Standbeelden van een ‘fout’ verleden

Foto: Reuters

De moordaanslag met een auto in het Amerikaanse Charlottesville op een demonstrerende menigte vormt de rechts-extremistische tegenhanger van de aanslag door IS-aanhangers met een bus de week daarop in Barcelona. Maar waar de Spaanse regering niet aarzelde om die laatste als terroristisch te betitelen, bleef een dergelijk oordeel door het Witte Huis uit.

Donald Trump ontweek aanvankelijk zelfs de schuldvraag, door die – ook tot ontzetting van alle vooraanstaande Republikeinen – over daders en slachtoffers geleidelijk te verdelen. Onder druk van een verontwaardigde publieke opinie slikte hij dat met een inmiddels door het voorafgaande obligaat klinkende veroordeling in, om een dag later tot vreugde van de Ku Klux Klan weer bij zijn eerdere stellingname terug te keren.

Trump heeft in Charlottesville geoogst wat hij, door tijdens zijn verkiezingscampagne voortdurend op de nationalistische en racistische gevoelens onder een deel van de lageropgeleide mannelijke blanke bevolking in te spelen, zelf eerder had gezaaid. Daar zit het ressentiment tegen de emancipatie van diverse minderheden – de zwarte vooraan – diep; de eigen lang vanzelfsprekende culturele dominantie brokkelt af. Dat zorgt in samenhang met de economische achteruitgang voor groeiende woede. In het zuiden verbindt zich dat met een hang naar het segregatieverleden, toen die dominantie ook juridisch was vastgelegd.

Wat Trump inhoudelijk zelf echt vindt, is niet duidelijk. Over veel kwesties heeft hij in feite geen eigen opvattingen. Daardoor is hij het meestal met de laatste spreker eens, wat dan zijn onvaste koers veroorzaakt. Tegelijk rotsvast van zijn eigen gelijk en superioriteit overtuigd, laat hij zich vooral door zijn macho-inborst en zakeninstinct leiden. De lucratieve ‘zaak’ waarop hij nu zijn zinnen heeft gezet, is het presidentschap.

Ofschoon Steve Bannon, de kwade genius die de verbinding met de als alt-right betitelde extremisten vormde, nu aan de dijk is gezet, blijven de door deze binnengebrachte kiezersgroepen degenen die Trump aan de macht hebben geholpen. Dat weet Trump: hij is ‘hun’ president, en daarmee voor een herverkiezing mede van hen afhankelijk. Eens temeer, omdat hij gedurende zijn eerste half jaar helemaal niets tot stand heeft gebracht en zich door zijn onmogelijke gedrag van zijn eigen Republikeinse partij heeft vervreemd.

Aanleiding voor de rellen in Charlottesville vormden de pogingen om als aanstootgevend ervaren standbeelden en symbolen van het zuidelijke slavernij- en segregatieverleden uit het straatbeeld te verwijderen. Juist daarmee werd bij de verbitterde blanke nationalisten een gevoelige snaar geraakt. Met hun helden uit het verleden werd ook de vanzelfsprekendheid van hun wereldbeeld in het heden ter discussie gesteld.

Dat roept de vraag op, in hoeverre de gebeurtenissen in Amerika ook naar Europa kunnen overslaan. Ook hier bestaan spanningen tussen delen van de autochtone bevolking die zich door de politiek verwaarloosd en etnische minderheden die zich gediscrimineerd voelen. Denk aan de uitzichtloze situatie in de Franse banlieues of de vroegere rassenrellen in sommige verpauperde Britse industriesteden. Die gedepriveerde blanken hechten, juist als gevolg van hun sociaal-economische achteruitgang, des temeer aan het behoud van hun sociaal-culturele dominantie, terwijl de minderheden – in Europa geen nazaten van slaven, maar van migranten – verlangen ook eindelijk gehoord te worden, juist op het punt van de sociaal-culturele norm.

Wat in Amerika de achterban is van de alt-right, is in Europa die van onder meer het Front National en de PVV. Wat voor eerstgenoemden generaal Robert Lee is, wiens standbeelden nu worden neergehaald, is in Nederland Zwarte Piet. Voor de ene groep bron van grote aanstoot, voor de ander het symbool van de eis zichzelf te kunnen blijven. Omdat Nederland binnenlands een minder gewelddadige politieke traditie heeft dan Amerika verloopt die confrontatie bij ons ook minder gewelddadig, maar de emoties lopen soms even hoog op.

Net zoals de rest van Europa vol staat met standbeelden van een ‘fout’ verleden die zodoende steeds weer discussie uitlokken, kent ook Nederland een paar inmiddels discutabele heldenmonumenten. Discutabel omdat bij de kijk op deze helden niet alleen de visie van de nazaten van de daders, maar ook die van de slachtoffers is gaan tellen. Denk bijvoorbeeld aan Jo van Heutsz of Jan Pieterszoon Coen.

Hoe daarmee om te gaan? In Spanje is inmiddels Francisco Franco gesneuveld, in Oost-Europa verdween na 1989 overal Vladimir Lenin uit het straatbeeld. In Nederland wordt dat, als het om onze koloniale grootheden gaat, meestal onzin gevonden: hun standbeelden zijn, omdat ze er nu eenmaal al zolang zijn, deel van onze geschiedenis. Verwijdering zou geschiedvervalsing betekenen. Daar zit zeker wat in. Maar zouden we dat ook zeggen als de Duitsers in 1942 Den Haag met standbeelden van Adolf Hitler hadden volgegooid?