De trein naar Den Haag op donderdagavond zat tjokvol. Alle opklapbare stoelen in de tussenruimte waren bezet, op één na, waar blijkbaar niemand durfde te gaan zitten. De leegte riep vragen op. Het antwoord kwam na een snelle inspectie: de man naast de lege stoel had er vier grote plastic tassen tjokvol lege statiegeldblikjes neergelegd.
Ik ging zitten, waarop hij zei: ‘Zo kan het ook.’ Hij stak een stukje kauwgum in zijn mond. Nerveus keek hij om zich heen. Ik besloot hem geen vraag te stellen over zijn reis. We waren de reis. Ik had het gevoel hem, door naast hem te gaan zitten, ook wat gerust te stellen. Hij was niet meer die man naast die lege stoel. Hij was een man tussen andere mannen. Zijn blikjes had ik aan het zicht onttrokken.
Er is een islamitische uitspraak dat Allah een gordijn heeft getrokken tussen de mens en zijn zonden en dat het niet aan de mens is om dat gordijn weg te trekken.
Voor ons kletsten jonge meiden wat af. Ik had oortjes in, hun odyssee ging aan me voorbij. Op een reusachtige fatbike – hoe had hij dat ding binnengekregen? – zat een jongeman in trainingspak, onverzorgd, donkere tandjes, een schichtig figuur, zoals zo iemand in oude boeken wordt omschreven. Hij maakte oogcontact met de buurman. Ze wisselden woorden uit.
De trein reed Haarlem in. De blikjesman stond op en trok de tassen onder mij vandaan – daar lag voor zeker tien euro aan statiegeld. Hij droeg het bij zich als een kostbaar bezit.
De jongen op de fatbike en ik bleven achter in de tussenruimte. De meisjes waren opgestaan en naar de coupé gelopen – de schichtigheid van de jongen was ze te veel, meende ik te zien.
Het was een opknappertje
De fatbike gleed onderuit, er vielen onderdelen uit. Het was een opknappertje. Het deerde de jongen niet. Hij luisterde naar Arabische hiphop, volumeknop op ‘iedereen mag meeluisteren’. De trein wiegde ons in slaap. De jongen ging op de fatbike zitten en kroop in zichzelf – onzichtbaar of niet onzichtbaar, het boeide hem niet.
Ondertussen luisterde ik naar de filosoof Slavoj Zizek. Zijn onnavolgbare betoog ging over onzekerheid, het loslaten van menselijke verbanden. Het was diep filosofisch, doorspekt met flauwe grapjes en doodlopende terzijdes. En toch bleef ik geboeid luisteren, want Zizek gaf me geen pasklare antwoorden. Hij dwong me mee te lopen, een reisgenoot te zijn.
De conducteur onderbrak mijn luistergenot. Hij stak het controleapparaat onder mijn neus. ‘Bedankt’, waarna hij zich richtte tot de schichtige jongen, nog altijd in de zogeheten slaapstand.
De conducteur schudde hem wakker. De schichtige jongen hield zich doof. De conducteur had vaker met dit bijltje gehakt.
‘Geen vervoersbewijs? Waar reist u vandaan? Ter Apel? Utrecht? Wat is het nou? Utrecht of Ter Apel? Utrecht? Utrecht, dan. Waar ga je heen? Den Haag? Je identiteitsbewijs.’
De schichtige jongen hengelde zijn telefoon onder de neus van de conducteur.
‘Laat nog eens zien. Alsjeblieft. 83 euro. Ik kan er ook niks aan doen. Kaartje kopen volgende keer.’
De schichtige jongen schudde met zijn hoofd. Hij was ergens anders met zijn hoofd. Hij was op zijn hoede en nog niet uitgedoofd.
Toen liep hij weg. Hij wees naar zijn fatbike, of ik erop kon letten. Ik was verantwoordelijk gemaakt voor zijn fabriek.
De trein rolde Den Haag Centraal in. Ik was op weg naar muziek van Bach in het Mauritshuis. De jongen kwam niet. Wat moest ik met die fatbike? De trein schudde, er vielen meer onderdelen uit de fatbike. De deuren gingen open.
Ik vroeg me af hoeveel boetes de jongen al had opgebouwd. En of hij er een herinnering aan zou hebben.
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

