16.1 C
Amsterdam

Ik zit vast tussen Nederland en de Rif

Ahlam Benali
Ahlam Benali
Journalist en publicist

Lees meer

Toen ik de film Porte Bagage voor het eerst zag in het theater aan het Spui, liet de film mij niet meer los. Ik huilde om de herkenning en ik bleef er nog dagenlang aan terugdenken. Het ging over de loodzware bagage van familiebanden en de herkenbare strijd van het steeds anders zijn in twee landen. En toch bleven liefde, loyaliteit en zorg de familie altijd met elkaar verbinden. Vorige week zag ik de film voor de tweede keer. Dit keer thuis op de bank, samen met mijn man. En op de achtergrond zat mijn zoon aan de eettafel zijn huiswerk te maken. Opnieuw genoot ik van de beelden die voorbijkwamen op het scherm. En weer voelde ik het verdriet en de weemoed van een vader die terug wil naar zijn wortels, waar hij zijn laatste jaren in alle rust wil doorbrengen. Tijdens het kijken kwam de vraag weer in mijn hoofd op: wanneer ga ik ook terug naar waar ik me echt thuis voel?

Niet heel lang geleden dacht ik er anders over. Ik vertelde in Trouw heel stellig dat weggaan uit Nederland voor mij voelde als opgeven. Ik vond dat we hier moesten blijven en onze plek moesten blijven opeisen. En onszelf zeker nooit weg moesten laten jagen door discriminatie en anti-moslimracisme. Ik verklaarde zelfs een oude vriendin van mij voor gek. Ze vertrok tien jaar geleden voorgoed. En als mijn ouders met verlangen spraken over ooit met z’n allen terugkeren naar de Rif, begreep ik daar helemaal niets van.

En toch is dat gevoel van in Nederland willen blijven niet vanzelfsprekend gebleven. Want de tijd kan een mens echt veranderen en de maatschappelijke druk kan enorm zwaar wegen. Ik begin te merken dat ik de eindeloze discussie in dit land zo zat ben geraakt. Het steeds debatteren over de vraag of ik er als moslima wel echt bij hoor of niet. En of ik wel of niet genoeg ben geïntegreerd. En ook de strijd over wat ik draag, wie ik ben en hoe ik eruitzie. Deze verschrikkelijke mentale vermoeidheid slaat bij mij inmiddels om in iets heel anders. Namelijk de zorg om de toekomst van mijn zoon in dit land.

Over een paar jaar gaat hij op zoek naar een stageplek

Hij begint nu pas aan een weg die ik allang ken. Hij droomt groot, maar heeft gelukkig nog geen idee wat het pad dat voor hem ligt van hem gaat vragen. Ik zie het al voor me. Over een paar jaar gaat hij op zoek naar een stageplek of solliciteren naar zijn eerste baan. Hij zal puur om wie hij is en hoe hij eruitziet standaard drie-nul achterstaan. Dit terwijl zijn klasgenootjes, die nooit hoeven na te denken over hun naam, geloof of huidskleur, gewoon aan de startstreep zijn begonnen. Deze gedachten laten me niet meer los sinds hij naar de brugklas is gegaan.

En hoe ouder ik word, hoe harder de droom in mijn hoofd blijft roepen. Een groot verlangen naar het klimaat van de Rif, de bergen, de cultuur en het vertragende leven. Maar vooral een plek waar ik niemand hoef uit te leggen wie ik ben. Ook laten we dit onbewust in onze moedertaal terughoren. Wanneer we bijvoorbeeld onze tickets boeken naar de Rif, zeggen we altijd: Anawah – we gaan naar huis. En wanneer we naar Nederland terugkeren, zeggen we: Anedwar – we gaan weer terug. Zonder dat we er ooit bij stilstaan, verraden deze twee Riffijnse woorden eigenlijk altijd waar het hart echt geworteld ligt. Maar goed, dromen is makkelijker dan kiezen. Want neem ik de tekortkomingen in de Rif – de lastige politiek, het beleid en het gebrek aan voorzieningen – voor lief? Of kies ik voor de eindeloze strijd over mijn identiteit in Nederland?

Een keer vertelde ik mijn ouders dat als ik geen kinderen had gehad, ik waarschijnlijk het terugkeren had gewaagd. Mijn moeder viel toen een paar seconden stil en zei: ‘Precies, als ik jullie niet had gehad, had ik het ook geweten. Maar ach lieverd, als je daar één dag hoofdpijn of koorts hebt, wil je er ook niet meer blijven.’ Tja, daar zei ze iets wat me diep raakte. Want in haar woorden hoorde ik twee dingen tegelijk. De erkenning en herkenning van haar verlangen en het besef dat mijn eigen droom misschien een illusie is. Het leven in de Rif is natuurlijk mooi zolang alles goed gaat, maar je bent er zo kwetsbaar zodra er iets misgaat.

De aftiteling van Porte Bagage was allang voorbij en mijn zoon zat nog aan de eettafel. De vader in de film was inmiddels vertrokken en genoot van zijn rust in de Rif. En ik bleef achter met vragen waar ik geen duidelijk antwoord op heb kunnen vinden. Misschien is het eerlijkste wat ik kan zeggen dat ik vastzit. Niet in Nederland en niet in de Rif, maar ergens daartussenin. Mijn dromen kunnen wachten, net als die van mijn ouders, die al die jaren wachtten. Misschien is dit uiteindelijk de bagage die we steeds aan elkaar doorgeven. Niet de koffers die we uitpakken na een reis, maar het verlangen dat van generatie op generatie met ons meereist, zonder ooit aan te komen.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -