Erdogan gebruikte de coup om Turkije naar zijn hand te zetten

Lees meer

Tien jaar na de couppoging van 15 juli 2016 blijft in Turkije hetzelfde officiële verhaal rondzingen: die nacht zou de democratie zijn verdedigd. In werkelijkheid werd het de stichtingsmythe van een nieuw autoritair bestel. Erdogan overleefde niet alleen de staatsgreep; hij gebruikte die om een persoonlijk regime op te bouwen, de rechtsstaat uit te hollen, democratische tegenmachten te verpletteren en de macht te concentreren in een uitvoerend presidentschap dat onder de noodtoestand werd geboren.

De wortels van die ontmanteling liggen veel dieper dan 2016. De militaire coup van 1980 bracht geen stabiliteit, maar legde juist de basis voor de crisis van vandaag. Tijdens de Koude Oorlog ontdekte het leger hoe bruikbaar de islam kon zijn als politiek instrument tegen links en de Koerdische beweging. De grondwet van 1982 hield die logica in stand en gaf Turkije een institutioneel kader dat bedoeld was om onrust te voorkomen, maar die onrust decennialang juist in stand hield.

Een van de duidelijkste voorbeelden was de manier waarop de staat de samenleving via religie probeerde te sturen. De verplichte lessen cultuur en ethiek, ingevoerd na de coup van 1980, en de uitbreiding van de Diyanet waren geen neutrale hervormingen. Ze maakten deel uit van een project om de islam te ‘nationaliseren’, het openbare leven te disciplineren en religie via staatsstructuren te sturen. Tegelijk voerde de junta een kiesdrempel van tien procent in, de hoogste van Europa, om Koerdisch-linkse partijen uit het parlement te houden. Dat werkte averechts. Door de politieke vertegenwoordiging te beperken, creëerde de staat juist de voorwaarden voor de dominantie van de AKP in 2002.

Tijdens de Koude Oorlog ontdekte het leger hoe bruikbaar de islam kon zijn als politiek instrument

Dat is de ironie van het moderne Turkije: de instrumenten die bedoeld waren om de samenleving te controleren, maakten uiteindelijk de weg vrij voor de macht die haar zou domineren. De sociale engineering van het leger normaliseerde religieuze expressie. De kiesdrempel vervormde de vertegenwoordiging. Samen openden ze de deur voor een partij met islamitische wortels om de staat te veroveren en naar haar hand te zetten.

Jarenlang werd het Turkse leger voorgesteld als de seculiere bewaker en Erdogan als de islamistische uitdager. Die tweedeling is inmiddels achterhaald. In de jaren van de AKP ontstond een opportunistische alliantie tussen het presidentschap en delen van de veiligheids- en militaire top. Terwijl Erdogan de macht centraliseerde, vermeende coupplegers vervolgde en de bevelsstructuur hervormde, paste de militaire top zich aan een realiteit aan waarin het nuttiger was hem te steunen dan te bestrijden.

Die ontwikkeling verklaart ook de diplomatieke spagaat van Turkije. Ankara wil tegelijk onmisbaar en ongrijpbaar zijn: binnen de NAVO, maar niet onderdanig; verbonden met het Westen, maar nooit volledig betrouwbaar. De aankoop van het Russische S-400-luchtafweersysteem werd daarvan het perfecte symbool. Die leidde tot de uitsluiting van Turkije uit het F-35-programma en tot Amerikaanse sancties, terwijl Ankara de beslissing presenteerde als een soevereine keuze. Dat is de vaste methode: strategisch balanceren aan de top, autoritaire verharding in eigen land.

15 juli 2016

Het echte kantelpunt was 15 juli 2016. De couppoging was chaotisch, versnipperd en bloedig. Maar wat erop volgde, was geen herstel van de democratie. De noodtoestand werd gebruikt om de staat opnieuw vorm te geven. Onder de noodtoestand, die enkele dagen later werd afgekondigd, regeerde de regering per decreet, omzeilde zij het parlement en begon zij met massale zuiveringen in de ambtenarij, de rechterlijke macht, het leger, het onderwijs en de media. Human Rights Watch noemde het eerste nooddecreet arbitrair en discriminerend en waarschuwde dat het permanente ontslagen mogelijk maakte zonder betekenisvolle juridische bescherming.

De schaal was enorm. Halverwege 2016 waren al tienduizenden ambtenaren geschorst. Rechters en aanklagers werden massaal vastgezet en de nooddecreten breidden de zuiveringen verder uit. Het resultaat was niet alleen de bestraffing van echte coupplegers, maar ook de ontmanteling van de institutionele onafhankelijkheid. De rechterlijke macht werd verzwakt, universiteiten werden gezuiverd, media werden gesloten en het maatschappelijk middenveld werd het zwijgen opgelegd.

Daarmee kreeg Erdogan ook de wind in de zeilen voor zijn constitutionele project. Het referendum van 2017 verschoof Turkije van een parlementair naar een presidentieel systeem. Dat gebeurde met een zeer kleine meerderheid en gaf het presidentschap een ongekende concentratie van macht. Het referendum werd gehouden onder de noodtoestand en versterkte de democratie niet; het verzwakte haar juist. Het parlement verloor macht, het premierschap werd afgeschaft en de eenmansmacht werd verankerd onder het motto van ‘sterk leiderschap’.

De nasleep van de coup is uiteindelijk belangrijker dan de coup zelf. De eerste reactie – massamobilisatie, verdediging van verkozen instellingen en het uitschakelen van samenzweerders – was op zichzelf begrijpelijk. Maar Erdogan gebruikte die legitimiteit om een permanente staat van uitzondering te vestigen. De noodtoestand werd genormaliseerd. Regeren per decreet werd de norm. Oppositie werd steeds vaker gelijkgesteld aan terrorisme. Het onderscheid tussen een echte veiligheidsdreiging en politieke dissidentie vervaagde bijna volledig.

Oppositie werd steeds vaker gelijkgesteld aan terrorisme

In die omgeving draaide de politiek niet langer om burgers, maar steeds meer om Erdogan zelf. De republiek werd niet meer verdedigd in naam van het volk, maar in naam van één leider. Dat is de werkelijke erfenis van de periode na de coup: niet veiligheid, maar personalisering van de macht. Niet stabiliteit, maar gehoorzaamheid, verpakt als nationale eenheid.

Erdogan wist die binnenlandse machtsconsolidatie ook diplomatiek te benutten. Hij presenteert zich als de leider van een land dat altijd nodig is, maar nooit volledig te vertrouwen. Met vetorecht, vertraging en selectieve samenwerking dwingt hij concessies af van de NAVO en de EU, terwijl hij tegelijkertijd de westerse hypocrisie bekritiseert. De toetreding van Zweden tot de NAVO was daarvan het meest recente voorbeeld. Ankara blokkeerde de toetreding lange tijd om daarna te stellen dat het slechts zijn soevereiniteit verdedigde.

Voor westerse regeringen werd dat vaak gezien als een aanvaardbare ruil: samenwerking op het gebied van migratie, terrorismebestrijding en regionale veiligheid in ruil voor stilzwijgen over de binnenlandse repressie. Maar het is geen echte ruil. Het is een eenzijdige concessie die Erdogan beloont voor zijn vermogen om alle partijen tegen elkaar uit te spelen. Turkije houdt de lijnen met Rusland open, blijft een belangrijke NAVO-bondgenoot en escaleert tegelijk geregeld conflicten met Griekenland en Cyprus over maritieme grenzen, luchtruim en energieclaims.

De oostelijke Middellandse Zee laat dat patroon duidelijk zien. Het maritieme akkoord met Libië uit 2019, de confrontaties op zee in betwiste wateren en de retoriek rond de doctrine van het ‘Blauwe Thuisland’ tonen hetzelfde patroon: nationalistische escalatie buiten de landsgrenzen, autoritaire controle binnen de grenzen. Ook China blijft in beeld via Turkse belangstelling voor projecten binnen het Belt and Road Initiative, terwijl Ankara zich niet volledig aansluit bij de westerse sancties tegen Rusland. Dat is geen verheven vorm van strategische autonomie, maar opportunisme dat steunt op binnenlandse dwang.

De echte vraag is dus niet of Erdogan de Turkse belangen handig heeft verdedigd. De vraag is of zijn systeem het land beter heeft gediend dan hemzelf. Het antwoord is nee. Hij gebruikte het begrip soevereiniteit om burgers hun politieke handelingsruimte te ontnemen. Hij gebruikte de legitimiteit na de couppoging om repressie te normaliseren. En hij gebruikte de strategische positie van Turkije om westerse lankmoedigheid af te dwingen, terwijl democratisch herstel in eigen land steeds moeilijker werd.

Wat overblijft

Wat blijft er dan over, tien jaar na de coup? Het centrale probleem is niet alleen de macht van Erdogan, maar ook de steeds kleinere ruimte voor de politieke wil van Turkse burgers. Die ruimte herstellen betekent het verdedigen van constitutionalisme, lokale democratie, onafhankelijke balies, journalisten en mensenrechtenorganisaties. Het betekent ook coalities bouwen die de seculier-religieuze en Turks-Koerdische breuklijnen overstijgen, in plaats van de oude tegenstellingen te herhalen waarop autoritarisme gedijt.

Een Turkije dat is uitgehold door gepersonaliseerde macht, is geen stabiele bondgenoot

Voor de EU en de NAVO betekent dit dat zij moeten stoppen met Turkije te behandelen als een probleem dat via stille deals kan worden beheerd. Samenwerking blijft nodig – over veiligheid in de Zwarte Zee, energiecorridors en migratie – maar die moet nadrukkelijk worden gekoppeld aan rechtsstatelijke voorwaarden, niet worden weggestopt achter topoverleg en pragmatische uitruil. Onafhankelijke rechtspraak, vrije meningsuiting en eerlijke verkiezingen zijn geen decoratieve waarden. Ze vormen de kern van elke duurzame veiligheidsrelatie. Een Turkije dat is uitgehold door gepersonaliseerde macht, is geen stabiele bondgenoot, hoe bruikbaar het op korte termijn ook lijkt.

De slotles is eenvoudig. De couppoging was niet alleen een trauma. Ze was ook een politieke kans, en Erdogan gebruikte die om de republiek naar zijn hand te zetten. Tien jaar later gaat de keuze niet langer tussen seculiere generaals en een verkozen islamistische leider. Ze gaat tussen een gemilitariseerd en gepersonaliseerd systeem dat in een diplomatieke limbo verkeert, en een Turkije dat nog altijd pluralisme en democratie met elkaar kan verzoenen.

Het Westen moet ophouden de overwinningen van Erdogan te verwarren met het lot van Turkije. Zijn macht is niet het noodlot van het land. De Turkse burgers zijn geen verlengstuk van zijn regime. Zij zijn het politieke subject dat de Turkse politiek al veel te lang probeert uit te wissen.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -