‘Mertens viel op bij de jury omdat ze zich inzet om kinderen een stem te geven en ze actief te laten meedenken over hun school en over hun onderwijs.’
Basisschooljuf Daisy Mertens (31) werd in Nederland al uitgeroepen tot Leraar van het Jaar 2016 en is nu in de race voor de internationale variant. Op zondag 24 maart hoort Mertens in Dubai of ze de Global Teacher Prize (ter waarde van één miljoen dollar) wint. De bevlogen leerkracht werkt al jaren op een multiculturele school in een multiculturele wijk in Helmond, een heel bewuste keuze. Sterker nog: ze zou niets liever willen.
‘Ik vind het heel interessant om mensen van verschillende culturen en met verschillende beweegredenen met elkaar te verbinden’, aldus Mertens. ‘Zo is onze hele maatschappij ook ingericht: het is niet zo dat er slechts één nationaliteit en één cultuur bestaat.’ Als je haar vraagt of ze niet ook eens op een witte school aan de slag zou willen, schudt ze resoluut haar hoofd: nee. Daarvoor koestert ze de diversiteit van haar huidige basisschool De Vuurvogel in Helmond (vierhonderdveertig leerlingen, dertig nationaliteiten) veel te veel.
‘Ik heb weleens stage gelopen op zo’n heel witte school hoor, in een klas met dertig kinderen. Maar dat was zo saai: je floot tijdens de gym één keer en ze gingen direct keurig allemaal op de lijn staan, alle dertig. Ik wil mensen juist verbinden door hun overeenkomsten en verschillen op te merken, en zo laten zien dat een onderscheid in huidskleur of geloof helemaal niet van belang is. Als je alleen maar mensen kent die net als jij naar de kerk – of net als jij naar de moskee – gaan, dan denk je nooit na over de alternatieven. Maar het is zo leerzaam om te weten dat er ook mensen zijn die naar een tempel gaan, of thuis een altaar hebben. Kinderen vinden speciale klederdrachten ook altijd ontzettend interessant en vragen dan: ‘Waarom heb jij dit vandaag aan? Waarom draag jij een hoofddoek? Waarom doet hij of zij communie en waarom mag je dan zo’n mooi setje kleren aan?’ Maar ja, al die verschillen kun je niet laten zien op een witte school.’
Bekrompen dorp
Zo’n dertien jaar geleden zat er een heel andere aspirant-juf Daisy in de schoolbanken van de pabo. Eentje die er niet aan moest dénken om voor een klas met bi-culturele kinderen te staan. Sterker nog: toen ze eenmaal een stage toegewezen kreeg, moest Mertens heel hard huilen. ‘Het was basisschool De Flierefluit in Venray, een school met heel veel Turkse en Marokkaanse kinderen.’ Maar onbekend maakt onterecht onbemind, weet ze inmiddels. ‘Ik zat vroeger zelf op een basisschool tussen de witte ‘rich kids’ en woonde in een dorp in een nieuwbouwwijk waar mensen bij wijze van spreken meteen wegliepen als ze een Marokkaan tegenkwamen. Maar mijn moeder zei over die stage: ‘Schat, geef het gewoon een kans, misschien vind je het heel leuk.’ Nou, ik was er pas drie uur toen ik het al fantastisch vond en nooit meer weg wilde uit zo’n multiculturele omgeving.’
Mertens geeft dit jaar les aan groep zeven. Een klas van vijfentwintig kinderen met in totaal negen verschillende nationaliteiten: ze komen onder andere uit Polen, Turkije, Syrië, Iran, Marokko en Portugal. Al merkt de juf in de dagelijkse schoolpraktijk daar eigenlijk weinig van. ‘Kinderen worden allemaal hetzelfde geboren. Ze hebben natuurlijk allemaal een ander karakter, maar ik weet niet in hoeverre dat te maken heeft met afkomst. Er zitten in mijn klas bijvoorbeeld een paar jongens die wat feller zijn, maar als je een felle Nederlandse vader hebt, kun je die eigenschap natuurlijk evengoed hebben.’ Al wil ze de factoren cultuur, religie en afkomst niet helemaal negeren, benadrukt ze. ‘Ik weet wel dat bijvoorbeeld Turkse ouders vaak minder Nederlands tegen hun baby en peuter praten dan Nederlandse ouders. Daardoor begrijp ik beter waarom ze met een taalachterstand naar de basisschool gaan.’
Hele dag taal
En juist die taalachterstand, waarvan sprake is bij zestig tot zeventig procent van haar leerlingen, daar is Daisy de hele dag mee bezig. Ongeacht het vak dat ze op dat moment geeft: bij rekenen en geschiedenis komen net zo goed nieuwe woorden aan bod. Mertens: ‘Ons lokaal is één en al taal, overal hangt wel íets wat taalondersteunend is. Dat kan ook een poster zijn met woorden die te maken hebben met bijvoorbeeld Karel de Grote. Met alle woorden die aan de muur hangen doen we regelmatig spelletjes, met een bal bijvoorbeeld.’ De kinderen mogen dan overgooien en wie aan de bal is moet één van de woorden uitleggen in de juiste voorbeeldcontext. Ook stimuleert Mertens haar leerlingen om bij elk onbekend woord dat ze tegenkomen naar de betekenis te vragen of een woordenboek te pakken. ‘Kinderen denken al gauw: laat maar. Maar stel: je bent in China en je kent maar zeventig procent van de taal. Zie maar iets te begrijpen als je niks weet te brouwen van die overige dertig procent.’ Mertens ziet de woordenschat van haar leerlingen groeien: ‘Dan hoor je ze later ineens het woord ‘enigszins’ gebruiken.’
Over taal gesproken: de juf voert regelmatig oudergesprekken met ouders die de Nederlandse taal nog niet volledig machtig zijn. ‘Ik voer ze sowieso altijd met de leerling erbij, maar soms moet het kind dan ook tolken. Hoe ik het gesprek zal voeren, stem ik vooraf altijd af op wat voor een ouder ik tegenover me krijg. Hoe moet ik communiceren? Is het handig als ik bijvoorbeeld wat grafiekjes laat zien ter ondersteuning? Maar ja, je oudergesprek aanpassen op de ouder, dat zou ik op een witte school natuurlijk ook doen. En als een kind tolkt, dan vraag ik na het gesprek soms wel of de ouder kort kan herhalen wat ik heb gezegd. Dan weet ik zeker dat de boodschap is overgekomen.’ Maar één ding is voor Mertens wel duidelijk: bij moeilijke gesprekken mag het kind niet tolken. ‘Dan heb ik liever een tante ofzo als tolk.’
Foto: Boyd Smith
Arabische woorden
In haar klas praten de kinderen áltijd Nederlands met elkaar, zo luidt de regel. Zo niet, dan kijkt Mertens even met haar juffenblik de kant van de leerlingen op en springen de meesten direct weer in het gareel. Alhoewel: ‘Ik word echt niet boos als ze bijvoorbeeld tijdens een project ineens dingen in hun moedertaal gaan benoemen. Soms vinden ze het gewoon leuk om te vertellen dat, ik noem maar wat, het woord ‘tapijt’ in hun taal heel iets anders blijkt te zijn. Dat is dan niet erg. Je moet elkaar blijven begrijpen.’
Terug naar de Global Teacher Prize, de jaarlijkse wedstrijd met ruim tienduizend inzendingen wereldwijd. Mertens viel op bij de jury omdat ze zich inzet om kinderen een stem te geven en ze actief te laten meedenken over hun school en over hun onderwijs. Ze geeft een voorbeeld: ‘Laatst wilde ik een klein project met de kinderen doen over de feestdagen. Het zou vooral gaan over kerst en nieuwjaar, dacht ik. Maar mijn leerlingen vonden het veel te klein. De één zei: ‘Wij vieren thuis geen kerst, wij vieren Offer- en Suikerfeest.’ Een ander zei: ‘Nee, ik vier dat wel.’ Een derde vroeg zich af: ‘Maar wat vieren Joden dan eigenlijk?’ Uiteindelijk zijn de kinderen op eigen initiatief een project over alle wereldgodsdiensten gestart, waarin we ook alle gebedshuizen bespraken. Een paar moslimkinderen zijn toen op bezoek gegaan bij de pastoor van de kerk in de buurt. Dat wilden ze zelf graag, omdat ze daar benieuwd naar waren.’
Meer zelfvertrouwen
Juist dát siert Mertens, aldus de Global Teacher Prize-jury: door leerlingen mee te laten bepalen hoe hun onderwijs eruit ziet, zonder het curriculum en de leerdoelen uit het oog te verliezen, haalt ze het beste uit de kinderen naar boven. Mertens somt de voordelen op: ‘Het maakt ze creatiever, geeft ze zelfvertrouwen en ze leren er oplossingsgericht denken. Bovendien zijn leerlingen niet bang om zomaar te zeggen wat ze vinden. Omdat ze zonder gêne met een andere blik naar de wereld kijken, heeft de leerkracht daar ook wat aan.’
Iets wat Mertens ook belangrijk vindt, is echt luisteren naar een kind. Niet ondertussen met twintig andere dingen bezig zijn, of ja en amen knikken terwijl je gedachten ergens anders zijn. En ook luisteren naar de praatjes die op het eerste gezicht niets met school te maken hebben. ‘Als leerkracht moet je goed op de hoogte zijn van een kind. Wees daarom nieuwsgierig: een kind komt de school met een bepaalde achtergrond, vráág daarnaar. Of het nou paardrijdt of naar de moskee gaat, dat zégt iets over een kind. Een meisje in mijn klas geeft bijvoorbeeld les in de moskee, dus de manier waarop zij haar geloof uitoefent is wat intenser dan kinderen die alleen het Offerfeest en het Suikerfeest vieren. Als je dat weet door met haar over haar leven buiten school te praten, leer je: hier komt bepaald gedrag van een kind vandaan.’
Gewoon een kind
Maar of een kind nou uit Polen of uit Nederland komt, op paardrijles of op koranles zit, een hanenkam heeft of een hoofddoek: als het puntje bij paaltje komt is een kind gewoon een kind, benadrukt Mertens nogmaals. En zo bijzonder of ‘anders’ is een multiculturele school dus ook weer niet. ‘Uiteindelijk maakt het niet uit hoe je er uitziet, wat je achtergrond is of wat je geloof is. Het gaat per slot van rekening maar om één ding: liefde tussen mensen is universeel. En laat die liefde dan de verbindende factor zijn tussen mensen.’
Het is dit jaar honderd jaar geleden dat Rosa Luxemburg in Berlijn om het leven kwam. Wie was deze denker en wat heeft zij ons nu nog te vertellen? ‘Luxemburg vond dat burgers te weinig zeggenschap hadden in de parlementaire democratie.’
Ze leek vrijwel vergeten, de Duits-Poolse marxiste Rosa Luxemburg (1871-1919). Maar nu, honderd jaar na haar dood, neemt de belangstelling voor haar denken en leven weer toe. Bij de herdenkingsplechtigheid begin dit jaar in Berlijn waren duizenden mensen aanwezigen. Op donderdag 21 maart organiseert de Balie in Amsterdam een avond over de Duitse politieke denker. Centraal staat het pas verschenen pamflet Het tij keren. Met Rosa Luxemburg en Hannah Arendt van schrijfster en filosofe Joke Hermsen. Ze beschrijft hierin de politiek-filosofische ideeën van Luxemburg en in mindere mate die van Hannah Arendt. En ze gaat in op het belang ervan voor onze tijd, waarin, net als een eeuw geleden, sociale rechten en arbeidsrechten onder druk staan.
‘Luxemburg was een scherpe denker van joods-Poolse afkomst, met een groot gevoel voor rechtvaardigheid’, zegt Hermsen. ‘Al op jonge leeftijd sluit ze zich aan bij de Poolse Revolutionaire Partij. Vanwege haar kritiek op de regering, die weinig doet aan de armoede van de arbeidersklasse, vlucht ze naar Zwitserland. In 1898 – na de afronding van haar proefschrift De industriële ontwikkeling van Polen – vestigt ze zich in Berlijn en wordt ze een prominent lid van de linkervleugel van de SDP (Sociaaldemocratische Partij van Duitsland).’
Luxemburg schreef verscheidene politieke werken. Haar economische hoofdwerk De accumulatie van het kapitaal is nog steeds verbazingwekkend actueel, vertelt Pepijn Brandon, historicus aan de Vrije Universiteit en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. ‘Volgens Luxemburg is er een nauw verband tussen kapitalisme en kolonialisme. Het kapitalistische systeem gedijt vooral bij voortdurende economische groei en daar is een steeds grotere productie voor nodig. Deze overproductie zorgt ervoor dat kapitalistische landen hun producten niet kwijt kunnen. Ze gaan daarom op zoek naar gebieden elders in de wereld, naar nieuwe afzetmarkten en goedkope arbeidskrachten. Luxemburg schreef dit werk in 1913, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. De westerse landen waren in een kolonisatiewedloop verwikkeld. Het was de tijd van de scramble for Africa, het Afrikaanse continent werd door Europese landen in hoog tempo gekoloniseerd. Nederland was bezig de laatste autonome delen van Indonesië te onderwerpen.’
Deze koloniseringsdrang, voortkomend uit het kapitalisme, zag Luxemburg als een van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog. ‘Luxemburg behoorde tot de kleine minderheid van socialisten die fel tegen de Duitse deelname aan die oorlog was’, zegt Brandon. ‘Ze werd daar vrijwel onmiddellijk voor gearresteerd en zat langer dan drie jaar vast. Vanuit de gevangenis schreef ze een illegaal en zeer populair pamflet, de Junius–brochure. Dit zorgde ervoor dat ze samen met collega-socialist Karl Liebknecht in Duitsland het symbool werd van het verzet tegen de oorlog.’
‘In de tijd van Luxemburg was er een grote arbeidersklasse die eentonig en zwaar werk verrichtte in fabrieken’, zegt Hermsen. ‘Luxemburg pleitte voor kortere werkdagen, meer variatie in werkzaamheden en meer vrije tijd. Ze wilde dat mensen zich positief ontwikkelden in plaats van zich steeds meer van zichzelf te vervreemden, een begrip dat ze overnam van Karl Marx. Ze vond dat een verandering van het systeem nodig was. De arbeiders moesten in opstand komen.’
‘Luxemburg vond dat burgers te weinig zeggenschap hadden in de parlementaire democratie. Een systeem van volksvertegenwoordigers die de politieke beslissingen nemen en een volk dat eens in de zoveel tijd een kruisje op een stembiljet zet, was onvoldoende democratisch. Burgers moesten meer bij de politiek worden betrokken en mede het beleid kunnen uitstippelen. Ze wilde daarom het politieke systeem aanvullen met ‘volksraden’ of ‘burgerraden’’, zegt Hermsen.
Hannah Arendt (1906-1975), de andere vrouwelijke Duitse denker die Hermsen bespreekt in haar essay, nam dit idee van volksraden over. ‘Zowel Arendt als Luxemburg vond dat een volksopstand alleen kans van slagen heeft als er niet alleen maar om meer brood of geld gevraagd wordt, maar ook om politieke vernieuwing. Ze dachten dat burgerraden konden leiden tot meer gemeenschapszin. Dat mensen zo het gevoel krijgen eindelijk gehoord te worden.’
Precies die klacht – ‘we worden niet gehoord’ – hoor je ook bij de gele hesjes in Frankrijk. Volgens Hermsen ‘een bonte mengeling van mensen die zich zorgen maken om klimaatverandering en economische ongelijkheid, personeel uit het onderwijs en de zorg en oproerkraaiers’. ‘Ze voelen zich niet vertegenwoordigd in de Assemblée Nationale (de Franse Tweede Kamer). En dat klopt ook. Van de leden van de Assemblée is maar tien tot vijftien procent het met ze eens, terwijl de meerderheid van de Franse bevolking nog steeds de gele hesjes steunt. Dat is een enorm verschil. Er is een probleem met de politieke vertegenwoordiging. Hun belangrijkste eis is het referendum, waarmee ze op eigen initiatief politieke kwesties kunnen agenderen.´
Luxemburg had ook een zachtmoedige kant. ‘Ze schreef vanuit de gevangenis prachtige brieven. Haar Nederlandse vriendin en socialiste Henriette Roland Holst noemde ze zelfs de mooiste van de wereldliteratuur. In die brieven spoort ze haar mede-activisten aan hoop te houden. Ze moeten de moed niet verliezen. Ze schrijft dat maar één ding belangrijk is: een guter Mensch zijn – een levenshouding die Hannah Arendt overneemt. Beiden zagen het als hun levenstaak om een goed en waardig mens te zijn. Dat vonden zij het hoogste en meest nobele streven van de mens. Het Griekse woord hiervoor is eudaimonia, eu betekent goed en daimon betekent ziel. Een goede ziel krijg je door je talenten te ontwikkelen en je tegelijkertijd om het lot van anderen te bekommeren’, aldus Hermsen.
De Eerste Wereldoorlog eindigde in november 1918. Brandon: ‘Duitse matrozen werden door de keizer op kamikazemissie gestuurd. Het was duidelijk dat Duitsland de oorlog aan het verliezen was en de matrozen weigerden dienst. Een paar dagen later vluchtte de keizer naar Nederland.’ De gematigd socialistische regering nam de macht over en wilde een heel geleidelijke overgang naar een parlementaire democratie. Luxemburg en Liebknecht waren juist voor een vergaande revolutie. Op straat kwam het tot gewelddadige confrontaties en waren er protesten tegen de voorlopige socialistische regering.
Brandon: ‘In januari 1919 brak er een opstand uit in Berlijn. Luxemburg vond het te vroeg voor de revolutie en dacht dat er onvoldoende steun voor was. Maar als bekende leider werd ze toch een van de gezichten van de opstand. De revolutie werd grof onderdrukt door de gematigd socialistische regering die gebruikmaakte van Freikorpsen – groepen vrijwilligers, soldaten en afgedankte officieren die zwaar bewapend de straten van Berlijn schoonveegden. Uiteindelijk werd ook Luxemburg vermoord door zo’n Freikorps. Ze werd doodgeslagen en in een kanaal in Berlijn gegooid.’
In een eerder artikel in deze krant scheef Ewout Klei over de kritiek van de Duitse historica Christina Morina op Rosa Luxemburg. Ze zou ervan zijn uitgegaan dat geweld noodzakelijk was voor een revolutie en bloedvergieten accepteren. ‘Er is heel weinig wat daarop wijst’, zegt Hermsen. ‘Als je de teksten van Luxemburg leest, zie je dat ze tot haar laatste artikelen in Die Rote Fahne (de krant van de Spartakusbond, de voorloper van de communistische partij in Duitsland, red.) oproept om geen geweld te gebruiken. Volgens de echtgenoot van Hannah Arendt, Heinrich Blucher, die aan de zijde van de Spartakusbond vocht – een ooggetuige dus – was zij zelfs de meest anti-militaristische van alle marxisten uit die tijd, en de meest vredelievende.’
´Ze was voor een revolutie, dat is iets anders dan geweld’, zegt Brandon. ´Haar hele houding ten opzichte van de Eerste Wereldoorlog laat zien dat ze een diepe afkeer had van geweld. Wat mee kan spelen in de negatieve beoordeling is dat Luxemburg voor de officiële communistische beweging een lastig figuur was. Aan de ene kant wilden ze haar graag omarmen als martelaar – ze was een van de oprichters van de communistische partij in Duitsland. Aan de andere kant was ze compleet ondogmatisch en plaatste ze kanttekeningen bij de Russische revolutie, die ze overigens wel bleef steunen. Haar denken paste niet binnen de officiële interpretaties van het marxisme. Er was altijd een soort ongemak binnen de partij rondom haar persoon. Ze had een iconische status, maar werd liever niet gelezen. Dat is een vorm van onrecht, want ze was een heel grote denker.’
De vraag dringt zich inmiddels, nu IS militair verslagen is en het ‘kalifaat’ van de landkaart is geveegd, steeds agressiever op: wat te doen met de uit Europa afkomstige jihadisten die nu in Koerdische gevangenkampen zijn beland? Donald Trump heeft er recent geen twijfel over laten bestaan: terugnemen die hap, anders dreigt er wat. Les extrêmes se touchent, want veel van die gewezen strijders voor het shariaparadijs schijnen dezelfde mening toegedaan en inmiddels hartstochtelijk te verlangen naar een veilige cel in een goddeloos Europees land.
Over hun toekomst denken ze even luchtig als over het verleden: een paar jaartjes brommen en dan pakken we het pre-jihadistische bestaan gewoon weer op. In Zweden is al een handvol gevangen oud-strijders op de tv geweest, met een verzoek aan Stockholm om terug te mogen keren. Ze willen weer een ‘normaal’ leven met kinderen op de kinderopvang, zo vertelde een van hen. ‘Daar lijkt in Zweden weinig draagvlak voor’, zo merkte Volkskrant-correspondent Eric van den Outenaar in het desbetreffende berichtje van 8 maart aansluitend droogjes op.
Vier dagen eerder gaf ook de uit Arnhem afkomstige veteraan Yago R. in die geest een exclusief interview, aan diezelfde krant. Hij had een vervelende tijd achter de rug, maar hoopte straks in Nederland gewoon weer een nieuwe start te kunnen maken. Tegenover Ana van Es verklaarde ook hij nu terug te willen voor ‘een rustig leventje’, om ‘op te laden’, zijn kind ‘een gelukkig leven te geven’ en voor het overige zichzelf ‘gedeisd te houden’.
Vroeger verdwenen in christelijke kring zulke lui in het klooster – en voor het Vaticaan was dit tot voor kort voor betrapte seksuele zondaren nog steeds een gangbare weg – maar dat lijkt mij nu niet in de rede te liggen. Tenzij er plots weer een bekering volgt, het zou voor Yago immers niet de eerste zijn.
Hoe dan ook: van enige spijt over de gruwelijkheden bleek niets. Slechts van spijt over het feit dat hij een paar jaar van zijn leven had vergooid. Zeker, hij had fouten gemaakt – ‘ze boden het hele pakketje’ – en zodoende dus een vervelende tijd achter de rug, maar hij rekende erop dat men hem zijn misstapje vergaf – alsof het ging om een uit de hand gelopen dronkenmansruzie tijdens een avondje stappen in Gorinchem, waarbij hij in kennelijke staat een net iets te harde klap had verkocht. En o ja, of Den Haag zijn uit Groot-Brittannië afkomstige vrouw, plus zijn kindje, eveneens maar meteen liefdevol in de armen wilde sluiten.
Ook in zijn geval lijkt het draagvlak daarvoor gering. En opvallend, maar tegelijk ook best verklaarbaar, is juist dat in Nederlandse moslimkring niet iedereen even happig is op zijn terugkeer. Zoals een hunner dat, opnieuw in de Volkskrant, formuleerde: dankzij dit soort lui hebben ik en mijn kinderen ons twintig jaar voortdurend voor onze religieuze overtuigingen moeten verantwoorden. ‘Deze jongens hebben zoveel kapotgemaakt in de samenleving.’
Lang hebben de meeste Europese landen de boot afgehouden, maar nu zij door de Koerden voor het blok en door Trump onder druk worden gezet, begint het wel wat te schuiven. En dat de Europese landen waar het de wandaden van hun staatsburgers betreft – ook al hadden die met hun de rechtsstaat verachtende keuze voor IS moreel zelf een streep onder dat staatsburgerschap gezet – niet helemaal kunnen wegkijken is evident. In elk geval kan men niet de Koerden met dat probleem opzadelen, nu niet elke Nederlandse jihadist zo behulpzaam was om conform Rutte zijn dringende verzoek bijtijds te sneuvelen.
Maar een antwoord op de vraag ‘wat nu’ is nog niet zo makkelijk. Kan men al, om te beginnen, in praktisch opzicht bij de verdere afhandeling wel exact scheiden tussen de bruten, de bruiden en de baby’s? De kinderen van de jihadi’s kan men de wandaden van hun ouders niet aanrekenen, maar betekent dat dat men ze nu bij nieuwe gezinnen moet onderbrengen? En moet men ze actief gaan ophalen, zoals sommigen bepleiten? Den Haag neemt in elk geval, met een beroep op allerlei concrete complicaties voor een delegatie naar het oord des onheils, bewust een afwachtende houding aan.
En dan de bestraffing van de uitgereisde jihadisten. Yago R. was bij verstek tot zes jaar cel veroordeeld. Als hij niemand zelf persoonlijk een haar heeft gekrenkt, is dat voor ‘in vreemde krijgsdienst gaan’ vrij veel. Ik vergelijk het maar even met de vele niet-levenslange gevangenisstraffen die aan verschillende toch vrij grote Joegoslavische oorlogsmisdadigers zijn uitgedeeld. Maar als hij in de voorste beulslinies heeft gestaan, dan is dat juist tamelijk weinig. Een enkelvoudige moordenaar krijgt in Nederland al veel meer. Alleen, hoe dat te bewijzen? Dat het bestaande oorlogsrecht voor dit soort situaties eigenlijk ontoereikend is, is recent al door enkele strafrechtgeleerden opgemerkt. Dat zou terughalen naar Nederland – een paar jaartjes cel en dan dus een rustig leventje om weer op te laden met de kinderen in de kinderopvang – moreel toch tamelijk onbevredigend maken.
Op zich is het gebruikelijke uitgangspunt dat mensen worden berecht in het land waar zij hun misdaden hebben begaan. Voor een internationale opzet wordt meestal slechts gekozen als het om grensoverschrijdende misdaden tegen de menselijkheid gaat, of als onpartijdige rechtspraak ter plekke twijfelachtig is. In Neurenberg stonden de grote nazileiders terecht; de vele kleinere belandden meestal voor een nationaal tribunaal. Berechting in het land van herkomst is ongebruikelijk, dus het zou voor de hand liggen dat berechting van de jihadisten ginds geschiedt.
Alleen staat het Nederlandse verbod op de doodstraf uitlevering door ons aan een Syrische of Iraakse rechtbank in de weg, ook al is er momenteel niet echt sprake van uitlevering door ons, maar meer van een mogelijke uitlevering door de Koerden. Misschien daarom toch maar werken aan dat internationale tribunaal.
De oorlog in Joegoslavië en de kanker die ze daaraan overhield, hebben Leila gevormd tot de maatschappelijk betrokken verhalenverteller die ze nu is. ‘Met geweld en haast is nog nooit een blijvend resultaat geboekt.’
Leila vluchtte met haar ouders en broertje uit Joegoslavië tijdens de oorlog daar. Ze was toen elf jaar. Doordat ze speelde tussen de tanks, kwam ze bloot te staan aan straling die later kanker veroorzaakte. De kanker, die inmiddels in remissie is, heeft haar alleen maar wijzer en strijdlustiger gemaakt: ‘We moeten de verhalen blijven vertellen voor de mensen die dat niet meer kunnen’.
Leila: ‘Van de ene op de andere dag was het oorlog. Ik was met een vriendinnetje in de bergen, toen er allemaal mannen langs kwamen rennen dat de oorlog was begonnen en dat iedereen weg moest gaan. Voor alle zekerheid gingen we toch in de auto naar huis, waar mijn ouders dachten dat het allemaal wel meeviel. Maar een hoop van onze buren en mensen uit Doboj (tegenwoordig in de Servische Republiek in Bosnië en Herzegovina, red.), de stad waar wij woonden, vertrokken halsoverkop. Ze pakten snel wat spullen in en waren weg. Er was zelfs een jongetje vergeten; hij bleef alleen achter, werd opgevangen en later herenigd met zijn ouders. Mijn ouders bleven volhouden dat het wel meeviel, we gingen niet weg, want dit zou wel overwaaien. Het zouden alleen wat opstootjes zijn, hoe erg kon het worden? De mensen waar je naast woont, worden niet van de ene op de andere dag je vijanden, alleen maar omdat ze een andere etnische achtergrond hebben. Wij woonden vlak achter de moskee, mijn ouders wisten wel dat we daar beter niet konden blijven, omdat de moskee al snel een doelwit zou worden om op te blazen. Het duurde twee weken voordat onze stad was gevallen, in die tijd zaten we in een flat ondergedoken met een tante bij haar familie. Maar toen Doboj gevallen was, ging het gewone leven weer door. Wij gingen weer naar huis, ondanks dat er een bijl in de voordeur zat en de muren waren ingesmeerd met eigeel. We gingen ook weer naar school, ondanks dat we in een oorlogsgebied woonden. Niemand wilde die oorlog, iedereen wilde dat het leven gewoon doorging. Dat duurde helaas maar drie maanden. Mijn vader werkte bij de douane, maar hij moest onderduiken, want hij was zijn leven niet zeker. Ik heb hem een jaar niet gezien.’
Oorlog
‘Door de oorlog leefde iedereen erg met elkaar mee. Er ontstond een ruilhandel in spullen, zodat iedereen voldoende had. De situatie werd er niet beter op. Er waren steeds vaker razzia’s als Serviërs een slag verloren hadden, dat werd op het Bosnische deel van de bevolking afgereageerd. Vrouwen werden verkracht, mijn buurman werd uit het raam gegooid en andere verschrikkelijke dingen gebeurden. Mijn moeder was kapster en zij werd regelmatig gevraagd om ergens te gaan knippen om de hygiëne te bewaren. Wij gingen de bergen in en kwamen aan bij een ouder echtpaar. Ik mocht aardbeien gaan plukken, terwijl mijn moeder hun haar deed. Ze nodigden ons uit om te blijven slapen, maar mijn moeder wilde naar huis vanwege mijn broertje. Later hoorden we dat dat echtpaar die nacht was vermoord. Hun lichamen waren gekruisigd als voorbeeld voor anderen. Er gebeurden steeds meer bizarre en beestachtige dingen; onze benedenverdieping was opgeblazen en dat was het sein voor ons om te vertrekken. Mijn vader was inmiddels weer thuisgekomen en we gingen mee met het laatste konvooi. We mochten helemaal niets meenemen. Ik heb daarom geen babyfoto’s meer, maar ik had in mijn rugzakje wat foto’s gedaan en dat is het enige wat meegegaan is. Iedereen werd gefouilleerd, maar de kinderen niet, daardoor konden mijn foto’s dus mee. We kwamen aan in Belgrado. Dat was eigenlijk het hol van de leeuw, maar er was niets te merken van de oorlog, alle winkels en restaurants waren gewoon open. Een vrouw hielp ons om visums aan te vragen voor Nederland. Zij kwam regelmatig bij de douane en had met mijn vader te maken. Zij herkende hem bij ons schuiladres net voor Belgrado. Ze vroeg ‘Wat doe jij hier?’ en mijn vader zei huilend ‘Ik ben op de vlucht met mijn gezin en we gaan naar Zweden, want daar is het veilig’. Zij woonde en werkte in Nederland en vertelde dat Nederland ook een optie was – en dichterbij was dan Zweden. Met de papieren die ze stuurde, konden we een visum krijgen. Twintig jaar later kregen we pas de kans om haar te bedanken, toen haar zus de juf was op de Bosnische school van mijn dochter. We huilden toen we elkaar weer ontmoetten, het was alsof we familie hadden teruggevonden.’
Leila: ‘In Belgrado stonden we vier maanden in de rij voor de Nederlandse ambassade. Iedereen wist welke plek hij had, iedere dag stonden we daar opnieuw. Toen we uiteindelijk aan de beurt waren en het visum kregen, vertrokken we per trein vanuit Belgrado en in drie dagen reisden we naar Nederland. Onze ouders bereidden ons heel erg voor op dit land – we hoorden dat iedereen op klompen liep en dat er overal molens waren. Maar toen we uit de trein stapten, zagen we mensen die net als wij waren – we waren weer een illusie armer. Na wat tijdelijke plekken in asielzoekerscentra, kwamen we in Sassenheim terecht, waar we een huis kregen en naar school gingen. Ik was toen twaalf jaar. Toen we een jaar in Nederland waren, sprak ik al vloeiend Nederlands. Ik heb dat allemaal niet als naar of vervelend ervaren. In asielzoekerscentra wonen was een avontuur, veel kinderen hebben het zo ervaren. Voor mijn ouders was het veel erger, zij gaven hun leven zodat mijn broertje en ik in vrijheid kunnen leven. Hierdoor hebben wij een toekomst gekregen en een heel mooi leven kunnen opbouwen.’
Foto: Leila
Kanker
‘Doordat ik als kind veel rondom tanks speelde en er in de buurt veel granaten neerkwamen, stond ik bloot aan straling. Kinderen hebben minder weerstand en zijn gevoeliger voor straling, ik ben zeker niet de enige uit dat oorlogsgebied die kanker kreeg. Dat bleek achteraf al langer te spelen, maar toen ik zwanger werd en beviel van mijn zoontje – hij is nu twee jaar – kwam ik erachter dat ik ziek was. Het duurde acht weken voordat ze in het ziekenhuis ontdekten wat er aan de hand was. Ik kreeg te horen dat het een zeldzame vorm van kanker was die alleen veroorzaakt wordt door straling en dat ik geen reden had om ziek te zijn, omdat mijn lichaam verder gezond is. ’Je zou nooit ziek zijn geweest als je als kind niet in het oorlogsgebied had gewoond. Je hebt dikke pech gehad’, zei mijn dokter. Voor mij was de kanker geen strijd, ik hoefde geen nieuwe oorlog aan te gaan. Het was en is een nieuwe uitdaging die ik moest aangaan. Deze uitdaging bracht me weer andere inzichten en kennis. Ik ben geen kanker, maar ik had kanker en dat is een groot verschil. Het was wel heftig om weer opnieuw met de gevolgen van de oorlog geconfronteerd te worden. Ik woon in Den Haag, de stad van vrede en recht, waar de misdadigers opgesloten zitten en berecht zijn. Toen ik ze in 2017 veroordeeld zag worden, kreeg ik de diagnose kanker. Vijfentwintig jaar na de oorlog ontdekte ik dat je een kind uit de oorlog kunt halen, maar hoe haal je de oorlog uit een kind? Tijdens een van de rechtszittingen zat ik tegenover Ratko Mladic (tussen 1992 en 1995 opperbevelhebber van de Bosnisch-Servische troepen, werd in 2017 veroordeeld tot levenslang vanwege zijn rol in de Bosnische burgeroorlog, red.) en ik voelde helemaal niets. Toen wist ik dat ik werkelijk vrij was. Tijdens mijn herstel keek ik naar het nieuws en dacht ik: ‘Kinderen in Syrië en Jemen maken nu hetzelfde mee, hen staat hetzelfde lot te wachten’. Veel kinderen komen naar Nederland en ik hoop dat zij goed nagekeken en onderzocht worden. Dat zou de staat veel zorgkosten schelen, maar ik wil ook bewustwording van wat voor troep er op elkaar gegooid wordt en dat dat nooit geoorloofd is.’
Leila: ‘Ik had het geluk dat ik een goede dokter had op een paar minuten van mijn huis en ik besprak met haar wat ik nog wel kon. Zij wilde niet dat ik in grote groepen mensen kwam, want mijn afweersysteem was erg laag. Ik wilde wel gewoon doorgaan met mijn werk als dagvoorzitter en presentator en op scholen kunnen blijven werken. Daar maakten we afspraken over. Gelukkig ging dat prima. Ziek zijn is geen pretje, maar ik wist altijd dat er weer betere tijden zouden komen. Maar ik kon me mijn vrijheid niet weer laten afnemen. Wanneer ik presenteerde, was er altijd iemand anders die met de microfoon naar het publiek ging, zodat ik dat niet hoefde te doen. Als ik dat niet had kunnen doen, had ik me gekooid gevoeld. Ik had gelukkig een arts die met me meedacht en naar oplossingen zocht. Ik wilde mijn leven door laten gaan, ondanks de kanker en de behandelingen. Dat nam mijn arts gelukkig serieus, haar zorg en liefde gun ik iedereen. Hierdoor heb ik zo veel respect voor de mensen in de zorg gekregen, die zich dag en nacht inzetten om je met veel liefde en toewijding te verzorgen. De mensen die nu in mijn leven zijn en dicht bij mij staan, zijn mensen van wie ik geleerd heb dat je er onvoorwaardelijk voor elkaar kunt zijn. Dat komt puur door de kanker. Ik stap met onwijs veel plezier het podium op, ik geniet daar echt van, ook dat ik met mooie mensen aan de slag mag zijn. Want het is allemaal niet vanzelfsprekend.’
Zachte kracht
‘We dragen met elkaar de verantwoordelijkheid voor deze aarde. Ik geloof ook dat we op een keerpunt zitten. Ik zie de jongeren de straat op gaan om te protesteren. We kunnen nu iets betekenen. Ik belichaam veel van de doelen die we willen bereiken in 2030 en het ideaal dat we straks een veel vreedzamer en wederkeriger wereld hebben. Als we maar bereid zijn elkaar te benaderen vanuit overeenkomsten, liefde en empathie. Neem bijvoorbeeld de oorlog die ik heb meegemaakt. Ik zal nooit zeggen ‘Alle Serviërs zijn slecht’, want wij zijn geholpen door Serviërs, met gevaar voor hun eigen leven. Ik kijk daarom liever naar de mensen, dat lijkt mij erg belangrijk en dat is ook de zachte kracht. Mijn ziekte heeft mij geleerd om zacht en liefdevol te zijn voor mezelf, dit kreeg ik ook als doel mee vanuit het ziekenhuis. Daardoor kun je ook veel zachter zijn naar de buitenwereld, want je gaat aan de slag vanuit empathie. Iedereen levert een strijd. Om je heen zie je veel mooie mensen, die ergens hun zachte kracht vandaan halen. Nelson Mandela had in de gevangenis bijvoorbeeld zijn moestuintje. Dat verzorgde hij met liefde en dat was zijn focuspunt.’
Leila: ‘Er zijn genoeg mensen op deze aarde die liefde willen geven en willen delen. Geduld is niet alleen maar kracht uitstralen, maar rustig aan blijvende veranderingen doorvoeren. Met geweld en haast is nog nooit een blijvend resultaat geboekt. Je moet het met elkaar doen, geleidelijk aan en stap voor stap bewuste keuzes met elkaar maken. In dat proces leer je elkaar kennen en ga je zoeken naar de raakvlakken die je hebt en niet naar de verschillen. Voor mijzelf vind ik het van belang om de verhalen te blijven vertellen van de mensen die er niet meer zijn of die het niet kunnen vertellen. Maar ook voor de kinderen die nu in zo’n situatie zitten. Ik heb een talent gekregen, dat is communiceren en verhalen vertellen. In mijn verhalen ben ik heel persoonlijk en kwetsbaar, dat vind ik belangrijk, want we zijn allemaal mensen en dus kwetsbaar.’
Met elkaar de samenleving
‘Mijn leven heeft een full circle ondergaan en dat vind ik heel bijzonder. Het heeft me geleerd dat je altijd opnieuw kunt beginnen en een leven kunt creëren dat jij wilt leven. We maken fouten, leren en streven om iets moois achter te laten op aarde. Dat doe ik voor mijn kinderen, maar ik doe het ook voor alle andere kinderen, want ook die zijn uit liefde geboren. Ik vind het prachtig om met allerlei mensen te praten, bijvoorbeeld nadat ik een lezing heb gegeven. Het geeft me ook veel zelfvertrouwen om in het nu te leven en elkaar te ontmoeten van mens tot mens. Ik geef jongens en meisjes les over emancipatie en gelijkwaardigheid. Ik praat met ze over wat we met elkaar ‘het nieuwe normaal’ vinden. Wat doen we als we naaktfoto’s of vechtpartijen zien op sociale media? Sturen we dat door of gaan we het slachtoffer helpen? Nemen we verantwoordelijkheid voor elkaar? We zijn met elkaar de samenleving. Verder werk ik veel met thema’s als vrede, recht en diversiteit en ik deel veel over mijn achtergrond als ex-vluchteling.’
Leila: ‘We hebben als mensen veel meer overeenkomsten dan verschillen – waar je naar wilt kijken, is een keuze. De wereld kan nu niet meer wegkijken, dat vind ik heel mooi. Iedereen heeft een smartphone en zit op sociale media, waardoor iedereen een verslaggever wordt en kan laten zien wat er bij hem of haar gebeurt. We moeten verantwoordelijkheid nemen voor wat er gebeurt, het is niet meer ‘straks’, maar ‘nu’. Het zou prachtig zijn als we een mooie wereld nalaten aan onze kinderen – een eerlijke wereld waarin mensen zoeken naar de gelijkenissen in plaats van de verschillen.’
Wie enkel naar de Nederlandse publieke omroep kijkt en geïnteresseerd is in de multiculturele samenleving, zou kunnen denken dat die samenleving zich enkel en alleen in de Randstad bevindt. Niets is minder waar. Ook in bijvoorbeeld de zuidelijke provincies Noord-Brabant en Limburg is er de nodige culturele diversiteit te vinden. Verschillende bi-culturele Nederlanders aldaar herkennen zich echter niet altijd in het Randstedelijke activisme tegen racisme en discriminatie. Zij kiezen in hun dagelijks leven liever voor verbinding dan voor polarisatie. Meer begrip en waardering voor deze keuze vanuit de Randstad is gewenst.
Al jaren mag ik in het prachtige Limburg genieten van het ultieme volksfeest dat carnaval heet. Een feest dat in het teken staat van het relativeren van de ernst van het leven, het vieren van de liefde en het bewieroken van de saamhorigheid tussen mensen. Jong en oud, wit en zwart vieren carnaval – of eigenlijk vastelaovend – vanaf donderdag tot en met dinsdag. Prachtig verkleed en met compleet onherkenbaar geschminkte gezichten treffen de zuiderlingen elkaar op straat en in keigezellige cafés. Traditionele en moderne liederen in lokaal of regionaal dialect vormen voor mij het hoofdgerecht van de carnavalsfeestvreugde. Zo zat ik ooit in een restaurant in Venlo naast een dame van middelbare leeftijd die me tijdens zo’n traditioneel carnavalslied met betraande ogen vertelde over de manier waarop ze in haar ouderlijk huis samen carnaval vierden. Het levenslied in moerstaal is de ultieme drager van dierbare herinneringen aan vervlogen tijden. Het carnavaleske levenslied kan mensen echter ook laten dagdromen van romantische oorden die utopiaans aanvoelen. Dromen van de partner die je op het oog hebt, maar buiten bereik lijkt.
Met carnaval is alles mogelijk. Juist door het feit dat iedereen verkleed is, ontstaan horizontale relaties tussen mensen. Elite en arbeiders genieten gebroederlijk van het heerlijke gerstenat, de oogverblindende optochten en de euforische liederen. Politici, religieuze leiders en andere machthebbers worden even lekker te kakken gezet. Maatschappelijke taboes worden doorbroken, want deze dagen staan in het teken van relativering. Het leven is de rest van het jaar immers al zwaar genoeg. Tegen deze achtergrond liep ik in 2015 in drie carnavalsoptochten mee als ‘chocoprins’ – uiteraard met een knipoog naar de kleur van mijn huid. Carnaval is voor veel landgenoten van ‘boven de grote rivieren’ sowieso al een onbegrepen feest, maar deze combinatie van mij als chocoprins was voor verschillende Randstedelingen van kleur een brug te ver. ‘Je bent een sell-out’, ‘Je moet racisme bestrijden, niet aanwakkeren’, ‘Je bent niet geïntegreerd, maar geassimileerd’. Ik ben er in de loop der tijd maar mee gestopt uit te leggen waarom ik in de carnavalsoptocht meeliep als chocoprins. Vooral omdat de selectieve verontwaardiging steevast gepaard gaat met een gebrek aan oprechte interesse in de traditionele zeden en culturele gewoonten in andere delen van ons land dan de Randstad. Als je niet weet wat carnaval in het zuiden écht is, kun je er ook niet vanuit je flatje in Amsterdam-Zuidoost over oordelen. In mijn woonomgeving wordt dit fenomeen daarom al vaker bestempeld als ‘Randstedelijke arrogantie’ – een vorm van arrogantie die verder rijkt dan het gebrek aan oprechte interesse in het zuidelijke carnaval.
Zo lijken sommige Randstedelingen te denken dat zij de enige mensen van kleur zijn die zich verzetten tegen discriminatie en racisme. Niets is minder waar. Ook in de provincie zijn er bi-culturele Nederlanders die discriminatie en racisme spuugzat zijn. De strategie die hier echter beter werkt, is die van positiviteit in plaats van negativiteit: eerst de ander begrijpen alvorens zelf begrepen te worden. Zo vond in mijn woonplaats Tilburg in 2018 voor het eerst in het zuiden van ons land een officiële herdenking van het slavernijverleden plaats, inclusief een officiële rol van de burgemeester die tevens een monumentaal kunstwerk toezegde. Daaromheen vonden er dialoogbijeenkomsten plaats, bedoeld om het begrip in de gezamenlijke geschiedenis van het multiculturele Nederland te vergroten. Verschillende bi-culturele Nederlanders in de ‘provincie’ herkennen deze strategie van het streven naar een beter Nederland via verbinding en dialoog. Geen misverstand: ik ben blij en dankbaar dat er Randstedelijke activisten zijn die zich op vreedzame doch confronterende wijze inzetten voor het verbeteren van het leefklimaat voor alle inwoners van ons land. Tegelijk hoop ik ook op meer wederzijds begrip vanuit bi-culturele Randstedelingen richting de provincie. Er zijn immers meer wegen die naar Rome leiden en sommige van die wegen worden gekenmerkt door carnavalsoptochten, polonaises en verbindende dialogen in het lokale dialect.
Ondanks brievenbuspissers en dinertjes met Amerikaanse racisten blijven PVV en Forum voor Democratie het in de opiniepeilingen goed doen. Hoe kan dat?
De populisten staan er electoraal gezien beter voor dan ooit. PVV en Forum voor Democratie krijgen in de laatste opiniepeiling van Maurice de Hond (3 maart 2019) allebei 17 zetels, wat betekent dat ze volgens hem samen 34 Kamerzetels zullen bezetten als er nu verkiezingen worden georganiseerd. Ook in de andere opiniepeilingen doen de populistische partijen het heel goed en komen samen op 32 of 33 zetels terecht. EenVandaag/Ipsos (26 februari) geeft de PVV 19 zetels en het FvD 14; volgens I&O Research (28 februari) krijgt de PVV 17 zetels en het FVD 16; ten slotte haalt de PVV 18 zetels en het FvD 14 in de peiling van Kantar Public (1 maart).
De Tweede Kamerverkiezingen zullen pas in 2021 plaatsvinden, tenzij het kabinet eerder ten val komt, maar dat lijkt op korte termijn niet waarschijnlijk. Wel staan de Provinciale Statenverkiezingen voor de deur, die op 20 maart worden gehouden. De leden van de Provinciale Staten kiezen de leden van de Eerste Kamer. Als PVV en FvD op 20 maart winnen dan kunnen ze daarna vanuit de senaat meer druk uitoefenen op het kabinet.
Waarom blijven kiezers op de PVV stemmen, ondanks het feit dat Geert Wilders niet aan de knoppen zit en in de praktijk wordt uitgesloten als mogelijke coalitiepartner? Waarom willen veel kiezers straks op het Forum voor Democratie stemmen, ondanks de geur van racisme die om de partij hangt, de banden met extreemrechts en last but not least het onbedreven optreden van Thierry Baudet in het parlement? De Kanttekening sprak hierover met FvD-watcher en journalist Chris Aalberts, politiek socioloog Matthijs Rooduijn, universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam, en met publicist en financieel journalist Arno Wellens, in 2015 een van de oprichters was het Forum voor Democratie maar tegenwoordig een scherp criticus van de partij van Baudet.
Benoemen en oplossen
De PVV werd geplaagd door allerlei schandalen – van brievenbusplassen tot het uitdelen van kopstoten – en dat geldt ook voor het Forum voor Democratie. Leden van de extreemrechtse Nederlandse Volksunie (NVU) en het studiegenootschap Erkenbrand waren geïnfiltreerd in de partij; FvD-kandidaat voor de Amsterdamse gemeenteraad Yernaz Ramautarsing beweerde in een semi-besloten app-groep dat homorechten de samenleving dommer hebben gemaakt; kandidaat-raadslid Kristina Türkmen twitterde dat van ISIS-strijders de handen en geslachtsdelen moesten worden afgehakt; FvD-leider Thierry Baudet borrelde uren met de Amerikaanse rassenideoloog Jared Taylor en (inmiddels voormalig) FvD-lid en partijprominent Robert de Haze Winkelman promootte op Twitter een antisemitische en racistische complottheorie waarin gesteld wordt dat de Europese elites het ‘blanke ras’ willen mengen met niet-westerse volkeren, het zogenoemde Coudenhove-Kalgeriplan.
Toch spelen die schandalen voor veel kiezers geen rol, analyseert Aalberts. ‘Ze lezen die kritische verhalen over Thierry Baudet toch niet, of vinden die gewoon onbelangrijk. Er zijn meer partijen die met schandalen kampen. De VVD met Thierry Aartsen, Wybren van Haga en Henry Keizer bijvoorbeeld.’ Volgens Arno Wellens is het ‘benoemen’ van de PVV en het FvD belangrijker dan het ‘oplossen’ van de problemen. ‘Veel burgers lopen tegen maatschappelijke problemen aan, die andere partijen niet durven te benoemen. PVV en het Forum voor Democratie komen met krankzinnige oplossingen, maar ze nemen deze problemen wel serieus. Boze burgers krijgen hierdoor het gevoel dat er naar hen geluisterd wordt, dat ze serieus genomen worden. Ik ga zelf ook liever naar een aardige kwakzalver die tenminste naar me luistert, dan naar een arrogante dokter die ontkent dat ik ergens pijn heb.’
Wellens hekelt het geforceerde optimisme van de minister-president. ‘Mark Rutte beweert nu dat Nederlanders er bijna allemaal op vooruitgaan, dat is echter helemaal niet waar. We passen de statistische definities aan en in andere Europese landen gebeurt dat ook. In Ierland is de economie bijvoorbeeld in 2015 officieel met een kwart gegroeid, in slechts een enkel jaar, maar hier merkten de Ieren niets van. Er waren enkele brievenbusfirma’s bijgekomen, die hun hoofdkantoor van de Verenigde Staten naar Ierland hadden verplaatst. Daarom ging het Bruto Nationaal Product enorm omhoog. Maar dit was geen echte economische groei. Op papier is Ierland een van de rijkste landen in de wereld. Maar 40% van de Ierse economie is fake.’ Zo geldt het ook een beetje voor Nederland, legt Wellens uit. ‘Je voelt dat het niet beter gaat, alles wordt duurder, maar toch blijft Rutte maar positieve verhalen vertellen. Hij negeert de mensen. Dan gaan die mensen stemmen op politici die wel naar ze luisteren. Geert Wilders pakt dit heel slim aan, met zijn verkiezingsprogramma van slechts een A4-tje. Wilders schrijft daarin dat hij moskeeën wil verbieden, en dat dit Nederland zeven miljard euro oplevert. Dit onderbouwt hij natuurlijk nergens. En het is een krankzinnige bewering, die ingaat tegen het grondrecht van de vrijheid van godsdienst. Je kunt daar voor zijn, maar als je een moskee dichtgooit heb je niet ineens elk jaar zeven miljard in de begroting erbij. Maar er zijn mensen die daar intrappen.’
Daarnaast heeft Wellens grote moeite met het feit dat Rutte allemaal beloftes doet, die hij telkens weer breekt. ‘De minister-president zei dat er geen cent meer naar de Grieken zou gaan, maar er ging natuurlijk wel geld, veel geld, naar Griekenland. Rutte heeft echt een geloofwaardigheidsprobleem. En hij blijft maar beloftes doen. In het regeerakkoord staat op pagina 52 te lezen dat Nederland geen steunpakketten meer gaat geven aan andere landen, het idee dat men zelf de broek ophoudt moet ‘geloofwaardig worden hersteld’. Bij de verkiezingen is dat ook zo beloofd. Bij de eerste grote Europese top met Merkel en Macron gaat hij overstag, er komt nu een nieuw steunfonds om de schade van failliete corrupte banken in Italie op te vangen. Dus als Italië straks in de problemen komt dan financiert Nederland die steunpakketten toch wel. Rutte gaat naar Brussel, spreekt daar met Merkel, die vindt dat ook Nederland moet bijdragen, en dan draait Rutte. De Tweede Kamer doet hiertegen helemaal niks. In december kwam er hierover geen debat in het parlement.Hierdoor raakt de politiek, in het bijzonder de VVD, het vertrouwen kwijt. Kijk maar naar wat de PvdA is overkomen, deze partij is een schim van wat ze ooit was. Dit kan de VVD ook gebeuren. Rutte heeft geen democratisch mandaat om telkens maar toe te geven. Hij zou zoveel mogelijk moeten opkomen voor Nederland, wat hij ook iedere keer zegt te zullen doen, maar hij doet dit niet. Mensen zijn daarom cynisch geworden. Kiezers vinden Thierry Baudet gek, met zijn piano, zijn lavendelzakje en zijn rare complottheorieën. Maar hij zal Nederland niet naaien op de manier zoals Rutte dat telkens doet.’
Aalberts beaamt dit: ‘Nederlandse kiezers willen dat er met hun stem wat wordt gedaan. Maar dat gebeurt nu niet. De meeste Nederlanders zijn tegen migratie en zijn van mening dat die beperkt moet worden. Maar de politiek doet hier feitelijk niets mee. Als kiezers worden genegeerd dan gaan ze stemmen met hun voeten. Met Thierry Baudet en Geert Wilders valt geen fatsoenlijke discussie te voeren, met hun kiezers echter wel.’
Foto: Youtube
Anti-populistische strategieën
Volgens politiek socioloog Matthijs Rooduijn zijn kiezers niet massaal populistisch geworden als gevolg van de vluchtelingencrisis. ‘Nee, veel kiezers waren al veel langer ontevreden. Ze stemden eerst anders, op de christendemocraten en sociaaldemocraten. Deze kiezers zijn in de laatste twintig jaar echter overgelopen naar de populisten. Dat de sociaaldemocraten veel kiezers verloren komt ook door de keuze voor de Derde Weg, de politiek die sociaaldemocratie en neoliberalisme wil verbinden. Het stelsel van sociale zekerheid is behoorlijk uitgehold.’
De populariteit van de populisten beschouwt Rooduijn in Europees perspectief. ‘In heel Europa gaat het goed met de populisten. De Nederlandse ontwikkelingen kun je niet los zien van de ontwikkelingen elders.’ Populistische partijen weten kiezers steeds beter te vinden en andersom. ‘PVV en FvD slagen er beter in om hun boodschap aan de man te brengen. Ze zijn anti-islam, anti-establishment, anti-Europa. Via sociale media wordt deze boodschap verspreid onder de achterban en potentiële kiezers. Het Forum voor Democratie is salonfähig in veel kringen. Daarnaast wordt de PVV ook meer geaccepteerd. Vroeger durfden mensen op feestjes niet te zeggen dat ze op de PVV stemden, maar de schaamte is nu voorbij. En dat komt niet omdat PVV en FvD gematigder zijn geworden.’
Sociaal-culturele tegenstellingen worden volgens Rooduijn in onze tijd steeds belangrijker. ‘Naast de sociaal-economische as heb je ook sociaal-culturele as. De links-rechts-tegenstelling wordt steeds meer langs die laatste as begrepen. Je zou zeggen dat de klimaatdiscussie een sociaal-economische discussie is, maar deze discussie wordt in sociaal-culturele termen gevoerd. Klimaatscepticisme maakt onderdeel uit van het rechtse sociaal-culturele discours. Kort samengevat, PVV en Forum voor Democratie vinden klimaatverandering maar onzin. Het is volgens hen een verhaal van de linkse elite om ons bang te maken, het is een complot tegen gewone mensen. Populisten weten steeds beter welke combinaties werken. Niet alleen de islam en de multiculturele samenleving maar ook de klimaatdiscussie wordt in de tegenstelling volk versus elite geperst.’
Toekomst
Hoe ziet de toekomst eruit? Hoe bestrijd je het populisme het beste? Chris Aalberts vindt dat er meer naar de burgers geluisterd moet worden. ‘Mensen moet meer grip krijgen op de politiek, het idee hebben dat hun stem er echt toe doet. Het referendum, dat is afgeschaft, moet daarom terugkomen.’ Daarnaast moet Nederland binnen EU-verband wat vaker ‘de kont tegen de krib gooien’: ‘Nederland kan best vluchtelingen weigeren. Dat doen andere landen ook. Maar ons land doet dat niet.’ Wellens vindt dat het Forum voor Democratie moet gaan regeren. ‘Dan ziet iedereen namelijk dat ze er niks van bakken. Dat is de PVV ook overkomen. En daarvoor de LPF. Regeren, verantwoordelijkheid nemen, is de manier om kiezers ervan te overtuigen dat populisme niet werkt. Wat op lange termijn uiteindelijk nodig is, is een partij die eerlijk is en harde keuzes durft te maken, geen beloftes doen die je niet kunt waarmaken. De huidige euro-rotzooi is zo groot, dat een zachte landing per definitie onmogelijk is.’
Matthijs Rooduijn weet het niet precies. ‘Het succes van de populisten leidt ertoe dat ook middenpartijen zich naar rechts bewegen. CDA, VVD en ook de SP slaan een populistischere toon aan, hoewel het CDA heel recentelijk hier een beetje van terug lijkt te willen komen. Zelfs de PvdA is niet vies van populisme, denk aan Lodewijk Asscher die wat wilde leren van het restrictieve migratiebeleid van de Deense sociaaldemocraten. Het is duidelijk dat de VVD met stoere taal de FvD- en PVV-kiezers wil terugwinnen. Maar of dit de beste antipopulistische strategie is? Geen idee. Daar verschillen de wetenschappers van mening over. Volgens Joost van Spanje is imiteren en isoleren de beste strategie. Gevestigde partijen moeten de agenda van de populisten deels omarmen, maar tegelijk de populistische partijen isoleren zodat de kiezers weten dat een stem op deze partijen geen zin heeft. Ik vraag mij echter af of deze strategie werkt. Als je populisten isoleert dan geef je ze juist voer voor hun populistische boodschap, dat het establishment hun klachten niet serieus neemt. Het overnemen van de agenda van populisten kan ook leiden tot het verloochenen van je eigen democratische principes. Sommige standpunten die CDA en VVD uitdragen zijn in strijd met de grondwet. Interessant is ook dat de voorheen centrumrechtse partijen Fidesz in Hongarije en PiS (Recht en Rechtvaardigheid) in Polen radicaal rechts zijn geworden en de rechtsstaat bedreigen. Fidesz is nu rechtser dan de radicaal-rechtse partij Jobbik.’
Gaat de VVD de kant van Fidesz op? Dat lijkt Rooduijn niet heel waarschijnlijk, maar hij vindt dat we waakzaam moeten zijn. Positief is volgens hem wel dat andere partijen, in reactie op het populisme, meer de andere kant zijn opgegaan. ‘D66 en GroenLinks zijn voor de multiculturele samenleving en voor Europa. En in Frankrijk won Emmanuel Macron, die ook een antipopulistische politiek voorstaat, de presidentsverkiezingen van Marine le Pen. Er is dus hoop.’
Wat zijn de effecten van migratie op de economie van Nederland? De Kanttekening analyseert de lasten en de lusten van migratie in de context van economie en arbeidsmarkt.
Een grootschalig onderzoek, uitgevoerd door vooraanstaande Franse economen, wijst uit dat migratiestromen in de afgelopen dertig jaar goed zijn voor de economieën in West-Europa. Hoe is dit te verklaren en waarom klinkt dit tegennatuurlijk? Zijn we, van links tot rechts, zo overtuigd geraakt van de ‘slechte’ invloed van nieuwkomers? Dit artikel geeft een analyse van de invloeden van migranten en vluchtelingen op de economie en de arbeidsmarkt.
Vraagstukken omtrent grote vluchtelingenstromen die ontstaan door brandhaarden in de wereld worden regelmatig geduid als de refugee burden (vluchtelingenlast). Het gaat er in internationale verhoudingen vaak om hoe landen deze ‘last’ onder elkaar gaan verdelen. Dat geldt voor arbeidsmigranten en voor vluchtelingen. Ook in de Tweede Kamer, bij de koffieautomaat en thuis aan tafel wordt veel gediscussieerd over de rol van migranten en vluchtelingen in de Nederlandse samenleving. Vanuit de wetenschap is er inmiddels een brede belangstelling ontstaan naar de feiten en cijfers omtrent migratiestromen.
Een positief effect In een interview gepubliceerd door het CNRS, het Franse Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk onderzoek, gaat de Franse econoom Hippolyte d’Albis in op het recentelijk uitgevoerd onderzoek: ‘Er gaat een zeer merkbaar positief effect uit van de stroom van migranten. Na een toename van dit aantal op een bepaalde datum, stijgt het bruto binnenlands product (bbp) per inwoner aanzienlijk gedurende de daaropvolgende vier jaar, terwijl de werkloosheid daalt. En dit is precies het tegenovergestelde van wat ons doorgaans wordt verteld. Deze verbetering van de economische situatie heeft daarnaast ook een positief effect op de overheidsfinanciën: naarmate de overheidsuitgaven toenemen, nemen ook de inkomsten in termen van belastingen en premies toe.’ Deze conclusie is overigens niet nieuw. Onder meer de Amerikaanse econoom Giovanni Peri concludeerde eerder al dat het positieve langetermijneffect van migranten op het inkomen van in de VS geboren werknemers substantieel is.
Foto: CBS
Asielzoekers en het effect op de economie
In de Franse studie wordt het effect van migratiestromen op de Europese economie bestudeerd. Over de periode tussen 1985 en 2015 werden de gegevens van vijftien Europese landen – waaronder Nederland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Spanje –onderzocht. De invloed van de totale instroom van migranten (de netto-migratie) werd bekeken, maar apart daarvan werd ook de economische invloed van asielzoekersstromen onderzocht. Voor wat betreft de instroom van asielzoekers duurt het weliswaar langer, maar ook hier zijn na drie tot zeven jaar significante positieve effecten op het bbp waarneembaar.
Dit lijkt de beeldvorming ontzettend tegen te spreken. Migranten zitten weliswaar, precies zoals ons is verteld, vaker in een uitkeringssituatie, maar dat wordt meer dan gecompenseerd met de belastinginkomsten die binnenstromen vanuit die groep. Een grotere bevolking brengt daarnaast een grotere en andere vraag naar producten en diensten met zich mee. Dit levert weer extra werkgelegenheid op – denk aan de cassavechips bij de toko die moet worden geïmporteerd en geproduceerd, of aan de Syrische kapper en de Poolse bouwvakker die zelf ook moeten leven, eten en wonen.
Gezinshereniging
In discussies over migranten gaat het regelmatig over Nederlandse bijdragen aan het thuisfront van migranten. Aan Nederlandse kinderbijslag voor kinderen die in andere landen wonen, maar ook aan gezinsherenigingsprogramma’s kleven enorme bezwaren en ethische dilemma’s en hier wordt met argusogen naar gekeken. Wie gaat immers die monden voeden? De Nederlandse belastingbetaler? D’Albis: ‘Zelfs als we alleen naar gezinsmigratie kijken, zijn de economische effecten positief, in tegenstelling tot de publieke opinie. Er zijn verschillende mechanismen in het spel. Veel immigranten die het land binnenkomen voor gezinshereniging zijn werkzaam in de sector van huishoudelijke taken, zorgtaken en persoonlijke assistentie, waardoor de inwoners van de gastlanden gemakkelijker kunnen gaan werken. Bovendien vermindert het herenigen van gezinnen de hoeveelheid geld die naar hun land van herkomst wordt teruggestuurd, waardoor de consumentenbestedingen in het gastland toenemen.’ De Congolese Chantal en Tina (zie foto) zijn door gezinshereniging in Nederland terechtgekomen. Ze verkopen Afrikaans eten.
Migratie en werkgelegenheid
Migratie levert volgens het Franse onderzoek op termijn dus ook een daling van de werkloosheid op. De economische reden die hiervoor wordt aangereikt is dat migranten andere vaardigheden meebrengen en in sectoren gaan werken waar veel vraag naar is. Laaggeschoold werk complementeert de alsmaar groeiende vraag van een hoogopgeleide bevolking. Daarmee versoepelt de arbeidsmarkt. In de wetenschap worden deze conclusies breed gedragen. De Amerikaanse econoom Peri concludeert dat verschillen in vaardigheden, beroepskeuzes en uiteindelijk vervulde banen bijdragen aan een arbeidsmarkt waarin mensen elkaar aanvullen. Immigratie blijkt volgens hem juist een klein, positief effect te hebben op de vraag naar laagopgeleide in de Verenigde Staten geboren werknemers. Onder laagopgeleide werknemers gaan degenen die in de VS zijn geboren vaak werken in de industrie of mijnbouw, terwijl immigranten meestal banen hebben in persoonlijke diensten en landbouw. De hogeropgeleide, in de VS geboren werknemers zijn vaak managers, leraren en verpleegsters, terwijl hogeropgeleide immigranten meer werken als ingenieurs, wetenschappers en artsen. Daarnaast specialiseren immigranten en in de VS geboren werknemers zich binnen industrieën en bedrijven in verschillende taken. Door de relatief betere Engelse taalvaardigheden specialiseren in de VS geboren werknemers zich meer in communicatietaken, terwijl immigranten zich meer specialiseren in taken zoals handenarbeid. Dit resulteert in specialisatie en verbeterde productie-efficiëntie. In staten met veel immigratie zijn geboren Amerikanen inderdaad veel meer communicatiegerelateerde beroepen gaan uitoefenen. Deze complementaire taakspecialisatie duwt de in de VS geboren werknemers doorgaans in de richting van beter betaalde banen, het verbetert de efficiëntie van de productie en creëert banen. Als we kijken naar Nederland, dan zien we bijvoorbeeld dat posities in de bouw en in de (gezins)zorg door migranten worden opgevuld, zodat Nederlanders op andere en beter betaalde posities kunnen gaan werken dan voorheen.
Verdringing op de arbeidsmarkt Vaak wordt gesproken van verdringing. Verdringing is een toename van het arbeidsaanbod van een bepaalde groep, die nadelige gevolgen heeft voor de groep die al werkzaam is of wil zijn op die arbeidsmarkt. Hierdoor is er een kleinere kans op werk, zijn er slechtere arbeidsvoorwaarden en gaan mensen werken in banen die minder goed bij hun kennis passen. Hoe zit het in de praktijk op de arbeidsmarkt in Nederland? In het rapport Verdringing opde arbeidsmarkt, beschrijving en beleving (2018) van het Centraal Planbureau (CPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) wordt uitgebreid ingegaan op verdringing. De Amerikaan Peri onderzocht ook de Europese situatie en deze studie laat zien dat geboren Europeanen zich naar meer complexe, abstracte en communicatiegerelateerde banen op de arbeidsmarkt verplaatsten, mede omdat immigranten het handmatige werk gingen verrichten. Bij een verdubbeling van het aantal immigranten steeg het inkomen van de Europese bevolking met 0,7 procent. Deze ‘functie-upgrade’ van geboren Europeanen vertraagde, maar kwam niet tot stilstand tijdens de recente grote recessie van 2008 en later. Deze herverdeling van functies met de resulterende hogere inkomens voor Europese werknemers vond meer plaats in de landen met flexibelere arbeidswetgeving. Volgens het rapport van het CPB en het SCP is er weinig verdringing door migratie te verwachten in Nederland, maar lijkt het dus wel belangrijk om een flexibele arbeidsmarkt te hebben om migratiestromen op de markt op te vangen. In Nederland werkten in 2015 ongeveer zevenhonderdvijftigduizend werknemers uit andere landen.
De omvang van de groep asielzoekers met een verblijfstatus (statushouders) is relatief beperkt en verdringing op de arbeidsmarkt door deze groepen zal volgens het genoemde rapport zeer beperkt zijn, mede vanwege het verschil in arbeidsaanbod met Nederlanders. Arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa werken vaak in sectoren met een krimpende werkgelegenheid. Nederlanders die voorheen in deze sectoren werkten, zien hun loon in een nieuwe sector gemiddeld stijgen, maar volgens het rapport gaat niet iedereen er op vooruit. Alleen aan de onderkant van de arbeidsmarkt zal hier en daar een terechte zorg bestaan dat toetreding van migranten gevolgen kan hebben voor het bestaande arbeidsaanbod. Heet van de naald is echter het nieuws dat uit cijfers die zijn opgevraagd bij het CBS blijkt dat Nederland bovenop de huidige jaarlijkse stroom arbeidsmigranten (zie figuur) jaarlijks nog eens vijftigduizend extra arbeidsmigranten alleen al uit de EU nodig heeft om bedrijven de groei te laten doormaken die ze willen doormaken. Dit gaat vooral over plekken aan die onderkant van de arbeidsmarkt. Voor de NOS spreekt de Brabantse VVD-gedeputeerde Bert Paulli zich uit: ‘Zonder arbeidsmigranten loopt de economie hartstikke vast’. Nederland heeft een kleine en zeer open economie, waardoor er een zeer diverse vraag is naar een aanvullend arbeidsaanbod. Tandartsen uit Zuid-Europa, IT’ers uit India en bouwvakkers uit Bulgarije vullen dit aanbod aan. Dit extra aanbod leidt niet tot verdringing, maar tot groeiontwikkeling in plaats van stagnatie.
De beleving van verdringing Echter, volgens vijfendertig procent van de Nederlandse werknemers die op vmbo-niveau zijn opgeleid, zijn er verminderde kansen op de arbeidsmarkt door de komst van immigranten; vierenveertig procent van deze mensen vindt dat zijn of haar positie onder druk staat door open grenzen, zo staat in het rapport. In het eerste geval gaat het om immigranten en asielzoekers, in het tweede geval meer om arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europese landen. Volgens de conclusies in datzelfde rapport is, zoals gezegd, van echte verdringing nauwelijks sprake. Hebben politieke standpunten en krantenkoppen geleidt tot deze ervaring? Zeker met verkiezingen op komst verworden de ‘gevaren’ van migratiestromen iedere keer tot een belangrijk thema. Over de volle breedte van het politieke spectrum wordt vooral op gevaren gewezen en nauwelijks op de genoemde voordelen voor de economie. SP-lijsttrekker voor de Europese verkiezingen Arnout Hoekstra had het in het radioprogramma EenVandaag bijvoorbeeld over een ‘vloedgolf van arbeidsmigranten die West-Europa dreigt te overspoelen’. SP-fractievoorzitter in de Tweede Kamer Lilian Marijnissen verdedigde in het programma Buitenhof haar partijgenoot door vooral te wijzen op de noodzakelijkheid van regulering van de arbeidsmarkt, zodat de lonen niet verder naar beneden blijven gaan, ten gunste van bedrijfswinsten en het kapitaal. Wat werd bedoeld was dat de inzet van deze hoeveelheden migranten zou leiden tot lagere lonen en het uitspelen van werknemers tegen elkaar. De SP doet volgens Marijnissen geen PVV-achtige uitspraken tegen de arbeidsmigranten; het wil de arbeidsmarkt reguleren om zodoende arbeiders te beschermen tegen het kapitaal.
Onzekerheid onder werknemers
Volgens het rapport van het CBS en het SCP ervaren vooral laaggeschoolde mensen in Nederland verdringing door migranten. Zij maken zich zorgen over hun toekomst. Dat komt niet alleen voort uit krantenberichten of politieke beweringen. Filosoof Bas Haring, die het rapport persoonlijk samenvat, omschrijft dit als volgt: ‘De schijnbare vanzelfsprekendheid van het fenomeen verdringing heeft vermoedelijk te maken met de lump of labor fallacy: de misvatting dat er een vaststaande hoeveelheid werk is.’ Het lijkt intuïtief logisch dat het werk op een gegeven moment op is. Haring: ‘Het aantal Nederlanders tussen de vijfentwintig en vijfenzestig jaar is sinds 1970 met twee miljoen gestegen, maar het aantal werkenden steeg met vier miljoen. Dat verschil van twee miljoen wordt gevormd door vrouwen: er zijn twee miljoen vrouwen extra gaan werken. En hun relatief plotselinge aanwezigheid op de arbeidsmarkt heeft niet voor massale werkloosheid onder mannen gezorgd.’ Verdringing klinkt misschien intuïtief juist, maar het vindt op dit moment in Nederland weinig plaats. Volgens Haring lijkt het verstandiger – zeker in de huidige, steeds meer flexibiliserende arbeidsmarkt – om meer iets te doen aan de algemene onzekerheid die sommige werknemers ervaren dan aan het weinig relevante fenomeen van verdringing.
Bronnen van onzekerheid
Werknemers zijn onzekerder geworden. Die onzekerheid is mede ontstaan vanwege het feit dat de arbeidsmarkt flexibeler is geworden en het feit dat lonen nauwelijks lijken te zijn gestegen. Een vast dienstverband biedt minder zekerheden dan voorheen en wordt minder vaak en minder snel aangegaan. Zijn de lonen en het besteedbaar inkomen daadwerkelijk achtergebleven bij de economische groei? Ja, zo is te lezen in een economische analyse van Martijn Badir in een special van de Rabobank. De lonen en de door werknemers ervaren zekerheden op de arbeidsmarkt zijn volgens hem achtergebleven vanuit de mondiaal waar te nemen trend dat het arbeidsinkomen achterblijft bij het inkomen uit kapitaal. Een steeds kleiner deel van het nationaal inkomen gaat naar arbeid en een steeds groter deel gaat naar kapitaal en bedrijven. Het kleinere aandeel van arbeid bij productieprocessen en een steeds flexibelere arbeidsmarkt; het komt de onderhandelingspositie en de daarmee samenhangende zekerheid van de werknemer niet ten goede. Daarbij zijn volgens Badir vakbonden door een alsmaar dalend aantal leden steeds minder relevant. Ook zijn cao’s minder representatief en relevant, omdat er steeds meer groepen buiten vallen. Bedrijven zijn vaak beter georganiseerd dan werknemers en opereren internationaal, waardoor er altijd de dreiging is dat het bedrijf uit het land vertrekt bij hoge salariseisen. Het dalende arbeidsinkomensaandeel (of arbeidsinkomensquote, aiq) en het daaruit voortkomende stagnerende loon en huishoudinkomen, leidt volgens de analyse van Badir tot grotere ongelijkheid en maatschappelijke onvrede: ‘Dit kan protectionisme en populisme gemakkelijk in de hand werken.’
Aansluiting en regulering
Om de onderhandelingspositie van werknemers te verbeteren, zal volgens Badir wellicht moeten worden gezocht naar nieuwe organisatievormen voor werknemers. Lilian Marijnissen pleit voor regulering van de arbeidsmarkt en voor bijvoorbeeld een herintrede van werkvergunningen voor arbeidsmigranten. Maar voor de opvang van migrantenstromen en voor nieuw opkomende markten is een land juist gebaat bij deregulering en flexibilisering. Zo kunnen de Pool die de huizen bouwt, de Afrikaan die in een koeriersbedrijf werkt, de tandarts uit Portugal en de IT’er uit India makkelijk aan de slag. Om de in Nederland geboren werknemer een gevoel van zekerheid te bieden en om de onderhandelingspositie van werknemers niet verder te ondermijnen, lijkt een verdere flexibilisering van de Nederlandse arbeidsmarkt echter niet in het belang van de werknemer in het algemeen. Badir pleit weliswaar voor een versoepeling van de arbeidsmarkt, zodat vaardigheden meer aansluiten op nieuwe technologische ontwikkelingen, maar tegelijkertijd ook voor het tegengaan van de fragmentatie van arbeid en voor het internationaal coördineren van belastingen op kapitaal. Afspraken tussen politiek, werknemers en het bedrijfsleven op de internationale arbeidsmarkt zouden kunnen leiden tot meer zekerheid voor arbeiders in Europa, waar ze ook vandaan komen. Met de toename van zekerheid zal het gevoel dat migranten en vluchtelingen een slechte invloed hebben op de Nederlandse arbeidsmarkt en de Nederlandse samenleving wellicht afnemen.
In zijn column voor de Kanttekening van 6 maart dit jaar beklaagt de Amsterdamse hoogleraar Thijl Sunier zich erover dat overheid, politici, journalisten, de AIVD en de NCTV ‘hardnekkig en tegen beter weten in’ vast zouden houden aan het idee dat ‘alle salafisten potentiële geweldplegers zijn en dat zij dus bestreden moeten worden’. Salafisten worden daarmee volgens Sunier per definitie als ongeloofwaardig weggezet.
Sunier verwijst naar het grote verschil tussen de inventarisatie van vijftien jaar salafisme-onderzoek van de Universiteit Leiden en het Verwey-Jonker Instituut, en het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de AIVD en de NCTV. In het eerste onderzoek werd geconcludeerd dat het beeld dat we in Nederland hebben van salafisten ‘onvolledig en soms onjuist’ was. Salafisten werden volgens het onderzoek veel te snel weggezet als potentieel gevaarlijke en gewelddadige extremisten, terwijl ze eerder gezien zouden moeten worden als typische Hollandse poldermoslims, die veelal de islamitische leefregels niet al te streng opvatten. Überhaupt zou de term salafisme volgens de onderzoekers niet meer gebruikt moeten worden, aangezien salafisten onderling ideologisch enorm verdeeld zijn en grote meningsverschillen hebben.
Redelijk haaks op deze conclusies stond het niet veel later verschenen rapport Dreigingsbeeld terrorisme Nederland 49, waarin het salafisme in Nederland veel kritischer werd beschouwd. Dit onderzoek stelt onder meer dat de centrale beginselen van het salafisme kunnen leiden tot radicalisering en extremisme en ook tot isolement en vervreemding van salafisten van de rest van de samenleving. Hierbij refereert het rapport niet alleen aan jihadistische salafisten maar ook aan politieke salafisten. Zij zouden steeds actiever een anti-democratische interpretatie van salafistische leerstellingen uitdragen, waarbij zij als doel het versterken van de islamitische identiteit van moslimjongeren hebben. Bovendien zijn de AIVD en NCTV kritisch op pogingen van salafisten om samen te werken met lokale overheden. Volgens de diensten doen salafisten geregeld of zij vreedzaam en tolerant zijn, maar strookt deze houding geenszins met de denkbeelden die zij intern uit zouden dragen.
Wat nu van dit grote onderscheid tussen twee verschillende gezaghebbende instituties te maken? Het is verleidelijk om te concluderen dat de onderzoekers van Verwey-Jonker Instituut en de Universiteit Leiden zich hebben laten misleiden door de vreedzame en tolerante houding van salafisme naar buiten toe, waar de AIVD en NCTV voor waarschuwen. Een dergelijke conclusie zou echter een omgekeerde variant van de conclusie van Sunier zijn, en daarmee niet al te geloofwaardig. De hoogleraar beklaagt zich er namelijk over dat het rapport van de NCTV wel veelvuldig in de media was en dat van het Verwey-Jonker Instituut niet. Het is natuurlijk lastig om te meten welk rapport het meeste media-aandacht kreeg, maar het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut heeft mijns inziens ook behoorlijk wat aandacht gekregen en bovendien veel reacties losgemaakt.
Is de realiteit dan wel zo simplistisch als Sunier die hier voorstelt? Dat een gedegen onderzoek van wetenschappers weinig aandacht kreeg omdat media, overheden en politici liever vast blijven houden aan veel minder goed onderbouwde rapportages van veiligheidsdiensten? Ik geloof niet dat dit het geval is. Er is denk ik een veel geloofwaardigere verklaring te vinden voor het verschil, namelijk het onderscheid tussen academici en praktijkmensen. De onderzoekers van de Universiteit Leiden en het Verwey-Jonker Instituut hebben een theoretische literatuurstudie verricht, de AIVD en de NCTV baseren daarentegen hun dreigingsbeeld zowel op de wetenschappelijke theorie als de dagelijkse praktijk in Nederland. Zij staan dan ook middenin die praktijk en beschikken over informatie waar veel wetenschappers geen toegang toe hebben.
Daarom is het dan ook niet heel verrassend dat de veiligheidsdiensten als gevolg daarvan met veel scherpere conclusies komen over de realiteit van het salafisme in Nederland. Dat maakt hen niet minder maar juist méér geloofwaardig. Het zou wetenschappers sieren als zij zouden luisteren naar wat deze praktijkmensen hen te vertellen hebben, want ook de wetenschap kan veel van hen leren.
De organen van de Nederlandse overheid die belast zijn met het waken over onze veiligheid, zitten bovenop de materie, zo laat het meest recente rapport Dreigingsbeeld terrorisme Nederland 49 maar weer eens zien. Mede dankzij hen kunnen wij ons ook daadwerkelijk veilig voelen. Dat zij daarbij geen blad voor de mond nemen en soms tot scherpe conclusies komen, is dan ook alleen maar lovenswaardig. Uiteraard is en blijft het van belang om zeker ook kritisch te blijven richting de veiligheidsdiensten. Maar deze kritiek moet wel geloofwaardig blijven. Het moet niet gebaseerd zijn op simplistische voorstellingen van de werkelijkheid, die allesbehalve gefundeerd zijn in de feiten.
Als je iets wilt veranderen in de maatschappij, dan formuleer je het ‘kwaad’ dat je wilt bestrijden, waarom het moet worden bestreden en vervolgens hoe je dat gaat aanpakken en wat er moet gebeuren. Dit is les nummer één van de cursus actievoeren. In veel gevallen is er een grote mate van overeenstemming over wat het ‘kwaad’ is. Zelfs bij de discussie rond klimaatproblemen is er inmiddels grote overeenstemming dat mensen de problemen hebben veroorzaakt en dus mensen dat ook moeten oplossen. Rabiate klimaatontkenners worden wat dat betreft gelukkig steeds verder in het nauw gedreven. Tot zover het goede nieuws.
Over de vraag hoe je dan bepaalde doelen moet bereiken is allerminst overeenstemming. Dat is bij de klimaatdiscussie natuurlijk overduidelijk. Nog veel ingewikkelder wordt het als we het hebben over diverse vormen van discriminatie en uitsluiting. Laten we er voor het gemak eens van uitgaan dat iedereen vindt dat je niet mag discrimineren. Discriminatie is een kwaad dat bestreden moet worden. Maar de discussie loopt al direct vast op de vraag wat discriminatie eigenlijk is en wat als discriminatie kan worden aangemerkt. Discriminatie in de meest algemene definitie is ‘onderscheid maken op basis van niet ter zake doende kenmerken’. Maar als een politieagent iemand met een donkere huidskleur in een dure auto aanhoudt, wat echt gebeurt, dan ontstaat er al snel onenigheid over de vraag of dat discriminatie is of ‘ervaringsdeskundigheid’ van de dienstdoende agent.
De discussie rond antisemitisme – een vorm van discriminatie en uitsluiting – is zo mogelijk nog ingewikkelder. Dat bleek onlangs weer toen de PvdA besloot om de zogenoemde IHRA-definitie van antisemitisme te accepteren. Deze definitie werd in 2016 geformuleerd als een nieuwe richtlijn voor de bestrijding van antisemitisme door de International Holocaust Remembrance Alliance. Het moest een eerdere definitie vervangen. De nieuwe definitie zelf lijkt me helder en weinig op aan te merken. Het gaat om een bepaalde perceptie van joden die leidt tot haat en tot het uiting geven aan die haat. Nieuw in die definitie is de uitwerking ervan. Tenslotte moet je kunnen bepalen wat dan wel een antisemitische daad is. Daar wordt in een aantal gevallen expliciet verwezen naar opvattingen over de staat Israël. Je zou dus kunnen stellen dat kritiek op het beleid van Israël – dat Palestijnen nu al decennialang als tweederangsburgers behandelt (sinds juli 2018 wettelijk vastgelegd), hun land bezet en VN-resoluties naast zich neerlegt – antisemitisme is. Daarover ontstond hevige beroering, niet in de laatste plaats bij antizionistische joodse organisaties. Die vinden terecht dat je die dingen moet scheiden. Door kritiek op het beleid van Israël in het Midden-Oosten af te doen als antisemitisme, maak je een discussie bij voorbaat onmogelijk. Dat ondervond het Amerikaanse congreslid Ilhan Omar, die kritiek heeft op de innige band tussen de VS en Israël. Het gaat er mij niet om of haar uitspraken allemaal hout snijden, maar ze werd al rap als een antisemiet weggezet. Helaas wordt die verwijzing naar Israël steeds breder onderschreven, maar op zo’n manier wordt de bestrijding van antisemitisme alleen maar gecompliceerder.
De bestrijding van islamofobie is om vergelijkbare redenen uiterst moeizaam. Ook over deze praktijk zijn rapporten geschreven en definities geformuleerd die allemaal ongeveer neerkomen op hetzelfde mechanisme als bij antisemitisme: haat tegen moslims en daaraan uitvoering geven. Maar ook in dit geval loopt de bestrijding ervan vaak bij voorbaat stuk op de vraag wat dan islamofobie is en wat niet. Aan de ene kant zeggen types als Wilders, of mislukte wetenschappers zoals Ruud Koopmans, dat ze gewoon zeggen waar het op staat. Aan de andere kant wordt door sommige moslims ook gemanipuleerd, bijvoorbeeld door kritiek op de imperialistische bezettingspolitiek van Saoedi-Arabië in Jemen af te doen als islamofobie. En Erdogan roept maar al te graag dat kritiek op zijn beleid islamkritiek is. Kletskoek, zoals gelukkig heel veel moslims ook vinden.
Hoe los je dit op? Dat is helaas niet zo makkelijk. Consensus over wat antisemitisme en islamofobie is en hoe het moet worden bestreden, is enorm belangrijk. Die bestrijding heeft alleen effect als een zo groot mogelijke groep mensen het eens is over de definitie, de doelen en de middelen. Maar dat bereik je nu juist door die definities niet specifieker, maar juist minder specifiek te maken. Antisemitisme en islamofobie zijn allebei gebaseerd op haat en daarbij behorende uitsluitingspraktijken. Daar zitten mogelijkheden voor een gezamenlijke aanpak en dat gebeurt gelukkig ook. Maar het probleem is dat antisemitisme en islamofobie zogeheten ‘gebruiksbegrippen’ zijn geworden. Ze zijn niet alleen meer wetenschappelijke termen voor onderzoek, ze hebben een enorme emotionele lading. Dat drijft groepen mensen uit elkaar. Je bent er niet met mooie slogans over mooie doelen. Stop nu eens met het misbruiken van deze vormen van kwaad voor eigen gewin en ga samen aan de slag.
Met de verruiming van het kinderpardon maakte het CDA volgens sommigen een flinke draai naar links. Maar maakt één kinderpardon meteen een linkse lente? De Kanttekening peilde de stemming bij zes christendemocraten in het land.
Anne Adema
Anne Adema, fractiesecretaris CDA Kampen
‘Regels en procedures die met de beste bedoelingen zijn opgesteld, kunnen inderdaad in individuele gevallen onrechtvaardig uitpakken. Maar het is de staatssecretaris die met zijn speciale bevoegdheid de schrijnendheid moet beoordelen. Deze rol zou wellicht nog wel vergroot kunnen worden, Klaas Dijkhoff was in zijn tijd als staatssecretaris zeer menselijk.
Binnen het CDA is men zeer verdeeld over het kinderpardon. Dat men morrelt aan de afspraken daarover, kan ik alleen verklaren uit de afwijzende houding van de VVD ten aanzien van klimaatafspraken. Ik verwacht niet dat we nu het allerlaatste kinderpardon hebben meegemaakt. Het stoort me dat politieke beslissingen meer op effectbejag en op basis van emotie genomen lijken te worden dan vanuit een heldere visie op een rechtvaardig overheidsbeleid. Dit zal niet het allerlaatste kinderpardon zijn, in tegenstelling tot de belofte vanuit de regeringspartijen, maar dat is ook weer niet zo erg als de rechterflank ons voorspiegelt. Zolang er vluchtende kinderen en regels zijn, zullen er grensgevallen binnen onze landsgrenzen blijven, waarbij rechtvaardigheid en barmhartigheid steeds met elkaar om voorrang strijden.
Als christen heb ik er gewoon moeite mee dat kerken zich zo activistisch hebben opgesteld in deze kwestie. Ook na dit kinderpardon zullen er weer grensgevallen komen en deze zullen zich steeds weer voordoen. Het kinderpardon voelt onrechtvaardig naar de mensen die wél zijn teruggekeerd.
Mijn kritiek op de Protestantse Kerk in Nederland in deze kwestie rondom het kinderpardon komt ook voort uit een onvrede over het ontbreken van een herkenbare christelijke agenda. Deze lijkt ingeruild voor een progressieve agenda. Ik meen dit te zien in een opkomen voor klimaat(mars) en kinderpardon (kerkasiel), maar ik ervaar een oorverdovende stilte als het gaat om het ongeboren leven. Je zou toch verwachten dat de kerk zich sterk maakt voor wat zwak is.’
Rutger Ploum
Rutger Ploum, partijvoorzitter CDA
‘Bij mijn aanvaardingsspeech heb ik benadrukt dat het CDA een middenpartij is. Het CDA is lastig vast te pinnen binnen het links-rechtsspectrum. Op sommige thema’s zijn we wat rechtser dan het midden, op andere wat linkser. En om eerlijk te zeggen: de afgelopen zes jaar heb ik binnen de partij niet veel gemerkt van een verschuiving naar rechts. Er is een regeringsakkoord waarin veel CDA-punten terugkomen, maar ook wat punten die wat rechtser zijn. De afschaffing van de dividendbelasting bijvoorbeeld, stond weliswaar in het regeerakkoord, maar kwam niet uit onze koker. Maar net zoals de ChristenUnie en D66 – en iedere partij die een coalitieakkoord sluit met andere partijen – doet ook het CDA weleens een concessie. En zo is het ook geweest met het afschaffen van het kinderpardon. Daardoor worden we in de media vaak geframed als rechts. Ook geloven we dat mensen zelf meer naar elkaar moeten omkijken en dat we de zorg voor elkaar niet volledig moeten uitbesteden aan de overheid. Op het gebied van veiligheid hebben we een strak en streng verhaal – en dat verdedigen we ook.
Aan de andere kant zijn CDA’ers over het algemeen mensen die zichzelf vaak afvragen: doe ik het wel goed genoeg? Ben ik wel sociaal genoeg? Onderzoek heeft ook uitgewezen dat de CDA-leden vaak linkser georiënteerd zijn dan niet-leden die op het CDA stemmen. Van het CDA-kader was bijvoorbeeld tachtig procent voor het kinderpardon, van de CDA-stemmers slechts vijfenvijftig procent. Dat is een interessante spagaat. Het CDA is een partij die de flanken moet verbinden.
Ik ben zelf in de Bethelkerk (in Den Haag, red.) geweest, waar ook veel CDA-leden betrokken zijn bij de doorlopende kerkdienst tegen het uitzetten van vluchtelingen. De situatie is soms schrijnend, ja. Een meisje als Hayarpi (eenentwintigjarig lid van het gezin Tamrazyan, dat uitgezet dreigt te worden naar Armenië en, om dat te voorkomen, onderdeel was van een doorlopende kerkdienst in de Bethelkerk van oktober 2018 tot januari 2019, red.), dat econometrie studeert in Tilburg maar zich wekelijks moet melden bij het azc in Noord-Holland waar haar ouders zitten, dat kan anders. Het beleid mag streng zijn, maar we hoeven niet harteloos en star te zijn, wat mij betreft. Ik vind het fijn hoe Madeleine van Toorenburg en Ernst Hirsch Ballin een weg hebben gevonden binnen het rechtssysteem om barmhartigheid een plek te geven. Maar we moeten niet naïef zijn. Dit pardon is niet de uiteindelijke oplossing van het probleem.
De grootste uitdaging voor het departement wordt om te kijken hoe we onze eigen asielprocedures strakker en sneller kunnen maken. Daar moet heel wat mankracht bij. Het probleem met landen die niet meewerken aan de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers kan alleen op Europees niveau worden opgelost. Kortom, een uitdaging waar we een lange adem voor nodig hebben. Maar hier in Nederland moeten we iets doen aan de oneindige beroepsmogelijkheden tegen beslissingen van de IND, waardoor asielprocedures jaren kunnen duren, met alle gevolgen van dien voor kinderen die hier opgroeien en geworteld raken. Als we steeds opnieuw een nieuwe pardonregeling hanteren voor kinderen en families die langer dan vijf jaar in Nederland blijven procederen, betekent dat straks dat iedereen uiteindelijk mag blijven. Tenminste, als je consequent wilt zijn. En dat kan, maar het is een keuze die we als samenleving moeten maken – en dus ook persoonlijk, ieder voor zich. Het zou namelijk – heel eenvoudig – betekenen dat we onze huidige verzorgingsstaat straks niet meer kunnen betalen.
Mensen die gevlucht zijn voor oorlog en politiek geweld zijn altijd welkom, wat mij betreft. Maar er komen ook veel economische vluchtelingen deze kant op – wat overigens ook begrijpelijk is, want iedereen wil zijn of haar kind een leven geven zoals dat in Nederland. We moeten als partij nu eerst onze standpunten en lijnen herijken. Verdiepen, vernieuwen en verbreden voor de middellange termijn. We willen meer mensen met een multiculturele achtergrond, jongeren, ouderen en vrouwen op echt goede plaatsen binnen de partij.
Het leuke van het CDA is dat we een partij zijn die in de meeste gemeentes actief is. Dat brengt een breed pallet van mensen met zich mee dat bijna vanzelf multicultureel is. In Den Haag zitten heel veel Chinezen, in Hardenberg zitten veel agrariërs, in veel steden vormen Turken, Marokkanen en Hindoestanen een grote groep. Die mensen moet je dus ook zeggenschap geven en binnen de partij zien we ook dat de aanwas onder nieuwe Nederlanders groeit.’
Mohamed Ajouaou
Mohamed Ajouaou, universitair docent Islamitische Theologie, bestuurslid van Wetenschappelijk Instituut CDA
‘Links en rechts binnen het CDA – ja, ze bestaan. We zijn een middenpartij. Tijdens de PVV-gedoogconstructie van Maxime Verhagen was ik al lid. Dat vond ik persoonlijk een erg ongemakkelijke tijd, dit gold voor meer CDA’ers. Er werken dan verschillende, concurrerende stemmen in je hoofd en hart. Het was de tijd waarin het CDA het veel had over normen en waarden. Maar het kabinet had ook steun nodig van een grote partij – en dat was toen de PVV. Dat was de politieke realiteit en we leven wel in een democratie. Gelukkig.
Toen de gedoogconstructie brak, was ik toch opgelucht en de rechtste tak binnen het CDA heeft daar ook veel van geleerd. Het zal niet zo gauw meer gebeuren. Het was een gok die niet goed is uitgepakt. Voor mij is die wond wel geheeld. Ik denk dat er nu met het kinderpardon bij veel CDA’ers eenzelfde opluchting is. Op zich ben ik voorstander van het huidige asielbeleid. Je kunt niet iedereen binnenlaten, maar kinderen die hier ongevraagd zijn, moeten niet de dupe worden van de keuzes van hun ouders. Het ongemak over de gevolgen van de rigiditeit in het beleid, werd binnen het CDA groter en groter. De betrokkenheid van de kerken hierin was heel goed. Het CDA heeft toen als partij de moedige stap genomen om te kijken wat we hier politiek mee konden binnen de coalitie. Dan ga je kijken naar de christelijke principes; de wet werd getoetst aan het barmhartigheidsverhaal uit de Bijbel, een verhaal dat ook terugkomt in allerlei andere religies, ook de islam. Het was niet zeker dat het tot een pardon zou leiden, maar dat is het wel geworden, gelukkig. En hopelijk eenmalig. Veel CDA-prominenten zouden als christen liever de meer barmhartige kant verkiezen, maar onder een deel van de gewone CDA-stemmers is er meer scepsis. Daar leeft meer de angst dat er van die barmhartigheid misbruik wordt gemaakt. Ook de angst voor de islam en de vraag hoe verschillende waarden uit verschillende culturen zich tot elkaar verhouden, leeft meer.
Die dialoog over verschillende waarden in verschillende culturen moet je wel met elkaar aangaan. Dat gaat niet vanzelf, je moet het daarover hebben. Het zijn dingen die ik ook bespreek met mijn studenten Islamitische Theologie en Religieuze Ethiek. Hoe kom je tot elkaar? Waar kom je elkaar tegen? Waar sta je tegenover elkaar en hoe ga je daarmee om? Dat zijn zaken die echt besproken moeten worden. Ikzelf houd niet van slachtofferschap. Laten zien wie je bent en waar je staat, feiten tegenover meningen stellen, de hand in eigen boezem steken – als iedereen dat doet, kom je ergens. Maar begin bij jezelf. Er kan veel, je mag alles zeggen, je kunt boekjes schrijven. Het is een vrij land. Het beeld over de islam is overwegend negatief: men is bang. Sybrand Buma gaf met zijn HJ Schoo-lezing een aanzet tot een discussie. Een bepaalde mening werd aangedikt, waar je het wel of niet mee eens kunt zijn.
Wie iets van de islam weet, ziet dat de religie in de kern te abstract is om fundamenteel onverenigbaar te zijn met wat dan ook. Maar je hebt een kleine groep die extremistisch is. Het christendom was vroeger ook ondemocratisch. En ook niet-religieuze stromingen hebben in de vorige eeuw nog tot de gruwelijkste dictaturen geleid. Maar een discussie is goed. Ook moslims mogen wel wakker worden geschud. Praten over de verlichting binnen de islam is niet gemakkelijk en kost veel energie. Als Buma ongelijk heeft, laat het dan maar zien.’
Danny de Vries
Danny de Vries, CDA-lijsttrekker Zuid-Holland
“Ik denk dat het wel klopt dat er een verschuiving gaande is. Ik was de campagneleider van Rutger Ploum de nieuwe partijvoorzitter. Hij zei: ik sta voor een barmhartig CDA. En dat is een kant die veel mensen binnen het CDA ook op willen. Veel leden voelden zich vanuit hun Christelijke waarden heel ongemakkelijk bij de situatie rondom de vluchtelingenkinderen die weg moesten, terwijl ze hier al gewoon geworteld waren.
Maar we zijn een middenpartij. Dat betekent dat we ook iets moeten met de mensen in het CDA die heel bang zijn voor al die dingen waar rechtse partijen zeggen waar je bang voor moet zijn: vluchtelingen, immigratie, de multiculturele samenleving. Mensen zien hun eigen omgeving veranderen. Je moet niet doen alsof er niks aan de hand is. Maar je moet er geen zwart-wit verhaal van maken. Misschien is dat in de laatste H.J. Schoolezing wel gebeurd.
Als je dan doorvraagt gaat het er vaak om dat mensen niet aan een baan kunnen komen, of geen goed huis kunnen vinden. Dat ze vinden dat anderen worden voortgetrokken. Dat blijkt dan het echte probleem. Maar je moet de mensen wel binnen je partij houden om ze dat eerlijke verhaal te kunnen vertellen. Dan pas kun je het verschil maken. Per slot van rekening wil iedereen welvaart en welzijn. En bij welzijn hoort ook inclusiviteit.
Je kunt de grenzen niet voor iedereen openstellen, maar de mensen die al hier zijn, die moet je niet uitsluiten – en dat gebeurt weldegelijk. Mensen met een ingewikkelde achternaam worden bijvoorbeeld bij sollicitaties buitengesloten, dat is wel iets wat ik merk. Allochtonen worden gediscrimineerd. Vrouwen worden achtergesteld. LHBTI’s worden ook gediscrimineerd – en zeker niet alleen door moslims. Dat moet ook hardop gezegd kunnen worden. Ik hoorde laatst het verhaal over een school die besloot om een homo-stel te schrappen uit een toneelstuk omdat er een Jehovameisje op school zat. Raar vind ik dat. We leven in Nederland. Maar binnen het CDA zit ook niet iedereen op dezelfde lijn als het aankomt op homoseksualiteit. In Friesland stemde het lokale CDA tegen het plan om de provincie een Regenboogprovincie te maken. Daarom hebben wij binnen het CDA ook het CDA Pride netwerk opgericht, als klankbord naar andere partijen en ook als inhoudelijke sparringspartner voor gemeentelijke afdelingen van het CDA rondom LHBTI thema’s. Aan de andere kant: op landelijk niveau is de lijn consequent: homoseksualiteit is geen issue. Wij stoppen geen homo’s op een boot, maar in het kabinet.
Veel draait tegenwoordig vooral om zenden in plaats van luisteren. Mensen worden allemaal snel boos op elkaar en draaien direct hun eigen mening af. Als ondernemer heb ik vooral geleerd te luisteren. Als middenpartij hebben wij het ideaal om mensen met elkaar in gesprek te laten blijven – ook voor mensen die bang zijn voor enge mannen in de bosjes, of voor mensen die bang zijn voor moslims. In mijn ogen is het allemaal niet zo ingewikkeld. Omzien naar elkaar houdt ook in dat we met elkaar voor welvaart en welzijn moeten zorgen. Ofwel: praat met elkaar, probeer elkaar te begrijpen. Sluit elkaar niet uit, maar doe wel mee met de Nederlandse maatschappij en hou je aan deze waarden en normen.
Het CDA is een ledenpartij, weinig top-down. Hoe je de thema’s lokaal invult kan verschillen. In Overijssel is het CDA bijvoorbeeld wat behoudender en minder multicultureler en ook minder LHBTI dan in Amsterdam of Rotterdam. Maar het gevoel binnen de partij is denk ik wel een andere dan dat van de H.J. Schoo-lezing. We gaan als CDA weer meer naar het midden. Dat zie je ook bij het Kinderpardon. Barmhartig, maar tegelijkertijd zijn er ook strengere regels gekomen die moeten voorkomen dat dit soort situaties ontstaan.”
‘Links en rechts binnen het CDA? Ik denk dan eerder aan het oude en nieuwe CDA. Er was een breuk toen Jaap de Hoop Scheffer werd afgelost door Jan Peter Balkenende. Die breuk liep synchroon met een kleine revolutie binnen de partij. Er was opeens een generatie van dertigers die zich minder verbonden voelde met de kerk, maar meer met een soort conservatief liberalisme. Het is die groep die verantwoordelijk is geweest voor de rechtse CDA-koers. Buma was in die tijd fractiemedewerker, hij werd in 2002 Kamerlid.
‘Evangelisch geïnspireerde’ CDA’ers hadden soms het gevoel dat zij ultralinks waren, in vergelijking met de lijn die door de Haagse partijtop werd uitgezet. Van oudsher is het CDA echter een middenpartij die vindt dat het geld eerst verdiend moet worden, maar wel sociaal moet worden uitgegeven. Het CDA van Balkenende en Buma voert consistent een rechtse lijn – verlies van vaste arbeidscontracten, pensioenverlaging – terwijl de arbeidende bevolking steeds minder zekerheden krijgt en alle kosten omhoog gaan. En dan als christelijke partij over vluchtelingen en boeven gaan klagen terwijl je de afschaffing van de dividendbelasting steunt. Zo’n houding helpt mensen geen zier, politiek wordt zo een cynische misleiding. Je moet gewoon zorgen dat je mensen bestaanszekerheid kunt bieden of op zijn minst solidariteit waar die onder druk komt.
Nu beweegt het CDA weer terug naar het midden, ik heb dat gevoel althans. Er is actie gevoerd voor de Armeense vluchtelingengezinnen in Katwijk en Den Haag. Die acties zijn een trigger geweest voor de linkse kringen binnen het CDA om toch nog eens goed te kijken naar het asielbeleid rondom kinderen. Politieke partijen – en dat geldt eigenlijk voor alle partijen, van de SP tot de VVD – worden steeds meer bedrijfsmatig geleid. Dissidenten die afwijken van de Haagse lijn, worden vooral gezien als lastig. De verkiezing van Rutger Ploum tot partijvoorzitter is een hoopvol teken. Hij wil de barmhartigheid opnieuw op de agenda zetten en van het CDA meer een ledenpartij maken.’
Herman Kaiser
Herman Kaiser, oud-burgemeester van Arnhem, schreef In waarde verbonden en uitte in 2017 felle kritiek op de HJ Schoo-lezing
‘Als christendemocratische partij werk je, zoals iedere partij, met programma’s voor de korte en voor de langere termijn. Je concrete beleidsplannen voor de korte termijn zet je in een verkiezingsprogramma. Het politieke doel van je partij zet je in het programma van uitgangspunten. Maar politieke uitgangspunten moeten niet te grabbel worden gegooid onder electorale druk. Het meewiebelen met allerlei populistische winden, zoals de laatste jaren is gebeurd, past een partij als het CDA niet. Een partijlijn waarin klagen en boosheid zo ongeveer de drijfveer worden van je politieke verhaal, is volkomen in strijd met alles waar het CDA voor staat. En dat was precies wat er in Buma’s HJ Schoo-lezing werd gedaan. Toen dacht ik: als niemand daarover zijn mond opendoet, dan doe ik het wel.
De turbulentie heeft er wel voor gezorgd dat de lucht nu geklaard is. Er was een rode lijn gepasseerd. De manier waarop gematigde moslims werden neergezet als een gevaar voor onze normen en waarden, was niet zuiver. Want er zijn genoeg gemeenschappelijke waarden die christenen delen met moslims. De HJ Schoo-lezing heeft niet verbindend gewerkt. Verbinden is iets wat het CDA moet doen, daar heb ik mij altijd voor ingezet, als burgemeester van Arnhem en daarvoor van andere gemeenten. Als het ergens in de wereld mogelijk moet zijn om vreedzaam met elkaar samen te leven, dan is dat in Nederland.
De meeste CDA-leden zijn niet lid geworden om veel stemmen te vergaren, maar om vanuit christelijke uitgangspunten impact te hebben op de samenleving. Je moet de basisbeginselen niet bezoedelen met electoraal opportunisme. De ophef rondom de HJ Schoo-lezing is uiteindelijk goed uitgepraat. Ik heb ook gemerkt dat ik in mijn kritiek niet alleen stond maar steun kreeg, overal in het land. Ik ben niet zo van links en rechts – iedere partij heeft bepaalde vleugels, ook het CDA. Een middenpartij moet echter kijken naar wat ons bij elkaar houdt, binnen de partij en in het land. Het gaat om redelijkheid en gerechtigheid – een manier van naar de wereld kijken die je al terugziet bij de oude kerkvaders zoals Augustinus. Door de discussie tussen fractie, partijbestuur en leden staan we nu weer dichter bij elkaar. Ik heb het gevoel dat iedereen weer snapt wat de rol van het CDA moet zijn in deze complexe samenleving. Ik was ook lid van de selectiecommissie voor de nieuwe partijvoorzitter. Met de komst van Ploum, in wie ik het volste vertrouwen heb, ben ik een stuk optimistischer over de toekomst van het CDA dan een jaar geleden.’
Onze site gebruikt cookies en vergelijkbare technologieën onder andere om u een optimale gebruikerservaring te bieden. Ook kunnen we hierdoor het gedrag van bezoekers vastleggen en analyseren en daardoor onze website verbeteren.
Deze website gebruikt cookies om uw gebruikservaring op deze website te verbeteren. Van deze cookies worden cookies aangemerkt als "Noodzakelijk" in uw browser bewaard, deze cookies zijn essentieel voor het functioneren van de website. Bijvoorbeeld het opslaan van uw keuze of u wel of geen cookies wilt hebben. Wij maken ook gebruik van cookies van derde partijen die ons helpen met het analyseren en begrijpen van de gebruik van deze website door u. Deze cookies worden alleen gebruikt als u daar toestemming toe geeft. U heeft ook de mogelijkheid om uzelf uit te sluiten voor deze cookies. Dit zal echter effect hebben op uw gebruikerservaring.
Noodzakelijke cookies zijn absoluut nodig voor het functioneren van de website. De cookies in deze categorie zorgen alleen voor de veiligheid en het functioneren van deze website . Deze cookies bewaren geen persoonlijke gegevens
Deze cookies zijn niet strict noodzakelijk, maar ze helpen de Kanttekening een beter beeld te krijgen van de gebruikers die langskomen en ons aan te passen aan de behoeftes van onze lezers. Hiervoor gebruiken wij tracking cookies. Bij het embedden van elementen vanuit andere websites zullen er door deze sites ook cookies worden gebruikt.