Home Blog Pagina 454

Maral Noshad Sharifi schreef boek over leven als vluchteling in Nederland

Maral Noshad Sharifi was pas vier jaar oud toen ze met haar zwangere moeder vanuit Iran naar Nederland vluchtte. Tegenwoordig is ze correspondent voor de Volkskrant in New York. In maart verscheen haar deels autobiografische roman Citroeninkt.

Op de cover van haar boek staat een kinderfoto van schrijver en journalist Maral Noshad Sharifi (Teheran, 1989). In verband met een luizenplaag op haar Nederlandse basisschool moesten haar prachtige krullen worden afgeknipt. Voor de normen van die tijd was ze net een jongetje, wat als een extra straf aanvoelde.

Het boek gaat over Talar – die in grote lijnen dezelfde persoon is als Noshad Sharifi. Haar moeder Sepideh is zwanger van haar tweede kind als ze samen met Talar Iran ontvlucht en naar Nederland gaat. Na een verblijf in het asielzoekerscentrum, dat niet uitgebreid wordt besproken, kiest Sepideh er bewust voor om in een dorp te gaan wonen. De gedachte hierachter is dat de saamhorigheid in een dorp vaak groter is. Sepideh is bang om ziek te worden, of erger, en in dat geval zullen buren in een dorp eerder bereid zijn om voor haar kinderen te zorgen dan in een stad.

Anno 1993 telde Moerkapelle ongeveer vierduizend inwoners. Nederland was religieuzer dan Sepideh dacht. Als ze merkt dat Talar op school moet bidden, haalt ze haar kind daar weg. Op haar nieuwe school krijgt Talar les van meester Hans, van wie ze veel leert en op wie ze kan bouwen. Helaas wordt meester Hans ziek en overlijdt hij veel te jong aan de gevolgen van kanker.

Gelukkig leert Talar in Moerkapelle ook mevrouw Dijkman kennen, die ze oma Dijkman mag noemen. Mensen als ‘oma’ Dijkman en buurvrouw Erica vangen Talar en haar moeder liefdevol op. Met haar boek wil Noshad Sharifi onder andere laten zien dat er veel lieve mensen waren die hen met open armen ontvingen.

Onder water geduwd

Talar krijgt voor het eerst met discriminatie te maken in een zwembad in Zoetermeer. Een jongen duwt de kleine meid onder water en roept: ‘Vieze stinkturk! Tief op naar je eigen land’. Helaas is deze scene ook autobiografisch, vertelt Noshad Sharifi. ‘Mijn vader [die weer bij het gezin was komen wonen] probeerde mij uit te leggen dat er mensen waren die een hekel aan buitenlanders hadden. Ik snapte er als kind niets van. Ik woonde in Nederland. Dan was ik toch een binnenlander? Buitenlanders woonden buiten de Nederlandse grenzen. Dat zat dus anders. Ik ben niet net als de rest. Iedereen is niet hetzelfde.’

Talar voelt zich erg eenzaam. In het begin denkt ze dat iedereen om haar heen ook uit Iran naar Nederland is gevlucht. Langzaam beseft ze dat niet alle kinderen hebben meegemaakt wat zij heeft meegemaakt.

Langzaam beseft ze dat niet alle kinderen hebben meegemaakt wat zij heeft meegemaakt

‘Talar voelt zich ook eenzaam omdat zij van binnen blij is, terwijl haar ouders verdrietig zijn’, vertelt Noshad Sharifi. ‘Bovendien begrijpt haar omgeving niet uit wat voor wereld ze komt. Als ze bevriend raakt met Ziba, die ook uit Iran komt, neemt haar gevoel voor eenzaamheid af.’

De kleine Talar is nieuwsgierig en stelt graag vragen. Daarom was haar moeder toen ze nog in Iran woonden bang dat ‘dat kind nog eens onze dood wordt’. Om veiligheidsredenen mocht Talar niets vertellen en niets vragen. Die angst was deels ingegeven door de aanwezigheid van spionnen. ‘Zeker in jaren tachtig en begin jaren negentig was dat geen ingebeelde angst’, vertelt Noshad Sharifi. ‘Op de Iraanse school waar ik les had was er iemand die linkse boeken verkocht. Hij bleek een spion te zijn, die op deze manier informatie wilde inwinnen over dissidenten. Die situatie bracht een schok te weeg onder de leerlingen en hun ouders. Na onze vlucht was de sfeer rustiger, maar er zijn nog steeds Iraanse spionnen in Nederland en in andere landen.’

Een andere angst van haar moeder is dat ze weer naar de gevangenis moet. Noshad Sharifi begrijpt dit. ‘Als je jaren in angst hebt geleefd, dan gaat dit niet ineens weg. Angst overheerst. In Iran hadden mensen een eigen vriendengroep met wie ze opgegroeid waren. Eenmaal in een ander land kenden ze vaak niemand.’

Een goede school

Sepideh wil dat haar dochter naar een goede middelbare school gaat. Daarom verhuizen ze naar een goede buurt in Den Haag. Talar moet naar een bijna honderd procent witte middelbare school, waarop verschillende Oranjeprinsen hebben gezeten. Ook dit is autobiografisch, vertelt Noshad Sharifi.

‘Ik begrijp mijn moeder wel. Ze wilde het beste voor mij, en daarom moest ik in een kansrijke omgeving opgroeien. Zelf had ik geen keuze, maar als ik kinderen zou krijgen gaan ze niet naar een dergelijke school. De leerlingen hadden geen weet van de samenleving. Als ik kinderen zou hebben, zou ik hen, denk ik, op een school plaatsen met meer diversiteit. Veel leerlingen op mijn school kwamen amper uit hun bubbel. Dan woonden ze in een chic herenhuis en dachten ze dat ze het niet goed voor elkaar hadden, omdat het geen vrijstaande villa was. Dit lijkt mij geen goede omgeving om mijn kinderen in groot te laten brengen.’

Terug naar Iran

Als Talar een jaar of vijftien is, bekijkt haar moeder steeds meer filmpjes over Iran en de afschuwelijke gevolgen van het regime. ‘Kijk naar wat er in je land gebeurt’, zegt ze tegen Talar. Heel verwarrend, want ze wonen toch in Nederland?

Noshad Sharifi heeft dit zelf ook meegemaakt: ‘Ik vond dat moeilijk te begrijpen. Ik dacht hierdoor dat ik blijkbaar in Iran had moeten wonen. Maar die gedachte slaat nergens op. Ik heb daar niets meer te zoeken. Maar ik bleef me dit toch afvragen. Was ik in Iran gelukkig geweest? Hadden mijn ouders daar meer of minder stress gehad? Door mijn werk als journaliste ben ik op veel ongebruikelijke plekken geweest in allerlei landen, maar ik kan niet naar Iran om dingen te onderzoeken. Ik weet niet hoe het land eruit ziet.’

De moeder van Talar wil in Nederland zoveel mogelijk leren en dat wil ze ook voor haar dochter. Dat zou van pas kunnen komen als ze eventueel naar Iran zouden teruggaan. Dat heeft raakvlakken met de moeder van Noshad Sharifi: ‘Ook zij dacht serieus dat we terug zouden gaan. Dat heb ik pas écht ontdekt toen ik ter voorbereiding van Citroeninkt mensen ging interviewen. Het was belangrijk om ons in Nederland verder te ontwikkelen. Toch had mijn moeder in haar achterhoofd dat we weer terug naar Iran konden als het regime weg was. Als de samenleving opnieuw moest worden opgebouwd, dan moesten we daaraan iets kunnen bijdragen. Mijn moeder heeft gestudeerd en een kinderdagverblijf opgezet. Dat was ook in Iran van nut en ik zou net zo goed in Iran journaliste kunnen zijn.’

Na de revolutie van 1979 dachten veel Iraniërs, ook haar moeder, tegen beter weten in dat het regime niet zo lang stand zou houden. ‘Zulke extreme partijen zijn veel mensen niet gewend, het waait wel over’, vertelt Noshad Sharifi. ‘Dat was het idee.’

Vroeg wijs

Noshad Sharifi zorgt ervoor dat je je als lezer goed in Talar kunt verplaatsen. Het meisje is wijs voor haar leeftijd, door alles wat ze heeft meegemaakt. In een passage in Citroeninkt komt dat goed naar voren:

‘Het is alsof alle mensen die Iran hebben verlaten ook een stukje van zichzelf hebben achtergelaten,’ zegt Talar tegen haar vriendin Ziba. ‘Dingen waar ze blij van werden raakten ze allemaal kwijt. Bergen, poëzie, hun gemeenschap.’

Hiermee zegt Talar in weinig woorden veel. Ze verwoordt de emoties van mensen en kinderen die noodgedwongen hun eigen omgeving hebben moeten verlaten. Citroeninkt maakt duidelijk wat de verschillen zijn tussen emigreren en moeten vluchten.

Maral Noshad Sharifi, Citroeninkt (Prometheus, 2023), 240 pagina’s, 22,50.

Wie de tijd heeft, heeft de macht

In Libanon hebben ze vier dagen lang wel een heel eigen invulling gegeven aan de Nederlandse uitdrukking ‘een onchristelijk tijdstip’. Dat kwam omdat de soennitische premier en de sjiitische parlementsvoorzitter vanwege de zojuist begonnen ramadan op het allerlaatste moment besloten om de invoering van de zomertijd enige weken uit te stellen. De vrees was dat het verzetten van de klok, zo vlak na het begin van de vastenmaand te ontregelend zou werken. Een deel van de samenleving, waaronder veel christenen, weigerde daarin mee te gaan en zette de klok gewoon vooruit. Zo kende het land van zaterdagnacht tot woensdagnacht – toen de regering alsnog bakzeil haalde – twee tijden: een moslimtijd en een christentijd.

De surrealistische situatie waarin dat vervolgens resulteerde, herinnert aan de oude mop over Zweden, toen dat land in 1967 besloot om van links rijden op rechts rijden over te gaan. Op maandag de personenauto’s, op dinsdag de vrachtauto’s en op woensdag ten slotte de bussen. Maar het was in Libanon geen soort 1-aprilgrap, die kennen ze ginds niet, en daarvoor was het bovendien een week te vroeg.

Wat het Libanese besluit met z’n absurde uitkomst mogelijk maakte: de post van president, die volgens vaste afspraak voor christenen is gereserveerd en die dus tegenspel had kunnen bieden, is vacant. De christelijke minderheid zag zich zo door de verenigde islamitische meerderheid overruled – en dat ook nog eens uitgerekend omwille van een religieus feest: zoiets ligt natuurlijk extra gevoelig. Daarom hielden de christenen vast aan de eerdere datum, waarmee Libanon met Europa in de pas zou lopen – als zodanig natuurlijk ook geen strikt neutrale keuze.

Het besluit van de premier en de parlementsvoorzitter dreigde het wankele interne machtsevenwicht in gevaar te brengen, waarop de interne vrede sinds de burgeroorlog was gebaseerd: dat over belangrijke zaken door alle drie religieuze hoofdbestanddelen van de Libanese bevolking samen wordt beslist. Dus zeker over zoiets essentieels als de tijd.

Ooit was de zonnetijd automatisch ook de officiële plaatselijke tijd

Niemand die dat minder besefte dan de obstinate Noord-Koreaanse dictator Kim Jong-un, toen die in 2015 de klok een half uur achteruit zette. Boodschap: we lopen met niemand in de pas. Drie jaar later trok hij weer bij, want dit kwam toch op te veel schuinsmarcheren neer.

Tijd is politiek, omdat de vaststelling van de tijd in de moderne tijd onontkoombaar willekeurig is. Ooit was de zonnetijd automatisch ook de officiële plaatselijke tijd. Dat betekende dat, omdat de zon nu eenmaal in het oosten opkomt en daar ook eerder zijn hoogste punt (het astronomische middaguur) bereikt, het in Amsterdam één minuut eerder 12 uur werd dan in Haarlem.

In de tijd dat het paard het snelste vervoermiddel was, was dat geen probleem. Voor de afstand tussen beide steden had je daarmee toch wel een uur nodig. Niemand die dan zegt: mijn aankomsttijd wordt 12 uur 24, niet 12 uur 23, zet de koffie maar klaar. Zo’n paard kan immers wel eens plots moe worden, of geen zin hebben, of onderweg langdurig moeten plassen, of een leuk ander paard tegenkomen, en dan loopt zo’n zorgvuldig uitgerekend reisschema al snel in het honderd.

Het was pas de opkomst van de spoorwegen die verandering afdwong. Er kwam een gemiddelde nationale tijd, met Amsterdam als maatstaf, en vervolgens in 1892 de internationale indeling in tijdszones, waarbij Nederland voor de West-Europese zone van Londen koos, waarmee men in Amsterdam zo’n 20 minuten op de zon ging achterlopen.

Vanaf dat jaar kende Nederland toch liefst zeventien jaar lang ‘Libanese toestanden’, want alleen de spoorwegen zelf kozen voor de West-Europese tijd. Verder bleef de Amsterdamse tijd als nationale tijd gehandhaafd, terwijl tramondernemingen de lokale zonnetijd hanteerden. Dat eenheid uitbleef, kwam mede omdat men het in Drenthe niet snapte, Noord-Brabant geen boodschap had aan Den Haag, en de geïsoleerde Zeeuwse eilanden er gewoon het nut niet van inzagen. Dat geldt wel voor meer.

In 1909 werd de Amsterdamse tijd de nationale, in 1937 de West-Europese. Al op 16 mei 1940 voerden de Duitsers hun Midden-Europese tijd van Berlijn in, ofschoon die 40 minuten van de Amsterdamse zonnetijd verschilde: ook een politieke keuze, waarmee Nederland van Engeland losgekoppeld werd. Ondanks alle anti-Duitse sentimenten is dat in 1945 om praktische redenen niet teruggedraaid.

Maar in het licht van de tijd-chaos die tussen 1892 en 1909 bij ons bestond, betoont Beiroet zich met slechts vier dagen aparte moslimtijd, in plaats van zeventien jaar, eigenlijk best doortastend.

Turkse presidentskandidaat oppositie wil leger inzetten tegen vluchtelingen

0

Kemal Kilicdaroglu, presidentskandidaat namens een blok van zes oppositiepartijen bij de verkiezingen van 14 mei, heeft het leger opgeroepen om Afghaanse vluchtelingen tegen te houden die Turkije proberen binnen te komen.

‘Er is nieuws dat Afghaanse vluchtelingen ons land binnenstromen’, twitterde de politicus, partijleider van de seculiere CHP. ‘Ik roep onze soldaten op: het vaderland is van ons allen, en de grens is de eer van ons allen. Doe uw plicht aan de grens, luister naar niemand.’

Kilicdaroglu zei eerder dat hij, als hij wordt verkozen als president dit jaar, voorrang zal geven aan de belangen van Turkije met betrekking tot de in 2016 met de Europese Unie gesloten vluchtelingendeal. Op dit moment leven er miljoenen vluchtelingen in Turkije – meer dan vier miljoen Syriërs, maar daarnaast ook meer dan 300.000 anderen, voornamelijk Afghanen. In 2022 werden er meer dan 66.000 Afghanen teruggestuurd naar hun land.

Vluchtelingen in Turkije zijn het doelwit van Turkse politici, vooral van de CHP, die hen aanwijzen als zondebok voor alle sociaaleconomische problemen waarmee het land kampt. Ook zijn vluchtelingen regelmatig slachtoffer van racistische aanvallen. Turkije stuurt Afghaanse vluchtelingen rechtstreeks terug naar Afghanistan, of houdt hen tegen aan de grens met Iran, zonder te controleren of ze in aanmerking komen voor internationale bescherming. Hierover bracht Human Rights Watch in november vorig jaar een kritisch rapport uit.

Anderhalf jaar geleden sprak de Kanttekening met de Afghaanse journalist Mojtaba Naderi, die ondergedoken zat in Istanbul. ‘Zodra de politie mij in de gaten heeft, zullen ze naar mijn paspoort en mijn verblijfplaats vragen’, vertelde hij toen. ‘Ik neem veel risico als ik naar buiten ga.’

Israël dreigt ‘dictatuur van de meerderheid’ te worden, vrezen Joodse Nederlanders

0

Een groep Joodse Nederlanders keert zich tegen de hervormingsplannen van de Israëlische regering van Benjamin Netanyahu. Die extreemrechtse regering tast volgens hen de rechtsstaat aan. Op zondag 26 maart demonstreerden zij in Amsterdam. Er waren zo’n driehonderd mensen aanwezig.

De Israëlische regering wil de macht van het Hooggerechtshof flink inperken. Nieuwe, ook controversiële wetten moeten gewoon met een parlementaire meerderheid aangenomen kunnen worden. Het Hof mag deze wetten niet meer afwijzen op grond van internationale verdragen of Israëlische wetgeving.

‘Ik maak mij vreselijk veel zorgen over Israël, sinds het aan de macht komen van dit kabinet’, zegt journaliste Anet Bleich, die een van de sprekers was op de demonstratie van 26 maart. De massale demonstraties in Israël richten zich tegen de plannen van de regering om de democratische rechtsstaat uit te hollen, legt ze uit. Het Hooggerechtshof vormt tegen ondemocratische krachten nu nog een tegenmacht. Dat moet zo blijven. Daarom zijn progressieve Joodse Nederlanders solidair met de demonstranten in Israël.

‘Deze regering van extreemrechtsen en racisten heeft mij emotioneel geraakt’, bekent Bleich. ‘Neem minister van Nationale Veiligheid Itamar Ben-Gvir van de religieus-zionistische partij Otsma Jehudit. Hij is een ‘Geert Wilders plus-plus’. Dat deze extremist, die zo tekeergaat tegen Palestijnen en Arabische Israëliërs, minister is, is beangstigend.’

Ronny Naftaniel deelt deze vrees: ‘Als je het Hooggerechtshof tandeloos maakt, krijg je een dictatuur van de meerderheid. Dat is gevaarlijk voor minderheden.’ De 74-jarige Naftaniel was van 1980 tot 2013 directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) en daarmee een zichtbare stem van Joods Nederland. Dat hij met onder anderen Bleich en de geëngageerde sportjournalist Frits Barend demonstreert tegen de Israëlische regering is bijzonder, vindt hij, want zoiets doe je niet zo gauw. ‘Het is niet zo dat de meeste Joodse Nederlanders deze regering steunen, maar de straat op gaan is een ander verhaal. Veel mensen zijn thuisgebleven, omdat ze de vijanden van Israël niet in de kaart willen spelen. Maar we zijn juist heel erg pro-Israël. Daarom waren er op de demonstratie zoveel Israëlische vlaggen te zien.’

Hij vertelt verbaasd te zijn over de brief die PVV-Kamerleden Gidi Markuszower en Geert Wilders schreven op de website NieuwNieuws, waarin ze hem, Bleich en de andere demonstranten veroordeelden als ‘deugneuzen’ die aan ‘eenzijdig links schuldgevoel’ en ‘progressieve zelfhaat’ schuldig zouden maken. ‘Bepaalt Geert Wilders soms wie een vriend is van Israël en wie niet, en wat wij Joodse Nederlanders moeten vinden?’, zegt de voormalige CIDI-directeur hierover. ‘Het is curieus dat een partij die zelf geen interne democratie kent zich met deze affaire bezighoudt. En Benjamin Netanyahu moet zich even goed achter de oren krabben, dat hij steunt krijgt van een partij die geen leden kent, geen partijraad, geen interne verkiezingen.’

‘Als het om de rechten van de Palestijnen gaat, dan blijven de protesten uit’

Naftaniel vindt dat Israël, ondanks alle gebreken, nog steeds een democratie is. ‘Israëliërs kunnen vrijuit demonstreren. In Israëls buurlanden kan dat niet. Daar zitten de gevangenissen vol met politieke tegenstanders. Israël is de enige democratie in het Midden-Oosten.’ Wel vreest hij voor ‘Hongaarse toestanden’ als de rechterlijke macht aan de politiek ondergeschikt wordt gemaakt. ‘We moeten dat koste wat het kost voorkomen. Daarom zijn we ook de straat opgegaan.’

‘Fascistische vlaggen’

De beweringen van Naftaniel worden door pro-Palestina-activisten fel bestreden. Israël is volgens hen geen democratie maar een etnocratie die een apartheidsbeleid tegen de Palestijnen voert. Het feit dat veel demonstranten op 26 maart met Israëlische vlaggen zwaaiden zou hét bewijs zijn dat die hele demonstratie niet deugt. Nederlandse pro-Palestina-activisten richtten hun pijlen op de lokale PvdA-politica Keren Hirsch, die een foto van haarzelf tijdens de demonstratie – met Israëlische vlag – op Twitter had gedeeld. Deze vlag werkte als een rode lap op een stier. ‘Waarom paradeer je die fascistische vlag? Schaam je je niet?’, reageerde een Palestina-activist boos. En een ander schreef: ‘Ga je schamen met je zionistische propaganda. Het hangt ons de keel uit.’

De Joodse Amsterdammer en pro-Palestina-activist Simcha de Vries begrijpt deze boosheid, maar vindt het wel oppervlakkig. ‘Het PvdA-beleid wordt niet door Hirsch bepaald, maar door de Tweede Kamerfractie.’ De Vries is niet naar de demonstratie gegaan, omdat die te zeer pro-Israël is. ‘Ik moet zeggen dat ik het toch wel schrijnend vind om te zien hoe snel en massaal ze zich verzameld hebben als het eigenbelang in geding is. Want als het om de rechten van de Palestijnen gaat, dan blijven de protesten uit. Waar zijn al die rechtsstaatminnende Israëliërs om strafrechtelijke verantwoording te eisen voor kolonistengeweld?’ Het eisenpakket van de demonstranten in Israël vindt hij ook heel mager. ‘Ze willen niet dat de regering opstapt, ofzo.’

Bleich hoopt stiekem wel dat dit gebeurt, biecht ze op, en dat er een progressiever bewind aan de macht komt. ‘Dat is een eerste stap ook naar toenadering tot de Palestijnen.’ Met de kritiek van De Vries is ze het ‘ook wel een beetje eens’, vervolgt ze. ‘Het lijkt er nu op dat Israëliërs pas de straat op gaan, nu hun eigen rechten in het geding komen. Maar het aan banden leggen van de extremisten biedt ook voordelen voor de Arabische minderheid in Israël, die door Ben-Gvir gedemoniseerd wordt. De kwestie van de bezetting is helaas al jaren een blinde vlek. Ik hoop dat dit verandert. Veel progressieve Israëliërs waren jarenlang heel apathisch. Mijn oudere zus ook, die al heel lang in Israël woont. Ik belde haar een keer toen Gaza weer eens werd gebombardeerd. ‘Wij progressieve Israëliërs kunnen hier ook maar weinig aan doen’, was het antwoord.’ Maar nu gaan in Israël honderdduizenden mensen de straat op. Het is het meest hoopvolle moment, sinds het sluiten van de Oslo-akkoorden in 1993, al is de uitkomst meer dan onzeker en zijn de zorgen dus nog lang niet voorbij.’

Ronny Naftaniel tijdens de demonstratie tegen de Israëlische regering. (Beeld: Ronny Naftaniel)

Pogrom

Volgens Naftaniel zijn er nu twee toekomstscenario’s voor Israël mogelijk: ‘Of Netanyahu houdt aan zijn plannen vast, in de hoop dat de protestbeweging haar momentum verliest. Of de regering doet water bij de wijn, zodat het beleid gematigder wordt.’ Naftaniel wijst in dit verband op het Verenigd Thora Front, een orthodoxe, niet-zionistische partij in de oppositie, die Benny Ganz van de centrumpartij Blauw en Wit opgeroepen heeft om met Netanyahu te regeren in een gematigde coalitie. ‘Ganz heeft een hekel aan Netanyahu, maar moet zijn bezwaren opzij zetten, vindt het Thorafront.’

Simcha de Vries hoopt eveneens op een nieuwe regering, die een gematigder beleid voorstaat. Hij is voor een fundamentelere beleidsverandering en dat zijn de ‘gematigde’ Israëlische partijen niet, maar er is volgens hem een groot verschil tussen Blauw en Wit enerzijds en Otsma Jehudit anderzijds: ‘Het is geen lood om oud ijzer en ook voor de Palestijnen maakt het iets uit, ook al denken ze misschien van niet. De pogrom in het Palestijnse dorp Huwwara in februari dit jaar [waarbij Joodse kolonisten huizen en auto’s van de Palestijnse bewoners in de brand staken, talrijke Palestijnen gewond raakten en een werd gedood]  liet zien dat kolonisten nu meer dan ooit het verlengstuk zijn van het leger en de bezetting.’

De Vries maakt zich daarnaast grote zorgen over de plannen voor een Nationale Garde onder Ben-Gvir. Dat zal volgens hem een ‘rechtsextremistische knokploeg’ worden. ‘Het leger vindt de radicale plannen van de regering roekeloos. De regering wil de oude nederzettingen in de Gazastrook weer terug. Dat wil het leger niet, want die nederzettingen zijn bijna onmogelijk om te verdedigen. Daarom trok Ariel Sharon zich toentertijd [begin deze eeuw] ook uit de Gazastrook terug.’

Ten slotte is er nog de extremistische retoriek, besluit De Vries. ‘Ministers zeggen de meest grove dingen, en schamen zich hier ook niet voor. Vorige Israëlische regeringen voerden feitelijk een keihard anti-Palestijns beleid, maar hun woorden waren veel diplomatieker.’

Koning bezoekt onverwacht iftar Rijswijk

0

Een iftar-maaltijd in Rijswijk werd gisteren gecrashed door niemand minder dan koning Willem-Alexander.

De 88 aanwezigen waren aangenaam verrast, toen plotseling een grote zwarte Audi en een groepje fotografen verschenen bij wijkcentrum Stervoorde, waar op dat moment een iftar-maaltijd plaatsvond. Koning Willem-Alexander wilde aanwezig zijn bij zo’n traditionele maaltijd waarmee moslims dagelijks tijdens de ramadan het vasten doorbreken, om te horen wat er onder de burgers van Nederland leeft.

Een hindoeïstische bezoeker was onder de indruk van Willem-Alexander: ‘Ik vond de koning heel menselijk. Hij toonde oprechte interesse en het voelde goed om met hem te praten.’

De iftar in Rijswijk had als doel mensen van verschillende culturen bij elkaar te brengen. Er werden Afghaanse saffraanrijst, Surinaamse bara, Turkse minipizza’s en Marokkaanse harira soep geserveerd. ‘Nooit gedacht dat ik honingkoek zou eten met de koning!’, vertelde een deelneemster van de iftar enthousiast aan Omroep West. ‘Hij leek het echt lekker te vinden.’

‘Aanpak Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding werkt averechts’

0

Vier mensenrechtenactivisten uiten forse kritiek op het werk van Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) Eddo Verdoner. Zijn aanpak werkt averechts, betogen ze in een brandbrief die is gepubliceerd op The Rights Forum.

Verdoner frames kritiek op Israël als antisemitisme, stellen – Wim Scholten, Jeff Handmaker, Adri Nieuwhof en Jaap Hamburger in hun brief. Twee jaar geleden dienden de vier een klacht in bij de minister, naar aanleiding van een kritische tweet van de NCAB over Kenneth Roth, toen de directeur van Human Rights Watch. Verdoner beschuldigde Roth toen van antisemitisme. Roth, die zeer kritisch is over de mensenrechtenschendingen door Israël, beweerde dat er een verband bestaat tussen antisemitische incidenten en het geweld van de staat Israël tegen de Palestijnen. Hij rechtvaardigde hiermee geen antisemitisme, maar dit werd door Verdoner wel zo uitgelegd.

De vier mensenrechtenactivisten denken dat de NCAB de zogeheten IHRA-werkdefinitie van antisemitisme gebruikt, die Israëlkritiek aan antisemitisme koppelt. Daarnaast zou Verdoner zich ‘bijna uitsluitend’ baseren op informatie van de ‘zogenoemde Israëllobby’, zoals het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), de Amerikaanse Anti-Defamation League (ADL) en The Claims Conference. De NCAB zwijgt ten slotte als mensen ten onrechte van antisemitisme worden beschuldigd.

Eddo Verdoner moet volgens de vier in de leer gaan bij zijn collega Rabin Baldewsingh, de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. Hij legt de nadruk op onderwijs en bewustwording, in plaats van op veiligheid. ‘Deze laatste benadering lijkt een beter perspectief te bieden om racisme (inclusief antisemitisme), islamofobie en andere vormen van haat, intolerantie en discriminatie aan te pakken.’

Arme Santokhi, hij leert het maar niet

0

In aanloop naar de verkiezingen in Suriname in 2020 deed de Vooruitstrevende Hervormingspartij (VHP) een beroep op haar achterban en de Surinaamse diaspora in Nederland om de Nationale Democratische Partij (NDP), de partij van Desi Bouterse, te verslaan. Met hun steun lukte het de VHP om in de Nationale Assemblée twintig zetels te behalen en met andere partijen een meerderheidscoalitie te vormen. De NDP verloor en kreeg zestien zetels. Maar van die steun voor de VHP is nu weinig meer over.

Veel kiezers hebben niet vóór de VHP gestemd maar tégen de NDP, zoals Ruben Gowricharn in 2020 in een open brief aan de Surinaamse president Chan Santokhi al stelde. Reden voor deze brandbrief was dat de president in vier maanden tijd weinig maatregelen nam, kritiek uit de samenleving negeerde, een verkeerde voorstelling van zaken gaf en onhoudbare beloften deed.

Tijdens de verkiezingscampagne beloofde Santokhi alles anders te zullen gaan doen dan de vorige regering. Maar tot ieders verbazing benoemde deze president friends and family in hoge posities, maakte met hen snoepreisjes naar het buitenland en ging met het IMF in zee.

Het IMF is gebaseerd op het idee dat een land beter af is door te liberaliseren: grenzen open voor het buitenland en overheidsbedrijven afstoten naar de vrije markt, zodat buitenlandse bedrijven gemakkelijker zaken kunnen doen in het land dat steun zoekt. Dit model is voordelig voor landen met een goed werkende vrije markt (zoals in het Westen), maar nadelig voor landen als Suriname stelde Raisa Gazi al in 2016.

Sinds Santokhi’s aantreden is de inflatie verder gestegen. Ter vergelijking: in Nederland was de inflatie vorig jaar 10 procent, in Suriname maar liefst 52,4 procent. Maar de salarissen zijn achtergebleven. Dagelijks lijden veel gezinnen honger.

Bijna drie jaar lang negeert de president de kritiek, klachten en aangedragen oplossingen uit de samenleving. Dat heeft zijn effect op bevolking. De aanhoudende boosheid en teleurstelling hierover leidden op 17 februari van dit jaar tot rellen, waarbij demonstranten winkels plunderden en het parlement binnendrongen. Het is voor de bevolking niet te verteren dat de president sinds zijn aantreden zichzelf en zijn kornuiten heeft verrijkt, terwijl de bevolking in het land in snel tempo aan het verarmen is.

Sinds Santokhi’s aantreden is de inflatie verder gestegen

Dan de banden met de Surinaamse diaspora in Nederland. Het is belangrijk te beseffen dat de VHP deze groep aansprak vanwege haar economisch kapitaal, maar dat het om een zeer diverse groep gaat, met uiteenlopende motieven. Een deel van deze Surinaamse Nederlanders heeft familie in het land van oorsprong. Anderen hebben dat niet, maar voelen zich cultureel verbonden met het land. Beide groepen uiten hun verbondenheid door Suriname politiek en financieel te steunen, en zodoende bij te dragen aan de sociaaleconomische opbouw van het land. Ten derde zijn er nog ondernemers en belangenorganisaties in de diaspora, die de VHP steunden in ruil voor politieke gunsten.

Dit weekend is het geldwisselkantoor SuriChange in het nieuws gekomen, dat veel kantoren in Nederland heeft. SuriChange zou jarenlang financiële diensten hebben verleend aan criminelen die actief zijn in de cocaïnehandel, en daarbij gebruik hebben gemaakt van een complex crimineel financieel netwerk in Nederland, Slowakije en Suriname. Het nieuws hierover heeft binnen de Surinaamse gemeenschap voor de nodige commotie gezorgd.

Ook binnen de Surinaamse Nationale Assemblée heeft deze kwestie vragen opgeroepen. Zou de president ook steun hebben ontvangen van deze figuren? De vragen die Surinaamse parlementsleden hebben gesteld, heeft de president niet beantwoord. Maar al geruime tijd gonst het in de Surinaams-Nederlandse gemeenschap van de geruchten, dat de leidende figuren in de regering verstrengeld zijn met de onderwereld. Hoe zuiver is de financiering van de VHP vanuit het diasporanetwerk geweest?

De VHP geniet nog maar weinig vertrouwen onder de Surinaamse bevolking en de Surinaamse diasporagemeenschap in Nederland. Het is de vraag of de president de rit zal uitzitten.

Terechte boete Christenen voor Israël voor onjuist labelen wijn als ‘uit Israël’

0

Het Israël Producten Centrum (IPC) in Nijkerk, gelieerd aan Christenen voor Israël, heeft terecht een boete opgelegd heeft gekregen vanwege het verkeerd etiketteren van wijnen uit de illegale Israëlische nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever. Het centrum mag deze wijnen niet verkopen als ‘made in Israel’.

Dit oordeelt de Rechtbank Rotterdam in een beroepszaak die door IPC was aangespannen. In 2021 kreeg IPC een boete van 2.100 euro opgelegd vanwege consumentenmisleiding.

De zaak was in april 2019 aan het rollen gebracht, toen de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) constateerde dat IPC zich niet aan de Europese richtlijnen hield. Het centrum in Nijkerk verkocht wijnen uit de illegale nederzettingen op de Westbank als afkomstig uit Israël en dat is een vorm van consumentenmisleiding. IPC profiteerde door de valse labels ook ten onrechte van handelsvoordelen die Israël geniet onder het associatieverdrag met de Europese Unie.

In mei 2019 kreeg IPC een officiële waarschuwing, maar hield zich nog steeds niet aan de regels. In plaats van Israël stond er nu ‘product uit een Israëlisch dorp in Judea en Samaria’. De organisatie BDS Nederland trok hierover in februari 2020 aan de bel, waarop de minister van Volksgezondheid een boete van 2.100 euro oplegde aan IPC. Het beroep dat IPC tegen dit besluit aangetekend heeft is nu door de Rotterdamse rechtbank ongegrond verklaard.

IPC-directeur Pieter van Oordt van het vertelt aan de Kanttekening dat het Israël Producten Centrum zich nu aan de Europese regels houdt en het label ‘product uit een Israëlisch dorp in Judea en Samaria’ niet meer gebruikt. ‘We plakken er een stickertje overheen. We maken duidelijk dat [de wijnen] uit de nederzettingen komen.’

‘Echte liberalen zijn juist woke’, vindt BIJ1-boegbeeld Rebekka Timmer

0

Het wetenschappelijk bureau van de VVD discussieerde zaterdag over de mogelijke gevaren van ‘woke’. Met een duidelijk betoog van BIJ1-voorzitter Rebekka Timmer: echte liberalen zijn volgens haar woke. ‘De stem van enkele radicale twitteraars, is niet wat de beweging als geheel wil.’

Op het symposium van de Telders Stichting, zoals het wetenschappelijk bureau van de VVD heet, stond de vraag centraal of ‘woke’ een bedreiging vormt voor de liberale kernwaarden – in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid.

Allereerst gingen diverse sprekers in op de vraag wat ‘woke’ nu precies is. Is het bewustwording ten aanzien van racisme in de samenleving en andere vormen van discriminatie? Is het een nieuwe modegril voor de progressieve intellectuele elite? Of gaat het vooral om het cancelen van andersdenkenden, het omvertrekken van standbeelden, het herschrijven van geschiedenisboeken en het verwijderen van witte mannen uit het universitaire curriculum?

Veel liberalen zich zorgen over ‘woke in enge zin’, zoals dat zich uit in het streven andersdenkenden te cancelen. Vooral omdat ze vrezen dat hierdoor de academische vrijheid in gevaar komt.

Direct hiermee verbonden is de beslissing van de organisatie om de Chatham House Rule te volgen. Dat is een regel, die inhoudt dat journalisten wel verslag mogen doen van een bijeenkomst, maar daarbij niet de identiteit of achtergrond van de sprekers mogen noemen. Op deze manier wil de Telders Stichting een vrij debat bevorderen, ook als sprekers vrezen dat hun kritiek op woke gevolgen kan hebben voor hun carrière. Iedereen stelt deze regel op prijs. Alleen Rebekka Timmer geeft aan dat zij geciteerd mag worden.

Een van de sprekers is een politica, die haar toehoorders vertelt dat ze veel verhalen hoort van wetenschappers die zich beknot voelen in hun vrijheid. Ze durven zich volgens haar niet uit te spreken, uit angst om hun wetenschappelijke carrière te schaden. Ook veel studenten doen aan zelfcensuur, zo blijkt uit een recent onderzoeknaar Europese studenten. Van de ondervraagden zegt 29 procent de eigen academische standpunten te censureren en is 31 procent bang om de eigen politieke overtuiging te delen.

In haar speech betoogt BIJ1-voorzitter Timmer dat het met het ‘gevaar’ van woke wel meevalt en dat echte liberalen woke moeten zijn, in de zin van ‘bewust’. Het ware woke is volgens Timmer dat mensen die eerder niet gehoord werden nu hun mond opendoen. ‘Woke is juist liberaal. Wij komen op voor individuele rechten. Wij eisen ons spreekrecht op. Jouw stem doet ertoe. Dat is toch vrijheid van meningsuiting?’ Timmer is het dan ook niet eens met critici die van mening zijn dat woke de vrijheid van meningsuiting beperkt. ‘Maar we houden mensen wel verantwoordelijk voor hun uitspraken.’

Maar het fenomeen ‘cancel culture’ dan? Dat is volgens Timmer een hoax. Ze verwijst naar voetbalcommentator Johan Derksen, die bekende dat hij jaren geleden een kaars in de vagina van een slapende vrouw had geduwd. Hij is nog steeds te zien op de tv en is dus niet gecanceld. Juist de tegenstanders van woke zijn volgens Timmer voor censuur. Als voorbeeld hiervan noemt ze Laurens Buijs. Die wetenschapper raakte in opspraak vanwege zijn felle kritiek op woke en zijn verzet tegen transgenderrechten. Onlangs zei hij dat hij mensen die volgens zijn definitie woke zijn, wil weren van de universiteit.

Tijdens de discussie vertelt Timmer dat ze het een slechte zaak vindt als wetenschappers, studenten en anderen zich beperkt voelen in hun uitingen. ‘Woke gaat over verbinden, niet over verdelen. Het is niet zo dat extreemlinks via woke de macht wil grijpen. En de stem van enkele radicale twitteraars, is niet wat de beweging als geheel wil. Woke is veel breder.’

Een ander panellid is niet overtuigd. Hij ergert zich aan de in zijn ogen keiharde reacties op wetenschapsjournalist Maarten Keulemans van de Volkskrant, vanwege zijn ruzie met de ‘woke’ journalist Marieke Kuypers over stikstof. Het panellid spreekt van intimidatiepraktijken, die ertoe leiden dat mensen zichzelf censureren, om maar niet de toorn van woke over zich af te roepen.

Een student uit de zaal vertelt eveneens druk te voelen vanuit woke-hoek: ‘Ik merk op mijn opleiding dat het lastig is om voor je mening uit te komen. De literatuur die we behandelen komt uit een bepaalde hoek. Toen ik een kritische vraag hierover stelde, werd ik door mijn professor als extremist weggezet.’

Een hoogleraar filosofie die in het panel op het podium zat, wees de student en de zaal erop niet in ‘sjablonen’ te denken. ‘Het is niet zo dat alle wetenschappers die links zijn en de academische vrijheid willen smoren. Het ligt veel genuanceerder. We moeten naar de feiten kijken.’

Turkse rechter verbiedt publicaties over Erdogan-gezinde Hizbullah

0

Turken hebben niet langer toegang tot twee nieuwsberichten over de militante Koerdische Hizbullah-partij, die president Recep Tayyip Erdogan steunt. Zo oordeelt een Turkse rechter. Een van de publicaties gaat over een Hizbullah-aanhanger die dreigt de hoofden van tegenstanders van Erdogan af te hakken.

De rechtszaak was aangespannen door de Hüda-Par, een islamistische partij die nauwe banden heeft met Hizbullah. De Turkse nieuwssite Duvar schrijft over het gerechtelijke verbod. Het treft de publicaties van de in Turkije bekende journalisten Ismail Saymaz en Fatih Altayli. Hizbullah en Hüda-Par steunen de AKP van Erdogan.

‘Dit is kennelijk persvrijheid’, reageert Altayli, journalist bij platform HaberTürk, op Twitter. Een van zijn stukken, die zijn geblokkeerd, gaat over Ismail Cevher Kasimoglu. Kasimoglu is verbonden aan Hüda-Par en bedreigde in een spraakmakende video de Turkse oppositie: ‘We zullen hun hoofden afhakken als ze aan Erdogan komen’, zei hij vorige week.

Ook een interview dat Ismail Saymaz voor Halk TV had met Mehmet Genç is geblokkeerd. Genç is de oudere broer van de moslimfeministe Konca Kuris, die door Hizbullah in de jaren negentig op gruwelijke wijze is gemarteld en vermoord. In het geblokkeerde interview gaat het onder meer over de band tussen Hüda-Par met Hizbullah. ‘Het zou me niks verbazen als meer van mijn artikelen over Hizbullah worden geblokkeerd’, stelt Saymaz op Twitter.

Turkije zette Hizbullah in de jaren negentig in als paramilitaire eenheid in de strijd tegen de Koerdische PKK. Daarbij werden vele misdaden gepleegd, met name tegen Koerden.

De Turks-Armeense krant AGOS meldt dat de ‘koppensneller’ Kasimoglu na een korte hechtenis is vrijgelaten. Hij zou ‘berouw hebben’ en hebben gesteld dat zijn uitlatingen een gefrustreerde reactie waren op een interview waar de regering werd bekritiseerd.