12.9 C
Amsterdam

Moeten kerken en moskeeën meer doen voor armoedebestrijding en zorg?

Ewout Klei
Ewout Klei
Historicus en journalist.

Lees meer

CDA-minister Mirjam Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) vindt dat kerken meer zouden moeten doen voor de zorg. Haar Willibrordlezing roept veel kritiek op uit christelijke hoek, maar ze krijgt ook bijval. Achter de ophef gaat een diepere vraag schuil: zijn kerken, moskeeën en andere gebedshuizen er alleen voor het zielenheil, of hebben ze ook een sociale opdracht?

De toespraak van minister Mirjam Sterk, die ze op 31 augustus hield aan de Protestantse Theologische Universiteit, had waarschijnlijk een bescheiden academisch moment kunnen blijven. Maar in plaats daarvan werd het een kleine rel. De minister zou kerken de schuld geven van maatschappelijke problemen en hen verwijten dat ze in slaap zijn gesukkeld door de verzorgingsstaat. Impliciet zou ze hiermee suggereren dat religieuze gemeenschappen maar moeten bijspringen, nu de staat zich terugtrekt.

Op social media en in de kolommen van Trouw en het Nederlands Dagblad klonk er gemor. Waarom wees Sterk naar de kerk, terwijl de overheid zelf jarenlang heeft bezuinigd op zorg, welzijn en ondersteuning?

Cultuurtheoloog Frank Bosman is ook kritisch. Hij plaatst haar lezing in een bredere ontwikkeling waarin de staat zich terugtrekt, religieuze gemeenschappen worden aangesproken, en ondertussen de politieke verantwoordelijkheid wordt afgezwakt. Hij verwijst in dit verband naar de Canadese filosoof Charles Taylor, die laat zien dat secularisatie samenhangt met de opkomst van een sociaal vangnet.

Frank Bosman

‘Als de staat zorgt voor mensen, dan lijkt de kerk overbodig’, zegt Bosman. ‘Maar het werkt ook andersom. Want wanneer de staat zich terugtrekt, vullen kerken en andere religieuze gemeenschappen het gat op. Dat de staat voor mensen zorgt, is in de geschiedenis echt een uitzondering. De zorg van kerken, moskeeën en andere religieuze instellingen is de norm.’

Kerken, kloosters en religieuze stichtingen hebben eeuwenlang scholen, ziekenhuizen, armenzorg en opvang georganiseerd, van middeleeuwse orden als de dominicanen en de franciscanen die zich in steden richtten op armenzorg, zieken en onderwijs tot de 20e-eeuwse zuilen met hun eigen scholen, ziekenhuizen en sociale netwerken. Ook in de islam is zorg geen bijzaak, zegt Bosman. Zakaat – het geven aan armen en behoeftigen – is een van de vijf zuilen.

‘Dat de staat voor mensen zorgt, is in de geschiedenis echt een uitzondering’

Bosman ziet daarom een spanning in Sterks lezing. ‘Enerzijds erkent ze dat religies een traditie van zorg hebben. Maar aan de andere kant is ze kritisch op de rol van de kerk, die te weinig zou doen. Nu de verzorgingsstaat onder druk staat, moeten kerken en religieuze gemeenschappen het maar oplossen, zegt ze impliciet.’ Daar heeft hij weinig geduld mee: ‘Als je de brandweer wegbezuinigt en vervolgens boos wordt dat de scouting brandjes niet goed blust, ben je hypocriet.’

Natuurlijk mag je kerken, moskeeën en andere religieuze organisaties aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar dat mag niet dienen als alibi voor een terugtredende staat. ‘Religieuze gemeenschappen kunnen en willen veel doen — daklozenopvang, hulp aan drugsverslaafden, voedselbanken, buurtinitiatieven — maar ze zijn geen vervanging voor structureel beleid. Sterks appel is niet zonder risico in een politieke context, waarin ‘participatiesamenleving’ een eufemisme is voor harde bezuinigingen op zorg.’

Kerk en volk

Heel anders klinkt Lambert Pasterkamp, docent aan de Christelijke Hogeschool Ede en promovendus aan de Theologische Universiteit Utrecht. Hij schrijft een proefschrift over de kerk en het sociale vraagstuk, met een onderzoek dat deels historisch, deels normatief is. Zijn focus ligt vooral op protestantse kerken en orthodoxe armenzorg.

Lambert Pasterkamp

Pasterkamp ziet de kritiek op Sterk als begrijpelijk, maar overdreven. Hij leest haar lezing niet als een verwijt aan kerken, maar als een appel. ‘Ik snap de kritiek, dat kerken de schuld krijgen terwijl de overheid veel heeft bezuinigd. Maar ze heeft ook een punt. De verzorgingsstaat loopt op zijn einde. We zitten in een participatiesamenleving, een zorgsamenleving. Kerken zijn bij uitstek plekken van participatie of zorg, maar dat lijken ze soms zelf te vergeten.’

Historisch gezien is dat opvallend. In de 19e eeuw waren kerken en kerkelijk geïnspireerde organisaties belangrijke spelers in de armenzorg. Ze speelden daarmee ook een rol in wat Pasterkamp de ‘sociale verbeelding’ van de samenleving noemt. Figuren als predikant en filantroop Ottho Gerhard Heldring richtten tehuizen op voor tienermeisjes die in de prostitutie hadden gezeten en dachten na over hoe de kerk voor mensen moest zorgen. Hun organisaties hadden nationale pretenties, zegt Pasterkamp. ‘Ze hadden daarmee heel de samenleving op het oog, niet alleen de eigen kring.’

‘Christelijke armenzorg was vaak paternalistisch’

Er was ook kritiek op naastenliefde voor mensen buiten de kerk. ‘Moet je prostituees wel willen helpen?’, klonk het in sommige kringen. Christelijke armenzorg was vaak paternalistisch, moraliserend en sterk gekoppeld aan sociale controle, denk aan huisbezoeken om te checken of mensen zich aan de regels hielden. Niettemin was de inzet een vorm van sociale verbeelding: een idee over hoe de samenleving er idealiter uit zou moeten zien. De Nederlandse Hervormde Kerk wilde er zijn voor iedereen.’

Met de opkomst van de verzorgingsstaat verschoof de verantwoordelijkheid. De overheid concludeerde pragmatisch dat de kerk niet langer alle armen kon helpen. Linkse liberalen, ook die van vrijzinnig-christelijke huize, pleitten er eind 19e, begin 20e eeuw voor dat hulp naar de staat moest. ‘De Armenwet van 1912 hield formeel nog vast aan het primaat van de kerk, maar feitelijk was dat al achterhaald’, zegt Pasterkamp. ‘Maar pas na de Tweede Wereldoorlog nam de staat officieel de zorg van wieg tot graf over.’

Een kleine groep strenge christenen protesteerde tegen de verzorgingsstaat. Sommigen weigerden zelfs AOW, omdat zorg volgens hen een taak van de kerk was. ‘Maar dat was een minderheid. De meeste kerken pasten zich aan de nieuwe werkelijkheid aan.’

Pasterkamp ziet nu een dubbele beweging. Enerzijds is er een terechte gevoeligheid voor paternalisme en machtsmisbruik. ‘In de opleiding Social Work op mijn hogeschool is er veel aandacht voor autonomie. In hoeverre mag je mensen sturen? En hoe voorkom je dat hulp bevoogdend wordt?’ Anderzijds is er een samenleving die hij ‘verweesd’ noemt. ‘Er is soms te weinig sturing, mensen krijgen te weinig kaders aangereikt en we bekommeren ons te weinig om elkaar.’

In dat spanningsveld vindt Pasterkamp Sterks appel interessant. ‘Je moet het niet zien als een nostalgische oproep om terug te keren naar de 19e eeuw, maar als uitnodiging aan kerken om opnieuw na te denken over de verbeelding van de samenleving, zonder de fouten van vroeger te herhalen.’

De kerk was er niet alleen voor de gelovigen

Matthias Smalbrugge, hoogleraar aan de School of Religion and Theology van de Vrije Universiteit Amsterdam, is misschien wel het meest uitgesproken in zijn verdediging van Sterk. Hij vindt de kritiek op haar lezing ‘overdreven’.

Matthias Smalbrugge. Beeld: Wiep van Apeldoorn

‘Ze schuift de sociale verantwoordelijkheid van de overheid niet op het bordje van de kerk, maar ze zegt dat ons discours, onze taal, te weinig gevuld is. Er moet meer invulling worden gegeven aan waarden.’

Volgens Smalbrugge gaat Sterks lezing niet over het afschuiven van taken, maar over het ontbreken van een narratief, een verhaal. We hebben modellen, begrippen en instrumenten in de zorg – efficiëntie, indicaties, protocollen – maar te weinig geestelijke taal om te zeggen waarom we zorgen, wat we belangrijk vinden, hoe we elkaar zien. Wat je doet, je handelen, moet een link hebben met een inhoudelijk verhaal, anders spelen we theorie en praktijk uit elkaar.

Smalbrugge plaatst Sterk in een traditie die teruggaat tot de hervormde theoloog Arnold van Ruler. In maart 1945, nog tijdens de oorlog, schreef Van Ruler dat de antithese, de tegenstelling tussen gelovig en ongelovig, niet de kern is. Mensen hebben elkaar juist nodig. In de nieuwe kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk was er veel aandacht voor de publieke taak van de kerk. De kerk was er niet alleen voor de gelovigen, maar voor heel de samenleving.

‘Er moet meer invulling worden gegeven aan waarden’

De hoogleraar vertelt dat verschillende religieuze tradities het principe van naastenliefde op hun eigen manier invulden. Gereformeerden waren meer naar binnen gericht, met een sterk eigen verhaal en eigen organisaties. Hervormden waren meer naar buiten gericht, de mensen aan de rand hoorden er ook bij, je vroeg niet aan mensen hoe gelovig ze wel of niet waren. Katholieken namen een tussenpositie in. Ze waren missionair, maar ook sterk zuilgebonden. Ze hadden eigen scholen en ziekenhuizen, veelal georganiseerd door religieuze orden en congregaties. Die waren er voor iedereen, maar ze hadden wel een duidelijk verhaal waar je je aan moest houden.

In al die gevallen was er iets wat Smalbrugge nu mist: een verbindend narratief. In de verzuilingstijd konden de gereformeerde voorman Abraham Kuyper en zijn katholieke evenknie Herman Schaepman elkaar vinden in een gedeeld idee van samenleven, ondanks alle grote ideologische verschillen. Vandaag lukt dat echter nauwelijks. Links en rechts staan lijnrecht tegenover elkaar en ‘compromis’ is een vies woord geworden. ‘De huidige begrotingsonderhandelingen verlopen zeer moeizaam. Ze laten zien hoezeer Nederland snakt naar een verhaal. Dat hoeft wat mij betreft niet nationalistisch te zijn, maar wel verbindend.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -