Filosoof Helmuth Plessner vond dat een groep zijn waarheid aan de andere groep niet mag opleggen, zegt kenner Julien Kloeg. ‘We hoeven het niet met elkaar eens te zijn.’
Filosoof Helmuth Plessner (1892-1985) is bij het grote publiek een onbekende naam. Dat komt, denkt kenner Julien Kloeg, door de Tweede Wereldoorlog. Na de machtsovername van de nazi’s vluchtte de Duitser, die een Joodse vader had, in 1934 naar Nederland.
Na een onderduikperiode tijdens de oorlog werd Plessner hoogleraar in Groningen. In de jaren vijftig keerde hij terug naar Duitsland en hielp hij bij de denazificatie van de academische wereld. ‘En daar maakte je bepaald geen vrienden mee’, zegt Kloeg. Bovendien was Plessner druk met het opzetten van een nieuw filosofisch instituut. Zijn belangrijkste werken verschenen in de jaren twintig en dertig, ten tijde van de Weimarrepubliek.
Kloeg, filosoof aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, is co-auteur van de inleiding bij de onlangs verschenen vertaling van Macht en menselijke natuur (1931).
De Weimarrepubliek, wat was dat voor periode?
‘Een tijd van grote politieke en economische onrust, en van culturele bloei. De Weimarrepubliek ontstond in 1919, na de Eerste Wereldoorlog. Duitsland was nog maar net een democratie, met actief en passief kiesrecht voor vrouwen, referenda en grondrechten voor alle Duitsers.
De keuze voor Weimar als oprichtingsplaats was niet toevallig. De stad was verbonden met grote namen als Bach, Goethe en Schiller. Ook elders in Duitsland bloeide de cultuur, met moderne schilderkunst, het Bauhaus, vernieuwende muziek, cabaret en film. Vooral in Berlijn werd volop geëxperimenteerd.
Politiek was het een ander verhaal. Al in 1920 verloor de coalitie van drie grote middenpartijen de absolute meerderheid. Daar kwamen grote economische problemen bovenop. Duitsland moest vanwege het Verdrag van Versailles enorme herstelbetalingen doen en kreeg te maken met hyperinflatie. Op het dieptepunt kostte één Amerikaanse dollar een biljoen Duitse mark. Zelfs Plessner, die uit een gegoede familie kwam, kon zich nog maar twee warme maaltijden per week veroorloven. Verder leefde hij op leverworst en cacao. Extreemlinks en extreemrechts kwamen steeds scherper tegenover elkaar te staan.’
Hoe zag die polarisatie eruit?
‘Aan de linkerkant waren er communistische revolutionairen die met couppogingen de maatschappij omver wilden werpen. Aan de rechterkant stonden de nationaalsocialisten, die ook tegen het bestaande politieke systeem waren. Zij deden een couppoging onder leiding van Hitler in 1923. In 1922 vermoordden extreemrechtse officieren de Joodse minister van Buitenlandse Zaken Walther Rathenau.
Bij de communisten kwam dit voort uit hun visie op de geschiedenis en de klassenstrijd, bij de nationaalsocialisten uit hun ideeën over volk en ras. Beide bewegingen wilden niet binnen de democratie met anderen onderhandelen en compromissen sluiten. Plessner zag dit als een groot gevaar.’
Wat bedoelt hij met Gemeinschaft?
‘Gemeinschaft, gemeenschap, is een hechte groep mensen die zich sterk met elkaar verbonden voelt en dezelfde waarden en overtuigingen deelt, zoals een gezin of een kerk. Zo’n gemeenschap biedt geborgenheid en draagt tradities over. Maar soms het wordt gevaarlijk als je de gemeenschap als ideaal voor de hele samenleving neemt. Gemeenschapsdenken kan dan al snel tot radicalisering leiden.
Een fascist kan bijvoorbeeld denken dat uitsluitend mensen met dezelfde afkomst en opvoeding dezelfde waarden delen. De samenleving moet dan rond die groep en die waarden worden ingericht. Wie daar niet bij past, valt af en wordt buitengesloten.
Volgens Plessner moeten er daarom duidelijke grenzen worden gesteld aan de macht van de gemeenschap. En hij stelt er een ander begrip tegenover: Gesellschaft, maatschappij.’
Wat bedoelt hij daarmee?
‘Hij vindt dat er een midden moet zijn. Niet een politiek midden tussen links en rechts, maar een gedeelde ruimte waarin mensen met verschillende opvattingen in gesprek kunnen.
Ook de politiek vindt plaats in de Gesellschaft. Je kunt van een parlement zeggen dat alles er draait om regels en procedures en dat politici afstandelijk zijn. Maar dat is juist de kracht: ze voorkomen dat één groep zomaar de eigen waarheid aan de rest kan opleggen. Het spelen van een rol hoort daar ook bij. Een politicus hoeft niet voortdurend zijn persoonlijke gevoelens en overtuigingen te laten zien.’
Plessner hield zich ook bezig met de begrippen vriend en vijand.
‘Dat is een discussie die echt bij die tijd hoort. Het onderscheid komt van Carl Schmitt, die behalve als jurist ook bekendstaat verdediger van het nazi-regime.
Voor Schmitt, maar ook voor Plessner, bestaat er geen ideale wereld waarin we allemaal met elkaar kunnen opschieten. Verschillen en conflicten horen bij de politiek. Voor Schmitt was het eenvoudig: vrienden zijn ons soort mensen, vijanden zijn de anderen. Plessner dacht daar anders over. De ander staat, ook als die vreemd of zelfs vijandig is, nooit helemaal los van ons. We kunnen iets van onszelf in de ander herkennen en andersom.
Je kunt niet zomaar zeggen: ik weet precies wie bij “ons” hoort, wie “echt Duits” is en wie niet. Want ook de identiteit van een mens ligt volgens Plessner niet helemaal vast. Ben ik bijvoorbeeld een echte Nederlander? Op een bepaalde manier wel: ik heb een Nederlands paspoort. Maar ik voel me ook verbonden met Duitstalige filosofen. Misschien heb ik een ander land waar ik graag naartoe ga. En andere mensen geven weer op een heel andere manier invulling aan wat het betekent om Nederlander te zijn.
Als je zegt dat een echte Nederlander iemand is wiens familie hier al generaties woont en alleen Nederlandse genen heeft, dan ga je uit van een rigide beeld van Nederlanderschap. En uiteindelijk ook van de mens: je neemt aan dat iemand vanzelfsprekend tot de ene of de andere groep behoort.
Plessner zegt juist dat de mens altijd een open vraag is. Je moet steeds zelf invulling geven aan wie en wat je bent. Dat geldt ook voor een vragen als wie zijn wij als Nederlandse maatschappij? Daar bestaat geen vaststaand antwoord op. Daar moeten we met al onze verschillen steeds weer samen vorm aan geven.’
Lijkt onze tijd op die van de Weimarrepubliek?
‘Ik denk dat veel mensen dat zo voelen. Ik zelf ook. De vraag is vooral of er nog een gedeelde publieke ruimte bestaat die we met z’n allen bewonen. Of leven we steeds meer in hechte groepen van mensen die ongeveer hetzelfde denken en elkaar goed begrijpen, maar nauwelijks nog contact hebben met mensen buiten hun eigen kring?
Wat Plessner zegt is: we hoeven het niet met elkaar eens te zijn. Het gaat erom dat we afstand doen van het idee dat wij als enigen de waarheid bezitten. Alleen dan kunnen we ruimte laten voor andere opvattingen en verdragen dat mensen fundamenteel anders denken dan wij.’
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

