Oud-journalist Endre Barcs (80) maakte als tienjarige jongen de Hongaarse Opstand van 1956 mee, die zeventig jaar geleden hard werd neergeslagen door de Sovjet-Unie. Hoe beleefde hij deze opstand, als ooggetuige? En hoe kijkt hij naar de politieke strijd over de herinnering aan de opstand?
Endre Barcs en de verslaggever kennen elkaar alweer zeven jaren. We kwamen elkaar voor het eerst tegen in het Europees Parlement in Brussel, op een symposium over de situatie in Kashmir. Barcs was toen al een tijdje met pensioen, maar lobbyt sindsdien voor de vrijheid van Kashmir. Hij vertelde toen dat hij uit Hongarije komt en natuurlijk ook het communisme heeft meegemaakt. Ook de Hongaarse Opstand, die door het Rode Leger bloedig werd neergeslagen.
Dit jaar is het 70 jaar geleden dat de Hongaarse Opstand plaatsvond. Hoe beleefde de jonge Endre deze tijd toen? ‘Ik was tien jaar oud toen de revolutie uitbrak’, vertelt hij. ‘De scholen waren dicht. En overal lagen wapens, van gedeserteerde Hongaarse soldaten. Mijn vriendjes en ik gingen het bos in om geweren op te rapen.’
De opstand begint
Endre Barcs vertelt het verhaal levendig, met een scherp ook voor detail. Volgens hem is de opstand niet te begrijpen zonder de ellendige omstandigheden van de jaren daarvoor, legt hij uit. ‘De jaren vijftig waren verschrikkelijk voor Hongarije. Voor brood en melk had je bonnen nodig. Soms liep ik een uur door het bos naar een winkel, om vervolgens te horen dat het brood al op was en de bon niets meer waard was. Tot 1957 of 1958 at ik nauwelijks vlees. Chocolade kende ik eigenlijk niet.’
Hongarije was sinds Tweede Wereldoorlog een communistische staat en bevond zich binnen de invloedssfeer van de Sovjet-Unie. De geheime politie Államvédelmi Hatóság (ÁVH) hield de bevolking scherp in de gaten en politieke vrijheid bestond er nauwelijks. Toch begon de opstand volgens Barcs verrassend vreedzaam. ‘Op 23 oktober gingen mensen naar het radiostation in Boedapest. Ze wilden hervormingsvoorstellen voorlezen. Dat mocht niet. Daar begonnen de problemen.’
De situatie escaleerde toen veiligheidstroepen het vuur openden. ‘De politie begon op de mensen te schieten. Toen kregen demonstranten wapens in handen en begonnen terug te schieten.’
‘De politie begon op de mensen te schieten’
De revolutie beperkte zich niet tot intellectuelen en studenten, benadrukt Barcs. ‘Het was een volksopstand. Arbeiders, boeren en mensen uit andere steden deden allemaal mee. Dat wordt soms wel eens vergeten.’
Een beslissend moment vond plaats voor het Hongaarse parlementsgebouw. ‘Op het plein stond een enorme menigte. Maar soldaten op de daken begonnen te schieten op ongewapende mensen. Veel militairen waren boos en liepen over naar de demonstranten, of besloten te deserteren. Sommigen gooiden hun wapens in het bos en vluchtten naar Oostenrijk.’
Opstandelingen over de vloer
Voor Endre en zijn leeftijdsgenoten veranderde de revolutie in een surrealistisch avontuur. ‘Er was geen school meer. Mijn vriendjes en ik gingen op zoek naar wapens. Later leerde mijn vader mij schieten in het bos.’
Zijn eigen familie had een bijzondere positie. Endres vader Sándor Barcs was een vooraanstaande journalist en jarenlang voorzitter van de Hongaarse voetbalbond, tijdens de Magische Magyaren van Ferenc Puskás, na Johan Cruyff de beste Europese voetballer aller tijden. Uiteindelijk zou Sándor Barcs het schoppen tot vice-voorzitter van de FIFA. ‘Ik kende Puskás persoonlijk’, vertel Endre. ‘En in 1954 kwamen vriendjes bij ons thuis televisie kijken naar voetbalwedstrijden. Mijn vader was de enige in de wijde omgeving die een televisie had.’
Tijdens de opstand kreeg de familie onverwacht bezoek. ‘Eerst kwamen revolutionairen. Een stuk of dertig mannen. Ze dachten dat we misschien in contact stonde met de Russen. Ze maakten uiteindelijk een kabel van onze televisie kapot, omdat ze dachten dat er nog verbinding was.’
Een van hen staat Endre nog helder voor de geest. ‘Hij had een zwarte grote snor, net zo’n snor als kameraad Stalin, en een zware jas. Hij was een leider van revolutionairen in Buda. Hij bleef herhalen dat we moesten doorvechten, omdat de Amerikanen ons zouden komen helpen bevrijden.’
Endres grootvader geloofde daar niets van. ‘Hij zei alleen maar: ‘Jalta.’ Daarmee bedoelde hij dat de grootmachten Europa al hadden verdeeld in invloedssferen. Hongarije viel binnen de invloedssfeer van de Sovjet-Unie. Volgens hem zouden de Amerikanen nooit ingrijpen.’
De vriendelijke dode soldaat
Enkele uren later verschenen er andere bezoekers aan de deur. ‘Het waren soldaten van het Rode Leger.’ Zijn moeder sprak Roemeens. Dat bleek onverwacht van pas te komen. ‘Een van de soldaten kwam uit de Sovjet-republiek Moldova, waar ze ook Roemeens spreken. De Sovjet-militairen vroegen mijn ouders of er misschien revolutionairen in ons huis zaten, want dat hadden ze gehoord. Maar de revolutionairen waren allang weg. Toen werden ze gezellig en dronken ze een kopje thee.
‘In de chaos raakte ik mijn moeder kwijt’
Het beeld dat Barcs van die soldaten heeft, wijkt af van het stereotype van de vijand. ‘Een van hen zette mij op zijn schoot en liet foto’s zien van zijn vrouw en kind.’ De volgende dag zag hij diezelfde soldaat terug. Maar toen was hij dood. ‘Mijn moeder en ik gingen brood halen in Boedapest. De tram reed nog, maar niet tot in het centrum waar hevige straatgevechten hadden plaatsgevonden. We zagen Russische tanks en ondertussen lag die soldaat dood op straat.’
Kort daarna braken opnieuw gevechten uit. ‘Er werd geschoten op burgers. In de chaos raakte ik mijn moeder kwijt. Uiteindelijk vonden we elkaar terug. We hadden het overleefd.’
Keiharde repressie
De revolutie duurde uiteindelijk slechts enkele dagen. ‘Op 4 november begon de grootschalige Sovjetinterventie. Op 7 november was het verzet grotendeels gebroken.’
‘We hadden geen schijn van kans’, zegt Endre. ‘Hoe vecht je tegen tanks? De Hongaren hadden misschien drie tanks, en die deden het niet eens goed. Het Rode Leger was veel te sterk.’
De revolutie was geen eenduidige beweging. ‘Revolutionairen wilden verschillende dingen. Sommigen wilden vrijheid en democratie, anderen wilden naar Oostenrijk vluchten. Er waren revolutionairen die hervormingen binnen het socialisme wilden. En er waren zelfs mensen die het koninkrijk wilden herstellen [tot 1918 was Hongarije een koninkrijk binnen de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije]. Wat hen verenigde, was vooral hun verzet tegen de Sovjetmacht.’
Endre herinnert zich ook heel goed de schaduwzijden van de opstand. ‘Revolutionairen gingen op zoek naar medewerkers van de ÁVH, de Hongaarse KGB die intens werd gehaat. Sommige ÁVH-agenten werden opgehangen. Ik heb hun lichamen zien hangen in Boedapest.’
Ook zag hij de vernielingen die de straatgevechten achterlieten. ‘Er waren kapotte ramen en beschadigde winkels. Maar opvallend genoeg werd er nauwelijks geplunderd. Gelukkig maar.’
Na de nederlaag volgde repressie. Duizenden opstandelingen werden gearresteerd en honderden geëxecuteerd. ‘Sommige revolutionairen waren nog maar vijftien jaar oud. Dan wachtten de autoriteiten een paar jaar, tot ze officieel volwassen waren, en daarna werden ze alsnog opgehangen.’
Zelfs mensen die geen wapens hadden gedragen werden vervolgd. ‘Acteurs die op de eerste dag van de protesten gedichten hadden voorgedragen tijdens de grote demonstraties verdwenen voor jaren achter slot en grendel.’
Minister-president Imre Nagy, die met de opstandelingen had samengewerkt, werd gearresteerd en een jaar later opgehangen. Zijn opvolger werd János Kádár. Aanvankelijk regeerde hij met harde hand, ook om de Sovjets te pleasen, maar na verloop van tijd werd zijn regime minder repressief. ‘Hij werd uiteindelijk zelfs geliefd, onder delen van de Hongaarse bevolking. Zijn boodschap was mild. ‘Wie niet tegen ons is, is voor ons.’

Strijd om de herinnering
De herinnering aan de Hongaarse Opstand van 1956 is sterk aan verandering onderhevig, vertelt Endre. ‘Onder het communisme werd de opstand geframed als een contrarevolutie. Degenen die mee hadden gedaan waren staatsvijanden. Na 1989 werd het de opstand een revolutie genoemd, of een vrijheidsstrijd.’
Maar nog steeds wordt de herinnering aan 1956 politiek misbruikt. ‘Politici gebruiken de revolutie vaak om iets te zeggen over het heden. Tegenstanders van oud-premier Viktor Orbán doen het, Orbán en zijn Fidesz deden het daarvoor ook. De mensen die alles echt hebben meegemaakt zijn inmiddels overleden, of stokoud. En er wordt weinig naar hen geluisterd. Politici horen liever zichzelf praten.’
‘Sommige Hongaren vinden dat wij Oekraïne moeten steunen, vanwege wat er in 1956 gebeurde’
Endre Barcs ziet interessante lijntjes met de huidige oorlog in Oekraïne. ‘Sommige Hongaren vinden dat wij Oekraïne moeten steunen, vanwege wat er in 1956 gebeurde. Toen waren wij slachtoffers van de Russische agressie, nu zijn de Oekraïners dat.’ Maar de geschiedenis is genuanceerder, legt hij uit. ‘Veel mensen weten niet dat een deel van de Sovjettroepen die Hongarije binnenvielen uit Oekraïne kwam. De soldaten die op ons schoten waren soms Oekraïners, soms Russen, soms Moldaviërs. Natuurlijk vochten ze niet voor Oekraïne, maar voor de Sovjet-Unie.’
Aan het einde van het gesprek blijft vooral een gevoel van tragiek hangen. ‘Als je eerlijk bent, was het achteraf gezien een verloren strijd. Het Rode Leger was simpelweg te sterk.’
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

