Kun je de woningnood aanpakken en tegelijk de integratie van statushouders bevorderen? Amsterdam probeert het met gemengde woonprojecten. Oud-bewoner Paco Kuit zag wat ervoor nodig is om samenwonen ook echt te laten werken.
Het was een simpele vraag. ‘Ik heb gekookt. Wil je mee-eten?’ Met die vraag begon het contact tussen Paco en wat uiteindelijk zijn beste vriend zou worden. ‘Mijn huisgenoten spraken de taal nog niet, maar eten heeft geen taal nodig. Die uitnodiging was een manier om liefde te tonen. Het was aftasten, maar het werkte’, vertelt de inmiddels 27-jarige Kuit, die zijn studententijd doorbracht in De Woondiversiteit.
De gemeente Amsterdam begon al in 2015 te zoeken naar manieren om jonge statushouders snel te huisvesten. Er was toen al een enorme behoefte aan woonruimte voor Amsterdamse jongeren en studenten. Met het idee van gemengde woonprojecten sloeg de gemeente twee vliegen in één klap. Twee groepen woningzoekenden werden voorzien van huisvesting en statushouders zouden terechtkomen in een sociaal netwerk van mensen die hen konden ondersteunen bij de integratie.
Als het aan het Rijk ligt, zullen er veel meer van dit soort projecten volgen. Gezien de nog altijd voortdurende wooncrisis moeten gemeenten veel meer gaan inzetten op ‘aanvullende vormen van huisvesting’, schreef minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening begin deze zomer in een brief aan de Tweede Kamer. Ze noemde daarbij ook gedeeld wonen en benadrukte dat een aantal gemeenten al een voorbeeldfunctie vervult.
Amsterdam kent op dit moment meerdere woonprojecten die elk op hun eigen manier invulling geven aan het concept gemengd wonen. De twee grootste – Startblok Riekerhaven en Startblok Elzenhagen – bieden plek aan respectievelijk 400 en 540 woningzoekenden. De Woondiversiteit opende in 2019 als experimenteel project en bestaat nog twee jaar, tot 2028. Daarna wordt het pand ontruimd omdat er een energiecentrale komt. Maar het project laat nu al een aantal waardevolle lessen achter.
Samenwonen als integratie
De Woondiversiteit aan de Hoogte Kadijk 401 werd in 2019 geopend in het voormalige pand van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Er kwamen 116 jonge bewoners van 18 tot 28 jaar. Vrouwen en mannen woonden apart, het gebouw was opgedeeld in units. ‘Je deelde de gang met maximaal tien anderen’, vertelt Kuijt.
‘Ik heb aan dit woonproject mijn beste vriend overgehouden’
In De Woondiversiteit werd het samenwonen zelf als integratie-instrument gezien. De woningen waren georganiseerd in dertien woonunits met maximaal tien bewoners, met een gezamenlijke keuken en woonkamer. Anders dan bij andere woonprojecten, waar de studenten een buddyfunctie vervulden, verliepen de ontmoetingen hier spontaan. Maar kun je integratie bevorderen door mensen simpelweg een keuken met elkaar te laten delen? Of is daar meer voor nodig?
Hier blikt Kuit graag op terug. Sterker nog, het woonexperiment vormde het onderwerp van zijn masterscriptie aan de Erasmus Universiteit. Hij geeft de voorkeur aan de term relationele integratie. ‘Integratie als een relationeel proces, in plaats van een proces dat zich richt op de migrant’, zo schrijft hij in het voorwoord van zijn academische werk.

‘Ik heb aan dit woonproject mijn beste vriend overgehouden. Een Syriër. We zijn vorig jaar samen op vakantie geweest naar Jordanië’, vertelt hij. ‘Het is heel natuurlijk verlopen. We bouwden een band op binnenshuis, daarna gingen we ook eens op stap, leuke dingen doen. De vriendschap werd steeds hechter en inmiddels zijn we als familie.’
Wat volgens hem heel belangrijk is om dit soort projecten te laten slagen, is het aanbieden van gemeenschappelijke ruimtes waar mensen elkaar ook echt kunnen ontmoeten, zo beargumenteert hij. ‘Er zijn ook woonprojecten waar mensen bij elkaar op de deur moeten kloppen voor een ontmoeting. Als ze dan samen willen eten, gebeurt dat op de kamer. Dan maak je de drempel ontzettend hoog.’
‘Je moet je bedenken dat statushouders vaak net uit een azc komen. Ze hebben vaak nog geen Nederlandse les gehad, weten misschien ook wel hoe mensen naar migranten kijken en daardoor is het lastig de eerste stap te zetten. Door een gemeenschappelijke ruimte als een keuken word je gedwongen om elkaar tegen te komen. Die kleine push heeft iedereen nodig om kennis te maken met een vreemde.’
De fysieke architectuur van de woonruimte doet ertoe. Dit kwam ook terug in een reportage van Pointer uit 2023. Daarin wordt De Woondiversiteit vergeleken met andere gemengde woonprojecten. Een bewoner zegt daar in essentie dat het delen van keuken en woonkamer ervoor zorgt dat bewoners elkaar automatisch vaker tegenkomen. Bij grotere complexen met zelfstandige containerwoningen zou die sociale interactie veel minder vanzelfsprekend zijn.
Willen ontmoeten
Volgens Kuit is de intentie van bewoners minstens zo belangrijk als de architectuur. De woonunits in gemengde projecten zijn vaak relatief goedkoop. Dat trekt jongeren aan die in eerste instantie vooral een betaalbare woning zoeken. Niet iedereen komt er dus binnen met het idee om een band op te bouwen met een statushouder.
‘De selectie werd gedaan door de vastgoedbeheerder zelf’
Bij De Woondiversiteit kwamen studenten alleen in aanmerking als ze waren voorgedragen. Daarna moesten ze een motivatiebrief schrijven, maar de eisen waren niet bijzonder streng, vertelt hij. ‘De selectie werd gedaan door de vastgoedbeheerder zelf. Die heeft gewoon niet de sociale voelsprieten om te beslissen of iemand geschikt is voor zo’n project.’
Volgens Kuit bleek dat al snel. ‘Na het eerste half jaar waren driekwart van de Nederlandse jongens op mijn gang alweer vertrokken. Samenleven is niet voor iedereen geschikt.’
Problemen op de gang
Zelf had hij juist een duidelijke motivatie. Hij was net terug uit Lesbos, waar hij als vrijwilliger had gewerkt in een vluchtelingenkamp. ‘Ik wilde mensen helpen die net waren aangekomen in Nederland. Het woonproject sprak me enorm aan. Zo kon ik op een basale manier mensen helpen in hun dagelijkse realiteit.’
Maar er gebeuren ook weleens heftige dingen in de woongemeenschap, zoals ruzies op de gang of bewoners die kampen met psychische problemen, vertelt hij. ‘De wooncorporatie is niet sociaal geschikt om dit op te lossen. Dat moet de woongemeenschap doen. Maar dan moet die gemeenschap wel sterk zijn.’

De problemen die zich soms voordoen onder kwetsbare bewoners zijn precies de reden waarom sommige woonprojecten in een slecht daglicht zijn komen te staan. Zo kwam Stek Oost – een ander woonproject in Amsterdam – in het nieuws omdat een van de bewoners zich had vergrepen aan twee vrouwelijke bewoners. De man was een statushouder, de vrouwelijke bewoners hadden zich aangemeld omdat ze geloofden in wederzijdse integratie. Het was een schrijnend voorbeeld van hoe het fout kon gaan, maar daarmee moet gemengd wonen als concept niet worden afgeschreven, vindt Kuit. ‘Er zijn wel dingen die beter kunnen.’
Zoals de studenten een screening moeten ondergaan, moeten ook statushouders beter worden geselecteerd, vindt hij. ‘COA wil geen onderscheid maken. Ze moeten mensen die een status hebben gekregen gewoon ergens laten wonen. Maar het zou wel helpen als van tevoren bepaalde signalen worden opgepikt. Als iemand niet lekker in zijn vel zit, last heeft van depressie of psychosen, dan kan zo’n persoon beter niet samenwonen met anderen. Het huis is rumoerig, frustraties worden op allerlei manieren geuit. Mensen met complexe of heftige mentale problemen zijn een last voor zichzelf en voor anderen.’
Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS), dat in 2019 onderzoek deed naar samenwonen met statushouders, concludeerde ook dat statushouders zelf niet vrij zijn om voor deze woonvorm te kiezen. Statushouders mogen een aangeboden woning doorgaans niet zomaar weigeren, waardoor je je af kunt vragen of ze altijd evenveel behoefte hebben aan een gedeeld appartement. Vaak verlangen ze na een periode in het azc juist naar rust.
Goede begeleiding
‘Zo’n gemengde woonvorm vraagt wel om goede begeleiding en sociaal beheer, zeker wanneer verschillende groepen gebruikmaken van gezamenlijke ruimtes’, zegt Thomas Zwiers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die eerder over verschillende woonvormen sprak met de Kanttekening. ‘Sociaal beheer zijn activiteiten waarmee een gemeente en woningcorporatie, eventueel in samenwerking met een maatschappelijke organisatie, ervoor zorgen dat bewoners prettig en veilig kunnen samenleven en eventuele problemen vroegtijdig worden gesignaleerd en opgelost.’
‘In ons geval was de sociale cohesie heel sterk’
Dit zegt ook Kuit. Soms was de woongemeenschap niet in staat om problemen op te lossen, dan moest er worden ingegrepen. Maar dit gebeurt niet altijd even kordaat, merkt hij op. ‘Dat viel me ook op aan Stek Oost. Er moest eerst iets ergs gebeuren voordat er werd ingegrepen. Dat is waar het fout gaat. Bij ons waren er ook weleens ruzies op de gang, maar dan moesten we het toch als gemeenschap oplossen. In ons geval was de sociale cohesie heel sterk, maar dat is niet altijd het geval.’
Het is jammer dat projecten als Stek Oost nu worden gezien als ‘niet geslaagd’ of ‘niet mogelijk’, zegt Kuit ten slotte. ‘Er gebeuren ook heel veel mooie dingen. We moeten het concept niet afschrijven.’
Maar er zijn wel dingen die beter moeten, erkent ook hij. ‘Sommige projecten zijn succesvoller dan andere. Er is inmiddels wel aandacht vanuit de gemeente voor de noodzaak om projecten goed te begeleiden. Maar wat ik eigenlijk steeds weer mis, is het inzicht dat gemeenschappelijke ruimten cruciaal zijn voor de cohesie binnen gemengd woonprojecten.’
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

