generatie Turkse en Marokkaanse Nederlanders eerder af- dan toeneemt. En voor zover de tweede generatie religieus blijft, dat staat structurele integratie niet in de weg, blijkt uit onderzoek van Mieke Maliepaard van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum. Je ziet dus heel verschillende ontwikkelingen. Dan kun je je wel volledig concentreren op dat clubje salafisten, maar feit is dat ze een klein deel van het geheel vormen. Voor dit soort nuances is nauwelijks ruimte in het integratiedebat.’

Oversimplificeren politici integratie, bewust of onbewust, met uitspraken als ‘de integratie is mislukt’?
‘Ja, dat doen ze zeker. Ze gooien het op een grote hoop. Dat bemoeilijkt het integratiedebat. Het is begrijpelijk dat politici complexe onderwerpen, zoals integratie, simpel willen uitleggen. Daar is niets mis mee. Maar wat ze in dit geval ook doen, is dat ze integratie als een politiek en normatief begrip gebruiken. Integratie is een proces dat heel veel tijd kost. Wil je het goed in kaart brengen, begrijpen en daar vervolgens zinnige conclusies aan verbinden, dan moet je de lange termijn bestuderen. Wetenschappers doen dat, politici niet. Politici zijn ongeduldig. Ze spraken al in de jaren negentig van de ‘mislukte’ integratie van Turkse en Marokkaanse Nederlanders. En dat terwijl de tweede generatie toen – letterlijk – nog in de kinderschoenen stond. De verwachting dat migranten volledig integreren binnen twintig jaar, voor zover volledige integratie überhaupt mogelijk is, is volstrekt onrealistisch.’

Politici benoemen zowel echte als zelfgecreëerde ofwel ingebeelde problemen om zich vervolgens te presenteren als ‘de oplossing’. Dat is vintage Machiavelli, een blauwdruk voor electoraal succes.
‘Toen een parlementaire enquêtecommissie op basis van een heel uitgebreid onderzoek, onder leiding van de VVD’er Stef Blok, in 2004 constateerde dat de integratie in ieder geval gedeeltelijk was gelúkt, was de Tweede Kamer te klein. Dat mocht je niet zeggen, want we wisten toch allemaal dat de integratie compleet mislukt was! Politici zijn inderdaad geneigd te focussen op zaken die niet goed gaan, zoals criminaliteit en werkloosheid, en die dan vervolgens heel sterk uit te vergroten en aan etniciteit te koppelen. Stemmen trekken is natuurlijk vaak de belangrijkste drijfveer. Positieve ontwikkelingen worden vaak niet of nauwelijks waargenomen. En zelfs als ze worden gezien, worden ze vaak niet benoemd. Als je zegt dat de integratie is mislukt, wat bedoel je daar dan eigenlijk mee? Dat er nooit meer iets zal worden van de mensen op wie je doelt? Het is nogal een boude uitspraak, die ook echt geen recht doet aan de realiteit die geschetst wordt door allerlei onderzoeken, met name die van de overheid zelf. Blijkbaar lezen politici al die integratiemonitoren niet. Dat zijn allemaal zéér degelijke onderzoeken. Neem het Turks nationalisme van Turkse Nederlanders waar nu zo veel ophef over is. Daar zoomen politici enorm op in. Daarbij verliezen ze vaak uit het oog dat ze maar naar een deel van het geheel kijken. Zo zwaaien veruit de meeste Turkse Nederlanders niet met Turkse vlaggen op straat. En ja, 70,7 procent stemde bij het recente grondwetsreferendum in Turkije voor het beleid van Erdogan, maar de opkomst was nog geen 47 procent, wat de steun terugbrengt naar ongeveer een derde van de Turks-Nederlandse stemgerechtigden. Blijkbaar voelden veel Turkse Nederlanders zich helemaal niet zo betrokken bij de huidige Turkse politiek. Maar wat blijft hangen in het publieke debat is die 70,7 procent. Politici benoemen dit soort feiten zelden. In plaats daarvan doen ze paniekerig en extreem negatief. Voor alle duidelijkheid, er zijn wel degelijk problemen, dat ontken ik niet! Maar je moet ze wel in de juiste context plaatsen en dat doen politici vaak niet.’

Feit blijft dat de bewering dat de sociaal-culturele integratie van de Turkse Nederlanders is mislukt, niet zomaar uit de lucht komt vallen. Ongeveer een derde van de 252.839 Turks-Nederlandse stemgerechtigden, is inderdaad een minderheid, maar nog steeds een niet te verwaarlozen aantal. We hebben het over ruim 80.000 mensen die een autocraat steunen die mensenrechten aan zijn laars lapt en Nederlanders heeft aangemerkt als ‘nazioverblijfselen en fascisten’.
‘Wanneer vinden wij dat de sociaal-culturele integratie gelukt is? Wanneer de Turkse Nederlanders een kopie zijn van ‘de’ autochtone Nederlanders? Als dat de maatstaf is en dat is inderdaad de maatstaf die velen hanteren, dan kan integratie per definitie niet slagen. Feit is echter dat dit soort processen zich anders voltrekken. Mensen behouden namelijk altijd deels hun eigen kenmerken. Ik zou niet weten wat daar slecht aan is, zolang ze zich aan de Grondwet houden. Als je zegt dat iets is mislukt, dan zeg je dat het nooit meer lukt. Het is een eindpunt. Het enige wat je kunt constateren, is dat er nogal wat Turkse Nederlanders zijn die zich om welke reden dan ook meer veréénzelvigen, politiek gezien, met Turkije, in dit geval met Erdogan, dan met de Nederlandse politiek. Dat is opmerkelijk, want je verwacht dat de mensen die hier geboren zijn zich meer op de Nederlandse politiek en samenleving richten. Hoe komt het dat deze mensen dat niet doen? Daar zijn verschillende redenen voor. Eén daarvan is het Turks nationalisme. Turkije kent al sinds Mustafa Kemal Atatürk een zeer nationalistische politieke cultuur. De meeste Turken zijn opgegroeid met de vanzelfsprekendheid van Turkije als het beste land, een grote natie waar je eigenlijk altijd onderdeel van blijft. Het is een vrij extreme vorm van nationalisme, dat veel sterker is dan het Nederlands nationalisme. Een andere reden is dat de Turkse staat het nationalisme ook exporteert en in stand probeert te houden door actief greep te houden op wat ze beschouwt als haar staatsburgers, onder meer via moskeeën, die rechtstreeks worden aangestuurd door het Turkse Presidium voor Religieuze Zaken, Diyanet. Ankara doet er van alles aan om de migranten in Europa aan zich te binden. Een andere reden is dat de overgrote meerderheid van de Turkse ‘gastarbeiders’ zijn geworven in het meest conservatieve deel van Turkije, het platteland in Anatolië. Dat zijn gemeenschappen die vrijwel altijd, waar dan ook ter wereld, conservatiever zijn. Een andere reden heeft betrekking op het feit dat sommigen zich hier niet thuis voelen. Ik begrijp dat. Als Turkse Nederlanders keer op keer te horen krijgen, in de media of op straat, dat ze anders zijn, dat ze hier niet thuishoren, en met discriminatie op de arbeidsmarkt worden geconfronteerd, dan kan dat er toe leiden dat ze zich terugtrekken in de eigen kring. Uiteindelijk is de vraag, moeten we het erg vinden dat al die vlaggenwaaiers zich sterk verbonden voelen met Turkije?’

Waar ligt de grens?
‘Die ligt bij het overtreden van de wet. Daar is in dit geval wel sprake van, aangezien er veel meldingen zijn van intimidatie en bedreiging van gülenisten. De overheid moet heel duidelijk maken dat dat absoluut niet kan en de daders vervolgen. Als je Turkse conflicten importeert naar Nederland, dan overschrijd je een rode lijn. Je ondermijnt daarmee de fundamenten van onze rechtsstaat. In die zin zijn de Turkse spanningen hier zorgwekkend, absoluut.’

Hoe moet de overheid omgaan met mensen die hier zijn geboren, maar dit land haten?
‘Er zijn ook autochtone Nederlanders die dit land haten. Dat valt onder de vrijheid van meningsuiting. De overheid moet pas ingrijpen als de wet wordt overtreden. Breivik haatte Noorwegen, althans het Noorwegen zoals hij dat voor zich zag. Als gevolg daarvan heeft hij een verschrikkelijke terreuraanslag gepleegd. Maar het had ook zo kunnen zijn dat hij dat niet had gedaan en het niet had willen doen, maar wel heel zijn leven een hekel had gehad aan zijn land. Mensen hebben, of je het leuk vindt of niet, recht op haat.’

Sommige mensen die racisme en andere vormen van discriminatie aan de kaak stellen worden beroepsslachtoffers genoemd. Wat vind je daarvan?
‘Er wordt nu veel over beroepsslachtoffers gesproken. Wat daarmee wordt bedoeld, is mij niet geheel duidelijk. Je kunt blijkbaar blijven hangen in slachtofferschap. Je kunt ook zeggen: het is klote dat ik word gediscrimineerd, maar ik laat mij er niet onder krijgen, ik ga twee keer zo hard mijn best doen. Tuurlijk is dat een goede reactie. Maar evenzeer is het een goede reactie om discriminatie aan te kaarten. Wat je nu te vaak ziet, is dat mensen die dat doen, onterecht worden weggezet als beroepsslachtoffers. Dat keur ik af. Het is heel belangrijk om structurele discriminatie aan te pakken, niet alleen moreel gezien, maar ook omdat het de samenleving veel geld kost. Discriminatie belemmert het zo goed mogelijk benutten van menselijk kapitaal. Zo creëert het meer werkloosheid en criminaliteit, omdat sommige mensen die niet aan de bak komen crimineel worden, en het zorgt ervoor dat mensen onder hun niveau werken.’

Nooit eerder hebben zo veel moslims gewoond in Europa. Mensen vrezen dat de islam steeds meer voet aan de grond krijgt. Sommigen spreken zelfs van ‘islamisering’ en beweren dat de moslims een gevaar vormen voor Europa. Wat vind jij van dit soort claims?
‘Het idee dat Europa wordt bedreigd door ‘de’ moslims, is écht grote flauwekul. Als je je puur focust op onderzoeksresultaten, dan snap je dat. Moslims vormen maar een klein deel van de Europese bevolking, nog geen vijf procent. In Nederland gaat het om vijf tot zes procent. In Oost-Europa woont bijna geen enkele moslim. Het idee dat moslims de boel gaan overnemen, is dus puur getalsmatig gezien, moeilijk vol te houden. Daar komt bij dat verreweg de meeste moslims dat ook helemaal niet willen. De meeste moslims hebben tamelijk gematigde opvattingen over allerlei zaken en 99,9 procent van de moslims moet helemaal niets hebben van terrorisme. Bovendien zijn de meeste slachtoffers van terreurgroepen als IS en al-Qaeda zelf moslim. ‘Europa islamiseert’, ‘Europa verandert in een Eurabië’, ‘de moslims vormen een bedreiging voor Europa’. Zulke claims zijn heel gevaarlijk. Volgens de retoriek achter zulke claims moet in feite iedere moslim beschouwd worden als een potentiële verdachte. Het doet mij erg denken aan het antisemitisme voor de Tweede Wereldoorlog. Het is héél vergelijkbaar. Toen werden vergelijkbare beschuldigingen geuit tegen de joden. De joden zouden in het geheim Europa verjoodsen en overnemen. Zulke complottheorieën en verdachtmakingen kunnen er al heel gauw toe leiden dat alle moslims onder vuur worden genomen. Onder extreme politieke omstandigheden kan dat tot grote rampen leiden, zoals de Holocaust en de Armeense Genocide, waarbij Turkse nationalisten, de Jonge Turken, de Armeniërs ervan beschuldigden een vijfde colonne te vormen, hebben laten zien. Dat alles neemt natuurlijk niet weg dat er inderdaad heel akelige clubjes en individuen bestaan die zich beroepen op de islam. Sommige orthodoxe stromingen in de islam kunnen, bewust of onbewust, radicalisering stimuleren en legitimeren en leiden tot terrorisme. Hoewel de extremisten maar een zeer kleine minderheid van de moslims vormen, kunnen ze ongelofelijk veel schade en leed berokkenen. Een paar terroristen is genoeg om een enorme impact te hebben op de samenleving, zoals de aanslagen in Parijs, Brussel en recentelijk Manchester hebben aangetoond. Overigens valt op dat de meeste plegers van dit soort aanslagen tot kort voor hun daad nauwelijks religieus waren, om vervolgens in rap tempo te radicaliseren, waarbij ze zich ineens op de islam beroepen.’

Jij bent één van de weinige wetenschappers die zich op Twitter uitspreken over actuele issues. Beschouw je dat als een maatschappelijke verantwoordelijkheid? En wat vind je ervan dat zo weinig wetenschappers van zich laten horen op social media?
‘Ja, ik zie het als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het is een medium waarmee je wel impact kunt hebben. In zijn algemeenheid vind ik het een opdracht en een taak voor wetenschappers om datgene wat zij weten en onderzoeken, te verspreiden onder een zo breed mogelijk deel van de bevolking. Dat wordt valorisatie genoemd. Twitter is één van de tools die je kunt gebruiken om dat te doen. Wetenschappers moeten zich meer rekenschap geven van wat ze doen met hun kennis. Maar de mate van belangstelling die je als wetenschapper op Twitter kunt bereiken wordt natuurlijk grotendeels bepaald door het onderwerp waarmee je je bezighoudt. Ik houd me nu toevallig bezig met een thema waarover veel politiek en maatschappelijk gedoe is. Ik had ook de agrarische geschiedenis kunnen onderzoeken. Dan kun je twitteren wat je wil, maar je zult weinig volgers krijgen. Maar er zijn ook wetenschappers die ik graag wat vaker zou willen horen in het publieke debat. Veel wetenschappers die onderwerpen behandelen waarover behoefte is aan kennis, hoor je niet of nauwelijks. Ze moeten hun kennis beter uitventen.’

Op Twitter heb je meermaals felle kritiek geuit op Trump. Wat bevalt je niet aan hem?
‘Hij is volstrekt incompetent. Nu is de wereld bezaaid met incompetente mannen en vrouwen, maar deze man is toevallig wel de belangrijkste machtigste politicus ter wereld. Ik maak me er ernstig zorgen over dat zó iemand op zó een plek terecht is gekomen. Een groot punt van zorg zijn de consequenties van zijn presidentschap voor het armere deel van Amerika, dat gewoon keihard is genaaid, om het maar even ondiplomatiek te zeggen. Zijn binnenlands beleid, zoals het afschaffen van Obamacare, laat zien dat de armsten het gelag gaan betalen. Dat vind ik vanuit het oogpunt van sociaal-economische gelijkheid een zeer problematische ontwikkeling. Een ander pijnpunt is dat deze man een bedreiging vormt voor de democratie. Hij ondermijnt de vrije pers en maakt het uitsluiten van mensen op etnische, religieuze en seksuele gronden salonfähig. En dat is iets wat zich niet tot Amerika beperkt. Je ziet dat ook bepaalde groeperingen in Europa zich steeds meer gelegitimeerd voelen in hun extremisme door het feit dat er nu zo iemand in het Witte Huis zit. In een recent gepubliceerd onderzoeksrapport over de groei van extreem-rechts in Nederland wordt daarnaar verwezen. Het enige positieve dat je over Trump kan zeggen, is dat veel Europeanen inzien dat je met populisme niet veel opschiet. Dat heeft een grote rol gespeeld in de overwinning van Emmanuel Macron, Angela Merkels goede performance in de recente peilingen en het feit dat de PVV minder zetels heeft behaald dan de hoge aantallen die sommige peilingen voorspelden. In die zin heeft Trumps presidentschap ook gunstige effecten.’

GeenStijl staat onder druk vanwege seksisme. Sommigen pleiten voor de sluiting van de weblog. Wordt GeenStijl’s vrijheid van meningsuiting ondermijnd?
‘Sluiten hoeft niet van mij. Maar voor zover de vrijheid van meningsuiting van GeenStijl nu wordt ondermijnd, dat heeft ze toch écht aan zichzelf te danken. Ook GeenStijl moet zich aan een aantal spelregels houden. Regels die te maken hebben met zaken als fatsoen, belediging, discriminatie en het aanzetten tot haat of geweld. Als je over de schreef gaat, dan moet je niet vreemd opkijken wanneer mensen zich tegen je verzetten en je een hoop tegenwind krijgt. Dan moet je ruggengraat tonen en niet onmiddellijk janken en klagen dat je wordt gedemoniseerd en noem het allemaal maar op. Precies wat ze zelf tegenover anderen doen. Wees dan een vent óf een vrouw en zeg dat je seksisme normaal vindt, punt. GeenStijl krijgt nu een koekje van eigen deeg. De bal wordt hard teruggekaatst. Dat is ook niet zó verwonderlijk als je kijkt naar wat GeenStijl’ers zelf allemaal gedaan hebben. Ze hebben een hoop onzin verkondigd over vluchtelingen, Nederlanders met een migratieachtergrond en veel andere groepen en personen, waar overigens vaak helemaal geen ophef over was. Bovendien waren ze zelf niet vies van karaktermoord.’

PvdA-kopstuk Ronald Plasterk pleitte er onlangs in de Volkskrant voor dat Tweede Kamerleden van zijn partij zich ondergeschikt maken aan GroenLinks-leider Jesse Klaver, zodat een brede linkse partij kan ontstaan. Wat is jouw visie op de neergang van de PvdA? Is de houdbaarheidsdatum van de partij verstreken? Moet ze opgeheven worden?
‘Nee, maar de leiding van de partij moet wel heel goed nadenken over haar koers en positionering binnen het linkse veld. De partij heeft momenteel twee grote problemen. Ten eerste is ze als sociaal-democratische partij wel heel ver meegegaan in wat we nu het neoliberalisme noemen, vooral in de paarse kabinetten van de jaren negentig. Daardoor is de klassieke achterban zich steeds minder gaan herkennen in de partij. Ten tweede worstelen ze met het migratievraagstuk. Daar heb ik Lodewijk Asscher wel eens over gesproken. Er is een stroming binnen de partij die zegt dat je heel solidair moet zijn met migranten, maar een deel van de klassieke achterban heeft daar moeite mee. Om dat deel binnenboord te houden of terug te winnen, moet je heel goed uitleggen dat je ook wel degelijk naar problemen wil kijken en ze wil oplossen, maar dat je principieel niet onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ wil maken, omdat dat ingaat tegen alle principes van de sociaal-democratie. Dat is helemaal geen gemakkelijke opdracht. Maar dat ze daar de afgelopen decennia niet in zijn geslaagd, is duidelijk. Alleen als de PvdA daarin slaagt, heeft ze toekomst.’

Wat vind je van Denk?
‘Op aanvraag van de actiegroep Ieder1 heb ik voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart verkiezingsprogramma’s gescoord op inclusiviteit. Daar kwam Denk erg goed uit. Kijk je alleen naar wat er op papier staat, dan is het een heel inclusieve partij als het gaat om bijvoorbeeld migratie en emancipatie. Maar als je vervolgens kijkt naar bepaalde uitspraken van de leiders van deze partij, vooral over de situatie in Turkije; daar word ik een stuk minder blij van. Het is dan ook zeker geen partij waar ik op zou stemmen. Aan de andere kant, het is wel een interessante partij. Waarom? Omdat voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis nakomelingen van migranten een partij hebben opgericht, met als reden dat ze zich niet meer thuis voelen bij de reguliere Nederlandse partijen. Wat je daar dan verder ook van vindt, dat op zichzelf is een vorm van emancipatie.’

In een opiniestuk in de NRC over de vluchtelingenkwestie schrijf je dat de Europese Unie moet bewijzen dat ze een waardegemeenschap is met humanitaire beginselen en onderlinge solidariteit als belangrijkste elementen. Op het internationale toneel spelen morele waarden echter meestal vrijwel geen rol. Bijna alles draait om belangen en het maximaliseren van macht, zoals internationale betrekkingen-experts zoals Hans Morgenthau, Stephen Walt en John Mearsheimer hebben geconstateerd. Is het niet naïef om te verwachten dat internationale actoren prioriteit toekennen aan morele waarden?
‘Het zou wel heel cynisch zijn om te verwachten dat ze dat niet doen. Natuurlijk weet ik dat het draait om belangen, dat er Realpolitik is, dat is altijd al zo geweest en dat zal altijd zo blijven. Maar het is geen zero-sum game, het is niet het één of het ander. De belangen zijn er en ze zullen altijd interfereren met morele waarden. Maar dat wil niet zeggen dat je daarom bijvoorbeeld op moet houden met het promoten van mensenrechten. In de EU-wetgeving zijn allerlei morele waarden vastgelegd. De EU is verplicht daarnaar te handelen. Overigens is het op de lange termijn ook erg dom om dat niet te doen. Het is dus niet alleen the right thing to do, maar ook the smart thing to do. Als we bijvoorbeeld het Midden-Oosten en Noord Afrika keihard uitknijpen en geen migranten meer toelaten, dan is het zeer de vraag of dat op de langere termijn een verstandig beleid is. Zo kan het extremisme voeden en creëren en ertoe leiden dat we menselijk kapitaal in die continenten niet benutten.’

‘Alleen als je stopt heb je gefaald’

0
De Kanttekening spreekt ‘nieuwe’ Nederlanders die op weg zijn naar de top. Deze week: Surinaamse Nederlander Aries Sporkslede (27).

Wat doe je?
‘Momenteel ben ik vooral met drie dingen bezig. Ik vorm een dj-team als onderdeel van Smash & Aries. Ik heb een eigen radioshow, iedere vrijdagavond tussen negen en tien. Daarnaast doe ik stand-up comedy en run ik de stichting Get Entertained. Get Entertained wil talentvolle jongeren helpen zich te ontwikkelen door ze niet dezelfde fouten te laten maken die ik en vele anderen maakten. Door eigen ervaring weet ik dat je in sommige valkuilen kunt stappen. Daar proberen we anderen voor te behoeden. Onder deze stichting valt het radiostation Hot O Twenty, waar we onze show hebben. Het doel van de show was aanvankelijk om leden voor de stichting te werven, maar omdat het zo’n succes was, zijn we er gewoon mee door gegaan.’

Waar wil je heen?
‘Mijn toekomst draait om twee dingen. Ik heb een té groot hart voor muziek en comedy. Maar het grootste doel voor nu is om met Smash & Aries internationale boekingen te krijgen. Sinds begin dit jaar hebben we getekend bij De Groot Music Group van Brace (de zanger die onder andere bekend werd door zijn samenwerking met Ali B, red.). Nu proberen we zo veel mogelijk te produceren, zodat we nog meer op gaan vallen. Toch is dat moeilijk. Je wilt je muziek op een bepaalde manier maken, in mijn geval met liefde voor hiphop, maar het zijn andere tijden. Alles is gemixt tegenwoordig, een vleugje van dit, een beetje van dat. De tweede liefde dan, comedy, is altijd op de achtergrond aanwezig en dat zal zo blijven. Kenneth Asporaat, het broertje van stand-up comedian Jandino, runt één van de organisaties die mijn boekingen doet. Dus daar ga ik gewoon mee door. Stand-up comedy is een soort therapie voor me: de alledaagse dingen op de hak nemen om je zorgen kwijt te raken. Iedereen moet rekeningen betalen, toch? Dan kun je er maar het best een beetje om lachen.’

Heb je een kruiwagen?
‘Zeker. Mijn moeder is vijf jaar geleden overleden, zij geloofde altijd in me. Daarnaast was mijn vader een Surinaamse radio personality een grote inspiratiebron, van hem heb ik mijn gevoel voor radio, denk ik. Vroeger luisterde ik altijd naar Villa 65, van de huidige labelbaas van Top Notch (de grootste hiphoplabel van Nederland, red.), Kees de Koning. Verder had ik een broer die danste en mijn neef die beats maakte. Dat inspireerde mij ook om zelf dingen te gaan doen. Als ik kijk naar het hosten van shows, is Murth een voorbeeld. Ik zag hem eens een show hosten en ik weet nog dat ik dacht: ‘dat wil ik ook.’ Toch heb ik wel altijd iemand gemist die me écht kon vertellen hoe je dit of dat moest aanpakken. Wij moesten alles zelf uitvogelen en daardoor raak je veel tijd kwijt. Tijd die je liever kwijt bent aan het maken van de dingen waar je goed in bent. Vandaar onze stichting.’

Wat zijn de beren op de weg?
‘Ik moest veel dingen zelf doen. Ik luisterde niet te veel naar mensen die zeggen hoe je dingen moet doen. Ik bedoel, natuurlijk moet je luisteren naar mensen die ergens ervaring mee hebben, maar veel mensen roepen maar wat. Hoe je achter veel dingen komt? Internet! De meeste opkomende artiesten hebben nog niet helemaal door waar ze mee bezig zijn, wat hun vak inhoudt. Voetballers trainen ook elke dag! Ik zal daar een voorbeeld van geven. Ik organiseerde eens een festival en één van de geboekte artiesten liet me weten dat alles via zijn manager moest worden afgehandeld. Op de dag van zijn optreden kreeg ik een muziekbestand van de manager in mijn handen gedrukt dat niet kon worden afgespeeld, omdat het in een verkeerd formaat was opgeslagen. De artiest werd boos op mij, terwijl hij natuurlijk boos op zichzelf moest zijn. Later is het goedgekomen. Maar zo zie je maar dat een manager pas waarde heeft als je zelf niet meer alles kunt doen en dan nog moet je weten wat zo iemand voor jou doet.’

Heb je tips?
‘Tja, dan kom ik allereerst op een cliché uit, maar het is wel waar: als je iets écht wil en je gelooft dat het kan, dan moet je niet aan jezelf twijfelen. Falen kan niet! Alleen als je stopt heb je gefaald. De rest is een leerproces, iedere dag weer.’

Nederlandse moslims over ramadan: ‘Je organen krijgen rust’

1

‘Ik reflecteer op mijn leven en mezelf’, zegt moslima Daliya Franco over hoe zij de ramadan beleeft. ‘Het is een maand waarin ik mezelf reinig van negatieve gedachten, begeerten en zonden.’

De ramadan is zaterdag begonnen. Mensen die vasten mogen dertig dagen niet eten, drinken, roken en vrijen tussen zonsopgang en zonsondergang. Het is een periode van bezinning, opoffering en medeleven. De ramadan wordt afgesloten met het Suikerfeest en duurt dit jaar tot 24 juni. De Kanttekening sprak drie Nederlandse moslims over de ramadan en geeft een overzicht van opmerkelijke feiten over de vastenmaand.

Jilali Bennani

‘Hoe beter je de ramadan benut, des te sterker je eruit komt’

Ben je goed voorbereid op de ramadan?
‘Ik heb me voorgenomen alles goed te plannen, zodat ik niets verwaarloos. Ik werk dit jaar halve dagen tijdens de ramadan. Zo hoop ik energie te hebben om na het eten te bidden in een moskee en daarna te sporten.’

Wat wil je verbeteren aan jezelf?
‘Ik wil echt het maximale uit de ramadan halen. Dat betekent iedere avond alle gebeden doen, de Koran volledig uitlezen en verschillende moskeeën bezoeken. Het is een maand van saamhorigheid en gezelligheid, waarin je je familie ook meer ziet.’

Wat voor invloed heeft de ramadan op je lichaam?
‘Een reinigende werking. Het is wel belangrijk om slim te eten. Ik ben daar nu heel bewust mee bezig. Ik weet precies wat ik ‘s avonds ga eten. Ik ga me niet volproppen. Ik zorg dat mijn lichaam de beste voedingsstoffen binnenkrijgt. In het verleden at ik van alles en nog wat. Nu heb ik een gebalanceerd dieet. Vasten heeft een gunstig effect op je lichaam en geest. Je kunt het beter doorstaan als je op je voeding let.’

Heb je bepaalde rituelen?
‘Bij iedere maaltijd een glaasje melk en een dadel. De profeet deed dat ook altijd.’

Wat betekent de ramadan voor jou?
‘Het is een maand van bezinning. Hoe beter je de ramadan benut, des te sterker je eruit komt. Mijn geloof wordt echt sterker in deze maand. Ik vind het altijd jammer als de ramadan voorbij is. Ik bid dat ik de volgende ramadan ook weer mag meemaken.’

Daliya Franco

‘Ik wil meer discipline ontwikkelen’

Wat betekent ramadan voor jou?
‘Ramadan is veel meer dan niet eten en drinken. Voor mij is het een maand waarin ik dichter bij mijn schepper kom en om vergeving vraag. Ik reflecteer op mijn leven en mezelf. Welke slechte gewoonten heb ik? Hoe kan ik mijn leven verbeteren? Heb ik de afgelopen tijd iets voor een ander gedaan? Met welke daden kan ik mijn medemens helpen? Hoe kan ik de leer van de Koran in praktijk brengen? Het is een maand waarin ik mezelf reinig van negatieve gedachten, begeerten en zonden.’

Hoe ga je de ramadan beleven?
‘Ik wil nieuwe recepten proberen en beter letten op mijn voeding. Ik wil ook vaker naar lezingen gaan, zodat ik meer kennis over het geloof kan opdoen. Ook wil ik zo vaak mogelijk deelnemen aan de gebeden in de moskee. Dat alles heeft als doel om mijn geloof nog meer te versterken in deze heilige maand.’

Heb je jezelf nog een doel gesteld?
‘Mijn doel dit jaar is de Koran uitlezen en reciteren. Ook wil ik niet te veel bezig zijn met onbelangrijke, aardse zaken, zoals tijd doden op Facebook zitten of te veel Netflix kijken. Mijn studie gaat wel door. Dat kost energie. Daarom wil ik elke dag een middagdutje doen zodat mijn lichaam zich kan opladen. Vorig jaar had ik slaaptekort tijdens de ramadan. Verder wil ik blijven fitnessen. Vorig jaar was ik daarmee gestopt tijdens de ramadan, omdat ik dacht dat ik het niet aan zou kunnen. Ik wil meer discipline ontwikkelen, zodat ik dat ook na de ramadan voort kan zetten.’

Doet iedereen in je omgeving mee aan de ramadan?
‘Thuis ben ik de enige die vast, omdat mijn familieleden niet islamitisch zijn. Mijn beste vriendinnen, op één na, zijn dat ook niet. Ik heb mij op sommige dagen heel eenzaam gevoeld, vooral tijdens de suhur (de maaltijd die vroeg in de ochtend voor het vasten wordt genuttigd, red.). Iedereen slaapt bij mij thuis en dan zit ik aan de keukentafel in mijn eentje te eten. Desondanks zie ik het als een beproeving en zeg ik alhamdoelillah (God zij dank, red.). Ik denk dan altijd aan de mensen die het moeilijker hebben. Sommige mensen hebben geen familie, onderdak, eten of schoon drinkwater. Ik vind het mooi om te zien hoe mijn omgeving ermee omgaat. Vorig jaar heeft een vriendin een dag meegevast.’

Jamal Kwyasse

‘De Koran gaat over heel je leven’

Waarom doe je mee aan de ramadan?
‘Ik ben islamitisch opgevoed en ben dus opgegroeid met de ramadan. Toen ik klein was begreep ik het nog niet goed. Als volwassene ben ik het gaan waarderen. Het is verplicht, om te voelen wat honger is. Voor jezelf is het ook goed. Je organen krijgen rust. Veel mensen denken dat het moeilijk is, maar het valt wel mee. De eerste week is lastig. Daarna wen je er aan.’

Wat is het moeilijkste?
‘Dat je niet mag drinken. Vooral als het warm is, dat is lastig. Als je veel beweegt, verlies je vocht en wil je drinken, maar dat kan dan niet. Voor eten geldt dat minder. Niet eten is makkelijker vol te houden. Soms wil je drinken totdat je je opeens realiseert dat het ramadan is.’

Wat is het belangrijkste? 
‘Aalmoezen geven aan arme mensen. De armen helpen is heel belangrijk. Als het hoofd van het gezin moet je voor ieder gezinslid geld betalen. Als je dat niet doet, dan ben je geen goede moslim. Ik probeer daarnaar te leven.’

Wat zou je aan jezelf willen verbeteren?
‘Ik probeer mezelf niet alleen tijdens de ramadan, maar het hele jaar door te verbeteren. De Koran gaat over heel je leven, niet alleen over de ramadan. Het is niet zo dat je de rest van het jaar alles mag doen.’

Hoe voelt het om na het vasten weer te eten? 
‘Dat is een heerlijk gevoel. Als iedereen daarna naar de moskee gaat, zie je alleen maar blije gezichten. Mensen die lekker gegeten hebben en komen bidden. Bidden kan ik iedereen aanraden. Het is een soort training, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk.’

Feiten over de ramadan
-In sommige islamitische landen wordt de tijd van de iftar, wanneer de zon onder is en er weer gegeten mag worden, aangekondigd met een kanon. Het stamt uit de tijd dat moskeeën nog geen luidsprekers hadden, maar de traditie wordt tot de dag van vandaag voortgezet.

-Ongeveer tweeënhalf miljoen mensen verbreken hun vasten de eerste dag van de ramadan in de Grote Moskee in Mekka. Tienduizenden veiligheidsmedewerkers worden ingezet om de orde te bewaren.

-In veel islamitische landen komen de meeste auto-ongelukken en verkeersovertredingen voor in het uur vlak voordat het vasten wordt verbroken.

-In enkele islamitische landen staat er een boete op het eten, drinken en zelfs roken in het openbaar tijdens de ramadan. In Koeweit bijvoorbeeld betaal je een boete of ga je een maand de gevangenis in. In de Verenigde Arabische Emiraten kan je tot 240 uur aan taakstraf opgelegd krijgen.

-In Nederland worden tijdens de ramadan aanzienlijk meer dadels en gedroogde zuidvruchten, zoals vijgen, verkocht. De stijging in dadelverkoop vangt vaak al een maand voor de ramadan aan, omdat moslims dan beginnen met inslaan. In Engeland stijgt tijdens de ramadan de verkoop van watermeloenen. In Afrika is het vooral de ui die het goed doet.

-In landen waar de bevolking overwegend islamitisch is, heeft de ramadan een slechte invloed op de economische productiviteit naarmate de dagen waarin wordt gevast langer zijn. Valt de ramadan in de zomer, dan heeft dat dus een negatief effect op de economie van dat land, zo blijkt uit een studie van de Britse economen Filipe Campante en David Yanagizawa-Drott. Dat komt omdat mensen tijdens de ramadan meer belang hechten aan het gezin en het familieleven en daar meer tijd aan besteden. Daar staat tegenover dat meer mensen gelukkiger en tevreden met hun leven zeggen te zijn tijdens de ramadan.

-In veel islamitische landen daalt het bioscoopbezoek dramatisch tijdens de ramadan. Mensen gaan zo veel mogelijk amusement uit de weg, vandaar. In de Verenigde Arabische Emiraten wordt de release van Hollywood-films geheel uitgesteld. Enkele jaren terug ontstond daar ophef over, omdat veel islamitische fans van Batman daardoor moesten wachten op de film The dark knight.

-NASA-onderzoekers constateerden vorig jaar een grote toename van elektrisch lichtgebruik tijdens de ramadan in veel grote steden in het Midden-Oosten. In 2012 viel het één van de onderzoekers voor het eerst op dat vanuit de lucht gezien Caïro in de avond veel meer lichten aan had dan normaal. Nader onderzoek wees uit dat het door de vastenmaand komt. In steden in Saoedi-Arabië ging het zelfs om een toename van tussen de zestig en honderd procent.

-Op de Malediven bestaat een islamitisch equivalent van ons vakantiegeld: ramadangeld. Elke werknemer heeft daar recht op 3.000 Maldivische Rufiyaa, ongeveer 170 euro, dat uitbetaald wordt aan het begin van de ramadan.

-De ramadan zorgt in veel islamitische landen voor stijgende voedselprijzen. Veel basisproducten, zoals meel, suiker en rijst, worden vlak voor de ramadan plots duurder, omdat de vraag ernaar stijgt. In Marokko liggen de prijzen voor amandelen, kruiden en vijgen soms wel veertig procent boven de normale prijzen.

-De Spaanse modeketen Mango komt sinds vorig jaar met een speciale ramadan-collectie voor haar vestigingen in Arabische landen. De collectie bestaat onder meer uit een reeks elegante lange jurken.

-Tijdens de ramadan stijgt het gebruik van Facebook en Twitter, zo blijkt uit een onderzoek van 2013 van het onderzoeksbureau The Online Project. Vooral in Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten bezoeken mensen tijdens de ramadan veel vaker deze social media.

-In landen in het hoge noorden, waar de zon ’s zomers niet ondergaat, kunnen moslims ervoor kiezen voor hun vasten de tijden aan te houden van het dichtstbijzijnde land waar de zon wel ondergaat of mee te vasten op de tijden van Mekka. Islamitische geleerden hebben dat besloten nadat ze vragen kregen van moslims uit landen als Noorwegen en Finland.

-In veel islamitische landen, zoals Qatar, worden de werkuren verkort gedurende de ramadan. Ambtenaren werken daar van negen tot twee uur. Sommige bedrijven openen ook een paar uurtjes in de nacht. De meeste hotels serveren geen lunch.

Soms wil ik dat de wereld alleen uit kinderen bestaat

0

Politielinten. Gillende en rennende mensen. Tientallen ambulances. Een hinkend tienermeisje met een groot verband om haar been. Kinderen die huilend hun moeder in de armen vliegen… Het zijn beelden die ik al zoveel vaker heb gezien de laatste jaren. Beelden die me herinneren aan de aanslagen op het Bataclan theater in Parijs, het vliegveld van Brussel en de boulevard van Nice. Het went nooit.

Terwijl ik naar het ingelaste NOS-journaal kijk over de aanslag op de Manchester Arena, volg ik tegelijkertijd de liveblogs van verschillende Engelse en Nederlandse kranten op mijn computer. Woede en chaos vechten in mijn hoofd om de eer, maar verdriet wint zodra de eerste slachtoffers bekend worden gemaakt: de achttienjarige Georgina Calander en de achtjarige Saffie Rose Roussos. Onschuldigen die zich waarschijnlijk al weken van te voren verheugden op het concert van hun idool Ariana Grande, niet wetend dat dit het hen uiteindelijk fataal zou worden.

Ik durf nauwelijks op Twitter te kijken, want de recente geschiedenis heeft me geleerd wat ik daar zal aantreffen. Toch open ik de app op mijn telefoon. Het heeft iets weg van zelfkwelling, maar mijn nieuwsgierigheid is groter dan de angst. Tegen beter weten in hoop ik dat mensen elkaar opzoeken. Die illusie wordt in de kiem gesmoord als ik de eerste berichten lees. ‘Vergeet niet dat ALLE moslims dit soort acties gerechtvaardigd vinden! Want zo staat het geschreven’, schrijft een man met een emoticon van de Nederlandse vlag achter zijn naam. ‘If you are muslim you are shit’, meent iemand anders. Ik slaak een zucht. De extremisten van IS bereiken voor de zoveelste keer hun doel: verdeeldheid zaaien.

Een paar uur eerder plaatste ik een zonovergoten vakantiefoto op Facebook, maar ik verwijder hem en schrijf in plaats daarvan een hartenkreet: ‘Op dagen als deze zeggen veel mensen ‘zie je wel dat verbinden nergens toe leidt, er worden nog steeds mensen vermoord door terreur, dus houd je mond over dialoog en theedrinken’. Mijn antwoord is dat juist op dagen als deze verbinding ergens toe leidt. Terroristen doen toch wat ze willen, maar de rest van de samenleving mag zich niet uit elkaar laten drijven. Daarom moeten we doorgaan met ‘theedrinken’ tot het de normaalste zaak van de wereld is geworden.’ Een gematigde stelling vind ik zelf. Jammer genoeg duurt het niet lang voordat mijn tijdlijn wordt overgenomen door zogenaamde vrienden. Verschillende joodse kennissen reageren verontwaardigd. ‘In de islam is al 1.400 jaar geen ruimte voor ‘theedrinken’.’ Daar gaan we weer. ‘Hoeveel moslims ken je die joden openlijk een eigen staat gunnen met Jeruzalem als hun hoofdstad?’ Omdat ik altijd met iedereen probeer te praten tolereer ik doorgaans digitale bekenden met allerlei uitéénlopende meningen. Maar nu voel ik mijn hand naar de ‘ontvriendknop’ glijden. Ik heb geen zin meer in oeverloze discussies tussen mensen die steeds verder tegenover elkaar komen te staan, omdat ze persé hun eigen gelijk willen behalen.

’s Avonds lees ik in het gastenboek van het Jeugdjournaal een bericht van ene Peter: ‘Wie die aanslag heeft gepleegd is dom.’ Ik vraag me af hoe het komt dat kinderen vaak de beste opmerkingen maken. Misschien zijn kinderen de enigen die dat kunnen, omdat ze nog niet ten prooi zijn gevallen aan cynisme. Soms wil ik dat de wereld alleen uit kinderen bestaat, zodat we met elkaar kunnen spelen in de zandbak, ongeacht religie of politieke voorkeur van de ouders. Als we allemaal naar het kind in onszelf zouden luisteren, zou de wereld er een stuk mooier uitzien.

Maatschappelijke dienstplicht kan integratie bevorderen

0

CDA-leider Sybrand Buma heeft het al vele malen gesteld: er is behoefte aan een maatschappelijke dienstplicht. Het leidt veelal tot het fronsen van wenkbrauwen en soms zelfs tot hoongelach. Dat is jammer, want we zouden het best eens serieus kunnen bestuderen. Formeel is inmiddels al wel het besluit gevallen dat de dienstplicht niet alleen meer voor jonge mannen geldt, maar evenzeer voor jonge vrouwen.

De opkomstplicht voor de militaire dienstplicht in Nederland is opgeschort, dus niet afgeschaft, op basis van een besluit van de Tweede Kamer in 1993. De tenuitvoerlegging van de dienstplicht is opgeschort zolang de veiligheidssituatie dat toestaat. Dat betekent dat als Vladimir Poetin zijn legers gereed maakt om West-Europa binnen te vallen, de opkomstplicht zomaar weer zou kunnen worden ingevoerd. Hoewel de kring rond Poetin veelvuldig oorlogstaal lijkt te bezigen, ziet het er voorshands niet naar uit dat hij de verovering van West-Europa aan zijn twijfelachtig palmares wil toevoegen.

De veiligheidssituatie is wél veranderd sinds 1993. Destijds stelden veiligheidsadviseurs dat het wel tien tot vijftien jaar zou kosten aleer het ernstig verzwakte Rusland weer een bedreiging voor het Westen zou kunnen vormen. Die ‘wijsheid’ heeft ertoe geleid dat het Westen, en met name Nederland, het vredesdividend maximaal heeft uitgebuit. De Nederlandse krijgsmacht werd gedecimeerd. De ene bezuiniging was nog niet afgerond of de volgende stond al weer voor de deur. Ook VVD-regeringen hebben gretig gesneden in het defensiebudget. En sinds 2014 weten we dat de strategische veiligheidssituatie heel wat sneller kan verslechteren dan we in de jaren negentig dachten. Binnen vier maanden manifesteerde het Rusland van Poetin zich als een serieuze dreiging voor alle voormalige Sovjet- en Oostblok-staten. De geopolitiek is terug van weggeweest.

In de argumentatie van Buma speelt de hernieuwde dreiging vanuit Rusland een rol. Maar niet alléén. Door hem wordt ook het argument van integratie en socialisatie aangehaald. Daar zit iets in. Als jonge officier heb ik veelvuldig met dienstplichtigen gewerkt. Wat mij daarbij opviel was het nivellerende karakter van de dienstplicht. Jonge mannen, vaak jongens nog, kwamen op de dag van opkomst naar de kazerne in burgerkleding. Daaraan kon je vaak goed zien uit welk milieu ze afkomstig waren. Eenmaal binnen werd het burgerkloffie omgeruild voor een groen pak. En ineens was iedereen gelijk. Nog geen strepen verdiend, brevetten gehaald, geen onderscheidende tekens op het uniform, alleen dat uniforme, groene pak. In de weken die daarop volgden werd het belang van de groep boven dat van het individu gesteld, werden ze mentaal en fysiek onder druk gezet en leerden ze samenwerken in alles wat er van een soldaat werd verwacht. De belangrijke les: samenwerken is overleven! Het groepsbelang gaat voor het eigen belang. Natuurlijk bleek na verloop van tijd ook wie er over de sterkste mentaliteit beschikte, wie fysiek het meest vaardig was, wie de beste vooropleiding had en over speciale vaardigheden beschikte en, niet te vergeten, wie er kon leidinggeven. Dat werd dan ook beloond met een streep of een brevet of andere vormen van erkenning. Belangrijke les: wie presteert wordt beloond!

Ik zag jongens uit verschillende milieus met elkaar samenwerken, elkaar opvangen en steunen, met elkaar dollen en stappen als de gelegenheid daar was. Jongens die elkaar in het normale burgerleven niet tegengekomen zouden zijn, laat staan dat ze met elkaar zouden hebben samengewerkt. Laten we wel wezen, de krijgsmacht is er niet om de integratie van ‘nieuwe’ Nederlanders te bevorderen of om de emancipatie van vrouwen een duwtje in de rug te geven. Maar het kunnen welkome neveneffecten zijn.

Daar komt bij dat de dienstplicht niet persé binnen de krijgsmacht zou moeten worden vervuld; het zou niet per definitie een militaire dienstplicht hoeven te zijn. Er zijn diverse andere sectoren binnen de Nederlandse maatschappij waar ‘handjes’ zeer goed kunnen worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de politie, de zorg, mogelijk ook de brandweer en andere hulpdiensten. Me dunkt dat bij veel van dat soort instellingen jonge mannen en vrouwen na een korte opleiding nuttig werk kunnen doen. Dan kunnen de professionals worden ontlast en zich bezighouden met hun kerntaken.

Door sommigen wordt maatschappelijke dienstplicht echter als ‘dwangarbeid’ gezien. En dat mag niet op grond van artikel vier van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Dat bepaalt dat niemand in slavernij of dienstbaarheid gehouden mag worden of gedwongen mag worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten. Voor militaire dienstplicht wordt een uitzondering gemaakt, evenals voor ‘elk werk of elke dienst, welke deel uitmaakt van normale burgerplichten’. De overheid heeft echter nagelaten duidelijk te maken wat normale burgerplichten precies inhouden. Emeritus hoogleraar Staats- en Bestuursrecht Gio ten Berge heeft ooit gesteld dat burgerplichten normale vormen van participatie van burgers in de behartiging van het algemeen belang door de overheid betreffen. Volgens hem mag de overheid bij het scheppen van burgerplichten de rechtspositie van de individuele burger niet nodeloos en onevenredig aantasten. Er zal volgens Ten Berge evenwicht moeten bestaan tussen het doel en de noodzaak van de plicht en de belangen en mogelijkheden van de burger.

Als de Nederlandse overheid jonge burgers voor twaalf maanden van hun leven verplicht tot dienstverlening aan de staat door het betaald verrichten van werkzaamheden in het algemeen belang en hen de mogelijkheid geeft te kiezen hoe zij die dienstplicht willen vervullen, dan lijkt mij te zijn voldaan aan de uitzonderingsvoorwaarden, zoals genoemd in dat artikel vier.

Als bovendien rekening wordt gehouden met het volgen van opleidingen en studies, waarvoor uitstel kan worden verleend, lijkt ook de rechtspositie van die jongere burgers niet nodeloos en onevenredig te worden aangetast.

Tot welk kabinet het de komende maanden ook gaat komen, het loont de moeite hier nog eens goed in te duiken.

Een agent op straat moet neutraal zijn

0

De Amsterdamse hoofdcommissaris Pieter-Jaap Aalbersberg heeft met zijn oproep om in de toekomst te overwegen – hij formuleerde het zéér voorzichtig – het dragen van een hoofddoek aan vrouwelijke moslimagenten toe te staan, meteen – zoals te voorspellen viel – de nodige discussie losgemaakt. Of beter: eigenlijk juist amper discussie losgemaakt. Want de suggestie werd door vrijwel alle om commentaar gevraagde politici meteen neergesabeld. De achterliggende gedachte dat de politie naar meer diversiteit moet streven om in de cultureel steeds diversere samenleving goed vertegenwoordigd te zijn, werd door de meeste partijen wel onderschreven, met de PVV uiteraard als luidruchtige uitzondering. Maar het voorgestelde middel werd een stap te ver geacht. En laat ik meteen zeggen dat ik het in dit geval met die meerderheid eens ben.

Het voornaamste dubbelargument van Aalbersberg en de medestanders die zich sindsdien in de media hebben gemeld: in een aantal andere westerse landen bestaat de mogelijkheid ook en zonder die mogelijkheid worden moslima’s gediscrimineerd. Dat zouden we even onwenselijk moeten vinden als discriminatie op grond van huidskleur, geslacht, leeftijd, lichaamsbouw of seksuele oriëntatie. Er is echter een belangrijk verschil: bij al die andere zaken betreft het aangeboren eigenschappen, waaraan je niets kunt doen. Ook al bestaat inmiddels de mogelijkheid tot geslachtsverandering, dat voor een baan verlangen, vinden we te ver gaan. Dat geldt voor godsdienst nadrukkelijk niet: dat is ten principale een persoonlijke keuze, ook al wordt die in de praktijk meestal niet nadrukkelijk gemaakt. De meeste moslims zijn islamitisch en de meeste christenen zijn christelijk, omdat hun ouders dat al waren; bekeerlingen vormen een kleine minderheid. En dat van die persoonlijke geloofskeuze geldt nog meer voor de uiterlijke kentekenen ervan, wat alleen al blijkt uit het feit dat er ook moslima’s zijn die de onder orthodoxe gelovigen bestaande hoofddoekjesvanzelfsprekendheid onzin vinden.

De cruciale vraag is dan: hoe ver gaat de vrijheid van godsdienst? Europa kent het fundamentele recht van alle burgers om hun godsdienst uit te oefenen. Maar dat betekent niet automatisch altijd en overal. Geen enkel recht is namelijk onbeperkt. Zoals ook de vrijheid van meningsuiting niet betekent dat je iemand valselijk van iets mag beschuldigen of bedreigen. Ook impliceert het niet het recht op belediging. Waar precies de grenzen liggen, is dan vervolgens een punt van discussie, zoals de processen tegen Wilders illustreren.

Ook de vrijheid van godsdienst kan op andere grondrechten botsen of op het even fundamentele uitgangspunt van de politieke en religieuze neutraliteit van de staat. Dat is overigens binnen Europa van land tot land verschillend, met Engeland aan het ene uiteinde en Frankrijk aan het andere. Frankrijk kent als uitvloeisel van de Franse Revolutie een heel strikte interpretatie van de scheiding van kerk en staat: de befaamde laïcité. Manifestaties van godsdienst in de openbare ruimte zijn bijna verboden. In Engeland daarentegen mogen inderdaad zelfs politieagenten een tulband (sikhs) of hoofddoek (moslima’s) dragen, als zij dat als een essentieel onderdeel van hun geloofsbeleving ervaren.

Nederland neemt met zijn verzuiling en daarmee samenhangende religieuze versplintering een middenpositie in. We polderen en spelen dat soort zaken meestal niet te hoog op. Wat de befaamde handen-schudden-kwestie betreft, wordt de weigering van orthodoxe joden vanouds bijvoorbeeld getolereerd. Ook met religieuze kentekenen wordt in de regel betrekkelijk soepel omgesprongen, en dat lijkt mij verstandig. Wat de overheid betreft zou ik een strikt verbod dan ook willen beperken tot die overheidsdienaren, die uit hoofde van hun functie over speciale bevoegdheden beschikken, wat niet toevallig in een uniform tot uitdrukking komt: militairen, politie en de rechterlijke macht. Zij moeten neutraliteit uitstralen. Dat is ook de functie van hun uniform. Niet toevallig treffen we in hun gelederen ook geen priesters, rabbijnen of nonnen aan, de legeraalmoezenier uitgezonderd, maar in dat geval geniet de legerimam dezelfde vrijheden.

Dus inderdaad: geen geüniformeerde agenten op straat met hoofddoekjes óf keppeltjes. Voor bureaumedewerkers die niet geüniformeerd zijn, ligt dat bij die overheidsdiensten voor mij anders, zoals men ook achter de balie van het stadhuis kan dragen wat men wil. Een portier idem dito. Die heeft soms wel een soort van uniform, maar ontleent daar geen bijzondere bevoegdheden aan.

En wat agenten en rechters buiten diensttijd aantrekken, is geheel hun eigen zaak. Als het uniform in de kast hangt, zijn zij immers niet meer herkenbaar als vertegenwoordigers van de neutrale staat. Zij mogen dan ook best als mensen met eigen religieuze of politieke opvattingen bekend staan. In functie zijn ze echter niet ‘zichzelf’, maar het onpartijdige verlengstuk van de staat.

De nadruk op het belang van de hoofddoek door de draagsters zelf maakt overigens een cruciaal verschil duidelijk tussen de islam en het christendom, zeker in zijn – in Nederland dominante – protestantse variant. De eerste draagt een in hoge mate wettisch karakter. Wat de islam met het jodendom gemeen heeft: het navolgen van religieuze gedragsregels is essentieel, of het nu om kledij of voedsel gaat. Het christendom heeft dat duidelijk veel minder. Ook de meest orthodoxe protestanten mogen in beginsel alles eten. Zij kennen geen heilige koeien of onreine varkens en kosher of halal eten. Dat men in Europa niet zo ver gaat als pakweg in China – bij ons geen hond in de pot of insecten als lekkernij op tafel – heeft meer met sentimentele en esthetische bezwaren te maken dan met religieuze principes.

‘Ik hoop dat de hel leeg is’

0
‘Mijn indruk is dat in de islamitische wereld een burgeroorlog gaande is’, zegt Gerard de Korte in een interview met deze krant. De conflicten in de islamitische wereld doen hem denken aan de zestiende en de zeventiende eeuw toen katholieken en protestanten elkaar uitmoordden.

Bisschop Gerard de Korte staat aan het hoofd van het katholieke bisdom Den Bosch, dat in aantal gelovigen het grootste bisdom van Nederland is. Het huisvest ruim een miljoen katholieken. De Kanttekening sprak De Korte over de ontkerkelijking, de dubbele loyaliteit aan Rome en Nederland, de islam als vermeende dreiging voor de christelijke cultuur, de geloofsbeleving van moslims en de hel.

Het is nu een jaar geleden dat u aantrad als bisschop van het bisdom Den Bosch. Er was veel te doen om uw aantreden. U werd omschreven als progressief, uw voorgangers werden omschreven als conservatief. Bent u progressief?
‘Journalisten hebben vaak de neiging om te framen, je bent of conservatief of progressief. Dat zijn termen uit de politiek. Ik ben als bisschop geroepen om orthodox  te zijn, dat wil zeggen de rechte leer te verdedigen. Maar ik probeer dat wel met een open blik te doen en ook in verbondenheid met de cultuur. Bisschop van een kerk zijn is wat anders dan het beheren van een museum. Het moet wel gaan om levende orthodoxie en een levende traditie. Dus ik probeer altijd in verbondenheid met de huidige samenleving bisschop te zijn.’

Breekt u in lijn met uw voorgangers?
‘Dat is lastig te zeggen. Ik ga over mijn eigen beleid. Ik heb in mijn beleidsnota benadrukt dat het moet gaan om vertrouwen terugwinnen, verantwoordelijkheid nemen voor het geloof en Brabantse gemoedelijkheid terugbrengen. Dat wil ik realiseren, maar ik zie dat niet als afzetten tegen de vorige bisschop. Ik leg wel andere accenten.’

Wat is het belangrijkste verschil tussen het katholicisme en de protestantse kerken?
‘Het katholieke geloof is sterk ingesteld op het beeld, terwijl de protestantse traditie sterk de nadruk legt op het woord. De reformatie is een stroming met heel veel gezichten. Ook de orthodoxe protestanten beseffen dat je het woord van de Bijbel ook in historisch perspectief moet lezen. Dus op het vlak van interpretatie van teksten zou ik het verschil niet zoeken. Theologisch zit het verschil in de kerkvisie, de visie op de ambten en de sacramenten. Maar er zijn meer overeenkomsten dan verschillen. In dat opzicht heb ik wel eens gezegd: ik gun de moslims een oecumenische beweging (het streven naar religieuze eenheid, red.). Dat ze ontdekken dat de overeenkomsten binnen de islam veel groter zijn dan de verschillen.’

Moslims geloven dat de tekst van de Koran letterlijk Gods woord is, is dat problematisch?
‘Dat is een groot verschil met het christendom. Er is een andere openbaringsvisie. Orthodoxe moslims vinden het moeilijk om het woord van de Koran te plaatsen in de cultuur. In de islam bestaat een mechanische inspiratieleer: het woord van God is letterlijk door de engel aan Mohammed ingegeven. Terwijl er voor hermeneutische aspecten voor zover ik weet veel minder ruimte is in de moslimwereld. Dan hebben we het over vragen zoals hoe is een tekst tot stand gekomen en in welke cultuur moet de tekst worden uitgelegd? Vragen die in christelijke kringen wel mogelijk zijn.’

Hoe moet de dialoog tussen christenen en moslims gevoerd worden?
‘Theologisch zie ik een aantal grote verschillen. Christenen geloven bijvoorbeeld in de heilige drie-eenheid. De islam en het christendom zijn beide monotheïstisch, maar in de islam en het jodendom is er sprake van absoluut monotheïsme. In het christelijke godsbeeld is er ruimte voor relationaliteit. Dat is gebaseerd op de gedachte dat God in de persoon van Jezus naar de wereld is gekomen. Theologisch gezien zit daar een groot verschil. Ik maak graag om die reden onderscheid tussen de theologische dialoog en de maatschappelijke dialoog. In de maatschappelijke dialoog, onze visie op de wereld, valt veel te behalen. Als er op maatschappelijk niveau voldoende vertrouwen is, kunnen we ook een theologische dialoog voeren.’

De katholieke kerken krimpen terwijl de islam juist steeds meer voet aan de grond krijgt in Nederland. Wat vindt u van die ontwikkeling?
‘We zien al heel lang een krimp van kerkelijk Nederland. Zo’n zeven miljoen mensen zijn aangesloten bij een kerk, onder wie zo’n vier miljoen katholieken. Een klein miljoen is moslim. Daarnaast zijn er heel veel seculieren en buitenkerkelijke mensen. Nederland is een samenleving waar de seculiere liberale stem dominant is. Dat is een gegeven. Aan gelovigen de opdracht om te laten zien dat het ook in de huidige tijd zinvol is in God te geloven.’

Is de islam daarin een bondgenoot of een concurrent?
‘Beide is het geval. Het godsgeloof en het gebed van moslims verbinden ons. Er zijn veel overeenkomsten tussen de vijf zuilen van de islam en de geloofspraxis van christenen. Zo kennen we beiden de zorg voor de armen, het op bedevaart gaan en het vasten. We zoeken ook naar dialoog. Daarnaast zijn beide religies missionair en willen we mensen winnen voor Christus of voor Allah. Aan de ene kant dus het zoeken naar dialoog en aan de andere kant het missionair zijn. Het missionair zijn zie ik als iets positiefs, zolang het gebeurt in vrijheid en zonder geweld. Precies daar zit momenteel de spanning. Mijn indruk is dat in de islamitische wereld een burgeroorlog gaande is. Daar zijn christenen en mensen uit de westerse wereld bij betrokken, maar de meeste aanslagen vinden plaats in islamitische landen en de meeste doden zijn moslims. De slachtoffers van het moslimgeweld zijn dus in eerste instantie de moslims zelf. In die zin doet het me denken aan de godsdienstoorlogen van christenen in de zestiende en de zeventiende eeuw. Katholieken en protestanten hebben elkaar toen uitgemoord. Gelukkig zijn we in de laatste eeuw naar elkaar toegegroeid. Voor de islam is het ontzettend van belang dat moslims in de volle breedte publiekelijk afstand nemen van het geweld dat in naam van de islam wordt gepleegd. Je kan alleen in volle vrijheid en zonder geweld tot geloof komen. Als we dat overeen kunnen komen, dan zie ik de islam zeker als een bondgenoot.’

Vasten wordt door moslims heel anders vormgegeven dan door katholieken. In de praktijk geven katholieken hun eigen invulling aan het vasten. Er zijn geen voorgeschreven regels die men strikt moet volgen. Is de kerk wat dat betreft niet te soft?
‘Als ze er maar invulling aan geven. Het gaat erom dat je jezelf iets kan ontzeggen waardoor je sterker betrokken bent bij God en je naaste. Tijdens het vasten herdenken we het lijden van Christus. Dat doen we in een zekere soberheid richting Pasen. Je kan dat op heel veel verschillende manieren herdenken. Op welke manier we vasten en hoe streng dat gebeurt, daarin zie ik een grote diversiteit. Elke christen gaat daar anders mee om en dat is begrijpelijk, omdat elk mens anders is. Ik heb de indruk dat het vasten in de islam een ander soort vasten is in de zin dat de voedselconsumptie in islamitische landen veel hoger ligt tijdens de ramadan dan de rest van het jaar. Het heeft denk ik ook te maken met gemeenschapsbesef, dat je als de zon onder is samenkomt, kookt en met buren en familie onderling een gemeenschap viert.’

Die gemeenschapszin zie je niet terug tijdens de christelijke vastentijd. Hoe komt dat?
‘Dat heeft te maken met de verandering van de cultuur. We zijn sterk geïndividualiseerd. De katholieke cultuur is van oudsher ook een gemeenschapscultuur. In Brabant spreken we niet over mijn mam (moeder, red.), maar over ons mam, in de taal zie je dat nog terug. Dus in die zin hebben we dat ook, alleen zijn we het een beetje kwijtgeraakt door de veranderingen in onze samenleving.’

In het verleden zijn katholieken in Nederland onderdrukt door de protestantse meerderheid. Katholieken waren tweederangsburgers. Dat wordt nu vaak over moslims gezegd. Is de situatie waarin moslims nu zitten vergelijkbaar met die van katholieken vroeger?
‘Er zijn overeenkomsten, maar er is ook een belangrijk verschil. In de tijd van de Republiek (Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, 1588-1795, red.) werden katholieken door de overheid gediscrimineerd. Katholieken, joden en kleine protestantse groepen, zoals doopsgezinden, werden voor 1795 expliciet door de staat achtergesteld. Nu hebben wij een overheid die zegt dat alle mensen voor de wet gelijk zijn. Alleen zie je dat een aantal moslims het gevoel heeft dat ze achtergesteld worden. Ik hoor daar heel schrijnende voorbeelden van, bijvoorbeeld dat iemand met de naam Mohammed minder kans heeft om aangenomen te worden bij een sollicitatie. Dat is een betreurenswaardige ontwikkeling. Het is echter geen overheidsbeleid om moslims achter te stellen. De overheid zet zich juist in om mensen te helpen integreren. Ook als kerk komen we graag op voor de kansen van moslims om zich ten volle te ontplooien in onze samenleving. Dat is in het belang van de waardigheid heel belangrijk.’

Katholieken hebben in de jaren zestig en zeventig zware kritiek te verduren gehad. Het christelijk geloof was toen heel vaak onderwerp van hoon en spot. Nu moet de islam het vaak ontgelden. Heeft u tips aan moslims over hoe zij daarmee om moeten gaan?
‘Ik denk dat het heel belangrijk is dat moslims niet in de slachtofferrol schieten, al kan ik me die reflex wel heel goed voorstellen. Moslims hebben immers te maken met continue negatieve berichtgeving over hun godsdienst en cultuur. Dat roept aversie op naar de cultuur waaruit die berichtgeving voortkomt. We moeten wederzijds proberen niet in loopgraven terecht te komen. Katholieken hebben ook veel over zich heen gekregen, maar ik heb niet de indruk dat katholieken zich in de jaren zestig en zeventig bedreigd hebben gevoeld in Nederland. Wij zijn altijd onderdeel geweest van deze samenleving. Moslims zijn wat dat betreft echt nieuwkomers. Het accepteren van de islam als onderdeel van onze samenleving ligt daardoor gevoeliger.’

De loyaliteitsvraag is momenteel erg actueel als het gaat om moslims en Turkse Nederlanders. Naast verbondenheid met Nederland voelen moslims zich ook verbonden met andere moslims in de wereld en hun land van herkomst. Rooms-katholieken zijn verbonden aan Rome en zijn om die reden in het verleden door protestanten een vijfde colonne genoemd. Kan je als minderheid wel loyaal zijn aan Nederland als je ook loyaal bent aan een religie met andere belangen?
‘Protestanten hebben inderdaad katholieken verweten dat zij geen loyale burgers zijn van Nederland. De paus is zelfs afgeschilderd als de antichrist. Katholieken hebben altijd gezegd dat zij in eerste plaats onderdeel zijn van de Nederlandse samenleving. Natuurlijk zijn wij ook onderdeel van de wereldkerk en zien we de paus als hoofd van de kerk, maar dat gaat niet ten koste van het Nederlandse staatsburgerschap. Een goede overheid geeft burgers gewetensvrijheid en dwingt ze niet tegen hun geloof in te gaan. Daar waar de overheid de godsdienstvrijheid inperkt, komen wij in het verweer. Dat hebben we ook gedaan toen er stemmen opgingen voor een verbod op jongensbesnijdenis. Dat is een onderwerp dat speelt onder moslims en joden. We hebben toen als kerk gezegd: we komen op voor onze joodse en islamitische medeburgers. Al besef ik natuurlijk dat er dan sprake is van een botsing van grondrechten: de bescherming van de lichamelijke integriteit van een kind aan de ene kant en de godsdienstvrijheid aan de andere kant.’

Acht u de religieuze wet hoger dan het nationale recht? 
‘Je moet dat per thema bekijken. Zolang ik niet beperkt wordt in vrijheid uiting te geven aan mijn geloof, zal ik wetten accepteren die in mijn ogen niet christelijk zijn. De euthanasiewet is daar een goed voorbeeld van. Ik hoef daar geen gebruik van te maken. Het principe van een rechtsstaat is dat minderheden worden beschermd. De rechtsstaat moet de vrijheid van godsdienst optimaal beschermen. De grens van die vrijheid wordt bereikt als er sprake is van geweld. Als een religie bijvoorbeeld kinderoffers eist, dan moet de overheid ingrijpen.’

Politici zoals Geert Wilders en Thierry Baudet stellen dat de christelijke cultuur onvoldoende verdedigd wordt. Volgens hen wordt het christendom bedreigd door ‘de islamisering’. Herkent u zich in dat beeld?
‘Nee. Ik kan me herinneren dat in de Tweede Kamer aan Wilders is gevraagd wat hij onder de joods-christelijke cultuur verstaat. Hij zei ‘opkomen voor eigen volk’. Dat vind ik een heel rare definitie van wat christelijke cultuur is. Christelijke cultuur heeft te maken met naastenliefde, vergeving, verzoening en de omgang met God. Daar hoor ik Wilders en Baudet niet over.’

Onderschrijft u dat Nederland een joods-christelijke natie is?
‘Dat is een problematische term. Het jodendom en het christendom zijn uiteraard twee aparte godsdiensten, dus het is ingewikkeld om dat zo bij elkaar te brengen. Ik zeg altijd dat er vijf bronnen zijn die Nederland stempelen: Griekse filosofie, Romeins recht, het joodse Oude Testament, het christelijke Nieuwe Testament en de Verlichting.’

Kan de islam aan die bronnen worden toegevoegd?
‘Tot nog toe is de islam in Nederland van een heel betrekkelijke omvang. Maar het zou best kunnen dat op den duur islamitische elementen onderdeel zullen worden van onze nationale cultuur.’

Juicht u het toe als aspecten van de islam onderdeel worden van de nationale identiteit?
‘Dat hangt er vanaf. Ik ken mooie en minder mooie kanten van de islam. Het prediken van geweld kunnen we uiteraard niet gebruiken, maar de vroomheid die moslims aan de dag leggen, zoals vijf keer per dag bidden, en de onderlinge solidariteit, dat juich ik vanuit mijn christelijke levenshouding toe.’

Komen moslims in de hemel?
‘Het wel of niet toetreden tot de hemel is een geschenk van God. Daar gaan wij mensen niet over. Het is een theologische vraag die niet eenvoudig te beantwoorden is. Binnen de christelijke wereld zijn er verschillende opvattingen op dit terrein. Wat ik wel kan zeggen, is dat er een heils optimistische lijn in de Katholieke Kerk aanwezig is. Dus dat men zegt dat God uiteindelijk wil dat alle mensen gered worden. Dat roept de vraag op in hoeverre geloof in Christus daarvoor wezenlijk noodzakelijk is. De leer van de alverzoening (het idee dat iedereen uiteindelijk gered wordt, red.) is ketterij, want er zijn teveel teksten in de heilige schrift die de mogelijkheid van verloren gaan openlaten. Maar je mag wel de hoop hebben op alverzoening. Theresia van Lisieux, een heilige die eind negentiende eeuw leefde, heeft gezegd ‘ik hoop dat de hel leeg is’. Dat vind ik een mooie gedachte. Met andere woorden, ik hoop dat de liefde van God groter is dan de zondigheid van mensen. Maar uiteindelijk ligt het lot van iedere mens in Gods handen.’

‘Voor Amerikanen hoort besnijdenis bij goede opvoeding’

1
Jongensbesnijdenis komt in Nederland voornamelijk voor onder moslims en joden. Maar besnijdenis is niet persé religieus van aard. In Amerika bijvoorbeeld laten de meeste seculieren en christenen hun zonen besnijden. De Kanttekening sprak experts over de culturele en religieuze motivaties van besnijdenis.

In Nederland vindt besnijdenis bij jongens in de meeste gevallen plaats bij moslims en joden. Bij seculieren en christenen in Nederland en in veel delen van Europa komt besnijdenis nauwelijks voor. Toch is de ingreep niet louter joods of islamitisch van aard. In de Verenigde Staten werd volgens cijfers van de World Health Organisation (WHO) 61 procent van de pasgeboren jongens in 2000 vlak na de geboorte besneden. In werkelijkheid zou dit percentage nog hoger liggen, omdat de ingreep niet altijd goed gedocumenteerd wordt. In 2007 rapporteerde de WHO dat 75 procent van de Amerikaanse jongens (met de leeftijd van 15 jaar) besneden zou zijn vanuit non-religieuze overwegingen. Tijd om langer stil te staan bij de verschillen tussen Amerika en Nederland en de bezwaren en motivaties bij besnijdenis.

In de negentiende eeuw werd mannenbesnijdenis een populaire ingreep in Engelstalige, geïndustrialiseerde landen. Deze populariteit ontstond door de komst van de medische verdoving en de resultaten van epidemiologische studies die aantoonden dat syfilis aanzienlijk vaker voorkwam bij niet-joodse (onbesneden) mannen dan bij joodse (besneden) mannen. Tegen het einde van de negentiende eeuw werd jongensbesnijdenis aangeraden als een preventieve maatregel tegen bepaalde aandoeningen en gedragingen, zoals masturbatie, syfilis en nachtelijke incontinentie. In Amerika resulteerde dat in een groeiend aantal besnijdenissen. In 1938 werd 55 procent van de pasgeboren jongens besneden. In de jaren zestig steeg dat tot 80 procent.

Ruard Ganzevoort, hoogleraar ‘praktische theologie’ aan de Vrije Universiteit, stelt dat deze geschiedenis nog steeds doorwerkt in de huidige Amerikaanse samenleving.
‘Jongensbesnijdenis is de afgelopen eeuw in Amerika veel gepropageerd, het is een genormaliseerde ingreep. Daarnaast spelen ook verschillende attitudes ten opzichte van seksualiteit een rol. Amerikanen hebben vaak een negatiever beeld over seksualiteit dan dat we in Europa hebben. Ze zijn vaak wat preutser. De besnijdenis heeft dan ook te maken met het in toom houden van de seksualiteit. Voor veel Amerikanen hoort jongensbesnijdenis bij een goede opvoeding’, vertelt Ganzevoort. ‘Daar worden vaak medische argumenten bijgehaald. Het zou gezonder zijn voor mannen. Echter is het zo dat er vanuit medisch oogpunt in verschillende delen van de wereld ook verschillend over besnijdenis wordt gedacht. Er is dus geen eenduidig universeel medisch standpunt over jongensbesnijdenis.’

Een illustrerend voorbeeld in de verschillende medische opinies betreffende besnijdenis, is het standpunt van het AAP (American Academy of Pediatrics) tegenover dat van de KNMG (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst). In 2012 publiceerde het AAP een beleidsverklaring waarin geconcludeerd wordt dat de voordelen van besnijdenis bij pasgeboren jongens opwegen tegen de risico’s. De KNMG beschouwt besnijdenis bij minderjarigen als een schending van de integriteit van het lichaam en ziet nagenoeg geen medische voordelen.

Tom de Jong, bijzonder hoogleraar ‘kinderurologie’, schaart zich achter het standpunt van de KNMG. Het veel gehoorde argument dat besnijdenis hygiënischer zou zijn vindt hij niet overtuigend. ‘In een tijdperk waarin bijna iedereen beschikt over deugdelijk sanitair, is besnijdenis niet nodig. Daarnaast is er ook voldoende literatuur geschreven waarin aangetoond wordt dat besnijdenis nagenoeg geen medische voordelen oplevert.’

Medische risico’s zijn er wel volgens De Jong. ‘Een veelvoorkomend probleem na besnijdenis is een vernauwing van de plasopening. Dat komt ongeveer bij één op de vijf jongens voor. Door de vernauwing van de plasopening moet de blaas krachtiger samentrekken om leeg te komen, waardoor er plasproblemen kunnen ontstaan. Op lange termijn kan besnijdenis ook blijvende seksuele gevolgen hebben.’ Uit een Deense studie blijkt dat seks met voorhuid fijner is voor beide partijen dan seks zonder voorhuid. ‘De huid van de eikel van een besneden man, is namelijk harder doordat die niet beschermd wordt door de voorhuid. Daardoor wordt de eikel ongevoeliger. Daarnaast zitten er in de voorhuid veel zenuwuiteinden die ook bijdragen aan seksueel genot.’

Stella van de Wetering, verbonden aan het Centrum voor Islamitische Theologie aan de Vrije Universiteit, zet haar vraagtekens bij de medische bezwaren tegen jongensbesnijdenis. ‘Het is natuurlijk belangrijk dat de ingreep op een medisch verantwoorde manier wordt uitgevoerd, zolang dat gebeurt doet jongensbesnijdenis denk ik niet zo veel kwaad.’ Van de Wetering stond als bekeerde moslima jaren geleden zelf voor de keuze om al dan niet haar zoons te laten besnijden. ‘Ik heb het onderzocht en heb geen medische literatuur gevonden waarin staat dat besnijdenis slecht is.’ Of het  argument dat besnijdenis hygiënischer zou zijn, inmiddels achterhaald is, vindt Van de Wetering moeilijk te beoordelen. ‘Je zou het kunnen vergelijken met het scheren van okselhaar. Er zou namelijk gesteld kunnen worden dat deze beharing er niet voor niets zit en dat het zeker geen probleem hoeft te zijn als je je elke dag kunt wassen. Toch vinden veel mensen het fijn als dit haar niet in de weg zit, mensen voelen zich er frisser bij.’

Naast culturele heeft besnijdenis ook een religieuze motivatie. Van de Wetering legt uit waar die op gebaseerd is. ‘De belangrijkste bron voor besnijdenis is de Bijbel, namelijk het verhaal van Abraham waarin hij opdracht kreeg van God om alle mannen te laten besnijden. Dit verhaal is belangrijk voor zowel de joodse als de islamitische traditie van besnijdenis. Uit het verhaal kan afgeleid worden dat besnijdenis aangeraden wordt.’ Volgens Van de Wetering is het moeilijk hard te maken dat jongensbesnijdenis een islamitische verplichting is. ‘Vanuit de islam is er niet veel rechtstreeks bewijs voor dat jongensbesnijdenis bij het geloof hoort, je moet er echt naar zoeken. Het staat namelijk niet letterlijk in de Koran. Het kan afgeleid worden uit het verhaal van Abraham. Er is geen hadith waarin staat dat de profeet zelf besneden was. Wel is het zo dat in de tijd dat Mohammed leefde, de meeste mannen besneden waren. Het is dus aannemelijk dat Mohammed dat zelf ook was, maar de berichten over de verplichting van de jongensbesnijdenis vanuit godsdienstig standpunt zijn tegenstrijdig. Er is wel een hadith over de hygiëne, zoals het knippen van okselhaar, schaamhaar, nagels en de snor, waarbij ook jongensbesnijdenis wordt aangeraden.’

Volgens Ganzevoort zijn religieuze en culturele motieven voor besnijdenis met elkaar vermengd geraakt. ‘Voor veel joden en moslims is de besnijdenis belangrijk voor hun identiteit. Culturele motieven worden namelijk sterk gekoppeld aan groepsidentiteit die weer wordt gekoppeld aan een uiting om dichter bij God of Allah te staan.’ Ook Van de Wetering wijst op de culturele motieven voor jongensbesnijdenis. ‘Jongensbesnijdenis is diepgeworteld in de islamitische cultuur. Het gebruik is meer als een traditie meegenomen en heeft naast religie ook te maken met etniciteit en cultuur.’

Hoofddoek bij de politie is emancipatie

9
GASTCOLUMN

In Nederland en de rest van onze West-Europese samenlevingen is de hoofddoekdragende vrouw symbool geworden van de zogenaamde botsing der beschavingen. Dit stuk draagt ook bij aan de collectieve obsessie met de hoofddoekdragende vrouw. Vanuit verschillende hoeken worden standpunten over haar gevormd. Maar besef wel: wanneer zij wordt gereduceerd tot een symbool, ontstaat ontmenselijking. Want zij is dan niets meer dan de vrouw met een hoofddoek. Zij is het onderwerp van gesprek. Haar individualiteit, kansen en ambities voor ons land en de rest van de wereld worden daarmee ingeperkt.

Dat werd onlangs pijnlijk geïllustreerd door de weerstand tegen het plan van de Amsterdamse politie om het hoofddoekverbod voor agenten ter discussie te stellen. Daarmee wil de politie een etnisch diverser korps realiseren. Hoofddoekdragende vrouwen zijn onderdeel van Nederland en verdienen het ook om bij de politie dienstbaar te zijn, zo luidt de gedachte. Onder het mom van neutraliteit en de scheiding tussen kerk en staat is vanuit verschillende hoeken weerstand geboden tegen het plan. ‘Een hoofddoek, maar ook een keppeltje of kruisje, past niet bij een instituut dat zijn bestaansrecht mede ontleent aan neutraliteit’, zo stelt schrijver Ozcan Akyol.

Maar wat is neutraliteit en wie bepaalt wie neutraal is? Onder het mom van neutraliteit sluiten we bepaalde mensen uit, omdat we niet kunnen accepteren dat ze volledig onderdeel van de samenleving zijn. De veronderstelling dat een vrouw met een hoofddoek bij voorbaat niet neutraal kan zijn, maar een (witte) man wel, dateert uit de vorige eeuw. Nederland is in transitie, maar het besef dat deze assumptie uit de vorige eeuw niet meer heilig is, is niet doorgedrongen bij hen die onder het mom van neutraliteit hoofddoekdragende vrouwen uitsluiten.

Het is enorm te prijzen dat we streven naar een samenleving die zo neutraal en inclusief mogelijk is. Maar we moeten niet vergeten dat het dragen van een hoofddoek onderdeel is van iemands identiteit. Een volwassen samenleving dient al haar burgers, inclusief de hoofddoekdragende vrouwen, door hen de ruimte te geven volledig zichzelf te kunnen zijn. Een volwassen samenleving dient in staat te zijn om te gaan met haar demografische en culturele transitie. Een samenleving die tegen moslima’s impliciet zegt dat ze geen agent mogen worden louter omdat ze een hoofddoek dragen, is verre van volwassen. Zo’n samenleving zegt in feite tegen sommige van haar leden dat ze pas dienstbaar mogen zijn als ze een deel van hun identiteit wegpoetsen.

Als we echt inclusie en emancipatie willen, dan moeten we niet alleen streven naar gelijke kansen, maar ook naar gelijke uitkomsten en billijkheid. Dat houdt in: het maakt niet uit wie je bent, wat je geloof of geslacht is, je bent onderdeel van de samenleving, die je mag dienen. Juist met onze verschillen vormen wij samen een samenleving. Inclusie en emancipatie vereist dat we mensen accepteren om wie ze zijn en niet ondanks wie ze zijn. Onderdeel daarvan is het accepteren van de hoofddoek, bij de politie, maar ook in andere delen van de samenleving. Dat is een teken van vooruitgang en emancipatie. Niet alleen voor de moslima, die anders buitengesloten zou worden om haar geloof, maar voor onze samenleving als geheel, omdat het laat zien dat we de transitie die we meemaken, omarmen. Dan geven we niet alleen Jan, Rosanne en Ahmed de mogelijkheid helden te worden bij de politie, maar ook Naima en Tugba, die ook het Nederlandse volk willen dienen.

Leefbaar Rotterdam zet culturele integratie op de agenda

0

De verantwoordelijke wethouder Ronald Schneider is intussen over heel iets anders gesneuveld en het monsterverbond in de maasstad tussen Leefbaar Rotterdam en D66 is slechts ternauwernood gered, maar ‘zijn’ campagneposters die onder de slogan ‘in Nederland kies je je partner zelf’ kussende paren tonen, hangen er nog steeds.

Ze hebben de nodige ophef veroorzaakt, bij mensen die er aanstoot aan nemen en –
misschien nog meer – bij mensen die vooral vrezen dat ànderen er aanstoot aan nemen. Daarbij wordt mede vanwege de boodschapper de boodschap gewantrouwd.

‘Een Leefbaar-wethouder die een campagne voert voor diversiteit. Geloof je het zelf?’, aldus de Rotterdamse partij Nida. Anderzijds kon Schneider rekenen op steun uit onverdachte hoek, van Shirin Musa van Femmes for Freedom.

Met de leus en de strekking lijkt mij ook weinig mis. Er zijn bewust vier foto’s uitgekozen van stelletjes die in eigen omgeving problemen kunnen verwachten, bijvoorbeeld van een joodse jongen en een moslima. De gekozen combinaties zijn door enkele critici als stigmatiserend en het zoenen als aanstootgevend voor minderheden afgedaan. Maar een deel van de boze reacties illustreert juist dat zowel het recht op openlijk zoenen als op vrije partnerkeuze in bepaalde kringen inderdaad nog omstreden is. Dat maakt voor eenieder die beide rechten onderschrijft zo’n campagne dan ook legitiem.

De cruciale vraag is, hoeveel inwoners beide rechten NIET onderschrijven en waar die vooral te vinden zijn. Zoenen in het openbaar was vroeger ook niet voor alle autochtone Nederlanders een vanzelfsprekendheid en als het om homo’s gaat, ziet een groot deel hunner dat nog steeds liever niet. De spreekwoordelijke tolerantie blijkt dan niet alleen onder traditionele katholieken of protestanten op grenzen te stuiten. In dat opzicht reageren alle orthodoxe gelovigen eender.

Met de vrije partnerkeuze ligt het wat gecompliceerder. In een nog niet zo ver verleden werd het ook in autochtone kring vaak als problematisch ervaren, indien de eigen zoon of dochter als partner iemand van een andere ‘soort’ uitkoos, of dat nu om een andere stand ging of een ander kerkgenootschap.

‘Naar beneden trouwen’ gold in adellijke of goedburgerlijke kringen als ongepast, pas met het geleidelijk slijten van de standsverschillen vanaf de jaren zestig is dat veranderd. Toch vond Beatrix indertijd het huwelijk van haar zus Margriet met de burgermanszoon Pieter van Vollenhoven eigenlijk ongepast – ofschoon haar keuze voor Claus nu ook niet bepaald een keuze voor hoge Europese adel was.

‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ Die oude volkswijsheid is nu vooral voor de meeste Nederlanders passé, omdat zij helemaal niet meer geloven of het geloof op een vrijzinnige wijze zijn gaan belijden. Maar in de tijd dat men het nog veel serieuzer nam, stuitte een gemengd huwelijk tussen katholieken en protestanten vaak nog op heftige bezwaren, niet minder dan nu menig moslim het zou betreuren, als zijn kind met een christen trouwt – en zich bekeert – of omgekeerd. Dat is op zich ook niet onlogisch: wie het eigen geloof echt serieus neemt, meent dat er ook maar één weg naar het heil voert, anders verliest elk orthodox geloof met al z’n leefregels veel van zijn zin. Ook in zwaar-gereformeerde kring leidt geloofsafval nog vaak tot familiedrama’s die in sociale uitsluiting kunnen resulteren.

Wel is er één cruciaal aspect waarin zich het Westen al veel langer van de meeste andere culturen onderscheidt: de ‘trouwplicht’ als zodanig bestaat hier maatschappelijk niet. Dat verschil valt met harde cijfers te illustreren. Het aantal ongetrouwde vrouwen van boven de dertig. Dat bedraagt in onze contreien al eeuwen twintig tot dertig procent. Met andere woorden, het is volstrekt normaal, iedereen heeft ze in de familie. Zodra je de Karpaten oversteekt, daalt dat percentage meteen naar drie.

Ervan uitgaande dat de hormonen bij Arabische moslims niet anders functioneren dan bij Europese christenen en dit verschil dus geen genetische oorzaak heeft – dat zou pas racistisch zijn! – moeten er dus culturele factoren zijn. Die hebben te maken met een vanouds veel sterker individualisme bij ons versus een patriarchale cultuur elders, waarbij het eigen leven geen persoonlijke kwestie, maar een collectieve van de hele familie is, omdat alle familieleden erop afgerekend worden. Een hoofdcriterium voor culturele integratie van migranten is dan ook, of in dat opzicht ook westerse normen dominant worden. Dat vergt tijd.