Is wetenschap links?

Foto: Reuters
‘We willen de beste wetenschappers hebben, politieke opvattingen doen er wat dat betreft niet toe.’

Onlangs laaide de discussie over al dan niet vermeende linkse vooringenomenheid in de wetenschap weer op, naar aanleiding van enkele hoax-artikelen die de wetenschappers Peter Boghossian, James Lindsay en Helen Pluckrose gepubliceerd hadden weten te krijgen in wetenschappelijke tijdschriften. Doel van deze nepartikelen was om enkele disciplines binnen de sociale wetenschappen – denk aan critical race theory, genderstudies en postkoloniale studies – te ontmaskeren als gepolitiseerde wetenschapsgebieden.

De drie wetenschappers deden in hun papers heel bizarre claims, onder andere dat mannen van hun ‘transfobie’ zouden afkomen als ze zich vaker anaal zouden bevredigen met een dildo, dat hondenlosloopgebieden plekken zouden zijn waar rape culture hoogtij viert en dat het goed was meer lichamen van dikke mensen te tonen als alternatief voor bodybuilding. In hun laatste paper, dat geen hoax was, omschreven de drie wetenschappers de onder vuur genomen disciplines als grievance studies (‘klaagstudies’). Deze studies zouden als doel hebben om ‘cultuur tot in het kleinste detail te problematiseren’ en zo ‘diagnoses te stellen over machtsonevenwichtigheden en onderdrukking’, onderdrukking die is ‘geworteld in identiteit’. Met echte wetenschap had dat volgens de auteurs feitelijk niets te maken.

In Nederland wordt er, vooral vanuit ‘rechtse’ hoek, al jaren kritiek geleverd op de universiteit als links bolwerk. Yernaz Ramautarsing, student politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, startte in 2013 de actie ‘stop de linkse indoctrinatie op mijn universiteit’. Toenmalig VVD-Kamerlid Pieter Duisenberg diende vorig jaar een motie in om de politieke voorkeuren van wetenschappers te onderzoeken. Onder redactie van rechtsfilosoof Paul Cliteur, tegenwoordig ook verbonden aan het Forum voor Democratie van Thierry Baudet, verscheen vorig jaar bovendien de bundel Cultuurmarxisme, waarin onder meer wordt betoogd dat veel wetenschappers zich door een progressieve, postmoderne ideologie laten leiden en niet meer objectief zijn in hun werk.

Is wetenschap links? Zijn universiteiten progressieve bolwerken, waar het vrije debat wordt gesmoord, vrije wetenschap niet meer mogelijk is en waar je als uitgesproken rechtse wetenschapper niet meer aan de bak komt? Of zijn dit loze kreten en valt het allemaal wel mee? De Kanttekening ging op onderzoek uit en sprak enkele waarnemers, onder wie wetenschappers en de rector magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen.

Diversiteit van opvattingen
De Vlaamse atheïstische filosoof Maarten Boudry, die een bijdrage schreef voor de bundel Cultuurmarxisme, maakt zich zorgen over de toekomst van de wetenschap. ‘Er zijn de laatste jaren ernstige aanwijzingen dat er een vorm van orthodoxie is binnengeslopen in de academische wereld, voornamelijk van linkse signatuur. Met name de menswetenschappen en sociale wetenschappen kennen een grote ideologische homogeniteit, waardoor sommige opvattingen niet langer in vraag worden gesteld. Velen hebben vandaag de mond vol van ‘diversiteit’ (seksualiteit, etniciteit, gender), maar zien de belangrijkste vorm van diversiteit over het hoofd: die van ideeën. In een notendop: diversiteit wordt gevierd, zolang iedereen maar hetzelfde denkt.’

Volgens Boudry is het schadelijk voor de universiteit als iedereen ongeveer hetzelfde denkt over migratie, multiculturalisme, man-vrouw-verschillen, stereotypen, racisme, seksualiteit en natiestaten. ‘Wetenschap kan enkel werken bij gratie van de diversiteit aan ideeën en methodische twijfel. De schok van de verkiezing van Donald Trump heeft helaas niet tot een gewetensonderzoek geleid.’

De Arnhemse filosofiestudent Jesper Jansen, die ook meeschreef aan de bundel Cultuurmarxisme, is het daar roerend mee eens. ‘Links en rechts hebben elkaar nodig op de universiteit om elkaar scherp te houden. Maar op de Nijmeegse Radboud Universiteit is er voor fundamentele kritische geluiden nauwelijks ruimte.’ Jansen is heel kritisch over feminisme, volgens hem is dit een geloofsartikel dat niet ter discussie wordt gesteld. ‘Ik doe dat wel. Daklozen zijn voor het grootste deel man, daar hoor je feministen nooit over. Bij een geschiedenisvak dat ik volgde klaagde de docent over de zogenaamd achtergestelde positie van vrouwen aan het begin van de twintigste eeuw, maar ze vertelde niets over de Eerste Wereldoorlog waar miljoenen mannen aan het front vochten en sneuvelden. Het is allemaal erg eenzijdig. Het vrouwenkiesrecht werd in 1919 ingevoerd, twee jaar later dan het mannenkiesrecht, dat een wederdienst was voor de dienstplicht. Maar twee jaar verschil! En zonder dat daar voor vrouwen militaire dienstplicht of wat voor soort verplichte maatschappelijke dienstverlening tegenover stond. Dan denk ik: wie is hier nu bevoorrecht?’, aldus Jansen. ‘Het feminisme was vanaf het begin af aan al een marxistische ideologie, maar heeft in het zogenoemde intersectioneel feminisme, dat ook kijkt naar zaken als ras, religie en andere factoren, een nieuw dieptepunt gevonden. Volgens een niet insignificante verzameling intersectionele feministen is wetenschap een blank mannelijk construct. Maar ze vergeten even dat wetenschap daadwerkelijk werkt, dat het resultaten oplevert. Verzin maar eens een lesbische intersectionele danstherapie-theorie om werkbare smartphones mee te ontwerpen, laat staan te bouwen.’

Jansen heeft ervoor gekozen zijn tegendraadse opinies gewoon te geven. ‘Soms wordt dit gewaardeerd door docenten, die wel van discussie houden, maar ik krijg ook met veel weerstand te maken. Zo gooide een feministische ex-student (nu docent) een glas bier in mijn gezicht, omdat ik op de nieuws- en opiniewebsite The Post Online een kritisch artikel over de loonkloof en het glazen plafond had geschreven. Inhoudelijke toelichting voor de kinderachtige actie gaf ze niet, maar ik wist dat ze het had gelezen vanwege een Facebook-discussie die ze erover voerde. En omdat ik lid ben van het Forum voor Democratie word ik – achter mijn rug om, uiteraard – nog wel eens voor fascist en racist uitgemaakt. Een docent vertrouwde mij zelfs toe dat ze op de universiteit actief mensen tegenwerken met ‘gevaarlijke ideeën’. Als je een verkeerde mening hebt, krijg je gewoon geen baan. Ik kan een aio-plek (assistent in opleiding, een oudere benaming voor promovendus, red.) wel vergeten hier. Niet veel zin in, ook.’

Stevige ideologische debatten
Wat vinden ‘linkse’ wetenschappers van deze kritiek? Herkennen ze zich er wel in? Een wetenschapster aan de Universiteit van Amsterdam (haar naam is bekend bij de redactie) die voor dit verhaal benaderd is, wil liever niet aan het interview meewerken, omdat de vraagstelling volgens haar principieel verkeerd is. ‘We hebben op verschillende manieren met een aanval op wetenschap te maken. Een framing in termen van linkse en rechtse wetenschap is daar geen antwoord op, integendeel, het is deel van het probleem.’ Ze mailt dat ze niet onder de indruk is van de hoax-actie van Boghossian, Lindsay en Pluckrose en dat juist hun nepartikelen voor politisering hebben gezorgd. Niet genderstudies of linkse ideologie bedreigen de wetenschap, de ware dreiging komt van Donald Trump met zijn alternative facts, klimaatveranderingsontkenners, de anti-vaccinatiebeweging en de dismissal (afwijzing) van genderstudies. De Hongaarse premier Viktor Orban wil genderstudies zelfs van de universiteiten verbannen.

Socioloog Merijn Oudenampsen, ook werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam, neemt een voorzichtigere positie in. Hij wil wel met de Kanttekening over linkse wetenschap in gesprek. ‘De ironie wil dat Paul Cliteur, die nu die bundel heeft gemaakt waarin hij het zogenaamde cultuurmarxisme hekelt, in 2013 nog van mening was dat er op universiteiten veel te weinig linkse geluiden waren te horen. Hij schreef met Frits Bolkestein (voormalig fractievoorzitter en Tweede Kamerlid voor de VVD, red.) en Meindert Fennema (hoogleraar politieke theorie en GroenLinks-politicus, red.) een opiniestuk voor de Volkskrant, waarin ze constateerden dat, ik citeer, ‘studenten en docenten veel gematigder zijn geworden’. Net als de Cliteur van toen denk ik dat academici overwegend het midden aanhouden, wat vanuit een rechtse positie begrijpelijkerwijs als ‘links’ wordt gezien. En net als Cliteur ben ik van mening dat er op universiteiten stevige ideologische debatten moeten kunnen plaatsvinden en dat de diversiteit aan benaderingen belangrijk is, waaronder ook uitgesproken rechts-conservatieve wetenschappers.’

Maar hoe zit het dan met de objectiviteit van wetenschap? Komt die niet in gevaar? Oudenampsen: ‘Laten we wel wezen, de overgrote meerderheid van sociale wetenschappers probeert zo objectief mogelijk onderzoek te doen, vaak met kwantitatieve methoden. Er is echter ook een deel van de wetenschap dat berust op interpretatie. En interpretatie is subjectief. Natuurlijk, ik moet mijn bronnen goed citeren en mijn argumentatie moet logisch onderbouwd zijn, maar het is uiteindelijk een bril om naar de werkelijkheid te kijken. Je zou met een andere bril naar dezelfde bronnen kunnen kijken en andere accenten kunnen leggen.’

Het beeld dat wetenschap links zou zijn komt volgens Oudenampsen ook omdat een kleine groep uitgesproken wetenschappers veelvuldig in de media verschijnt, veel vaker dan ‘positivisten’ die geloven dat wetenschap zo objectief mogelijk moet zijn. ‘Voor de media zijn zulke wetenschappers natuurlijk veel interessanter, omdat ze controverse oproepen. Maar bij de buitenwereld kan hierdoor het idee ontstaan dat de wetenschap, of althans een deel ervan, gepolitiseerd en links is.’

Tot zover de ‘rechtse’ en ‘linkse’ wetenschappers. Hoe zit het met de feiten? Op de universiteiten is ‘links’ inderdaad in de meerderheid, blijkt uit onderzoek. Herman van de Werfhorst, hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef vorig jaar op het politicologenblog Stuk Rood Vlees een artikel over de politieke opvattingen van wetenschappers aan universiteiten. Het blijkt dat wetenschappers gemiddeld genomen linkser zijn dan de rest van de bevolking. Dat is in Nederland zo, maar ook in de rest van Europa. Economische wetenschappers in Europa nemen een iets andere positie in. Zij zijn rechtser dan andere wetenschappers en niet-wetenschappers ten aanzien van sociaal-economische kwesties, maar linkser dan niet-wetenschappers als het gaat om het migratievraagstuk.

‘I have a lot of friends who don’t want babies’
Is daarmee alles gezegd? Nee, want je kunt wel linkse (of rechtse) politieke opvattingen hebben, maar die hoeven niet persé te leiden tot wetenschappelijke vooringenomenheid. Marcel Canoy, distinguished lecturer aan de Erasmus School of Accounting and Assurance, vindt dat je persoonlijke politieke voorkeuren en ideologische vooringenomenheid scherp moet onderscheiden. ‘Je kunt bijvoorbeeld lid zijn van GroenLinks en op Twitter allemaal heel linkse dingen roepen over Thierry Baudet en de vluchtelingencrisis, maar tegelijkertijd als wetenschapper gewoon keurig je werk doen.’

Maar komt ideologische vooringenomenheid wel voor op de universiteit? Volgens Canoy is dat inderdaad het geval, maar we moeten hier genuanceerd over zijn. ‘Het beeld dat economen allemaal rechts zouden zijn klopt niet, in ieder geval niet voor Europa. In Amerika heb je de Chicago School of Economics van Milton Friedman en Friedrich Hayek, die de basis heeft gevormd voor neoliberaal beleid. Maar in Europa, ook in Nederland, zijn economen opgegroeid met een breed welvaartsbegrip. De markt is nuttig, maar er zijn ook dingen die niet door de markt worden opgelost, zoals milieuvervuiling.’ Ook ten aanzien van de sociale wetenschappen, waar Canoy als zorgeconoom veel mee te maken heeft, ligt het genuanceerder. ‘Je hebt vaak twee stromingen in deze wetenschappen, de empirische stroming, die apolitiek is en dit graag kwantitatief wil meten, en een gepolitiseerde stroming. Met deze tweede stroming heb ik veel moeite. Ze hebben bepaalde opvattingen en zoeken daar bewijs bij. Ze vormen eigen subculturen, die ze in stand houden en steeds verder versterken. Voor kritiek van anderen zijn ze doof. De manier waarop deze wetenschappers hun stellingen soms proberen te bewijzen doet soms kinderlijk aan’, aldus Canoy. ‘Ik ben ooit eens in debat gegaan met Saskia Sassen, best een beroemde socioloog. We hadden het over de lage geboortecijfers in Italië. Ik vroeg haar of vruchtbaarheid niet endogeen (economisch: een verandering of schok die binnen een economisch model ontstaat, red.) is, want bijvoorbeeld afhankelijk van instituties als kinderopvang. Als zulke sociale voorzieningen afwezig zijn dan krijg je lage geboortecijfers. Ze trok deze wetenschappelijke vraag in het anekdotische en antwoordde: ‘You know, I have a lot of friends who don’t want babies.’ Ik wist niet of ik moest huilen of lachen. Er waren diverse getuigen aanwezig, waaronder de beroemde empirische socioloog Gosta Esping-Andersen. Hij bonkte met zijn hoofd op de tafel.’

Sassen is niet de enige wetenschapper waar Canoy stevige kritiek op heeft. Hij noemt financieel geograaf Ewald Engelen (Canoy: ‘Nee, hij is geen econoom!’) ‘een activist die zijn professorstitel misbruikt om politiek te bedrijven’. Ook hoogleraar Sociale Psychologie Roos Vonk, die veel samenwerkte met de frauderende professor Diederik Stapel, krijgt ervan langs. ‘Zij is helemaal niet serieus te nemen, met haar vergelijking tussen de bio-industrie en de Holocaust.’ Canoy vindt het een kwalijke zaak dat de media telkens bij wetenschappers als Engelen en Roos uitkomen. ‘Ze doen het voorkomen dat hun belachelijke meningen wetenschap zijn. De media vinden zulke extreme visies natuurlijk prachtig, maar dit is slecht voor het imago van de wetenschap.’

Canoy vindt het een goede zaak dat Boghossian, Lindsay en Pluckrose hun hoax-artikelen hebben geschreven. ‘Ze lieten daarmee zien dat er in bepaalde sub-disciplines nauwelijks zelfreinigend vermogen bestaat. Als je je maar uitdrukt in het juiste discours, krijg je het gepubliceerd. De drie wetenschappers hadden hun artikelen nooit kunnen publiceren in een economisch wetenschappelijk tijdschrift, zoals The American Economic Review of The European Economic Review. Zulke bladen filteren dergelijke onzin er meteen uit.’

Oudenampsen kijkt toch anders tegen deze hoax-actie aan. ‘Het waren geen belangrijke tijdschriften waarin ze hun nepartikelen publiceerden. Wat dat betreft valt het met die impact dus wel mee. Ze kwamen met gefabriceerde data, maar qua vorm voldeden hun artikelen aan de academische norm. Vervolgens kwamen Boghossian, Lindsay en Pluckrose met hun definitieve artikel, waarin ze bekendmaakten dat ze iedereen voor de gek hadden gehouden. In dit artikel trokken ze enkele algemene politieke conclusies over de geesteswetenschappen en de sociologie, waar wetenschappelijk gezien te weinig grond voor was. Ze generaliseerden te makkelijk. Ze hebben dus eigenlijk precies hetzelfde gedaan wat ze hun ideologische tegenstanders verwijten.’

Canoy is het daarmee niet oneens. ‘De conclusies die de drie wetenschappers trokken gaan inderdaad wat ver. Maar dat sommige sub-disciplines een probleem hebben, dat klopt gewoon.’

‘Hoe meer meningen, hoe beter’
Ten slotte vroeg de Kanttekening Elmer Sterken, rector magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen, hoe universiteiten deze problematiek tegemoet treden. Hoe gaat een universiteitsbestuur om met uitgesproken linkse en rechtse wetenschappers, met diversiteit van meningen, met kwaliteit en waardevrijheid? Sterken: ‘We krijgen eigenlijk maar zelden het verwijt naar het hoofd geslingerd dat onze universiteit te links of te rechts zou zijn. Dat is meer iets van de Universiteit Leiden en de Universiteit van Amsterdam. In Groningen hebben we niet zo veel wetenschappers die bewust de media opzoeken. En daarnaast, we liggen ook wel een beetje ver weg van de Randstad, journalisten zoeken ons daarom minder snel op. De enige wetenschapper die niet zo heel lang geleden de media heeft opgezocht was historicus Eelco Runia, die het marktdenken op universiteiten hekelde. Even los van de vraag of hij gelijk heeft, ik was heel blij dat hij dit debat is begonnen en stevig stelling neemt. We zouden meer van dit soort debatten moeten voeren.’

Sterken is het dan ook helemaal eens met rector Carel Stolker van Leiden, die afgelopen zomer aan Elsevier vertelde dat er op de universiteit ook ruimte moet zijn voor onorthodoxe meningen. ‘Diversiteit is belangrijk, niet alleen van mensen maar ook van meningen. Hoe meer meningen, hoe beter. Wel zijn we voor balans. Als we bijvoorbeeld een GroenLinks-spreker over een bepaald thema uitnodigen, dan moet er ook een rechtse politicus van bijvoorbeeld de VVD tegenover staan. De enige grens zou ik misschien leggen bij hate speech, als er mensen spreken die echt haat zaaien tegen een bepaalde bevolkingsgroep, oproepen tot racisme of homohaat of iets dergelijks.’

Sterken is niet bang voor vooringenomen onderwijs of wetenschap. ‘We hebben hier allemaal controlemechanismen voor. Visitatiecommissies voor als het onderwijs te links of te rechts zou zijn en een peer review voor wetenschappelijke tijdschriften.’ Het verhaal van Jansen, die zegt geen aio-plek te zullen krijgen in Nijmegen, omdat hij rechts is, lijkt Sterken nogal sterk. ‘Hier in Groningen kijken we naar kwaliteit. We willen de beste wetenschappers hebben, politieke opvattingen doen er wat dat betreft niet toe. Natuurlijk willen we op langere termijn wel meer vrouwen en meer ‘mensen van kleur’ in de wetenschap, maar we gaan gewoon voor degenen die de beste papieren hebben. Pas bij gelijke geschiktheid gaat de voorkeur uit naar een vrouwelijke kandidaat of bijvoorbeeld iemand met een niet-westerse achtergrond.’

DELEN
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.