6.4 C
Amsterdam
Home Blog Pagina 976

Allochtoon

0

Is het u ook opgevallen? Je hoort of ziet de laatste tijd het woord ‘allochtoon’ veel minder dan vroeger. Een jaar geleden lanceerden de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) samen het voorstel om ‘allochtoon’ te vervangen door ‘mensen met een migratieachtergrond’. Dat voorstel lijkt wonderlijk snel aangeslagen. In overheidsdocumenten kom je de term niet meer tegen en in kranten en media loopt het gebruik ervan ook sterk terug. Overigens is er geen sprake van een plotselinge trendbreuk. Volgens tellingen van de WRR bereikte het woord in de Nederlandse kranten zijn hoogtepunt al in 2007. Sindsdien is het gebruik ervan met ruim de helft teruggelopen, terwijl de term ‘migrant’ een duidelijke opmars maakt.

De afgenomen populariteit van ‘allochtoon’ zal velen goed doen. De term was flink besmet geraakt. Toen dezelfde WRR het woord in 1989 (her)introduceerde bestond behoefte aan een verzamelbegrip voor het groeiend aantal mensen die in het buitenland waren geboren. De internationaal gangbare term ‘immigranten’ voldeed niet, omdat die te sterke associaties zou oproepen met permanente vestiging. Destijds was nog lang niet duidelijk dat veel ‘allochtonen’ voorgoed hier zouden blijven. Snel na zijn introductie nam de term een hoge vlucht, zeker toen ook het CBS haar kwistig in zijn statistieken ging gebruiken. Dat was dan vooral om de voortgang van de integratie te meten: als je de doelgroep niet benoemt, kun je ook het effect van je beleid niet vaststellen.

Al snel echter werd ‘allochtoon’ in de dagelijkse omgangstaal niet meer zo gebruikt als de WRR had bedoeld. ‘Allochtoon’ werd steeds meer synoniem voor ‘problematische, onvoldoende aangepaste buitenlander’. In sommige kringen werd het zelfs een scheldwoord. Begrijpelijk en terecht groeide, zeker onder migranten, het protest tegen de term. Zo’n verschuiving van betekenis in negatieve richting zien we wel vaker optreden: ‘ouden-van-dagen’ werden ooit ‘bejaarden’, ‘bejaarden’ werden ’65-plussers’, ’65-plussers’ werden ‘ouderen’, ‘ouderen’ werden ‘senioren’ en binnenkort zal ook hier wel weer een nieuwe, politiek correctere term opduiken.

Toch vind ik het een grote verbetering dat ‘allochtoon’ als verzamelterm is verdwenen. Eigenlijk zou ik liever hebben gezien dat er helemaal geen alternatief was voorgesteld. Mijn belangrijkste argument daarvoor is dat de migrantenpopulatie in Nederland in de afgelopen tientallen jaren zo divers is geworden, dat het weinig zin heeft een overkoepelende term te hanteren om al die mensen aan te duiden van wie de wieg of die van minstens één van hun ouders in het buitenland stond. Intussen zijn dat er zo’n drieënhalf miljoen, zo’n 22 procent van de bevolking. Ik hoor daar zelf ook bij, omdat mijn vader bijna een eeuw geleden in het toenmalige Nederlands-Indië werd geboren, ook al woonde hij vervolgens bijna zijn hele leven in Nederland. Ahmed uit Syrië aan wie onlangs een status is verleend, hoort daar ook bij. Uiteraard voel ik me zeer solidair met de laatste, maar veel hebben we niet gemeenschappelijk behalve onze buitenlandse wortels.

Misschien moeten we er in Nederland helemaal vanaf om mensen met een migratieachtergrond in een afzonderlijke categorie te willen plaatsen. Begrijp me niet verkeerd, dit is geen pleidooi om etnische verschillen te ontkennen of weg te poetsen. Maar hebben we in Nederland niet vaak de neiging die verschillen te overwaarderen? Hoe vaak wordt iemand niet in de eerste plaats aangeduid met zijn of haar etnische herkomst, ook al doet die in de betreffende context helemaal niet ter zake? Mensen hebben veel meer kenmerken dan alleen hun etnische achtergrond of het feit dat ze een migratieverleden hebben. Waarom spreken we hen dan toch zo vaak uitsluitend dáárop aan?

Zelf heb ik al jaren geleden afgeleerd aan iemand te vragen waar hij of zij vandaan komt. Alleen als iemand er zelf over begint, vraag ik door. Het doet mij denken aan het verhaal dat een oud-politicus mij ooit vertelde. Op werkbezoek bij een basisschool vroeg hij een donker achtjarig jongetje: ‘Zo, en waar kom jij vandaan?’ Daarop antwoordde het jongetje in plat Rotterdams: ‘Ik? Nou, gewoon… uit Rotterdam.’ Soms vragen mensen dan nog door: ‘Ja, maar waar kom je echt vandaan?’ Dat deed de politicus niet en sindsdien heeft hij die vraag nooit meer gesteld. Ik ook niet.

We kunnen Piet toch ook gewoon groen schilderen?

1

Het is niet bijzonder origineel om over Zwarte Piet te schrijven. Wat is er immers nog niet over gezegd? Je kunt geen krant openslaan of geen televisieprogramma bekijken zonder dat de argumenten voor of tegen je om de oren vliegen. Ik heb lang nagedacht over de vraag of ik iets toe te voegen heb aan deze discussie, maar het voelt niet goed om te zwijgen. Wie zit er te wachten op een schattig stukje over mijn kat of een analyse over antisemitisme in Nederland nu pakjesavond nadert?

Vroeger had ik niet zo’n mening over Zwarte Piet. Voor mijn gevoel hoorde deze kindervriend gewoon bij 5 december, net als pepernoten, taaitaaipoppetjes en cadeautjes. Dat veranderde pas een jaar of tien geleden, toen ik met het kleine zusje van mijn ex-vriend naar de supermarkt ging. Achter de kassa zat een Surinaams-Nederlandse dame. Het was november en het zusje van mijn ex kirde opgewonden: ‘Kijk, daar zit Zwarte Piet!’ Ik kreeg een kop als een boei en probeerde tevergeefs uit te leggen dat die mevrouw helemaal geen Zwarte Piet was, maar gewoon een zwarte huidskleur had. Terwijl ik duizend maal mijn excuses aanbood, zag ik de pijn in de ogen van de caissière. Het zusje van mijn ex bleef maar schreeuwen: ‘Zwarte Piet, Zwarte Piet, Zwarte Piet.’ Natuurlijk stond de peuter helemaal niet stil bij wat ze impliceerde, ze zag het louter als iets positiefs.

Niet lang daarna barstte de discussie over Zwarte Piet in alle hevigheid los. Kon je het karakter van Zwarte Piet veranderen zonder kinderen van slag te maken? In hoeverre was het écht racistisch? En hoorde het niet simpelweg bij de Nederlandse cultuur? Aangezien de meeste witte mensen er, net als ikzelf, nog nooit bij stil hadden gestaan dat het als kwetsend kon worden ervaren, vond ik het niet raar dat er in eerste instantie weerstand kwam. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat alleen door discussie verandering in gang kan worden gezet.

Maar inmiddels zijn we een decennium verder en is het zo duidelijk als wat dat een deel van onze samenleving ieder jaar weer buikpijn van ellende krijgt als Sinterklaas ons land binnenvaart. Hoewel het debat op sommige plaatsen daadwerkelijk tot verandering heeft geleid (tijdens de intocht in Amsterdam waren dit jaar alleen Roet Pieten aanwezig), lijkt het wel alsof de voorstanders van Zwarte Piet steeds heftiger tekeergaan. Dat bleek twee weken geleden ook weer duidelijk op de A7 bij Dokkum, waar voorstanders van Zwarte Piet de weg blokkeerden zodat de demonstranten van actiegroep Kick Out Zwarte Piet hun weg niet konden vervolgen. Voorstanders van Zwarte Piet zwaaiden met Friese vlaggen en scandeerden ‘jullie verpesten ons kinderfeest’. Een aantal dagen later viel de Zwarte Pieten Actiegroep, geschminkt en wel, een basisschool in Utrecht binnen.

Begin vorige maand was ik aanwezig bij een tienerdebat in Amsterdam-West. Eén van de stellingen was ‘Zwarte Piet zwart moet blijven’. De kinderen mochten hun vinger opsteken als ze het met de stelling eens waren. Geen enkele vinger ging de lucht in. ‘We kunnen Piet toch ook gewoon groen schilderen? Het maakt mij echt niet uit welke kleur hij heeft, zolang ik maar cadeautjes krijg’, fluisterde een elfjarig meisje naast me.

Misschien zijn sommige Nederlanders nog niet toe aan een verandering die ze zelf klaarblijkelijk als zeer ingrijpend ervaren. Duurzame verandering heeft tijd nodig. Wanneer je als volwassene (geweldloos) wilt opkomen voor ‘het behoud van onze Nederlandse normen en waarden’, heb je daar in principe recht op, maar wees dan tenminste niet zo laf om je achter kinderen te verschuilen. Bovendien zou een beetje meer empathie voor landgenoten die zich gediscrimineerd voelen niet misstaan. Kom op mensen, het is bijna 2018!

Donkere Nederlanders verdedigen Zwarte Piet, blanke Nederlanders willen verandering

0
De meerderheid van de Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders heeft geen probleem met het uiterlijk van Zwarte Piet, volgens peilingen. De Zwarte Piet-discussie afdoen als een discussie tussen ‘wit’ en ‘zwart’ is dus te simpel. De Kanttekening sprak donkere Nederlanders die Zwarte Piet willen behouden en blanke Nederlanders die verandering willen.

Volgens een recente opiniepeiling van het tv-programma Een Vandaag is zesentwintig procent van de Nederlanders voor verandering van het uiterlijk van Zwarte Piet. Ook de meerderheid van de Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders wil het uiterlijk van Zwarte Piet behouden. Een jaar geleden was eenentwintig procent van de Nederlanders nog vóór het veranderen van het uiterlijk van Zwarte Piet. Onder Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders was dat toen drieënveertig procent. Dat bleek uit een onderzoek van het ministerie van Sociale Zaken. De resultaten van het onderzoek waren bestemd voor ‘intern gebruik’, maar het tv-programma Medialogica publiceerde de resultaten.

Anaïsa Didder (28) groeide op Aruba op met het Sinterklaas-feest. Ze woont met haar vijfjarige dochter in Rotterdam. Volgens haar speelt de Zwarte Piet-discussie op Aruba minder dan in Nederland. ‘De Pieten zijn zwart en er zijn geen anti-Zwarte Piet-protesten geweest.’ Ze ziet Zwarte Piet als een grote kindervriend. ‘Hij is te vergelijken met de Paashaas of de Kerstman. Leuke figuren die ervoor zorgen dat in verschillende periodes van het jaar het kind op de eerste plaats wordt gezet. Met mijn dochter kijk ik bijna dagelijks op YouTube naar video’s van de Pieten. Ze zijn gaaf en hebben hippe dansbewegingen. Bij mij in de buurt en op de school van mijn kind willen alle kinderen Zwarte Piet zijn.’ Ze herkent zich niet in het beeld dat tegenstanders schetsen, namelijk dat Zwarte Piet associaties oproept met het koloniale slavenverleden.

‘Ik denk dat ouders hun invloed op het denken van hun kinderen soms verwaarlozen’, zegt Didder. ‘Ook wanneer een kind de associatie maakt tussen Zwarte Piet en een zwart persoon, gaat het nog lang niet over racisme. Ik leer mijn dochtertje dat wij allemaal mensen zijn en dat de kleur van je huid niet van belang is. De opvoeders hebben als taak verkeerde concepten te verbeteren.’ Didder begrijpt de gevoeligheden van beide kanten, maar vindt dat de Zwarte Piet-discussie te ver is gegaan. ‘Zorg dat jouw kinderen het op die dag leuk hebben. Vier het op de traditionele manier of op jouw manier, maar hoe dan ook, vier het. Maak er een leuk feest van, voor je kinderen en jezelf.’ Didder legt de verantwoordelijkheid bij de ouders.

Anna Krijger, schrijver en journalist en blank, ziet het anders. ‘Hoe geweldig mevrouw Didder en andere mensen hun kinderen ook opvoeden, ze hebben geen invloed op hoe er in de dominante witte samenleving naar donkere mensen wordt gekeken. Neem de vele verwensingen en bedreigingen aan het adres van Sylvana Simons en Humberto Tan als voorbeeld.’ Krijger vindt het onbegrijpelijk dat een figuur als Zwarte Piet door de meerderheid van de Nederlanders getolereerd wordt. ‘Stel je eens voor dat we ons een paar weken per jaar zouden verkleden als cartooneske versies van Joden. Grote nepneuzen, pijpenkrullen en baarden opgeplakt en om het af te maken nog een zak met gouden munten in de hand. Ik voel me al naar worden als ik eraan denk. Het ridiculiseren van een minderheid die al honderden jaren lijdt onder discriminatie, dat moeten we niet meer doen. Niet bij Joden en ook niet bij donkere mensen. Zelfs niet wanneer ‘het niet slecht bedoeld is’ of we er ‘mooie jeugdherinneringen’ aan hebben.’

De Kanttekening sprak ook twee donkere Curaçaoënaars, die niet met hun naam in de krant willen. Ze uiten hun ongenoegen over de Zwarte Piet-discussie. Een vierentwintigjarige vrouw laat weten: ‘Ik associeer Sinterklaas met cadeautjes, snoep, mythe en traditie. Ook op Curaçao zijn we op de hoogte van de discussie in Nederland over Zwarte Piet. Ik heb daar inmiddels schoon genoeg van. Iemand moet de knoop doorhakken en een oplossing bedenken waar zowel voorstanders als tegenstanders van Zwarte Piet tevreden mee zijn.’ Volgens haar waait de discussie ook over naar Curaçao. ‘Veel Curaçaoënaars zagen Zwarte Piet niet als racistisch, maar de afgelopen jaren zijn mensen door de discussie wel bewuster geworden en daardoor hebben velen hun mening veranderd.’

De vereniging, die de intocht van Sinterklaas organiseert, laat dit jaar voor de tweede keer enkele Kleur Pieten mee lopen. De meerderheid is overigens nog gewoon zwart.’ Een vierenzestigjarige donkere man uit Curaçao merkt op dat op het eiland Sinterklaas wit wordt geverfd ongeacht de oorspronkelijke huidskleur van de Sint. ‘Hij komt toch uit Spanje? Daar wonen over het algemeen mensen van het blanke ras.’ Hij vindt Zwarte Piet niet racistisch en noemt de discussie in Nederland ‘zonde van de tijd’. ‘De kinderen vinden het leuk. Ik zie er geen racisme in. Sommige mensen op het eiland hebben er wel problemen mee, maar het merendeel besteedt er geen aandacht aan.’

Maaike Brecht de Rooij woont in Nederland en is blank. Ze stoort zich aan Zwarte Piet, maar dat Curaçaoënaars zichzelf wit schminken om Sinterklaas te kunnen spelen is volgens haar geen probleem. ‘Een witte Sinterklaas vind ik niet racistisch, omdat dat niets te maken heeft met onderdrukking. De onderdrukte witte man bestaat niet. Je kinderen moet je sowieso meegeven dat ze van waarde zijn ongeacht hun huidskleur. Dat neemt niet weg dat kinderen gepest kunnen worden doordat Zwarte Piet bestaat, terwijl hij eigenlijk helemaal niet zwart is. Dat is erg verwarrend voor kinderen.’

Ook makelaar en blanke Nederlander Edwin van Tilburg pleit voor verandering. ‘Het gaat mij er om dat in de Nederlandse gemeenschap een vrij grote groep mensen, vaak mensen met een donkere huidskleur, zich stoort aan het uiterlijk van Zwarte Piet. Het is niet te veel gevraagd om het uiterlijk van Zwarte Piet aan te passen.’

‘Ik groet Serviërs maar ze komen nooit meer mijn huis binnen’

0
‘Duizenden mensen zullen de rest van hun leven blijven rouwen om de dierbaren die ze hebben verloren door Mladic’, zegt Adis Lizde. ‘Wat is levenslang gevangenisstraf waard als je het vergelijkt met het leven van zelfs maar één mens?’

Adis Lizde (44) was achttien jaar toen de burgeroorlog uitbrak in Bosnië. Het kostte duizenden mensen het leven en liet diepe sporen na in het land. De Bosniër die nu in Nederland woont heeft van dichtbij meegemaakt hoe één van de grootste drama’s in de moderne geschiedenis midden in Europa plaatsvond. Hij overleefde een concentratiekamp. ‘Mijn twintigste verjaardag heb ik ‘gevierd’ in een concentratiekamp.’

De Kanttekening sprak Lizde naar aanleiding van het besluit van het Joegoslavië-tribunaal om oorlogsmisdadiger Ratko Mladic, voormalig legerleider van Bosnische Serviërs, tot levenslang te veroordelen wegens onder meer genocide en misdaden tegen de menselijkheid. Lizde zet zich als secretaris van het Islamitisch Cultureel Centrum voor Bosnische Nederlanders (ICC) in voor gerechtigheid voor de slachtoffers en nabestaanden van de oorlog en volgde de berechting van Mladic op de voet.

Foto: Adis Lizde

Hoe bent u in een concentratiekamp terechtgekomen?
‘Eind 1992, begin 1993 werden de spanningen in Centraal-Bosnië tussen verschillende bevolkingsgroepen steeds groter. Uiteindelijk kwam ook het gebied waar wij woonden aan de beurt. We leefden in een gebied op vijfentwintig kilometer afstand van Mostar en waren als moslims ver in de minderheid. Het was een soort tweede Beiroet, vanwege de duidelijke scheiding tussen moslims en niet-moslims. Op een gegeven moment begonnen ze vier uur in de nacht moslims uit bed te halen. Moslims tussen achttien en vijfenzestig jaar werden naar concentratiekampen gestuurd en vrouwen en kinderen werden weggejaagd. Ik heb dat toen allemaal kunnen ontvluchten, maar ben met mijn broer later in Kroatië alsnog opgepakt. Ze leverden ons uit aan de Kroaten in Bosnië waarna we in één van de concentratiekampen belandden, waar ik vijf maanden en twee dagen vastzat.’

Wat voor plek was het?
‘Het was een grote lege hal van ongeveer dertig bij tien meter, die vroeger diende als munitiemagazijn voor het leger. Het was onmenselijk. Wanneer de deuren dichtgingen kon je amper ademen. Ik kwam daar aan op 18 juli, een vreselijk warme zomerdag en zag dat er binnen honderden mensen waren. Er was niet eens plek om fatsoenlijk te zitten. We moesten op beton slapen en je had mazzel als je een plek kon vinden om te slapen.’

Dat u moslim bent, was dat de enige aantijging tegen u?
‘Toen ik en mijn broer werden gearresteerd werd er op de radio gezegd dat de veiligheidsdiensten twee terroristen hadden opgepakt, terwijl we niet eens een mes bij ons hadden. ‘Moslim’ werd heel breed geïnterpreteerd. Niemand vroeg of je gelovig of praktiserend was, of je vijf keer per dag bad en meedeed aan de ramadan. Ze waren daar niet in geïnteresseerd. Ze waren vastberaden alle sporen van de islam, hoe klein of onbelangrijk dan ook, te vernietigen. Ze noemden ons Turken en zagen de moorden, martelingen en verkrachtingen als wraak op ons Ottomaans verleden. Dat je een moslimnaam had was al genoeg voor hen, dan had je geen bestaansrecht meer. Als je daarnaast ook nog eens actief was in het verzet of iets had gedaan waar ze niet blij mee waren, dan waren de straffen nog ernstiger.’

Hoe bent u uiteindelijk ontsnapt?
‘Wat wij hebben meegemaakt is natuurlijk niets vergeleken met de duizenden mensen die zijn vermoord, gemarteld of verkracht. Op een gegeven moment begonnen ze mensen vrij te laten, die een bewijs van garantstelling uit een ander land toonden grote sommen geld als een soort borgtocht betaalden. Mijn moeder heeft enorm haar best gedaan om ons vrij te krijgen. Ze heeft contact opgezocht met familieleden uit het buitenland om zo’n document te kunnen ontvangen. Hoewel we een dergelijk bewijs in handen hadden, moesten we nog maanden wachten tot ze ons vrijlieten. Uiteindelijk vertrokken we met een paar volle bussen naar Denemarken.’

Met wat voor gevoel keek u naar de rechtszaak tegen Mladic in Den Haag?
‘Mladic is de grootste oorlogsmisdadiger sinds de Tweede Wereldoorlog. Wanneer collega’s horen over mijn verleden in een concentratiekamp vragen ze weleens of ik daar nooit ziek werd, of ik goed kon eten en hoe ik mijn dagen doorbracht. Ik had helemaal niets, niet eens een bed. Toen ik een paar maanden later voor het eerst een deken kreeg van het Rode Kruis was ik zo blij als een kind. Ik mocht pas na veertig dagen naar de wc en ik ben één van de gelukkigen die de genocide heeft overleefd. Maar kijk nu in wat voor luxe de oorlogsmisdadigers in Nederland leven. Ook al blijft Mladic levenslang in een cel, het is niets vergeleken met wat de slachtoffers hebben meegemaakt. De misdadigers hier hebben televisie, internet en zelfs de mogelijkheid om te sporten. Het lijkt wel een kosteloze vakantie, ze zullen het niet betreuren.’

Verzacht de uitslag de pijn die Bosniërs voelen dan helemaal niet?
‘De uitslag brengt de vermoordde en verkrachtte Bosniërs niet terug. De wonden zijn nog steeds heel vers en open, dat gaat niet zomaar weg. Het voelt niet als gerechtigheid, het is verre van dat. Duizenden mensen zullen de rest van hun leven blijven rouwen om de dierbaren die ze hebben verloren door Mladic. Veel Bosniërs hadden al vanaf het begin geen vertrouwen in het Joegoslavië-tribunaal. Wat is levenslang gevangenisstraf waard als je het vergelijkt met het leven van zelfs maar één mens? Omgerekend heeft Mladic een paar weken gevangenisstraf gekregen per Bosniër die hij heeft vermoord. Moslims geloven dat het vermoorden van een mens gelijk staat aan het vermoorden van heel de mensheid. Wat Mladic heeft gedaan voelt voor mij aan als het uitroeien van heel de mensheid.’

Vraagt u zich, meer dan twintig jaar na de oorlog, nog af hoe het zover heeft kunnen komen in Bosnië?
‘Ik probeer te begrijpen waarom dit ons is overkomen. Waarom hebben onze buren en vrienden zich zo tegen ons gekeerd? Waarom zijn ze veranderd in monsters? Hoe heeft dit in godsnaam kunnen gebeuren? Als ze problemen hadden met bepaalde moslims, was dit dan de manier om hun woede, frustraties en haat te uiten? Wat hadden onschuldige vrouwen en kinderen, die werden verkracht of vermoord, misdaan? Ik heb nog steeds zo veel vragen en naarmate de jaren verstrijken, worden die vragen hardnekkiger.’

Heeft u dan helemaal geen antwoorden?
‘Je mag de rol van de media niet vergete. Mensen werden tegen elkaar uitgespeeld. Langzaam, maar zeker werd de ‘ander’ als vijand neergezet, door bijvoorbeeld onjuiste informatie te verspreiden. Ze werden letterlijk klaargestoomd voor de oorlog, maar dat wisten we toen niet. Als je vandaag in Bosnië verschillende mensen, bijvoorbeeld Serviërs en Kroaten, spreekt, zeggen ze ‘klote dat de buitenlanders haat hebben gezaaid tussen ons’. Ze geven bijvoorbeeld de schuld aan de Britten en de Fransen. Ze negeren hun eigen fouten, dat vind ik kwalijk.’

Hoe kon het dat vrienden zo snel veranderden in vijanden?
‘Het leek erop dat de moordenaars totaal geen gevoel hadden, alsof ze hun gevoelens via een operatie hadden laten verwijderen, alsof ze onder invloed van medicijnen waren. Mijn schoonvader werd vermoord in een concentratiekamp en zijn bruidsgetuige, tevens zijn beste vriend, was één van de daders. Hij, baas van één van de ploegdiensten, werd later opgepakt en veroordeeld tot twintig jaar cel. Inmiddels is hij vrij. Het is heel vreemd, maar het eerstvolgende Suikerfeest na de oorlog belt hij onbeschaamd mijn schoonmoeder om haar te feliciteren met de feestdag. Toen was nog niet bekend wat er met mijn schoonvader was gebeurd, dus vroeg ze naar haar man. Hoe durf je dan om nog de nabestaanden te bellen? Je gaat dan letterlijk over lijken, schaam je je dan helemaal niet?’

Heeft u de Serviërs vergeven?
‘We koesteren geen haat of wraakgevoelens, maar helemaal vergeven gaat ons nooit lukken. Wij Bosniërs hebben het heel simpel niet in ons om te haten. Ik groet Serviërs als ik ze tegekom, maar ze komen nooit meer mijn huis binnen, nooit meer. Vroeger vierden we de bruiloften en verjaardagen samen, we rouwden samen wanneer een geliefde was overleden, maar dat is verleden tijd.’

Toch komen Serviërs soms met het verwijt dat ook moslims, zoals de ex-militair Naser Oric, niet helemaal onschuldig waren. Hoe denkt u daarover?
‘Dat wordt inderdaad gezegd en dat vind ik ook niet vreemd aangezien er nog steeds mensen zijn die Mladic als een held zien. Het punt is dat ze nooit hebben kunnen bewijzen dat Oric iets verkeerd heeft gedaan. Sterker nog, zelfs veel vijanden geven toe dat hij een gentleman was als commandant en zich aan de regels hield. Hij was heel goed op de hoogte van de Conventie van Genève en handelde daar ook naar. Moslimcommandanten moesten ook voor het Joegoslavië-tribunaal verschijnen en geloof me, als er bewijs zou zijn, dan waren ze net als Mladic veroordeeld.’

Hoe kijkt u naar de rol van Nederland in Srebrenica?
‘Ik kwam in 1994 naar Nederland en in 1995 vond de genocide in Srebrenica plaats. Hoewel ik de taal niet goed sprak, kon ik de debatten met enige moeite wel volgen. Het deed heel erg pijn om de gebeurtenissen vanuit Nederland mee te krijgen. Dat Nederlandse soldaten de enclave niet konden beschermen is één ding, want ik weet met wat voor monsters ze te maken hadden. Maar het moment dat ze na alle ellende in Zagreb aankwamen en daar feestelijk werden ontvangen, kan ik niet vergeten. Ze hebben gefaald, ze hebben toegekeken hoe honderden onschuldigen op brute manier zijn vermoord. Had dan tenminste een beetje respect getoond voor de slachtoffers. Was dat te veel gevraagd?’

Helpt het dat verschillende landen spijt betuigen?
‘We hebben geen medelijden nodig, vooral niet van landen die er niet in zijn geslaagd een bloedbad te voorkomen. Het is zo’n cliché dat sommige mensen telkens zeggen dat de gebeurtenissen zoals in Bosnië nooit meer herhaald worden. Wacht maar tot het moment dat er weer een genocide voor de deur staat, ik garandeer je dat het dan weer oorverdovend stil zal zijn.’

‘Laat je niet wijsmaken dat iets niet kan’

0
De Kanttekening spreekt ‘nieuwe’ Nederlanders die op weg zijn naar de top. Deze week: de Marokkaans-Nederlandse Hanina Berrouba (28).

Wat doe je?
‘Ik ben karateka in het nationaal team van Nederland, al vijftien jaar. Ik ben meervoudig Nederlands en internationaal kampioen. Daar ben ik bijna full-time mee bezig. Ik leef voor de sport en ben erg competitieverslaafd. Ik heb heel mijn leven niets anders gedaan. Toen iedereen buiten aan het spelen was, moest ik van mijn vader trainen. Ik kom uit een familie van sporters. Mijn zusje beoefent ook karate op topniveau, mijn moeder heeft atletiek gedaan en mijn vader voetbal. Op de basisschool kwam ik voor het eerst in aanraking met karate via een schoolvriendje. Ik kwam op een sportschool terecht, waar ik ‘per ongeluk’ kampioen werd en toen ben ik blijven hangen.’

Waar wil je heen? 
‘Ik wil de wereldtitel, pas dan zal ik een voldaan gevoel hebben. Niet dat ik dan stop, op mijn leeftijd kan je nog lang mee. Verder wil ik met meer bezig zijn dan alleen karate. Het is al heel lang een droom van me om een hotel in het buitenland te beginnen.’

Heb je een kruiwagen? 
‘Ik heb veel geleerd van mijn collega Vanesca Nortan. Ze leerde me beter te worden in het vak. Nortan en haar moeder hebben me geleerd niet te veel vrienden te maken in de karatewereld. Het is een harde wereld, je kunt niet iedereen vertrouwen. Verder krijg ik veel steun van mijn ouders. Ze pushen me niet, maar moedigen me wel aan. Ze hebben me alle vrijheid gegund om ervoor te gaan.’

Zijn er beren op de weg? 
‘Het is moeilijk om met de teleurstellingen om te gaan. Je traint heel lang en dan geef je in de laatste tien seconden de partij weg door een foutje. Het kost dan veel motivatie en kracht om je voor de volgende wedstrijd klaar te maken. Karate gaat ook uiteindelijk om wie het sterkste is tussen de oren. Verder biedt het sociale leven veel verleidingen. Mijn vrienden steunen me allemaal, maar als ik moet afzeggen voor een feestje, omdat ik moet trainen, dan valt me dat toch zwaar. En het blijft, ook in de sportwereld, een feit dat je harder moet werken, omdat je een Marokkaan bent.’

Heb je tips? 
‘Ga er voor, wat mensen ook zeggen. Zolang je er zelf in gelooft is veel mogelijk. Spreek je dromen uit en werk er keihard voor. Dat is de enige manier om de top te halen. Laat je niet wijsmaken dat iets niet kan.’

‘Sommige basisscholen nemen vrijwel uitsluitend ‘kansrijke’ kinderen aan’

1
Kinderen met een migratieachtergrond vinden steeds moeilijker aansluiting in het onderwijs. Experts pleiten voor specifieke begeleiding.

Verrassend kan je het niet noemen, de uitkomsten van het onderzoek naar de schoolcarrière van leerlingen uit Amsterdam. Kinderen van autochtone ouders met een goede baan en opleiding presteren het beste op school. Van deze groep heeft 67 procent kans op een succesvolle schoolloopbaan zonder vertraging. Dan volgen de kinderen van autochtone ouders met een laag inkomen en een lage opleiding. Van deze leerlingen haalt 48 procent zonder problemen zijn diploma. Hekkensluiter is de groep leerlingen van niet-westerse afkomst van wie de ouders laag opgeleid zijn en in de bijstand zitten. Van deze kinderen heeft maar 35 procent een probleemloze schoolcarrière. Voorzieningen die het mogelijk maken om bijvoorbeeld met korting studieboeken aan te schaffen of zwemlessen te volgen, zorgen in arme gezinnen voor betere schoolprestaties, maar nemen de grote verschillen niet weg. Dat concludeert de Amsterdamse Rekenkamer in het onlangs verschenen onderzoeksrapport Armoedebeleid en de impact op kinderen.

De Kanttekening sprak daarover onderwijsexperts. Volgens onderwijskundige Zeki Arslan komen de conclusies van het Amsterdamse rapport overeen met wat al jaren bekend is. ‘Het gaat niet goed met de onderwijsgelijkheid in Nederland.’ Ook onderwijssocioloog Maurice Crul, hoogleraar Onderwijs en Diversiteit aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Erasmus Universiteit Rotterdam, is niet verwonderd. ‘De kloof tussen ‘kansarm’ en ‘kansrijk’ neemt de laatste jaren alleen maar toe. De verschillen tussen kinderen in het basis- en voortgezet onderwijs worden steeds groter. Het inkomen van de ouders wordt steeds bepalender voor naar welke school een kind uiteindelijk gaat. Er is een trend onder ouders uit de midden- en hogere klasse om hun kinderen naar bijles te sturen. Voor arme gezinnen zijn die lessen niet te betalen’, zegt Crul. ‘En sinds het leenstelsel is ingevoerd kiezen studenten uit gezinnen met lagere inkomens, minder vaak voor het hoger onderwijs. De studieschuld weegt in gezinnen met weinig geld zwaarder.’

De tweedeling begint al vroeg. Veel steden kampen met segregatie in het onderwijs.
‘Sommige basisscholen nemen vrijwel uitsluitend ‘kansrijke’ kinderen aan en er zijn scholen met een grote concentratie ‘kansarme’ kinderen. Die laatste groep lukt het niet om de achterstand van de leerlingen aan te pakken’, zegt Arslan. ‘Op ‘zwarte’ scholen met veel ‘kansarme’ kinderen werken vaak jongere leerkrachten. Het ziekteverzuim is er hoog en er is een tekort aan leerkrachten. De klassen zijn er daarom groot, terwijl deze kinderen juist gebaat zijn met kleinere klassen en individuele aandacht.’

Crul benadrukt dat de ongelijkheid na de basisschool alleen maar groter wordt. ‘De afschaffing van de cito-toets draagt daaraan bij’, zegt hij. ‘Niet langer een onafhankelijk meetinstrument, maar het schooladvies van de leerkracht is doorslaggevend. Hoogopgeleide ouders kunnen dit advies beter beïnvloeden.’

Arslan wijst erop dat de grote boosdoener de slechte onderwijskwaliteit van sommige scholen is. ‘Tussen basisscholen bestaan grote kwaliteitsverschillen. Er zijn in Nederland geen landelijke doelen vastgesteld over wat scholen moeten bereiken met de middelen om de achterstand weg te werken. Daar is ook geen controle op.’

Slecht onderwijs gaat volgens Crul vooral ten koste van ‘verborgen talent’: kinderen die nooit de kans hebben gekregen zich via onderwijs te ontwikkelen, maar wel veel capaciteiten bezitten. ‘Als deze getalenteerde kinderen goed begeleid worden, stromen ze na de basisschool zo door naar havo en vwo. Vaak gaat het om kinderen van migranten uit Turkije en Marokko of recentelijk uit Eritrea en Syrië.’ De hoogleraar vindt het belangrijk goed te kijken naar de combinatie van maatregelen zoals het schooladvies en het leenstelsel en de effecten ervan. ‘Er blijven maar nieuwe regels komen uit Den Haag, maar het is maar de vraag of ze goed uitpakken.’

‘Binnenkort zal ook de sleutel veranderen waarop scholen geld krijgen voor kinderen uit achterstandsmilieus. Tot nu toe werd gekeken naar opleiding van ouders en of het gezin een migratiegeschiedenis heeft. Dat laatste criterium gaat minder zwaar wegen. De gedachte daarachter is dat alleen kinderen van laagopgeleide ouders extra steun nodig hebben in het onderwijs. Voor een deel klopt die redenering. Voor kinderen van Turks-Nederlandse ouders met een academische opleiding is de Nederlandse taal vaak geen probleem. Maar kinderen van hoogopgeleide Syrische asielzoekers hebben juist wel die ondersteuning nodig.’

Een groot probleem is ook volgens Arslan dat ‘kansarme’ kinderen in het onderwijs door niemand vertegenwoordigd worden. ‘Ze hebben geen eigen belangengroep. De onderwijsbonden en lobbygroepen van actieve hoogopgeleide ouders zitten regelmatig met wethouders en schoolbesturen om de tafel. Maar de laagopgeleide vaders en moeders zitten daar nooit bij, ze praten niet mee. Ze kunnen dus ook niet aan de bel trekken en vragen als ‘waarom geeft u onze kinderen zwak onderwijs?’ en ‘waarom stromen ze niet door naar goede middelbare scholen?’ stellen.’ Volgens Arslan ligt de oplossing in het opheffen van de autonomie van scholen en actief bemoeien met de besteding van de budgetten. ‘Dat kan door bijvoorbeeld samen met ouders te kijken naar hoe het onderwijs verbeterd kan worden en hoe je de beste docenten naar scholen krijgt. Dat laatste kun je alleen bereiken door ze meer salaris te geven. Er zijn afgelopen jaren zo’n honderdduizend vluchtelingenkinderen bijgekomen. Daar zijn professionals voor nodig. Niet iedereen heeft thuis bibliotheekboeken en een open haard.’

Van vreemde smetten vrij maar dan in een nieuw jasje

1

In 2015 verscheen Martin Bosma’s boek Minderheid in eigen land, over de volgens hem kwalijke rol van progressief Nederland in de strijd tegen het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime. Hij neemt het daarin op voor de blanke Afrikaner minderheid en voorspelt dat als we geen korte metten maken met het multiculturalisme, de autochtone Nederlanders over een halve eeuw een zelfde lot beschoren zijn. Door ‘massa-immigratie’ van vooral niet-westerse immigranten zullen de ‘echte’ Nederlanders demografisch en daarmee cultureel, het onderspit delven.

Inmiddels zijn we twee jaar verder en horen we vergelijkbare geluiden van de new kid on the block, Thierry Baudet, die waarschuwt tegen een ‘homeopathische verdunning’ van de Europese bevolking als gevolg van ‘massa-immigratie’. Ook hier weer de suggestie dat ‘linkse deugmensen’ door hun open grenzen-gedram, een ‘migratiestroom’ zonder weerga mogelijk maken. Zoals Joshua Livestro in de NRC van 3 juni jongstleden al duidelijk maakte, is de bangmakerij voor massa-immigratie onderdeel van een cultuurpessimistisch complotdenken. Het ‘Avondland’ zou in een ‘doodsstrijd’ gewikkeld zijn. Grote en apocalyptische woorden die doen denken aan racistische angstdromen van Amerikaanse white supremacists. Een nieuwe, ook door Baudet en anderen gebruikte omineuze term in dit verband is ‘omvolking’, een proces dat er toe zou leiden dat het eigen volk op den duur zou verdwijnen.

Recentelijk heeft deze opvatting steun gekregen van cultureel antropoloog Jan van de Beek, die een proefschrift schreef over de kosten van migratie. De afgelopen jaren ontwikkelt hij zich, middels een eigen website (demo-demo.nl), als een verklaard tegenstander van het opnemen van vluchtelingen en andere niet-westerse immigranten. Die zouden namelijk een financiële en culturele bedreiging vormen voor de samenleving. Met uitzondering dan van Europeanen en  blanke Afrikaners, immers stamgenoten. Nou mag je dat allemaal vinden, maar zijn bewijsvoering is niet erg sterk.

Als vluchtelingen werkelijk zo’n belasting voor de verzorgingsstaat zouden zijn, dan waren we er in de jaren negentig, toen er veel meer kwamen en de economie slechter draaide, allang aan onderdoor zijn gegaan. En wat die vermeende bedreiging van ‘onze’ cultuur betreft, hebben rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Vluchtelingengroepen in Nederland, 2010) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Geen tijd te verliezen, 2015) laten zien dat de meeste vluchtelingen uit islamitische landen na twintig jaar geen wezenlijk probleem hebben met de kernwaarden van de Nederlandse samenleving.

In een lezing op 17 november jongstleden voor de jongerenafdeling van het Forum voor Democratie trad Van de Beek in de voetsporen van de omvolkingsdenkers door een prognose te geven van de samenstelling van de Nederlandse bevolking aan het eind van de eeuw. Nu is dit een tamelijk speculatieve exercitie, omdat niemand kan voorspellen hoe de migraties en vruchtbaarheid zich zo’n lange toekomst zich zullen ontwikkelen. Het komt meestal neer op het doortrekken van trends uit het recente verleden en is als zodanig een erkende demografische tak van sport. Zo voorspelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat er in 2060 zo’n 5,7 miljoen ‘allochtonen’ zijn, van wie ruim 42 procent uit het Westen, circa twee miljoen meer dan nu, tegen zo’n 12,4 miljoen autochtonen. Kortom een derde van de bevolking is dan ofwel zelf in het buitenland geboren of één van hun ouders. Het gaat dan overigens om alle ‘buitenlanden’, van België tot China. Vreemd is dat overigens niet. Nederland is al eeuwen een open economie en de komst van immigranten is juist een teken van economische en culturele vitaliteit.

Van de Beek kijkt echter verder dan het CBS en voorspelt op basis van een eigen model dat aan het einde van de eeuw de autochtonen in de minderheid zijn. Dat is opmerkelijk, want dat kan alleen als je, anders dan het CBS, uitgaat van een voortdurend zeer hoge (asiel)migratie en/of dat je ook de kleinkinderen van immigranten als ‘allochtoon’ blijft beschouwen. Het eerste scenario is bijzonder onwaarschijnlijk en gaat uit van een véél hoger jaarlijks gemiddelde dan we in de afgelopen decennia hebben gezien. Het tweede scenario past eveneens binnen het radicaal-rechtse integratiepessimisme en doet denken aan het voorstel uit 2011 van het toenmalige PVV-Tweede Kamerlid Joram van Klaveren om de niet-westerse derde generatie eveneens als ‘allochtoon’ aan te merken. Want stel je voor dat deze Nederlanders niet meer apart herkenbaar zouden zijn? Zo’n keuze ontkent echter niet alleen dat een niet onaanzienlijk deel van de tweede generatie reeds op veel terreinen al in hoge mate is geïntegreerd, maar bezorgt de ‘allochtoon’ een bijkans erfelijke status. Autochtonen, die vaak ook van immigranten afstammen, daarentegen worden als een geïsoleerde bedreigde en onveranderlijke diersoort voorgesteld. Het is een essentialistisch wij-zij-denken dat we vooral kennen uit raciale theorieën.

Prognoses zoals die van Van de Beek en de aanvechtbare aannames die er aan ten grondslag liggen, passen naadloos in het apocalyptische beeld van een uitstervend Europa, dat wordt overlopen door immigranten uit Afrika en Azië. Het is een duidelijk voorbeeld van ideologisch activisme, gebaseerd op negatief wensdenken. Dat blijkt ook uit zijn uitspraak tijdens de lezing van 17 november dat ‘als we niks doen wij minderheid in eigen land worden’. Vandaar ook zijn stelling dat Nederland ‘asiel zou moeten beperken tot Europeanen en enkele uitzonderingsgroepen zoals Afrikaners’. Kortom, van vreemde smetten vrij, maar dan in een nieuw jasje.

‘Men was tevreden met wat men had, dat zijn ze nog steeds’

0
In Noord-Drenthe zijn de meeste mensen gelukkiger dan elders in Nederland, zo blijkt uit onderzoek. De Kanttekening toog naar het Noord-Drentse plaatsje Vries en vroeg bewoners wat hun zo gelukkig maakt.

Mensen in Drenthe zijn het gelukkigst van Nederland volgens een recent onderzoek van de Universiteit Utrecht. In het rapport De brede welvaartsindicator staat Noord-Drenthe bovenaan, gevolgd door de regio Zuidwest-Drenthe. Waar komt dit grote welzijnsgevoel onder deze noordelingen vandaan en wat kan de gestreste westerling leren van deze provinciale levensgenieters?

Paradijs
In het bosrijke gebied tussen Groningen en Assen ligt al meer dan 1.200 jaar het pittoreske dorpje Vries. Een plaatsje met 4.292 inwoners. Bij café Onder de Linden snappen ze de uitkomst van het onderzoek van de Universiteit Utrecht wel. ‘De relaties tussen de mensen is bepalend voor het geluk’, verklaart cafébaas Sietse Hamersma. Zijn goede vriend Mariano Salgado Escudero naast hem aan tafel is het daarmee eens. ‘Als je hier binnenkomt maakt Sietse meteen een praatje. In Groningen is dat heel anders, de mensen lachen hier meer.’ De in Mexico geboren oud-muziekdocent werd zelf in 1977 verliefd op het gebied tijdens een stage aan het conservatorium. Dat de Drentenaar in de rest van Nederland bekend staat als stug begrijpt hij niet. ‘Mensen in het westen praten makkelijk, maar ze laten je ook makkelijk vallen.’

Escudero herinnert zich hoe studenten hem hielpen met het behangen van zijn eerste Nederlandse woning. Ook kreeg hij van hen een kachel cadeau. ‘Ik dacht een kachel, wat moet ik met zo’n ding? Tijdens de winter stelde ik mijn mening bij. Ook moest ik in het begin wennen aan de stilte op het platteland.’ Niet gek wanneer je bedenkt dat hij zijn jeugd doorbracht in Mexico-Stad. ‘Toch waren het vooral de muzikale klanken die me voorgoed deden aarden in de ‘oer-Hollandse!’ klei. Je had in die tijd ontzettend veel symfonieorkesten, het was bijna een paradijs!’

Volgens Escudero denken mensen uit de rest van Nederland vaak onterecht dat Drenthe een achtergesteld gebied is waar alleen maar boeren wonen. ‘Wij zijn een vreselijk ontwikkeld gebied toch?’, zegt hij lachend tegen Hamersma. De barman merkt op dat zijn collega’s in de hoofdstad vaak Engels terug praten, ook als er in het Nederlands is besteld. Volgens hem een teken van gebrek aan gemeenschapsgevoel. ‘Ik praat Duits, Frans, Engels, Fries en Gronings terug tegen iedereen, dat is gastvrijheid.’ Dat is overigens geen overbodige luxe, want in de zomer weten ook redelijk wat toeristen de weg naar Vries te vinden. De gastvrije houding heeft de zaak ook financieel gezien geen windeieren gelegd. Uit een krantenknipsel aan de muur blijkt dat café Onder de Linden onlangs nog is uitgeroepen tot het beste bedrijf van de gemeente Tynaarlo. In de zaak die beschikt over twee zalen en een podium gebeurt dan ook veel meer dan bier drinken alleen. Zo spelen de vijf biljartclubs uit het dorp hier hun wedstrijden en komen ook de dertig andere Vriese verenigingen regelmatig over de vloer. ‘De fokclub van de boeren, maar ook de bingo of politieke partijen, alles kan en mag hier.’

Kleine boeren
Dat de Vriese gemeenschap hecht is blijkt ook wanneer de verslaggever terloops laat merken nog een lokaal historicus te zoeken. Tien minuten en een telefoontje van Hamersma later loopt Jan Zuurd de kroeg binnen. De man blijkt naast romanschrijver en klompenmaker ook lid te zijn van de Historische Vereniging Oud Vries. Zuurd zit al snel op zijn praatstoel en verhaalt over het Vries van 1800, een plek die voornamelijk bestond uit kleine boeren en ambachtslieden met vaak ook een paar koeien op stal. ‘Het was een aparte gemeenschap, men keek niet over de grens en veel grond was gemeenschappelijk gebied.’

Jan Zuurd

Dit gevoel is volgens de amateurhistoricus nog steeds terug te vinden in de autochtone Vries. Zo is de Brink in het dorp nog steeds voor een gedeelte in gemeenschappelijk bezit. In tegenstelling tot veel andere plaatsen kende het dorp ook geen echte elite die voor kosmopolitische problemen kon zorgen. ‘Havezaten had je in Vries niet, daarom is het zo’n rustig dorp gebleven.’ Ook in latere tijden duurde het vaak lang voordat de regio aansluiting vond bij de rest van Nederland. Soms letterlijk. De eerste verharde weg van Assen naar Groningen werd pas in 1932 aangelegd. ‘Men wist niet anders en was tevreden met wat men had, dat zijn ze nog steeds.’

Zuurd zelf hecht overigens weinig waarde aan de titel van ‘gelukkigste regio van Nederland’. ‘Net zoals iedereen getrouwd is met de mooiste vrouw ter wereld, moet je vooral je eigen geluk maken’, vindt hij.

Tot slot vertelt Zuurd een typerende anekdote over de eerste smederij in Drenthe die een fiets in de etalage had staan eind 1800. ‘Dat heeft hem al zijn klanten gekost. Soms houden de mensen hier wat te veel vast aan het verleden, dat zie je ook terug in het lokale verenigingsleven.’ Tegelijkertijd wordt dat bij de jongere generatie volgens hem wel steeds minder. Zo is Vries het eerste dorp in Nederland met een horseballvereniging, een nieuwe paardensport die waarschijnlijk weinig mensen iets zal zeggen.

Bot
De huidige fietsenmaker van het dorp, Purshottama Bhardvaj (gefingeerde naam), vindt het vooral prettig hoe de mensen met elkaar omgaan in het dorp. ‘Als je in het westen ‘hoi’ tegen iemand zegt kijken ze je verwilderd aan. De mensen daar zijn meer met zichzelf bezig.’ Dat Drentenaren meestal eerst de kat uit de boom kijken betekent volgens hem niet dat nieuwkomers niet geaccepteerd worden. Ook asielzoekers zijn volgens hem onder bepaalde voorwaarde van harte welkom. ‘Ik ben niet racistisch, maar ze moeten wel gewoon doen en een beetje aanpassen.’ Een tip voor westerlingen om gelukkiger te worden heeft hij ook. ‘Minder verheven doen en vriendelijker zijn. Moet je zien wat er gebeurt als je iemand per ongeluk aanstoot op straat in Amsterdam en dan zeggen ze dat wij in het noorden bot zijn.’

‘Mijn stem is mijn reddingsmiddel’

0
Al van jongs af aan kreeg Dina-Perla Portnaar te maken met geweld. Thuis werd ze mishandeld, op school kreeg ze niet de steun waar ze op hoopte. Ze besloot er over te schrijven. De Kanttekening sprak haar.

Dina-Perla Portnaar (32) groeide op in een ultra-orthodox-joods gezin waar niets was wat het leek. Ze leefde er een onveilig leven vol geweld en pesterijen, onder meer van haar gehandicapte moeder. Daarnaast zat ze op de strenge ultra-orthodoxe joodse school Cheider in Amsterdam, die wist van de gevaarlijke thuissituatie, maar niet consequent ingreep. Ze wist haar hoofd boven water te houden. Ze ging op haar achttiende op zichzelf wonen en brak met de gesloten orthodox-joodse gemeenschap. Ze beschrijft het allemaal in haar memoires Exodus uit de vuurtoren dat recent is verschenen.

Al van jongs af aan kreeg Portnaar te maken met geweld. Ook op haar school, het Cheider, waar een oud-docent nu verdacht wordt van het misbruiken van leerlingen. Het zijn stuk voor stuk mechanismes waarvan ze vindt dat die ontsleuteld kunnen of moeten worden. Daar komt nog bij dat ze er niet zo heel lang geleden achter kwam dat ze geen kinderen kan krijgen, omdat ze endometriose heeft, een vrouwenziekte waarbij weefsel (endometriose) dat lijkt op baarmoederslijmvlies buiten de baarmoederholte voorkomt. Opnieuw iets dat volgens haar in de joodse gemeenschap vaak onbespreekbaar is.

Ze geeft nu voorlichting over endometriose in de joodse gemeenschap en is ze genomineerd voor de Joke Smitprijs, een prijs die wordt toegekend aan vrouwen die de positie van andere vrouwen beter maken. Voor haar boek heeft ze onder meer haar oude buren, hulpverleners en de schoolleiding van het Cheider gesproken.

Waarom wilde je hier een boek over schrijven?
‘Ik ben lang weggerend voor het schrijven, maar mijn buurman, schrijver Joost Zwagerman moedigde me aan om het toch te doen. Ondertussen moest ik wel de rekeningen betalen, dus naast mijn voorliefde voor verschillende media, heb ik een soort schaduwloopbaan gebouwd om het schrijverschap heen. Het echte moment om dit boek te schrijven kwam vorig jaar, toen ik ontdekte dat ik geen kinderen kon krijgen. Ik had tijd om na te denken. Ik besloot de verhalen achter mijn verhaal, dus mijn familie, uit te pluizen. Dus de biologische kinderloosheid heeft me er uiteindelijk toe aangezet om te doen wat ik altijd al wilde doen en waarvan ik wist dat ik het moest doen.’

Voelde je een drang om dit te schrijven?
‘Ja. Ik zag ook altijd mijn boeken al in de winkels liggen. Maar ook het krijgen van biologische kinderen, dat was iets groots voor me, iets waar ik iedere dag naar toe werkte. Ik kwam in een rouwproces terecht, maar dat had niets te maken met het ouderschap op zich. Er zijn immers andere manieren om ouder te worden. Maar het biologische was zo gelinkt aan het ego, dat het heel beladen werd. Ik wilde een biologisch kind om het beter te doen dan mijn familie, om het goed te maken en omdat het iets menselijks is om een nieuwe generatie op te laten groeien.’

Werd het krijgen van kinderen van je verwacht?
‘Absoluut. Ik kom uit een ultra-orthodoxe joodse gemeenschap en ben opgegroeid in een afgebrokkelde familie vol met leugens. Ik heb op het Cheider gezeten, een joods-orthodoxe school, waar nooit eerder een boek over is geschreven. Je schrijft over een groep mensen die eeuwenlang veel heeft geleden en ik voelde die druk om een kind te krijgen om zo iets terug te geven aan de gemeenschap. Ik was geprogrammeerd om biologisch een kind te krijgen, maar dat kon ik dus niet.’

Heeft je ego daardoor een deuk opgelopen?
‘Het was een ego-dingetje, ja. Het had mogelijk voorkomen kunnen worden als ik van mijn moeder aan de pil had gemogen. Ik heb de laatste jaren veel aan zelfstudie gedaan en nu zit ik in een heel andere fase van mijn leven en snap ik bepaalde dingen beter en dat lees je terug in het boek, dat over het begin van mijn leven gaat.’

Hoe reageerde de joodse gemeenschap erop dat je geen kinderen kan krijgen?
‘Met mijn familie is het contact minimaal. In de gemeenschap is het wel doorgesijpeld, maar ik zit daar niet meer. Ik geef wel voorlichting over endometriose in de joodse gemeenschap en dat is fantastisch. Daarmee is de cirkel wat mij betreft ook enigszins rond. Ik weet alleen hoeveel werk er nog te doen is. Oude mechanismen zijn nog steeds van kracht in die gemeenschap, er is sprake van een hiërarchie, een machtsstructuur en veel taboes. Het zijn mechanismen die in deze tijd geen nut meer hebben en vaak zitten ze humaniteit en het bestaansrecht van de mens in de weg. Patronen die van generatie op generatie voortgezet worden.’

Komt dat terug in je memoires?
‘Ja. Er zitten twee kanten aan dit verhaal. Aan de ene kant mijn persoonlijke verhaal en de geschiedenis van drie generaties vanuit mijn perspectief. In dit eerste boek, onder meer het verhaal van het Cheider. Ik wil dit echt aan de wereld vertellen. Mensen kennen dat deel van mij niet, omdat ik het altijd geheimgehouden heb.’

Wat kan de joodse gemeenschap leren van jouw verhaal?
‘Dat ze adequaat moet handelen bij veel situaties en mechanismen en dat humaniteit altijd op de eerste plaats moet komen. Sommigen uit de gemeenschap wisten dat het niet goed was bij mij thuis en ze deden niets. Ik had hulp nodig en had uit huis geplaatst moeten worden. Toen ik op mijn achttiende zelf uit huis ging, nadat ik in het ziekenhuis belandde door het geweld van mijn oudste halfbroer, deed ik voor het eerst aangifte en kon ik niet meer terug. Toen ben ik keihard gaan vechten voor mijn leven. Een lerares van het Cheider kwam later nog naar me toe, toen ze las over mijn biologische kinderloosheid. Ze heeft echt bij mij zitten huilen en excuses aangeboden.’

Hoe kijk je daar op terug?
‘Het kalf is al verdronken. Voorlichting geven over endometriose zal nooit een biologisch kind kunnen terugbrengen. Natuurlijk zijn er heel veel goede mensen in de joodse gemeenschap, maar dit soort taboes moeten uit de wereld. Ik snap het niet dat mensen elkaar pijn doen. We moeten als mensheid naar een volgend niveau, een ander bewustzijn, waar dit soort dingen niet meer mogelijk zijn. Ik zie dat veel van de mechanismen uit de joodse gemeenschap ook in andere entiteiten, zoals het bedrijfsleven, voorkomen en ook daar kan best aan gewerkt worden.’

Doel je daarmee op #MeToo?
‘Bijvoorbeeld, ja. Er moet meer transparantie komen. Transparantie lijkt simpel, maar dat is het niet. Ik heb respect voor mensen die ‘sorry’ durven te zeggen, die een fout toe durven geven, zoals in de #MeToo-discussie. We moeten weer één geheel worden en dat is het bewustzijn waar we mee bezig moeten zijn. Dat probeer ik met mijn boek ook aan te geven.’

Beeld: Dina-Perla Business

Verwacht je een mea culpa van de joodse gemeenschap?
‘Ik heb weinig verwachtingen en dat vind ik erg. Daarom vind ik het gebaar van die docente die wel spijt betuigt, zo mooi. Daarmee heeft ze het voor mij toch gezegd namens al die mensen die het niet zullen doen. Kinderen zijn afhankelijk van anderen om hen heen. Ze hebben geen referentiekader en hoe ouder ik word, des te gekker mijn jeugd wordt. Ondanks dat ik een kind was en weet dat het niet mijn schuld was, durf ik mijn hand in eigen boezem te steken. Ik zeg precies waar het op staat, maar dat vinden mensen niet altijd leuk. Mijn stem is mijn reddingsmiddel, ik kan me niet conformeren aan dingen waar ik niet in geloof.’

Waarom heb je er zo lang mee rondgelopen?
‘Schaamte, heel veel schaamte. Dat is de reden waarom ik nu pas dit boek naar buiten breng, vooral over waar ik vandaan kom. Ieder familielid is als een spiritueel meester om in mijn leven exact te weten wat ik in mijn leven wil en niet wil en om het beter te doen. Ik heb er mijn kracht van gemaakt. Ik heb keihard gewerkt aan vergeving, vooral van mijn moeder.’

Heb je je familie vergeven?
‘Ik heb iedereen vergeven. Ik heb me daarvoor verdiept in kabbala (de joods-mystieke traditie, red.). Spiritualiteit heeft me geholpen met vergeven. Ik zit nu in een nieuwe fase en er is zo veel ruimte tussen waar ik toen stond en waar ik nu sta, dat ik alles vanuit alle perspectieven bekeken heb. Ik heb echt afstand genomen om alles goed te kunnen onderzoeken. Ik had graag gezien dat mensen hun excuses hadden aangeboden, maar wie ben ik om te vinden dat dat nodig is? Vanuit spiritueel oogpunt is het een illusie, vergankelijk en dus niet echt.’

Heb je nu vrede met het verleden?
‘Ik heb heel veel rust. Eindelijk. Ik kijk uit naar de toekomst, want ik begin pas. Ik weet dat ik mijn leven zelf moet creëren. De enige manier om mijn leven goed te doorlopen is door het heft in eigen hand te nemen. Mijn leven is niet makkelijk, maar wel heel krachtig en mooi. Het is omlaag of omhoog en ik moet het zelf doen. Het gaat niet om goed of fout of hoe vreselijk het is wat er allemaal is gebeurd. Ik word binnenkort drieëndertig en in die periode heb ik al zo’n beetje vijf levens erop zitten. Er is te veel gebeurd in te weinig tijd, maar nu begrijp ik veel meer.’

Het lijkt me niet makkelijk om dat te zeggen.
‘Toch kan ik het bijna, met een paar kleine puntjes op de i, zeggen. Mijn familiegeschiedenis heeft me geleerd niet te oordelen en bescheiden te zijn. Deze serie boeken is de enige manier om alles in mijn familie te ‘fiksen’, helen. Dat wil ik nog doen. Mijn moeder zei dat ook altijd, dat ik alles kon ‘fiksen’.’

Staat je familie of de gemeenschap daar voor open denk je?
‘Ik hoop het. De enige manier om dit te doen is transparantie, heling en transformatie. Het ontsleutelen van de mechanismen in gesloten gemeenschappen kan alleen door middel van transparantie. Het werk dat ik doe komt echt uit mijn hart. Uit de tenen van mijn innerlijke ik. Ik ben niet tegen religie of dit soort orthodoxe gemeenschappen, maar humaniteit moet voorop staan én iemand moet er echt voor gekozen hebben en er niet alleen maar deel van uitmaken, omdat hij of zij er geboren is. Ik ben joods geboren, maar ik ben ook christen, moslim en boeddhist. Dat is volwassen met God omgaan, terwijl veel gelovigen zeggen dat er maar één weg of waarheid is. Als ik joods ben, kan ik officieel geen moslim zijn en dat is een ander soort bewustzijn. Geloof is diversiteit.’

Van inburgerende statushouder tot houder van een inburgeringsschool

0
Syrische vluchteling Wael Shaker was ontevreden over zijn inburgeringstraject, dus startte hij zijn eigen inburgeringsschool. De Kanttekening nam er een kijkje.

Twee jaar geleden schreef de Syrische statushouder Wael Shaker zich in bij een inburgeringsschool. Zijn ervaring bij deze onderwijsinstelling was echter zo slecht dat hij besloot er zelf één te beginnen. Samen met Margot van Bragt runt hij inmiddels TCI Compiti. Die is met eenendertig vestigingen inmiddels één van de grootste inburgeringsaanbieders van Nederland.

Buitenlands accent
Op het hoofdkantoor van TCI Compiti is het een komen en gaan van veelal jonge Syrische mannen. Net als alle andere statushouders in Nederland zijn ze verplicht hun eigen inburgeringsonderwijs te regelen. Ook Wael Shaker moest enkele jaren geleden op zoek naar een taalschool. Zittend achter het bureau in zijn werkkamer van TCI Compiti herinnert de Syriër zijn eigen inburgeringstraject als een lange weg vol frustraties. Dat begon al met de wachttijd van zes maanden. Verder waren de klassen overvol en sprak de docent Nederlands met een buitenlands accent. ‘Ik was boos. Als ik Nederlands met een accent leer, dan spreek ik dus geen goed Nederlands.’ Klachten daarover bij de directie werden volgens Shaker verworpen als racistisch. ‘Onterecht’, vindt de Syrische vluchteling. ‘Je gaat toch ook in het buitenland geen vreemde taal leren van een Nederlander.’

Zij gelooft in mij
Het idee voor de school kwam nadat Shaker Margot van Bragt leerde kennen. Zij gaf op dat moment al Italiaanse les, waar de naam Taal Centrum Italië (TCI) Compiti nog altijd aan refereert. Shaker wist, mede dankzij zijn grote Syrische netwerk, haar te overtuigen om de switch te maken naar inburgeringsschool. ‘Ik dacht in het begin: zij is gek, want ze gelooft in mij’, grapt Shaker. Toch waren zijn eerste stappen als ondernemer in Nederland niet helemaal zonder serieuze twijfels. Vooral het inschrijven bij de Kamer van Koophandel staat hem nog goed bij als een onzeker moment. Zo wist hij niet honderd procent zeker of hij überhaupt een eigen zaak mocht starten. ‘Het was een mooi en dankbaar moment, het gaf me meer geloof in Nederland.’ Wat begon met vijf studenten in Berkel en Rodenrijs is inmiddels uitgegroeid tot een bedrijf met eenendertig vestigingen. Volgens Shaker en Van Bragt zit het succes van hun school in de kleinere klassen, het netwerk van Shaker, aanmeldbonussen en het feit dat slimme studenten bij TCI Compiti bepaalde cursussen versneld en dus goedkoper kunnen afleggen.

Cowboys
Ondanks dit succes blijft de wereld van inburgeringsaanbieders volgens Shaker en Van Bragt een verraderlijke met veel cowboys. Zo beweerde een vrijwilliger van Vluchtelingenwerk in Zeeuws Vlaanderen dat asielzoekers gekort zouden worden op hun uitkering als ze zich niet aanmeldden bij een specifieke inburgeringsschool. Volgens de twee worden veel problemen veroorzaakt doordat gemeentes veel werk overhevelen naar derden. Zo wordt het wegwijs maken van statushouders in Breda vooral toevertrouwd aan Vluchtelingenwerk. Volgens Shaker denken statushouders daardoor vaak dat ze niet zelf mogen kiezen naar welke inburgeringsschool ze gaan. ‘Vanwege het cultuurverschil denken asielzoekers vaak dat Vluchtelingenwerk een autoriteit is, ze kennen hun rechten niet.’ Dat een oud-student van TCI Compiti inmiddels ook een inburgeringsschool is gestart die veel aandacht krijgt in de media zorgt ook voor irritatie. Op zijn computer laat Shaker zien dat TCI Compiti een 8.3 cijfer krijgt van kwaliteitswaakhond Blik op Werk, terwijl de school van de oud-student nog moet worden gekeurd. ‘We zien hierdoor de laatste tijd minder aanmeldingen. Ook hebben we het vermoeden dat de gemeente bepaalde scholen voortrekt’, vertelt Van Bragt.

Dobbelsteen
Dan is het tijd om zelf een lesje mee te draaien bij docent Paul Rotscheid. Hij werkt sinds een jaar voor TCI en heeft voor vandaag een taalspel voorbereid met dobbelstenen. ‘Dobbelsteen’, zegt Rotscheid tegen de tienkoppige klas terwijl hij wijst naar een getekende dobbelsteen op het bord. ‘Dobbelsteen’, roept de klas enthousiast. Voor de zekerheid doet de docent op zijn tafel nog even voor hoe de becijferde kubus ook alweer werkt. Opvallend is hoe gedreven de klas zich daarna stort op de taalles. Soms levert dat vrij hilarische dialogen op. Zo wordt de groep gevraagd wat je moet zeggen als je iets niet begrijpt. ‘Ik begrijp het’, antwoordt een student daarop. ‘Nee, als je het niet begrijpt’, kaatst Rotscheid terug. De student haalt zijn schouders op. ‘Ik snap het niet’, zegt hij.
‘Precies’, reageert de docent tevreden. Soms komen studenten ook in opstand als een antwoord hen niet zint. Zo kan een fiets volgens één van hen ook een voertuig zijn met vier wielen. ‘Ik heb er één gezien’, zegt hij stellig.

Pittig gesprek
Net als elke andere school zijn er ook een aantal laatkomers. Sommigen buiten adem, met excuses over wachtrijen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Anderen komen nonchalanter binnenlopen met een kopje thee in de hand. Het verschil in motivatie is iets waar Rotscheid rekening mee houdt. ‘De grootste uitdaging is iedereen te betrekken in de klas, ook de minder sterke sprekers’, vertelt de docent even later wanneer de klas druk bezig is met een vraag-en-antwoord-spel. ‘Tegelijkertijd moet je ook de sterke sprekers blijven motiveren met moeilijkere vragen.’ Volgens Rotscheid is het een misverstand te denken dat een inburgeringsschool alleen maar aan taallessen doet. Zo heeft de leraar ook discussies met zijn studenten over maatschappelijke thema’s. ‘Dat zijn soms pittige gesprekken over politiek, samenleving en democratie, maar ook over hoe je werk vindt. Ik merk dat de meeste Syriërs de democratische waarden hoog hebben zitten. Wel bereiken mij af en toe conservatieve signalen. Zo geven een aantal vrouwelijke studenten mij geen hand. Iets wat ik zelf overigens geen probleem vindt. Ze tonen respect door met hun hand op het hart een buiging te maken, dat is ook mooi.’

Reactie gemeente Breda
De gemeente Breda laat desgevraagd weten dat alle inburgeringsaanbieders gecertificeerd moeten zijn met het overheidskeurmerk Blik op Werk. Wanneer inburgeringsplichtigen een lening bij de Dienst Uitvoering Onderwijs voor inburgering aanvragen is dit keurmerk namelijk ook een voorwaarde. Het keurmerk biedt soms helaas onvoldoende garantie voor kwaliteit. Gemeente Breda werkt niet met een zwarte lijst, maar haalt bij haar inburgeraars wel informatie op om te monitoren of inburgeringsaanbieders voldoende presteren. Als de gemeente tot de conclusie komt dat de kwaliteit ondermaats is, dan kan het zo zijn dat ze inburgeraars adviseert van aanbieder te wisselen. Met de gecertificeerde inburgeringsaanbieders vindt tenminste één keer per kwartaal een plenair overleg plaats om dit soort zaken te bespreken.

Inmiddels is er contact geweest tussen de gemeente Breda en Tci Compiti en is de ergste kou volgens Van Bragt uit de lucht.