‘Arabische leiders hebben boter op hun hoofd’

Foto's: Uitgeverij Polis, Koen Broos

De Tunesisch-Belgische arabist Chams Eddine Zaougui analyseert in zijn recent verschenen boek Dictators, een Arabische geschiedenis de oorsprong van de Arabische dictaturen en het mislukken van de ‘Arabische Lente’. Het is één van de best verkochte informatieve non-fictie boeken in Vlaanderen. De Kanttekening vroeg hem of de ‘Arabische Lente’ nog kans van slagen heeft.

Over de Arabische geschiedenis is al veel geschreven. Wat miste je in de bestaande literatuur en wat zette je er toe aan om zelf ook over deze geschiedenis te schrijven?
‘Naar mijn idee werd onvoldoende antwoord gegeven op de vraag waarom de protesten in 2010 zo gewelddadig verliepen en waarom dictators al zolang aan de macht zijn in Arabische landen. De academici die ik gelezen heb hierover schrijven over de Arabische wereld met een houding van ‘er valt weinig aan te doen’. De Arabische wereld leek gedoemd om opgezadeld te blijven met dictators. Ik miste een compact en toegankelijk verhaal over hoe de Arabische dictators te werk gaan. Ze hebben allemaal een trukendoos die ze inzetten, ze gebruiken corruptie om mensen aan zich te binden, hun strategieën hebben diepe sporen achtergelaten in de Arabische samenlevingen.’

Je bent van Tunesische afkomst, wat heb je zelf meegekregen van de dictatuur in dat land?
‘Ik ben in België geboren maar mijn vader is Tunesisch, we gingen bijna elk jaar op vakantie naar Tunesië. Dat waren fijne vakanties want ik deed leuke dingen met mijn familie. Tegelijkertijd kreeg ik ook de verhalen mee van martelingen, maar ik vroeg niet door. In een dictatuur word je afgeleerd om met politiek bezig te zijn. Je voelt de angst. Als er iemand was opgepakt hoorde je dat, maar al gauw spraken we weer over koetjes en kalfjes. Je voelde dat doorvragen over politiek niet gewenst was. Angst verlamt en dat is precies wat een dictator wil bewerkstelligen. Pas met het uitbreken van de opstanden eind 2010 en na research voor mijn boek begreep ik hoe het Tunesische regime van Ben Ali te werk ging.’

Tunesië wordt ook wel het enige land genoemd waar de Arabische lente wel geslaagd is, toch schrijf je dat er nog altijd veel vriendjespolitiek heerst. Is Tunesië desondanks het bewijs dat het allemaal niet voor niets was?
‘Tunesië is absoluut het goede voorbeeld. Er valt nog veel aan te merken op hoe de democratie werkt, maar we moeten niet uit het oog verliezen dat er in Tunesië sprake is van een geloofwaardige politieke arena. Er is sprake van een parlement en politieke vertegenwoordiging uit verschillende lagen in de samenleving. Er is nog heel veel gekonkel en vriendjespolitiek, maar een groot deel van de problemen wordt uitgevochten in het parlement. De besluitvorming sleept soms aan, maar dat kan gebeuren in een democratie. Daarbij moet worden opgemerkt dat het Tunesië nu voor de wind gaat, waardoor de democratie niet onder druk staat, politieke moorden en economische malaise kunnen de broze democratie uit evenwicht brengen. Het geluk van Tunesië is dat het een klein en homogeen land is en dat er onder de dictatuur al enigszins sprake was van tamelijk professionele staatsinstellingen, die elementen ontbreken volledig in een land als Libië, daardoor geef ik Tunesië meer kans van slagen.’

In hoeverre is het Westen verantwoordelijk geweest voor het succes van dictators als Zine al-Abidine Ben Ali, Hosni Mubarak, Muammar al-Kaddafi en Bashar al-Assad?
‘Het Westen draagt een gedeelde verantwoordelijkheid, de koloniserende landen hebben het voorbeeld van verdeel- en heerspolitiek gegeven en in feite hebben de dictators na hen dat voortgezet. De Arabische dictators waren populair, omdat zij het koloniale juk hebben afgeworpen, maar de dictators hebben in feite dat sentiment alleen maar gebruikt om de touwtjes steviger in handen te krijgen. De eerste leiders zijn misschien opgezadeld met een moeilijke geschiedenis, maar je kan dat niet volledig in de schoenen schuiven van het Westen, de Arabische leiders hebben ook boter op hun hoofd.’

Heeft de westerse militaire interventie in Libië, Irak en Syrië iets bijgedragen aan een oplossing of hebben zij alleen maar de situatie verder doen escaleren?
‘Eigenlijk zijn er bitter weinig interventies geweest. Libië is een uitzonderlijk voorbeeld. Ik denk dat het zeker goed is dat die interventie heeft plaatsgevonden. Er is nu een conflict van verschillende streken en milities tegen elkaar, maar zonder ingrijpen van het Westen en een aantal andere Arabische landen was Libië nu een soort Syrië geworden, een dictator als Kaddafi was daartoe in staat geweest. Wat je het Westen kan verwijten is dat ze te snel weg zijn gegaan. Wat betreft de interventie in Irak valt het Westen uiteraard veel meer te verwijten, dat was echt een invasie, die zeker niet op grote steun kon rekenen van de Iraakse bevolking. De inval in Irak heeft catastrofale gevolgen gehad en heeft onder meer de etnische breuklijnen blootgelegd. In Syrië ligt de focus op slecht één element van het conflict, namelijk de terreurgroep IS. Ze proberen de terroristen te vernietigen, waar ze volgens mij moeilijk in zullen slagen zolang de dictator Assad aan de macht blijft.’

In je boek trek je vaak de vergelijking met de Franse Revolutie, dat was ook niet één enkele gebeurtenis die tot verandering leidde. Wil je daarmee aangeven dat er nog hoop is voor de Arabische landen?
‘Zeker. De Franse Revolutie is een langdurig proces geweest, sommige spreken van tien jaar, anderen van zestig jaar en er zijn zelfs auteurs die zeggen dat de Franse Revolutie nog altijd gaande is. Er zijn altijd weer terugvallen. Aan de andere kant: Europa wordt niet meer geregeerd door koningen of dictators. Ik hoop voor de Arabische bevolking dat hun revolutie dezelfde kant opgaat. Hoop betekent niet dat het noodzakelijkerwijs goedkomt. Er is geen historische wetmatigheid die voorschrijft dat er altijd een duurzame verandering komt zolang er maar genoeg protest is. Voor het eerst in de Arabische geschiedenis is de jeugd er in 2010 in geslaagd om hun leiders af te zetten door massaal de straat op te gaan, dat betekent wel iets. Verandering is mogelijk.’

Je beschrijft de Egyptische president Gamal Abdel Nasser als het voorbeeld voor alle Arabische dictators na hem. Onder zijn regime kwam ook de politieke islam op. Heeft de politieke en radicale islam kunnen groeien dankzij Nasser en de dictators die na hem kwamen?
‘Dat is zeker het geval. Het mislukken van het sociaal contract, op het einde van Nassers leven, gaf zuurstof aan de islamisten: ze boden sociale diensten die de overheid niet meer bood. Religie is in het gat gesprongen van de uitzichtloosheid van de bevolking. Door het sociaal vangnet dat ze boden hebben ze een schaduwstaat opgebouwd. Dat heeft ze heel populair gemaakt. Religie is een goed bindmiddel voor zwakkeren in een samenleving, maar kan ook gemakkelijk misbruikt worden voor politieke doeleinden.’

Een groeiend aantal moslims ziet de islam als alternatief voor de wrede dictators, maar kan de religie politiek gezien wel een alternatief bieden?
‘Als je een oprechte eerlijke staat wil moet je daar geen elementen van de shariawetgeving in opnemen. In Europa is ook alles begonnen met de scheiding van kerk en staat. Ook in dat opzicht is Tunesië koploper aangezien zij besloten hebben om geen religieuze wetten in de grondwet op te nemen. Een rechtsstaat vereist individuele zelfbeschikking en ik denk dat religieuze wetten in de grondwet daarbij per definitie een obstakel vormen aangezien de staat er voor iedereen moet zijn en niet alleen voor degenen die de religie aanhangen. Je zag dat in Egypte bij de Moslimbroederschap die onmiddellijk toen zij aan de macht kwamen bepaalde groepen in de samenleving zijn gaan uitsluiten. Wat de Arabische wereld nodig heeft is een grondwet die niet door de ene of de andere groep opgeëist kan worden, een grondwet die alle etniciteiten, stammen en religies overstijgt.’

DELEN
Gemme Burger
Journalist gespecialiseerd in religie en filosofie. Redacteur van de Kanttekening.